
Kijk, beroemd zal ik nooit worden, simpelweg niet voldoende écht talent, schilder te weinig, ga niet voor de volle honderd procent er tegenaan, te lui, te gemakzuchtig en eigenlijk ben ik meer een illustrator. Dat er nu een aantal geëxposeerd hangen – en wel strak en compositorisch juist, dat verraadt dan nog de ex-etaleur in mij – is leuk, maar daar ga ik niet scoren, het is geen echte galerie tenslotte. En denk aan de drie regels voor succes, van bijvoorbeeld een winkel; 1 vestigingsplek, 2 vestigingsplek, 3 vestigingsplek. Er schuilt geen greintje Klybanski in mij; commercieel zijn in de eerste plaats. Tientallen schilderijen heb ik inmiddels weggegeven, nooit verkocht ik er een. Zoals Herman Brood, die heel veel weg gaf. (hij verzamelde alleen ‘mooie momenten’) Een schilderij of zeefdruk van hem is geld waard, maar wat mij vooral interesseert, heb je er één, (een echte) dan heb je een ‘Brood’ aan de muur.
Ik ga hier niet een serie titels opsommen van wereldberoemde werken, zoals ‘De Schreeuw’, ‘De Stier’, ‘De Kus’ en roept u maar. Zelfs de meest verstokte cultuurbarbaar heeft direct een beeld bij een titel.
‘En daar wil ik het vandaag met u over hebben’
De Koopgoot heet eigenlijk Beurstraverse, weet niemand meer. Minder bekend is de bijnaam van het beeld van Zadkine, ‘De Verwoeste Stad’. In de ‘volksmond’ wordt het ook wel ‘De Werkgever’ genoemd: ‘Kijk maar, hij heb een rotkop, heb geen hart en z’n klauwen staan verkeerd’. Wie kent hem niet; Kabouter Butplug’. Misschien is het bij sommigen onder u een beetje weggeëbd, de schande van de beschadiging van het schilderij ‘Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue’. Door Barnett Newman in 1966. Ten eerste de verontwaardiging over zo’n raar schilderij, een heel groot rood vlak met aan de uiteinden een kleine blauwe en een nog kleinere gele streep, en vervolgens over de hoge kosten van restauratie. Ik vond het juist geweldig, ten eerste alleen al die naam, prachtig, de boosheid van het publiek, voor mij had het gewoon zo moeten blijven, die sneden in het doek maken het alleen maar mooier, een verháál. Ooit bood ik een schilderij aan bij een openbare verkoop voor een goed doel, een meisje met een ernstige ziekte. Het is er niet verkocht, het bracht geen geld op, maar het is daar wel verdwenen. Ook mooi.
En nu kom ik waar heen wil, graag geef ik mijn schilderijen een naam, een ietwat vreemde titel soms zelfs. Dat kan het naar mijn mening net iets interessanter maken, zoals bijvoorbeeld ook een boekomslag vragen op kan roepen, niet te voor de hand liggend. Het schilderij hierboven is getiteld; ‘Don’t Speak’. Ik ga er niet naast staan om het uit leggen, zoals ik in mijn werkzame leven dikwijls vreemde etalages maakte. De bedrijfsleider vroeg mij dan om uitleg, mijn antwoord was; nee ik blijf er niet naast staan voor de ‘clientèle’. Welnu, dit is duidelijk een schilderij met een peak, logisch. ‘Don’t Speak’ verwijst naar een heerlijke song waar de band No Doubt mee doorbrak. En dan nog iets, ik kreeg het doek van een vriendin, het was een schilderij met een abstracte afbeelding van haar samen met haar ex. Het was nog heel, niet kapotgesneden maar ze wilde ervan af, weg ermee. Ik schilderde er overheen en bij een bepaalde lichtval zijn de contouren van hun gezichten nog waarneembaar. Of had ik dit niet moeten vertellen.








