2021

Onderstaande gedachten borrelden bruisend door mijn hoofd toen ik, gezeten in de zwarte middenklasser, mij liet voortstuwen door de hallucinerende tunnel van de Carwash, teneinde – voel de symboliek, lezer – het vuil van 2019 af te spoelen. Op gevaar af, het meelezende deel van de bevolking voor het hoofd te stoten met niets betekenend hol geschrijf, wil ik het volgende meedelen:

Was het maar vast 2021, ik kan niet wachten. Hohoho hoor ik je zeggen, eerst moet het nog 2020 worden. Nou, voor mij hoeft het niet zo nodig, wat mij betreft slaan we dat jaar gewoon over. ‘Volgend jaar’, klinkt altijd zo ver weg, nu echter, aanstonds binnenkort. Neen, geef mij maar 2021, lekker makkelijk, goeie voornemens, jazeker, ik heb ze – hou nu eenmaal van uitstellen – voor 2021.

In 2021 bereik ik, als het doorgaat, de leeftijd der zeer wijzen, word ik misschien wel een luie E-biker, heb ik wie weet hoeveel kleinkinderen, zijn Eega en ik alweer toe aan de zoveelste mijlpaal in ons samenzijn (ben de tel kwijt), kan ik terugzien op de geslaagde beklimming van de Grossglockner (bijvoorbeeld) of misschien toch ook weer net niet.

In 2021 denk ik terug aan die legendarische middag in 2019 hoe ik met een sluimerend griepje in de Carwash alvast vooruit dacht, iets te ver, aan 2021. En hoe we in 2020 eindelijk verlost werden van Trump, sterker nog, zal ik geen actieve herinnering meer hebben aan deze figuur. Aan hoe die zomer eindeloos lang duurde en de pedicure overuren maakte aan mijn door oeverloos lange strandwandelingen verkregen eelt. Kan ik terugkijken op drie nieuwjaarsduiken, ’19, ’20 en ’21 die ik allemaal aan mij voorbij liet gaan.

Als je 2020 overslaat heb je niet dat zeurende dooremmerende nieuws over de nieuwe Holleeder, Ridouan Taghi. Heb je niet het gemis gevoeld van de verdwenen talkshowhosts Jinek en de alsmaar milder wordende Pauw. Het Rotterdamse Songfestival, is dat erg? De start van de Vuelta die zestien september over de Grebbeberg fietst.

In 2021 ga ik terugkijken op die onvergetelijke maand in 2020 – a dream came true – op Bora Bora, het witte poederstrand, in de verte het atol waar de Stille Oceaangolven zich stuk beukten en ik met eigen ogen waarnam dat de zeespiegel stijgende is. Ga ik nog minder drinken, iedere vrijdag bloemen kopen, alle tekeningen van kleinkind J op volgorde archiveren, aardig doen tegen buurtgenoten en oude vrouwtjes, stop ik met de ‘kritische blik’, cynisme zal mij vreemd zijn. In 2021 zal ik mij verheugen op de jaarwisseling naar 2022, zonder honderdduizend donderbommen en zinloos vuurwerkgeknal.

Maar bovenal, beste lezer, zo stel ik mij voor, zal ik in het jaar 2021 waarlijk vrij zijn, vrij van alledaagse verplichtingen die het leven in deze, door nepnieuws aangestuurde maatschappij aan ons oplegt. Bevrijd van duist’re gedachten en bedenksels in het hoofd. En dat, alleen al die belofte, dat ideaalbeeld doet mij watertanden reikhalzend uitzien naar 2021. Nog een jaar slechts.

Ps. Goed voornemen: kleinkind J kennis laten maken met de psychedelic attraction van de Carwash.

Pfas

Even ontsnappen, wegwezen, frisse lucht opzuigen. Na weken van behangsafstoomstof, geschuurde deuren -, vers gefreesde stopcontacten in betonnen muren – , vloerverwarmingssleuven – en stucadorenstof gaven mijn veelgeplaagde longen aan dat nodig te hebben. “Fresh air, please, give us some fresh air”, meende ik ze te horen gillen. Bijna twintig jaar terug, oudejaarsnacht van het jaar 2000 rookte ik mijn allerlaatste sigaret, zeventien jaar eerder, toen ik papa werd was ik al gestopt en rookte al die tijd alleen nog gebietste peuken op feestjes, bruiloften en partijen en jawel, verbouwingen. Men kan er dus vanuit gaan dat doorrookte longen na zevenendertig jaar weer min of meer schoon zullen zijn. Mits daar niet teveel cementstof, spuitlijm en fijnstof langswaaide en men allicht daar een snuif van mee kreeg. Nog daargelaten de niet te vermijden wolkjes van een stug doorrokende medemens. Alsmede de haast onzichtbare magnesiumsmog die in menig klimhal hangt.

Het was waarlijk of ik het voelde, het ontbreken van stikstof, niet waarneembare koolmonoxide, daar aan de oever van de rivier. Natuurlijk, ik hield mezelf voor de gek, schadelijke stoffen, de emissies van Moerdijk, de ammoniakuitstoot van de Amercentrale waren hier niet te zien, maar het voelde zo schoon. Het was fijn er nu weer eens te zijn, toen ik deze zomer ontdekte dat er aan mijn secret beach niet veel secret meer is. Voor de oplettende natuur- of rustzoeker, er staan zelfs al her en der aanwijsbordjes, met de naam die ik hier nog steeds niet wil onthullen. Geduldig als ik ben, dacht ik, mijn tijd komt nog wel, en inderdaad, op een saaie grijze maandag in december was er niemand. De oude bomen kreunden zachtjes in de wind, kleine golfjes keerden de schelpjes om op het strandje, waar geen voetafdrukken het egale vlakke zand ontsierden. Behalve 327 grauwe – , rot – en nijlganzen op de akkers, een lief roodborstje, een zilverreiger, een niet nader aan mij bekendgemaakte roofvogel geen levend wezen gezien. Behalve dan die ree, die op slechts tien meter voor me overstak en die ik pas zag toen ik weer voor me keek, te laat, dus. Behalve boswachter, Th. v. d. E. drentelend op de P. Plaats, waar ik de neiging moest onderdrukken om hem toe te vertrouwen dat ik regelmatig zijn blog over het wel en wee van de Biesbosch lees.

Ontsnappen en frisse lucht inademen, even geen  poly- en perfluoralkylstof, geen Pfas dus. Gelukkig is er weer iets nieuws ontdekt dat we moeten vrezen, getiteld Pfas en Pfoa. Het ozongat is gerepareerd, zure regen kennen we niet meer, asbest daken zijn toch minder gevaarlijk dan werd gedacht. Aan de andere kant, klimaatontkenners blijven ontkennen. Boeren blijven protesteren en mogen dat, gedoseerd. Op Schiphol mochten andere demonstranten zonder tractoren dat weer niet. Chemours, de nieuwe naam voor Dupont, het fijne bedrijf op slechts enkele kilometers benedenwinds van de Asus pc, waar deze column op wordt ingetikt, heeft van onze minister Cornelia van Nieuwenhuizen – Wijbenga weer vergunning gekregen om door te gaan met stiekem lozen van Pfoa en Genx in de rivier. Niet de rivier aan ‘s welks oever ik mij thans bevind, maar aan de andere zijde van het eiland. Hoewel, via de gekanaliseerde route rondom ons eiland zou er nog wel een homeopathisch verdund minidrupje met de vloedbeweging terug gespoeld kunnen worden.

Op een droge steen in het natte zand gezeten, kabbelden deze hersenspinsels door mijn  – pan. Het lukte ze weg te filteren en me domweg gelukkig te voelen. Nog even vrede en een bijna-Kerstgevoel in die beangstigend veranderende wereld. De lichte spierpijn overgehouden aan het schuur- en schilderwerk en de bijna-over-verkoudheid, aangestoken door een snotterend oppas kleinkind deden daar niets aan af. Op de terugweg trapte ik nog enkele wegwerpblikjes (zichtbare vervuiling)  plat alvorens ze verderop in de groene bak te deponeren, onder toeziend en goedkeurend oog van voornoemde boswachter.

O, als ik toch eens….

mooi dik en zwaar vallend haar had,
zou ik het over mijn schouder gooien
met zo’n zwaaiend hoofd, je weet wel.
Zou ik wakker worden met alles in de klit.

een open haard had
zou ik hem iedere avond laten loeien,
schijt aan de buren,
schijt aan het klimaat.
Zou ik ervoor gaan liggen
op een oud tijgervel met schroeivlekken erin.

Als ik echt teveel geld had
kocht ik een Citroën ds, zo’n strijkijzer
zou ik hem laten tunen en moderniseren enzo,
een elektrische motor erin
en dat tie nooit met pech zou staan.

een grote tuin had, weer kippen nemen, net als toen,
opnieuw kon beginnen, berggids worden of nee toch boswachter,
een pistool had en Trump kon neerschieten met een mitrailleur,
dik en veel lang haar had zou ik krullen willen,
jonger was en sterker de Matterhorn even doen,
en de Eiger en de Galenstock beklimmen,
minder verlegen was, de waarheid en wat ik voel,
vertellen en opnieuw beginnen kon.

O, als ik toch eens kon dichten
of schrijven desnoods
en viesstinkend rijk ervan zou worden,
zou ik weg gaan geven aan wie het hebben wil.
Zou ik een schooltje gaan beginnen in Solo Khumbu
met een ziekenhuisje ernaast
en een bejaardenhuisje voor bejaarde Nepalesen.

kon zingen
zou ik zingen voor jou,
over groene heuvels en een huis in de zon,
en onze kat liggend in de tuin,
onze kat liggend in de zon.
Zou ik wachten op jou en zingen
over sterren aan de hemel,
en onze kat liggend in de tuin,
onze kat spinnend in de zon.

Blind Date

Heb je even, toppertje, het volgende scenario, voor nieuwe lezertjes ietwat onnavolgbaar wellicht en voor liefhebbers van archaïsch taalgebruik: vooral volharden en niet versagen. Laat mij eens out of the box iets innovatiefs uitrollen (bah). Aan diegene die nog niet heeft afgehaakt; weest gewaarschuwd, mocht ik in geschriften tot de ik-vorm overgaan; ‘ik’ ben het niet (-altijd).

Goed, daar is dus die Blind Date, nice! Er waren gegronde vermoedens en voldoende aanwijzingen dat er een zekere match gelabeld zou (kunnen) worden. Roadtrippen en citytrip, beide vinkte ik aan, datzelfde gold voor stad of natuur, stilte of hectiek, Anglo- of Francofiel. Beetje raar misschien, maar ik moest er toch weer even heen, de sfeer die je nergens anders vindt, zo typerend en op onverwachte momenten zulk een heimwee oproepend.
Het werd dus hectiek; London city. Ik dacht, komaan, fingers crossed, wie weet hebben we nog een weather window en valt het mee. De beste tijd voor London is in de zomer, mits het niet te warm is en uiteraard de Kerstperiode, mits je je Kerstweerzin kunt overwinnen. Ied’re paar jaar dompel ik mij, kort weliswaar, meng ik mij onder die acht miljoen characters. En het moet snel getackeld dit keer met mijn nieuw verworven vliegschaamte, per trein dus en slechts een onedaystand, heel cliché; een uitdaging.

Van Pancras station per London cab – Austin FV4 – naar Piccadilly Circus, waar ik meestal mijn traditionele pelgrimage een go geef. Regentstreet, langs het majestueuze pand van voormalige werkgever, de teloorgang van een gigant die het, funny, ook niet redde, waar ik de ‘Runners up cup’ won (gewoond keihard verloren; 2e). Linksaf Vigostreet in, waar stamkroeg de Thistlepub plaats moest maken voor een Suit Supplyer.

In Savile Row alles nog chic, en, nice! in Conduitestreet eveneens. Oxford Circus, Bondstreet met alle bekende prijsvechters en de wawawaanzinnige Kerstetalages van Selfridges tot aan de Great Cumberland Place en mijn vaste verblijfplaats, het gelijknamige hotel, waar ook Madonna sliep, zo werd gefluisterd.
Kan ook Regent Palace geweest zijn, wil ik vanaf zijn. Om tijd te winnen pak ik bij Marble Arch de Central line en ik ruik weer die kenmerkende geur en het is busy, pas in de tweede trein die luidsissend stopt pers ik mij op onEngelse, haast Japanse wijze tussen forensen en toeristen. Ik moet persé nog even snel naar Knightsbridge, my favorite Harvey Nichols, welke sprookjes of illusies hebben ze daar gepresenteerd. Slechts korte stukjes, overstappen op de Bakerloo en nog eens op de Piccadillyline.
Cross snel door Sloanestreet, Harrods sla ik over, geloof ik wel, geen tijd en geen zin in geparkeerde Rolls-Royces en de over de top delicatessenshop.

En dan krijg ik pas echt haast, nu weer terug, voor Soho geen tijd, met de obscure striptenten en de exorbitant dure Italiaan waar we ooit dineerden en bij de sambuco dikke sigaren kregen aangeboden. In dit jaargetijde moet ik eveneens tot mijn niet geringe spijt bekennen, dat nota bene in die tijd dat Black Panther daar actief was, wij verkleed als zwarte Piet, op weg naar de jaarlijkse Company Party, een restaurant binnenvielen en de nietsvermoedende gasten tot hun verbijstering bekogelden met Hollandse pepernoten.
Van Roetveegpiet nooit gehoord nog, toen.

Sorry, het begint een sentimental yourney te worden; een ander jaar was er de dresscode Dickens en bleek alleen wijn verkrijgbaar, hetgeen wij dronken als bier met een resultaat dat zich raden laat. Covent Garden, Trafalgar Square, de Theems, Tate Modern, Millenium Bridge, helaas geen tijd voor. Geen blik op de Tower en Tower Hotel – bad memories – waar Eega en ik beiden ziek werden. Terug dus, met de Tube naar Hyde Park Corner station, altijd ietwat verwarrend, er is die lange straat die ook Piccadilly heet.
De door en door gepiercete blauwe tattoo doorboy van het Hard Rock Café snauwt om mijn reservation. Ik show hem mijn display:
“No worries mate, I ‘m here for my Blind Date.” “Nice!”

Nr.5 Chanel

Nadat je jezelf ernstig hebt toegesproken in de trant van ’je kán het’, fiets je keihard naar de stad, vastbesloten je erdoor heen te slaan, even op de tanden bijten, het is zo gebeurd. Ja, je moet er wat voor overhebben, voor de liefde. Want, je gaat je zo begeven in ‘a hell of a place’, namelijk die van de fragranceshop, de parfumeriewinkel.
Geen erger plek voor een man dan die verkoopplaats waar een weeïge lucht hangt die zwaar op de stembanden slaat, stembanden die toch al haast dienstweigeren, je gadegeslagen wetend door het nuffige personeel dat je zwijgend aanstaart, je beoordeelt van schoenen tot pet.

Geen geaarzel nu meer, je stapt gewoon de eerste de beste lekkereluchtenwinkel binnen en dat is de Rituals. Eerste indruk veel zwart en dat bevalt je wel, meteen gevolgd door een tweede blik, op de lange rij wachtenden bij de kassa. Dat nooit en nog niet verder dan de mat maak je een draai van 180 graden die ze op de catwalk van de Prêt-àPortershows in Parijs niet veel beter doen.
Bij de buren, Douglas, is het rustig, té rustig. Vijf juffrouwen, met tien ogen, zwart en zwaar opgemaakt volgen je, kijken of je niet per ongeluk al iets in je grote zwarte Ortlieb fietstas stopt. Je krijgt het er warm van en je moet je bedwingen niet heel snel iets in die zwarte tas te laten vallen.

Het is verschrikkelijk, het is teveel, de onnoemelijke hoeveelheid doosjes en flesjes in zwart, goud, rood of pasteltinten en goud die stuk voor stuk proberen je te verleiden, met namen die romantiek beloven, avontuur of seks in het vooruitzicht. Je moet hier doorheen, je niet uit het veld laten slaan. Versace, Cacharel, Paco Rabanne, Armani, Chanel en Calvin Klein.
Wat zou ze lekker vinden, na al die jaren weet je het nog steeds niet. Overal verstand van – nou ja – behalve van dit geneuzel. Waar maak je haar blij mee, totaal geen idee. Enigszins besmuikt glip je de geurenboetiek uit, geen alarmbellen luidkeels schellend, niet in de kraag gevat wordend door securityboys, er vanuit gaand dat de fietstas nog steeds leeg is, beetje gek, maar geen ‘daft prick’ * Spike in Notting Hill.

En door, het is voor de liefde, op naar de volgende. Je weet dat je tekort schiet, je wilt niet zo’n mannetje zijn dat braaf elke vrijdag met een bosje blommen aan komt gescheten. Je houdt al helemaal niet van groeibriljantjes, bestáán die nog, of toch maar weer een nieuw hangertje, ring of andere blingbling, je bent nog van de generatie die niet haar liefde koopt!
Ici Paris XL, alleen de naam al, en dat XL waar slaat dat op, maar goed, le magasin is ook vrijwel geheel in de kleur noir. En precies druk genoeg om niet op te vallen in je zoektocht. Naar iets wat betaalbaar is en er toch duur uitziet, want ja, zo ben je dan ook wel weer. Die prijzen, voor een flesje water met geur, je begrijpt het niet. Voor de totale wanhoop toeslaat grijp je maar iets en overhandigt het de juffrouw met een air, verveeld haast, je doet dit wekelijks eigenlijk, ach ja, voor welke maîtresse was dit ook weer.

Terwijl het reeds buitensporig ingepakte flesje nogmaals in luxe cadeaupapier wordt gehuld, “Is het een cadeau m’neer?”, ja héhé, denk je bij jezelf, wat dacht je dan en schiet nu maar op. Ondertussen heb je ruim de tijd om haar fraai beschilderde gelaat te bestuderen. De conditioner op de goed gehydrateerde huid aangebracht, de mascara, de dagcrème, de bronzer, wenkbrauwen en de lippen opgeschilderd. Je wilt hier niet zijn, in deze geurstoffenzaak, het kan altijd nog erger, hoe je collega toen in Londen persé een pikant lingeriesetje mee wilde nemen voor zijn vrouw.
Het inpakken duurt lang, het is ook niet makkelijk met nagels die zwart zijn en van huiveringwekkende lengte. Haar marmerbleke hand begeeft zich galant jouw kant op: “Fijne avond, m’neer”.
De dubbel ingepakte fles bevindt zich in een eveneens zwarte tas met rode hengsels. Alles voor de liefde, nu snel naar huis voor nog een echte inspanning, het zwaarste moet nog komen. Een gedicht, met iets liefs, ze weet het wel, maar ze wil het lezen, zwart op wit.

 

Jan van Galenstraat

Erasmusgracht, Orteliustraat, James Cookstraat, doelloos dwaalde hij rond, weggedoken in zijn jas, die te dun was voor de tijd van het jaar of voor deze dag die grijs begonnen was en vrijwel meteen alweer leek te schemeren. Eenzelfde duisternis die in zijn hoofd hing, een dofheid, bonkend en zeurend. De lange bakstenen wanden die de straten omzoomden in hun eigen kenmerkende Amsterdamse bouwstijl met het metselwerk en de speciale maatvoering van de kozijnen en de bijzondere deuren met de kleine raampjes en versieringen die aan Art Deco deden denken of was het Jugendstil verwant. Hij had er geen oog voor.

Lopen, lopen, lopen, straat na straat, de stoepen vol geparkeerde fietsen, scooters en bakfietsen. Een hoek om en een eindeloze cocktail van winkels en eettentjes strekte zich uit. Genki sushi-café, Döner-Plaza naast de Nutrition sportvoedingshop, Ah Sin chinees, even naar binnen in de fietsenwinkel met naked bikes, gouden of kobaltblauwe wielen, zegt u het maar, Roti shop naast de Koeckenbakker en de Cupcake Company en de Mevlana slachterij. Alle talen om hem heen, Marokkaans, Surinaams, Portugees en Turks, hij hoorde het niet.
Er stak, heel stiekem een windje op, wat gemeen door de zijstraten waaide en guurde en onverhoeds zijn pet meenam en net naast een plas deed belanden. Heel zacht, haast onmerkbaar begon een motregentje neer te dalen.

Een Turkse kapper, het Vegan eethuis, de Febo, de etalage met roze en lichtblauwe galajurken voor al uw Hindi bruiloften of foute feesten, de Shishalounge en de paddoshop. Hoelang geleden woonde hij in deze stad, hoeveel kilometers had hij er afgelegd, ’s avonds en ‘s nachts, dolend en op zoek, naar wat eigenlijk. En toch in dit deel van de stad was hij nooit.
De hele sfeer was hem bekend, het was onmiskenbaar Amsterdam, maar een ontheemd gevoel bekroop hem tot in zijn botten. Herinnerde hem aan de eenzaamheid van toen, hunkerend naar warmte en liefde, dat vooral, de warmte van de liefde. Hij checkte zijn telefoon, zinloos.

De straat verbreedde zich tot een plein, het Mercatorplein, al de namen van de straten en de pleinen kwamen zo bekend voor, dat wel. Plotseling vond hij zich terug achter een glas bier in een ronde ruimte met bebaarde mannen en vrouwen met strenge brillen of verward haar starend op laptops en tablets. Op het viltje onder zijn glas las hij café Zurich.
Verder weer, lopen, door de donkere straten, schuilend dicht langs de schaduwen van portieken. Op een volgende hoek een helverlichte bar, een vrouw met felblond haar ving al het licht en even, heel even zijn aandacht, een scene die deed denken aan dat Edward Hopper schilderij, Nighthawks. Het regende langzaam harder, lekte zijn jas nu al door, de vergeten frostbite aan zijn vingers leek terug.

Mensen met bleke gezichten staken over door het rode licht, tegen de stroom in werd zijn lichaam vloeibaar om niemand te raken. Schuilde even in de abri van de tram, lijn 13 Geuzenveld, groen verlicht door het grote kruis van de Apotheek, tot een lege tram voorbij daverde; Remise. Het kostte moeite contact te houden met de stoepen en de aarde, was het nou de maan, hij lachte in zichzelf, dat magnetisme was nogal sterk vandaag.
Nietsziend dwaalde hij verder, tot zijn blik omhoog getrokken werd. Een kruis, een betonnen kruis op een open vierkanten blok, boven de huizen, hij herkende het feilloos. Zijn pas versnelde, daar moest hij heen, THEA, die oude tempel, waar een deel van zijn leven zich had afgespeeld. In strijd tegen de zwaartekracht, in die kille lekkende spelonk waar de muziek de muren deed dreunen en het hippe volkje met mutsjes en gele broeken klom tot het plafond, de betonnen muur hen stopte. De rauwe klimhal, Tussen Hemel en Aarde.

Zijn pet drupte regendruppels op de vloer, zijn bril besloeg in de warmte, niets was er te herkennen, geen greep, geen route. Het was een kinderspeeltuin nu, vol van kleur en gezelligheid.
“Meneer, meneer, kan ik wat voor u doen, zoekt u iets meneer?”
Tegelijk trilde de telefoon in zijn broekzak en vluchtte hij naar buiten. Onder de ver uitstekende verweerde betonnen luifel las hij haar verlossende appje:
“Ik ben er, waar zit jij?”

Drivin’ home

Het is zover, de jaarlijkse stroom van ellende die over je heen wordt gestort. Onontkoombaar. Des te meer valt het me op, nu ik, als een echte klusser, bij het behang afstomen, het schuren en het schilderen en het opnieuw schuren en schilderen de hele dag de radio aanheb. En dan bedoel ik niet de Top 2000 of 3000, elke zender heeft zo zijn eigen Top, maar die ellendige kerstsongs.
‘All I want for Christmas’, ‘Jingle Bells’, ‘Last Christmas’, ‘Let it snow’ en oneindig veel meer van dit soort zeikliedjes, schallen echoënd door het lege huis. Alleen al hierom zou je een hekel krijgen aan dat K.feest. Daarbij toegevoegd het smerige weer, de korte dagen, hé, is het nu alweer donker, de stapels folders met opgelegde gezelligheid, nog meer eten, nu nog lekkerder.

En toch, ontegenzeggelijk, ik krijg een onbestemd gevoel van binnen, waar ik iets mee moet. Is dat compassie voor de medemens, m’n naaste – nou sorry, die buurman hier, ik kan er niks mee – is het mededogen, barmhartigheid, om er eens enkele Kerstachtige termen in te gooien, is het liefde, een op-zoek-zijn-naar-vrede. Het is lastig te verklaren, ik kan het mezelf niet uitleggen.
Dikwijls is er rond de Kerstdagen ergens op de wereld een ramp, of valt die dan gewoon extra op? Een tsunami, een verwoestende orkaan. Nu weer een aardbeving in Albanië, een orkaan op dit moment onderweg naar Mexico, extreme bosbranden in Australië. En zo bespeur ik ook een zekere ongerustheid bij mezelf, wanneer zijn wij aan de beurt. Moeten wij vluchten voor water of geweld.

Komt het voort uit dat laatste, die sluimerende onbestemde vrees, dat er die hang is naar de gordijnen dicht. De kachel hoog, iets teveel waxinelichtjes (stikstof) nog maar een wijntje, open haard aan (meer stikstof) Home Alone maar weer eens kijken en toch Notting Hill en dan wachten op die ene vertederende scene: “I ‘m just a girl, standing in front of a boy,” op haar teenslippertjes.
Even niks meer te maken hebben met, even niets. Gewoon thuis, warm, veilig. Drivin’ home for Christmas.

Het is zover, mijn jaarlijkse Kerstcolumnpje, wat vroeg misschien, dit jaar, roetpiet is nog in het land. Oja, die tradities, wanneer is iets een traditie. Hoeveel jaar moet roetveegpiet nog roetveegpiet zijn, rotjes die donderbommen worden – vroemvroempartijtraditie – en de traditionele Kerstcolumnpjes een traditie zijn. Nog afgezien van de ingewikkeldheden van waarheen met Kerst met wie of thuis met die en die en die maar niet want vorig jaar.
Al eerder schreef ik vernietigend over overvloedigheid en Kerstconsumptisme, ik ben nu eenmaal behept met een ernstige vorm van Kerstkalkoenschaamte. Tevens werden eerder hier onderwerpen besproken als Kerstmarkt, de Kerstkerkdienst, alsmede een Kerst sing-a-long in een – naar mijn eigen bescheiden mening – mix van liefdevolle kritiek. Want, daarheen wil ik eigenlijk, met dit verhaaltje; ‘That’s what it ’s all about!’

En dan niet alleen met Kerst, een beetje lief zijn voor elkaar.
Een beetje liefde, wat kost dat nou, liefde is gratis en zoals mijn goede vriend Bob Dylan al zong:
“Love is all there is, it makes the world go round”.
Of gewoon oer-Hollands van Claudia de Breij:
“Mag ik dan bij jou, als er oorlog komt, of als het nergens anders kan, of als ik bang ben, mag ik dan bij jou?”

Toe maar, gooi nog wat pulp de ether in, ’Lonely this Christmas’ galmt door de lege kamers, waar het stof millimeters dik ligt, ‘So this is Christmas’ gesmoord wordt door mijn Black & Decker schuurmachine en ik mee schreeuw met Slade:
“So here it is merry Christmas, everybody is having fun, look to the future now”.

Trocadéro

Toch weer even naar Parijs geweest, kon nog net, voor de winter invalt. Je weet toch, dan moet je er niet zijn, ’s winters, in dat tochtgat. Die boulevards, de pleinen, gure trekgaten. Bij voorkeur ga je in le printemps. Of in augustus, ook goed, dan zijn alle Parijzenaars de stad uit en de Parisiennes ook, naar de kust of de campagne, hoewel de afwezigheid van die Parisiennes wel weer jammer is.
Nu trof ik het, er zat nog blad aan de bomen, fraai verkleurd en aangelicht door laag zonlicht en ook de straten waren er mee geplaveid. En je weet toch, hoeveel die er staan in Parijs, bomen.
Het was niet al te koud, het regende niet en ik was niet alleen.

Toch weer even, Parijs, je weet, de stad van de liefde, toch. Waar je steeds naar teruggaat, terug verlangd, dat je zomaar opeens de Thalys wilt nemen. Die stad, zeker wanneer je er gewoond hebt, die in je genen is gaan zitten. Dat ene jaar in het kleine appartement, helemaal aan het eind van de Rue de Rivoli, nou ja een straatje erachter, was voldoende om mij voorgoed te besmetten.
Die tijd aan Rue de Rivoli, toevallig ook de straat waar ik, heel jong nog, liftend werd afgeleverd. Opgepikt aan de Ring van Antwerpen door een Parijzenaar die met zijn zwaarbekraste Renault mij met Thalys snelheid naar Parijs reed.

Altijd weer ga ik even naar die buurt, loop door de nauwe straat en kijk omhoog, naar het balkonnetje. Denk terug aan die tijd, zo gelukkig begonnen en in mineur geëindigd. Soms lukt het zelfs voordelig een hotelkamer te vinden in de omgeving.
Hotel Chapentier, de Beauvais of het Henault. Rue de Rivoli, een straat van drie kilometer lang, bepaald geen straf om te lopen, parallel aan de Seine, eindigend langs het Louvre, de Tuileries en natuurlijk Place de La Concorde.
Ook deze keer was ik onbedoeld weer in mijn oude buurtje terecht gekomen, op zo’n eindeloos lange zwerftocht. Was, zoals vaak, gewoon de Métro ingestapt en ergens er weer uit. Dwalen over avenues, lukraak linksaf en kijken wat je tegenkomt, welk verrassend pleintje, geheim park of verstopt museum er te ontdekken valt. Via de Pont de Sully de Seine over en toen richting de ondergaande zon slenterend. Je weet, een ondergaande zon kan haar zo mooi belichten en haar ogen doen flonkeren.

Jardin de Luxembourg, ik hou ervan. Ik word er altijd heel gelukkig, het is een vredige plek middenin de hectische stad. Kon er uren zitten op een groen ijzeren stoeltje, tijdens een van de spaarzame momenten dat ik vrij was, toen. Met de oude bomen, ruime grasvelden gevuld met de lezende, pratende of spelende medemens, in alle kleuren, vormen en maten. In het gelijknamige museum was ik nooit, dus waarom niet.
Een van de allereerste museums van Europa en het bleek vol te hangen met weelderige Rubens schilderijen. Wat later, in de schemer, lonkte het warmverlichte restaurant Le Table de Luxembourg ons, waar we zaten, op de hoge barstoeltjes met dunne pootjes, naar elkaar toegebogen, witte wijn dronken en heerlijk aten en elkaar lieten proeven van de Filet de canette française à la plancha en alweer, in het kaarslicht kleine vlammetjes in haar ogen opblonken.

We zochten ons een weg terug, in de smalle straat torende ver weg de Eiffeltoren boven de huizen, met fel gekleurde lampen die aan en uit floepten, wat we jammer vonden, zo werd dat statige stalen monument een kermisding.
“Wattisser, wat zeg je?” vroeg ze. Hmmm, had ik het weer gedaan, mompelzingen. “Niks”, zei ik, “Ik zong, dat liedje van Rihanna”. Zachtjes zong ik, – je weet toch, ik kan het niet, zingen – dat ene zinnetje:
‘We‘re beautiful, like diamonds in the sky’
Ze lachte, sloeg haar arm om me heen en stopte haar hand in m’n jaszak en ik omklemde die hand en gaf er kleine kneepjes in.

blue monday

 

Komt een man bij de caissière. Het was maandag, denk ik en die man was ik. Alweer tijden geleden en ik staarde met een uitgebluste blik naar buiten. Waar het zo’n dag was dat het niet echt licht zou worden en er een haast onzichtbaar regentje hing maar waar je toch nogal erg echt nat van werd.

Onlangs was het de dag van de Mantelzorg, zoals daar wel elke dag een dag is van bijvoorbeeld de dag van de ouderen, dierendag, secretaressedag of de dag van de vrijwilliger of de arbeid.
Maar die mantelzorgdag, raar woord, toch, die deed me denken aan al die jaren dat ik met een lichte vorm van mantelzorg belast was. Licht, omdat de mantelverzorgenden, twee stuks, beiden op verschillende adressen op honderd kilometer afstand woonden. Allebei nog zelfstandig, hoewel bij een van hen, elke boodschap moest worden gekocht en binnen gedragen. Zorg, die vanwege de afstand, de regelmaat, dat het niet alleen bij die boodschappen bleef en dat dan vele jaren achtereen toch best zwaar werd.

En verder terug dacht ik, als kleine jongen werd ik er al op uit gestuurd. Boodschappen doen, voor de hele week, voor het hele gezin, op maandag. Bij de kleine middenstander een paar straten verderop, een Spar of een Coöp of zoiets. Met de fiets, zwaarbeladen, volle fietstassen en van die groene tassen met lederen hengsels aan het stuur.
Zo veel dat ik er naast moest lopen en de hele handel amper in bedwang kon houden. Dat ik, de wanhoop nabij, voorbijgangers aankeek, op mijn tong bijtend om niet om hulp te smeken. Op school, bij geschiedenisles leerde ik over de hongerwinter, hoe mensen op klompen uren door de sneeuw liepen met handkarren en fietsen met lekke of houten banden. Zo ongeveer voelde ik mij ook. Help mij toch, zien jullie niet hoe zwaar ik het heb.

Nu is er geen dag van de caissière en toch werd er aandacht gevraagd. Voor hen, gewoon met een kleine glimlach of vriendelijk woord. Die aansporing had ik niet nodig, plooide altijd al mijn ietwat chagrijnige plooien in een wat vriendelijker stand. Liet mij niet leiden door de kortste rij, ondanks mijn eeuwige haast, maar welke caissière er zat.
De mevrouw, vroeger, waar ik als kind afrekende, schreef alle bedragen op een briefje en telde die dan met bovenmenselijke snelheid op. Sinds die tijd kies ik ze bewust, mijn caissières en een van mijn favorieten was die ene, wat ouder, ietwat onknap, zwaar beringd die zuchtend mijn spruitjes scande, om zodoende de honger van haar vermoedelijk drie bloedjes van kinderen te stillen. Ze loenste ook een beetje. Met een lichte gene weliswaar toonde ik haar mijn spruitjes, dacht er dan wel bij, o gosh nu weet zij wat ik vandaag ga eten, hecht nogal aan mijn privacy, ja onze lieve heer heeft vreemde kostgangers en ik groette haar altijd vriendelijk.

Lang geleden dus werd mij ook opgedragen bij de groenteboer te vragen naar ‘mooie-gele-andijvie-om-rauw-te-eten’. Bij thuiskomst werd ik overhoord of ik de boodschap inderdaad zo had gevraagd. Van die dingen dus. Die geven je leven kleur, of juist niet.
Was het daarom dat ik op die grijze dag met de dunne regen, een half leven verder, bij de kassa staande en buiten de saaie gevels zag op het nietszeggende plein waar onbekende figuren haastig passeerden en natte kranten in de hoek waaiden, ik inwendig kreunend bedacht: “This could be anywhere”. En ik me dus, heel even kon voorstellen hoe het voelt om depri te zijn, dat eufemisme voor depressief. En dat, terwijl het nog lang geen Blue Monday was, depriday, die grauwe sombere, neerslachtige maandag in de laatste week van januari.

Kom ik die caissière, mijn favo caissière tegen, gewoon op een zomerse dag in de stad. Ik wist, ze is met pensioen. Ik wist het, in de supermarkt had een postertje gehangen dat ze, na zoveel jaar trouwe dienst, nu aan het genieten was van haar pensioen.
Even was ik in verwarring, moest ik haar groeten, wist ze wel dat ik het was, haar vaste klant. En ook, ze was niet meer in dienst, misschien wilde ze niet meer herinnerd worden aan. Voor de zekerheid trok ik mijn chagoplooien vriendelijk omhoog, wist niet zeker of ze me, met dat beetje loensen, wel zag.

baila

Baila mi hermana
Baila para mi
Baila mi hermana
Baila para mi

Ergens had hij het al geweten –  hij hoopte er op –  de kans zou klein zijn, nihil eigenlijk zelfs, dat zijn muziek, die sound, de ritmes, die vibrerende vibe er zou zijn en inderdaad toen de volumeknop werd opgedraaid voelde hij, dit ging hem niet worden, dat hij zich geweld zou moeten aandoen om in de groove te komen, intern die juiste maat te vinden.

En hij kende zichzelf, het was altijd wachten, lang wachten, tot er voldoende moed was verzameld, genoeg gedronken, de juiste muziek langskwam, tot hij bijna op ontploffen stond, wilde zo graag, hield er zo van, dansen, dansen, dansen, alle schroom opzij en zich verliezen. Opgaan in, zich zuiver laten leiden door muziek. En waarmee kon dat beter dan met Latin, Samba of Merenque en probeerde dat duidelijk te maken, schreeuwend van dichtbij in haar oor.

Dance sister dance, I love the way you move, I love to watch you. Dance sister dance, feel the rhythm flow into your soul. Dance sister dance, feel the rhythm flow, feel the rhythm flow through you. Dance sister dance, I love to watch you move, I love the way you dance.

Zachtjes duwde ze hem naar voren, tussen mensen door, die vastbesloten waren niet te dansen, naar het lege deel van het zaaltje, daar waar de dj vanachter zijn tafeltje verwoed poogde diezelfde beat constant vast te houden. Waar vijftien mensen dansten, er kennelijk wel op konden bewegen, hoekig, hakkend en zagend. Het geluid was hard, hier nog harder, toch net niet genoeg voor hem. Vlak voor de muur resoneerde het terug, de techno butterfly disco lights maakten het nog iets gekker en plotseling kreeg het hem te pakken, bijna, en merkte hij dat hij bewoog.
Hij zou willen losgaan, in trance, doorweekt van het zweet raken. Heel even soms, wanneer een nieuw nummer werd ingezet leek het dansbaar, tot meteen na het intro de beat eronder werd gezet en de betovering verdween. ‘Ik ga om Reggae vragen’, dacht hij, ‘Of voor mijn part om een Bossa Nova’. Dwong zich verder te dansen, helemaal geen partner nodig, improviserend maar kwam niet echt in een flow. Zocht wanhopig naar zijn imaginaire danspatronen, raakte voor zijn gevoel niet verder dan een regendans. Waar was de vrije expressie – om dat afgerangeerde woord eens te gebruiken.

Viene de la luz. Con calma se baila esta danza. Y con amor canto yo esta canción África bamba hace a un lado a la tristeza. Y otra más dulce no la podrás encontrar. Oye eso te va sentir feliz

Het spel van de dans werd gespeeld, het reageren op de ander, gekkigheid, het verleiden en het afstoten. Een ultrakorte foxtrot of was het toch een quickstep of een tangofantasie, maar dan een parodie op dat stijldanskeurslijf. Een polonaise kwam voorbij, een Hollandse meezinger, waarna de beatmixer opgeschroefd werd naar ijle hoogten van BPM. Stof steeg op uit de planken vloer en zweefde door het flashlight, rood en groen. Zijn shirt in midnightblue plakte aan zijn rug, buiten in de zwarte nacht scheen een volle maan en daalde de temperatuur tot net boven nul. Het mooie, het fijne van muziek waarin je kunt verdwijnen dat zich automatisch vertaalt in bewegingen van je lichaam, het was er niet, maar ach, het was lol, het was feest.

We go dancing in the moonlight, with the starlight in your eyes, we go dancing till the sunrise, you and me we’re gonne dance dance dance.