De Werkgever, de Koopgoot en Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue

Kijk, beroemd zal ik nooit worden, simpelweg niet voldoende écht talent, schilder te weinig, ga niet voor de volle honderd procent er tegenaan, te lui, te gemakzuchtig en eigenlijk ben ik meer een illustrator. Dat er nu een aantal geëxposeerd hangen – en wel strak en compositorisch juist, dat verraadt dan nog de ex-etaleur in mij – is leuk, maar daar ga ik niet scoren, het is geen echte galerie tenslotte. En denk aan de drie regels voor succes, van bijvoorbeeld een winkel; 1 vestigingsplek, 2 vestigingsplek, 3 vestigingsplek. Er schuilt geen greintje Klybanski in mij; commercieel zijn in de eerste plaats. Tientallen schilderijen heb ik inmiddels weggegeven, nooit verkocht ik er een. Zoals Herman Brood, die heel veel weg gaf. (hij verzamelde alleen ‘mooie momenten’) Een schilderij of zeefdruk van hem is geld waard, maar wat mij vooral interesseert, heb je er één, (een echte) dan heb je een ‘Brood’ aan de muur.

Ik ga hier niet een serie titels opsommen van wereldberoemde werken, zoals ‘De Schreeuw’, ‘De Stier’, ‘De Kus’ en roept u maar. Zelfs de meest verstokte cultuurbarbaar heeft direct een beeld bij een titel.

‘En daar wil ik het vandaag met u over hebben’
De Koopgoot heet eigenlijk Beurstraverse, weet niemand meer. Minder bekend is de bijnaam van het beeld van Zadkine, ‘De Verwoeste Stad’. In de ‘volksmond’ wordt het ook wel ‘De Werkgever’ genoemd: ‘Kijk maar, hij heb een rotkop, heb geen hart en z’n klauwen staan verkeerd’. Wie kent hem niet; Kabouter Butplug’. Misschien is het bij sommigen onder u een beetje weggeëbd, de schande van de beschadiging van het schilderij ‘Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue’. Door Barnett Newman in 1966. Ten eerste de verontwaardiging over zo’n raar schilderij, een heel groot rood vlak met aan de uiteinden een kleine blauwe en een nog kleinere gele streep, en vervolgens over de hoge kosten van restauratie. Ik vond het juist geweldig, ten eerste alleen al die naam, prachtig, de boosheid van het publiek, voor mij had het gewoon zo moeten blijven, die sneden in het doek maken het alleen maar mooier, een verháál. Ooit bood ik een schilderij aan bij een openbare verkoop voor een goed doel, een meisje met een ernstige ziekte. Het is er niet verkocht, het bracht geen geld op, maar het is daar wel verdwenen. Ook mooi.

En nu kom ik waar heen wil, graag geef ik mijn schilderijen een naam, een ietwat vreemde titel soms zelfs. Dat kan het naar mijn mening net iets interessanter maken, zoals bijvoorbeeld ook een boekomslag vragen op kan roepen, niet te voor de hand liggend. Het schilderij hierboven is getiteld; ‘Don’t Speak’. Ik ga er niet naast staan om het uit leggen, zoals ik in mijn werkzame leven dikwijls vreemde etalages maakte. De bedrijfsleider vroeg mij dan om uitleg, mijn antwoord was; nee ik blijf er niet naast staan voor de ‘clientèle’. Welnu, dit is duidelijk een schilderij met een peak, logisch. ‘Don’t Speak’ verwijst naar een heerlijke song waar de band No Doubt mee doorbrak. En dan nog iets, ik kreeg het doek van een vriendin, het was een schilderij met een abstracte afbeelding van haar samen met haar ex. Het was nog heel, niet kapotgesneden maar ze wilde ervan af, weg ermee. Ik schilderde er overheen en bij een bepaalde lichtval zijn de contouren van hun gezichten nog waarneembaar. Of had ik dit niet moeten vertellen.

wijzijnmetmeer

Deze titel heb ik met toestemming geleend van OxfamNovib en stamt nog uit de tijd van de Rode Lijn demonstraties. Toen we nog discussieerden op gezellige verjaardagsavonden, wie voor of tegen Gaza of Israël was. Een onderwerp dat nu totaal vergeten lijkt, oud nieuws, daar hebben we het niet meer over, de stellingen zijn ingenomen.

Komt er dan toch een Elfstedentocht, de treinen rijden niet, antireclame voor onze nationale trots Schiphol, het zout raakt op, Joy Beune wel/ niet naar de Olympische spelen en kan mijn platte dak die gigantische laag van 25 hele centimeter sneeuw wel aan. Tot zover het kleine nieuws.  Dan over naar het lokale nieuws, er hangt weer een serie schilderijen van mijn eenvoudige schildershand in de gang bij het verzorgingshuis. Het kleinste kleinkind kruipt! Weliswaar nog alleen achteruit, maar er is beweging. Het oudste speelde maar liefst twee korfbalwedstijden in twee verschillende steden op één dag en de middelste herkent de Opel Corsa en de Skoda Octavia uit duizenden. Wanneer er een of meerdere schilderijen op een kwade dag uit die onderhavige gang ontvreemd zijn leest u dat onmiddellijk op deze pagina’s. Of de maker dat heel erg vindt, is de vraag, het zou immers betekenen dat er weer ruimte komt in ‘Het Atelier’.

‘One day you will wake up and Donald Trump is not here anymore’
Deze regel kwam ergens tot mij via de socials. Want laten we wel wezen, die naam beheerst toch heel ons leven, je staat er mee op en je gaat ermee, nou liever niet. Deze levensgevaarlijke gek, zes jaar geleden waarschuwde ik al. Deze figuur dient zo spoedig mogelijk gedood te worden. Als u het niet doet, doe ik het. Het is toch onbegrijpelijk dat zo’n klootzak nog steeds leeft, is er nou niemand die een keer raak schiet, die iets in zijn drankje doet, een beetje rattengif op smaak mengt tussen zijn cordon blue. Met veel plezier schiet ik hem voor zijn raap. Ik heb weleens, met pijn in het hart een zieke kip uit haar lijden verlost, echt dat deed me meer dan dat ik van dichtbij een kogel, eerst in zijn rechterknie en dan onder die blonde lok doel laat treffen. De zonnekoning van deze eeuw, volgens mensen die er meer van weten, deze blaaskaak en vriend van Epstein heeft een micropenis. Je zal maar de Koning der Nederlanden zijn en dan deze smerige hufter te logeren hebben gehad in de smetteloze rechtervleugel van je paleis. En nu we het er toch over hebben, waar is Mark toch gebleven, onze NavoMark, de appeltjes etende stripfiguur die deze massamoordenaar Papa noemde. Op Groenland de rode loper aan het stofzuigen?

Nu we toch bezig zijn, zet ze maar naast elkaar, Donald, Vladimir, Benjamin, en voor mijn part, met of zonder zijn enkelband, Jair mag er ook bij. Wie wil er eerst zal ik ze vragen, wie wil het eerst naar hel en verdoemenis, die ze zelf her en der hebben veroorzaakt. Degene die als eerste zijn miezerige vingertje opsteekt schiet ik het laatst. Met een glimlach van oor tot oor. ‘Pak aan, you basterd!’ zoals Lucky Luke zou zeggen.

Dit alles bedacht ik, in willekeurige volgorde, terwijl ik, volgens de laatste mode, gehuld in bergsportoutfit, mijn tienduizend stappen aflegde, noodgedwongen over de fietspaden, vanwege de beijzelde spiegelgladde stoepen die de Nederlandse burgers verrekten schoon te maken.

Cervino

De wereld is wit, althans mijn tuintje, nu ik de gordijnen opendoe, en de auto en de stoep ook. De cv draait en de gerepareerde vloerverwarming doet het ook weer. Ik laat Mathilde Santing haar heerlijke ‘Wonderful life’ zingen want dat past wonderwel bij mijn gevoel. De tweede dag van een nieuw jaar, de kerstboom eruit gewerkt, ligt buiten te wachten op een jongen die hem ergens inlevert. Is het hagel of toch sneeuw wat er valt. Zet de kachel nog wat hoger, kan mij wat schelen, tap me nog een bakje koffie in, bestaat dat woord nog; cocooning? It’s the time of the year, of nou ja, it was. Beetje mijmeren over het afgelopen jaar, over de wereld, over je leven. Verdwalen in je herinneringen, wat was fijn, waar ging het fout.

Dat was vanmorgen, toen ik die titel typte en nog niet precies wist hoe ik daarheen ging schrijven. Het zou moeten gaan over terugkijken, op het afgelopen jaar, op het leven, waar kun je met blijdschap op terugkijken, of misschien ook met trots. En waar heb je spijt van, dingen die je beter niet had gedaan of ook juist niet deed. Niet durfde, kon, of er gewoon maar vanaf zag. Tot dat appje dat ik kreeg, snel, de laptop dicht, de klimbroek aan en hup naar de klimhal. Of opa zin had om met het kleinkind te gaan. Toen zij zeven jaar geleden geboren werd had ik er al zin in. Lang geleden klom ik met haar moeder, wat zou het leuk zijn om haar dochter kennis te laten maken met die mooie sport. En, zoals ik het deed met mijn kids, niet opdringen, ze moeten het zelf willen.

Juul is eindelijk groot genoeg, het klimgordeltje past. Maar voordat ze die aanheeft; lang aarzelen en kijken en met de hand van d’r papa op haar rug eerst een metertje proberen. Dan steeds opnieuw in dezelfde route, die witte toch opa? En iedere keer klimt ze hoger. Dan wil ze naar de benedenhal, daar zijn de routes hoger, veertien meter. En ook hier duurt het even, maar uiteindelijk klimt ze een route helemaal uit, tot het plafond. Ze durft.
‘Kijk maar door dat raam daar Juul, dat deed ik met mama vroeger ook’.
Haar moeder riep dan naar mij – ons huis toen was zichtbaar in de verte – dat mama eraan kwam. Onnodig te zeggen dat dit, zo op de tweede dag van het jaar al meteen een hoogtepuntje was.

En ben ik weer terug waar ik eigenlijk over dacht te gaan schrijven. De vele mooie momenten die een mens in zijn leven meemaakt. En dus ook die, die je aan je voorbij liet gaan. Spijt. Hadden we toch niet even dat uurtje verder moeten gaan, stukje afdalen nog tot het basiskamp van Mount Everest. Ook al had ik hoogteziekte. Of hadden de sherpa’s toch, daar op die grauwe puingletsjer, onze tentjes wel op moeten zetten. Toen ik nog geen vliegschaamte had, waarom kiepte ik mijn spaarpot niet om, zodat ik over Brooklyn Bridge kon lopen, of nog iets gekker, vloog ik niet nog net íets verder, om te liggen op het hagelwitte strand van Bora Bora in de Stille Zuidzee. Waarom bleef het bij die ene marathon, die tijd kon best verbeterd, wél onder de drie uur. Waarom kocht ik toch geen busje, spijt, dat kan eigenlijk nog steeds wel, maak er een onopvallend campertje van. Had ik toch niet mee moeten doen met die 2e Rode Lijn, die keer in Den Haag gaf wel een goed gevoel. Of toen ik nog conditioneel goed genoeg was, jammer wel, gewoon een paar duizend euro opgenomen, hup naar Zermatt, met die gids even de Breithorn op, acclimatiseren maar en dan, zachtjes neuriënd; ‘I see skies so blue, and clouds of white’, terwijl de zonlangzaam opkwam, die ene, die fantastische mooie, zwarte berg op, de Matterhorn.

Hmm, de kerstboom ligt er nog.

Birmingham

En nee ik ga het hier niet hebben over Randy Newman*, maar over The Fine Young Cannibals. Soms moet je als schrijver gewoon ergens tegenaan lopen, wordt het je zo in de schoot geworpen. En dat gebeurde nu en ik ging dat, zoals het hoort, meteen eruit rammen, kannie schelen hoe laat het wordt vannacht. Een Affligem Triple erbij en gáán. Elke avond in de laatste week van het jaar zit ik aan de buis geplakt om dat allemaal op te slurpen, de vergeten nummers, leuke feitjes, de quiz en iemand die een bijzonder verhaal heeft over muziek, in de Top 2000 á go-go.
*’Got a wife got a family, Earn my livin’ with my hand, I’m a roller in a steel mill, In downtown Birmingham

The Fine Young Cannibals, wat een heerlijke naam voor een band, ik zou het zelf verzonnen willen hebben. Een kleine docu over hen. Het ging niet over hun hit, ‘She drives me crazy’, maar over het minder bekende ‘Johnny come home’. De driemansband ging uit elkaar maar de zanger Ronald Gift ging solo verder en treedt nog steeds op en over hem gaat deze minidocu. Opgegroeid in Birmingham reisde hij al jong heen en weer naar Londen, met de trein en kwam dan aan op Euston Station. En daar sloeg ik meteen op aan, dat Euston Station, die naam is mij heel goed bijgebleven. Ronald Gift vertelt dat hij in 1975 een aangrijpende documentaire zag, er kwamen per dag zo’n twintig weggelopen kinderen aan op dat station. Die brachten daar de nacht door en werden de volgende dag ondervraagd en meegenomen naar een opvangplek. Tien jaar later schreef Gift er de song ‘Johnny come home’ over.

Razendsnel tijdens de terugkijk-tv krabbel ik lukraak op de krant van vandaag deze namen, feiten en jaartallen, dwars over de foto van Brigitte Bardot, die gisteren overleed. B.B., zo mooi, stijlicoon, sekssymbool, die afgleed tot een verachtelijk racistisch kreng. Ze werd 91. In mijn jeugd belandde ook ik in Euston station, weliswaar niet weggelopen van huis, maar voor de lol liftend rondzwervend. Terug uit Edinburg, met een heel lange lift in een Ford Transit busje dat stopte voor elke lifter en waar een zware lijflucht hing van ongewassen lifterslijven, het mijne incluis. Van dagen en nachtenlang doorliften, in parkjes en bushokjes slapen word je enorm smerig, ook ik was een fine young cannibal. Ik bracht de nacht door op de vloer van dat grote station, mijn rugzak bewakend tegen het rondhangend gespuis.

In de documentaire loopt Gift door de buurt in Birmingham waar hij woonde en het regent er pijpenstelen. Het is tijdens de beruchte storm Claudia in de UK van een paar maanden geleden. Grappig, of regent het altijd in die stad? Na de ijskoude nacht in een deckchair buiten op het sloependek op de Ferry naar Dover, het liften naar Londen en verder noordwaarts, half slapend in een grote truck met oplegger werd ik eruit gegooid in de stad Birmingham, waar het juist droog werd na een wolkbreuk. Ik zette mijn tentje op, op een klein bultje in een weiland het enige plekje dat niet onder water stond. Ook die naam Birmingham kleeft dus in mijn geheugen. Gift woonde een tijd in de stad Hull, ook daar bewaar ik zekere herinneringen aan, maar dat is een ander verhaal. Onlangs zong Ronald Gift in The Birmingham Symphony Hall:
‘Nobody knows
The trouble you feel
Nobody cares
The feelin’ is real Johnny
We’re sorry, won’t you come on home
We worry, won’t you come on
What is wrong in my life
That I must get drunk every night
Johnny, we’re sorry’

Maserati

Tuurlijk, ik was ook zo, had net m’n rijbewijs, huurde een VW-kever, haalde mijn broers op en dan gingen we scheuren. Volgas over de bolle weggetjes door de polder, haarscherp langs steile slootkanten en dan slippend met de achterwielaandrijving onze straat in. Of later, met mijn eerste autootje, een Fiat 850 (geen opgevoerde Abarth) steeds hetzelfde parcours afleggen, of het nóg sneller kon. Je bent jong en je ziet geen gevaar en het besef dat je voor zoveel overlast zorgde zou pas veel later komen.

Drie broers, alledrie een brommer, alle vrienden ook een brommer, die allemaal gas gaven en te hard de straat uitscheurden voor een rondje door het centrum. Het begrip voetgangersgebied was nog onbekend. Achteraf, wat waren wij een plaag voor de buurt. En nu maar klagen over de fatbike. De fatbike? Een zegen, geen lawaai, geen stank, want oja, die brommers stonken als de hel. Irritant weggedrag, die fatbikesjochies, tuurlijk, maar dat hoort bij de leeftijd. Aan de andere kant, ze zijn buiten, zitten niet lui binnen achter hun IPhone of gamecomputer. Opgevoerd fatbikeje? Tja je bent jong.

En dat kan ik niet zeggen van dat witte monster, dat nu mijn buurtje terroriseert. Kijk, als hij vertrekt, een straatje verder en hij komt voorbij, hoor ik een zacht donker gerommel, de rijen cilinders zijn nog koud, eerst warmdraaien voordat het gaspedaal kan worden ingedrukt. Maar o wee, als de witte Maserati thuiskomt, al op de ring hoor ik hem. Alsof ik naast Zandvoort woon. Steeds dichter komt de witte Maserati, na elk bochtje en na elke rotonde wordt er opgetrokken alsof hij uit de Tarzanbocht komt, om na dertig meter weer terug te schakelen voor de Slotemakerbocht om dan op te trekken tot het Scheivlak en onmiddellijk sterk te remmen. Dan bij mijn voordeur, brullend haast stilstaand schuin het iets verhoogde fietspad over stekend, dat kan de lage spoiler van de witte Maserati niet hebben. Om dan weer volgas te gaan, tot de bocht naar het woonerf als ware het de Arie Luyendijkbocht, twintig meter verder.  

Nog één jaar de oudejaarsavond en de weken ervoor uitzitten, voordat de ‘traditie’ langzaam zal uitsterven. Nog pakweg enkele tientallen vingers en hele of halve handen sneuvelen en dan eindelijk terug naar normaal, een rotje of een sterretje, allez, vooruit nog een enkele gillende keukenmeid. (of bestaat of mag dat niet meer) Overlast, ach ja, je bent jong.

Waar de witte Maserati vervolgens wordt gestald is mij niet duidelijk, vermoedelijk aan het zicht onttrokken achter een waarschijnlijk automatisch openende garagedeur. En dat is jammer, ik zou in staat zijn om bijvoorbeeld met mijn groene of grijze container net te dicht langs de witte Maserati te lopen. Ik zou dat willen, maar ik doe dat natuurlijk niet. En als die bestuurder nu nog jong was, maar nee, dat ook niet. Het is gewoon een witte volwassen man, met waarschijnlijk net iets te veel geld en iets te veel testosteron. Sterker nog, als ik zijn nummerbord mag geloven is het nog een Belg ook. Ik zou hem willen toeroepen;
‘Crapuul dat ge daor staot!’

kerstmest

Kerstmest, met dank aan Frits Spits die spitsvondig als hij is, haha, dit woord bedacht. Want lieve mensen, het is bijna kerst, het is bijna oorlog als je Rutte moet geloven en er is nog veel meer aan de hand in de wereld en waar hebben wij het over? Althans, de mensen die door het volk gekozen zijn om met verstandige beslissingen het vaderland vooruit te helpen. Dagenlange vergaderingen, eindeloze discussies over poep. Ee is stront aan de knikker. Ja wat had je dan verwacht, wanneer je het aan de minister met de getatoeëerde wenkbrauwen uit de boerenpartij overlaat, die strijdt immers voor de boerenbelangen. Zoals vissers de zee leegvissen, zo boeren agrariërs op hun akkers en zo melken ze hun koeien. Méér, méér opbrengst, méér oogst, méér melk.

Als kind viste ik op stekelbaarsjes in slootjes met water zo helder dat je erdoorheen kon kijken en het had kunnen drinken, dat dee ik dan weer niet. Dit voorjaar zag ik het gebeuren. Een enorme tankwagen stond half op de weg geparkeerd. Er was een dikke slang aangekoppeld die de sloot overstak en kronkelend over de kale akker naar een tractor aan de verre einder leidde. Deze brullende tractor sleurde een mestinjecteur voort, die de vloeibare drijfmest tien centimeter in de grond injecteerde. Iets verderop deed zijn buurman het nog innovatiever, met de zogeheten applicatiemachine, een futuristisch ogend apparaat, knalgeel en ik moet toegeven, mooi vormgegeven. Dankzij de buitenproportioneel grote banden kon hij met een enorme grote hoeveelheid mest in de tank direct zelf het land op.

Europa wil zich overal mee bemoeien, kampioen regelgeving, jaarlijks worden duizenden nieuwe regels uitgevaardigd, zo ook met onze gezonde Hollandse poep. Duidelijk is, te veel koeien geeft te veel poep, die poep moet ergens heen, dus logisch, op de akker ermee. Meer mest = meer opbrengst, wat wil je nog meer. Daar steekt Europa een stokje voor; max 170 kg. per hectare, uit te rijden op grasland van 16 febr. tot 31 aug. De mestsleufjes mogen niet breder zijn dan 5 centimeter en de mest mag er niet overheen stromen. En niet dichter bij de slootkant dan 1, 3, of 5 meter, afhankelijk van type sloot en perceel. Bovendien is voor het vervoer van mest naar verwerker een VDM – vervoersbewijs dierlijke bijproducten noodzakelijk.

En nu wordt het grappig, het zal wel aan mij liggen, ik zie het voor me. Agrariër Jaap heeft voor morgen en overmorgen bij de Coöperatie de mestinjecteur gehuurd. Zijn mestkelders zitten vol, tjokvol. Jaap komt er niet uit, hij heeft X hectare, zijn kelders zijn X kuub. Zondagavond, agrariër Jaap zit aan de keukentafel, de vrouw is al te bedde, gebogen over de schrijfblok, de cv is al op de spaarstand en er staat nog een halfvol flesje Jupiler naast hem. Jaap krabt eens op de schedel, hij komt er niet uit. Het is eind augustus, het mag nog net. Maar dan, 5 ½ maand lang opslaan, hoe moet dat. En X maal X…. Later dan anders op zondagavond gaat het licht uit op de boerderie. De volgende morgen crosst Jaap links en rechts over zijn weilanden. De groene John Deere, vorig jaar aangeschaft, á € 125.000 met een beetje hulp van de Rabo, is sterk genoeg, de mestinjecteur en de slang die hij voorttrekt lijkt hij niet te voelen. Hup, dáár nog een beetje, in die hoek, is hij daar al geweest, de kelders moeten leeg. Het zal agrariër Jaap aan zijn reet roesten en het is nog lang geen kerst en van kerstmest heeft tie nog nooit gehoord.

Peter

Vervuld van sombere gedachten hoe het verder moet met al die versneld smeltende gletsjers, liep ik nietsziend verder op de automatische piloot, de ene voet voor de andere zettend, hardnekkig vasthoudend aan het quotum van 10.000 stappen per dag, ook al weet ik dat dat getal inmiddels naar beneden gesteld kan worden, richting het gezellige buurtwinkelcentrum, waar ik onbewust in de verte in mijn brein al de zeurende Kerstmuzak meende te horen;
‘It’s beginning to look like Christmas, every here you go’
totdat ik opeens wakker werd geschut door; ‘Nou moet ik het toch eens even vragen’.

Een tegemoetkomende man op fiets, door mij in het geheel niet opgemerkt, remde schielijk af en sprak tot mij voorgaande woorden. Ik wrikte mijn gelaatsuitdrukking ietwat op en keek op mijn beurt hem vragend aan. Of ik uit X, kwam? (mijn woonplaats, die waar ik enige tijd geleden geboren ben en een aantal jaar voor het grote uitvliegen noodgedwongen doorbracht) In een split second besloot ik het niet te ontkennen, het was tenslotte waar. Inwendig was mijn gezicht verbijsterd, van buiten vrijwel onveranderd, als je het mij vraagt, maar hoe kon dit. Ik, die al op mijn negentiende daar vertrok, akkoord, ik kwam er nog een aantal jaar regelmatig terug. Hoe kon mijn facie na al de jaren nog herkenbaar zijn, was ik dan niet oud en versleten, was al dat leed van de wereld, al mijn lijden op de flanken van het hooggebergte niet zichtbaar, was ik dan niet getekend, gekweld door alle twijfels en onzekerheden die het leven van een manspersoon als ik tot een ware hel konden maken.

De man die schrijlings op zijn fiets bleef balanceren vertelde, afkomstig uit diezelfde woonplaats; al zo vaak mij gezien en altijd gedacht, dat gezicht, dat kende hij. Ook bij nadere bestudering van ’s mans hoofd en na enig nadenken toen hij zijn naam noemde; Peter S. ging er bij mij geen enkel lichtje branden. Peter was precies even oud als ik, ook in dezelfde maand jarig, slechts een paar dagen eerder. Wel was Peter precies tien later in onze huidige woonplaats woonachtig geraakt. Tevens was de vrouw van Peter afkomstig uit diezelfde stad, net als die vrouw van mij, echter de zijne was drie jaar geleden overleden. Peters stem beefde even bij dat laatste, maar vermande zich snel en kondigde aan verder te gaan, naar de binnenstad, ‘of de Kerstmarkt nog wat zou zijn dit jaar’. Ik prevelde uit respect iets van drie jaar en dat dat nog best recent was en informeerde of hij nog familie had in die leuke provincie en of hij ernaar terug wilde. Hij had er nog een jeugdvriend, misschien kende ik die wel? Jan de J.

Op de weg naar huis herhaalde ik voortdurend zijn naam om dit vreemde verhaal te delen met Eega en te onderzoeken of Peter online vindbaar was, teneinde meer licht geworpen te krijgen op deze zaak, maar het kostte moeite zijn naam te onthouden in het te doorkruisen gezellige buurtwinkelcentrum waar dit Kerstlied onder de luifels galmde, net niet te hard, maar wel zodanig niet te vermijden dat de achternaam van Peter S. verdrongen werd door;
‘ I’m driving home for christmas
Oh, I cant wait to see those faces
I’m driving home for christmas, yea

Well I’m moving down that line
And its been so long


Bram

In het land waar de minister met getatoeëerde wenkbrauwen de mest vrijelijk over Gods akkers en door Gods sloten laat vloeien is droevig nieuws te melden. Hij is niet meer, hij is neergehaald en het staat er, het is onontkomelijk bewezen dus het is waar, het DNA der GW3237M.  

In het land waar landbouwhuisdieren, gehuisvest in goed geventileerde stallen voorzien van luchtbewassing en waar per dag 45000 varkens, 5000 koeien en 1,6 miljoen kippen worden geslacht, betreurt men de dood van deze Wolf.

Een dier met probleemgedrag. Was er dan niets wat deze moord had kunnen voorkomen. Is de Europese habitatrichtlijn dan niet gehandhaafd. Of is het dan te veel gevraagd, het gaat hier te lande slechts om zegge en schrijve 110 stuks Wolven. Kent men in het Wolvenleefgebied niet het Wolvenpopulatiemeldpunt? Moet afwijkend gedrag niet juist beloond worden? Hoe staan wij tegenover het idee van het genoemde paintballgeweer, is dat dieronvriendelijk, intimidatie, onheus gedrag. Kan dat nog anno 2025, moeten wij dat tolereren? Moet er een precedent geschapen worden, willen er eerst doden vallen voordat sprake kan zijn van jurisprudentie? Willen we niet liever een eufemisme bedenken voor dat afschuwelijke woord, afschotvergunning?

Het is van hier naar Omsk nog een kleine honderd werst
’t Is prettig dat de paarden net vanmiddag zijn ververst
Maar jammer dat de Wolven ons toch hebben ingehaald
Men ziet de flinke eetlust die uit hun ogen straalt. #

Is er geen kennisgenomen van de voortgangsreportage inzake Wolvenwaarnemingen? Heeft men dan niets geleerd van Kevin Costner, hoe hij omging met deze diersoort in de film ‘Dances with Wolves’? Was de Pyramide van Austerlitz niet hoog genoeg op de Utrechtse heuvelrug? Moeten wij niet over onze schaduw heenstappen en onmiddellijk nu onze aandacht richten op GW 3237M, ook wel genoemd Hubertus, de Wolf woonachtig op de Veluwe die reeds maanden op de Dodenlijst staat? Laten we wel wezen, zorgen de anderhalf miljoen honden, geregistreerd in dit land, niet voor meer poep op de stoep? Laten we wel wezen en de handen ineenslaan en het Wolf Fencingteam hierop aanspreken. Wellicht kunnen zij de Faunaschade Preventiekit onder de hardwerkende bevolking verspreiden. En tevens het Schadeformulier Gederfde Inkomsten bij de gedupeerden opnemen. Immers, het moge duidelijk zijn, er zijn beduidend minder pannenkoeken geconsumeerd in de voor de hand liggende gebiedsdelen.

Ik zing nu weer wat lustiger, want Omsk komt in zicht
Ik maak een sprong van blijdschap en verlies mijn evenwicht
Terwijl de Wolven mij verslinden denk ik, dat is pech
Ja, Omsk is een mooie stad, maar net iets te ver weg. #

Treft u een Wolf aan, maak dan een profiel aan op Wolf@mijnfaunazaken.nl

# met dank aan drs.P.

modern

Hoewel ik echt véle jaren Franse les heb gehad bak ik er nog steeds niet veel van. Ook nu niet met het dagelijkse kwartiertje digitaal. De filmtitel Nouvelle Vague vertaalde ik eerst even gemakshalve als een vaag verhaal. Waar ik overigens zelf liefhebber van ben, vaagheid, vage verhalen, zoals ook dit er een wordt, ben ik bang. En zoals altijd, ik las het maar half, waar die film over ging, het was Frans, in zwart wit, ik zag Parijs, ik zag de namen Jean-Paul Belmondo en Jean Seberg en ik was om.

Pas gaandeweg in de film werd me duidelijk waar het over gaat. In het kort: over de ‘making off’ van een andere film, À bout de souffle. Deze titel moest ik even vertalen; ‘Ademnood’. Die in een geheel andere stijl werd gemaakt als tot dan gebruikelijk was, nu met korte snelle shots, met sprongen in de tijd, meer denkwerk voor de kijker. De film À bout de souffle kwam uit in 1960 en films als Roodkapje en Sneeuwwitje was ik bij wijze van spreken toen net ontgroeit. Nouvelle Vague speelt dus in het Parijs van de zestiger jaren met korrelige beelden, in cafés met Ricard asbak op tafel-want iedereen rookt en straten vol mooie oude auto’s. Ai-je besoin d’en dire plus? Need I say more? Het té romantische beeld van Parijs wat ik koester komt hier nogal voorbij. Net als de jonge filmmakers herken ik het gevoel, het gaat gebeuren, het leven lacht je tegemoet, we gaan het maken, we gaan beroemd worden. We waren jong, we droegen zwarte coltruien en slappe suède schoenen en we rookten Gitanes en Gauloise, we waren arm en we zwierven door Parijs.

Er wordt niet gerepeteerd, alles in één, hooguit twee takes opgenomen, om het maar naturel in beeld te vangen. Het moet anders, Nouveau Vague; nieuwe golf. Of ‘Breathless’ zoals de film in Amerika wordt uitgebracht, een ‘moderne’ film. Hier is niet iedere scene tot in detail uitgedacht, beschreven en getekend op het storyboard. Al improviserend alles laten gebeuren. Zoals het leven is. Zoals je een boek schrijft, een schilderij maakt. Een film maak je vijf keer zegt regisseur Godart, je schrijft hem, dan zoek je de cast, je draait hem, daarna monteer je de film en tenslotte breng je hem uit. En daarvan genoot ik nog het meest, onderuit in het rode pluche in de verder lege bioscoop, uiteraard op een ander level, maar zo werkte ik m’n hele leven. Met een ‘vaag’ beeld in het hoofd beginnen, het creatieve proces opstarten, noodgedwongen dingen anders doen, meegaan erin en andere oplossingen bedenken en dan, hoewel niet altijd, een geslaagd resultaat neerzetten. Heerlijk om te zien, hoe Godart zijn acteurs zijn á l’improviste en du moment een scene laat spelen, meteen opnemen en hup, dóór. À bout de souffle was de doorbraak van zowel Jean-Paul Belmondo als van Godart, die wereldberoemd werd en 140 films regisseerde.

À bout de souffle was voor die tijd revolutionair, modern werd dat genoemd. Nu heet dat cool of vet of is dat ook alweer achterhaald. Ouderwets woord eigenlijk, modern. In 1989 vond Juul Deelder het kennelijk ook al passé met zijn boek ‘Modern Passé’. En nog eerder namKees van Kooten ook dit woord op de hak in zijn boek Meer modermismen uit 1987. Of was het woord modern toen nog modern.

window

Ligt het aan jou, heeft er nog iemand dit, zijn er meer mensen met deze mixed feelings, lijdt er ergens een eenzame typist op zijn/haar/hen koude zolderkamertje achter zijn nieuwe toetsenbordje van haar nieuwe laptopje aan koudwatervrees? Of ben ik alweer de enige? Het zat er aan te komen, de oude pc kraakte in al hen voegen. Zij begon al wat op leeftijd te komen, kuren te vertonen. En traag, tráág, je kon beter koffie gaan zetten en dan ook nog je ochtendwandelingetje rond het Blok maken wanneer je hem aanzette voordat zij enig teken van leven gaf. Zeker wanneer je soms een paar dagen niet naar hen had omgekeken, was weggeweest en er tegenop zag het weer op te starten.

En toch, zij was zo belangrijk voor jou, in jouw leven. Immers, wat wist hij veel van jou, wat had jij haar allemaal al niet toevertrouwd. Zoveel herinneringen bevatte het. In de vorm van foto’s, gedichten en verhalen, in mapjes, in documenten, in mapjes van mapjes verstopt, in geheime laatjes en in vreemde Clouds en onbekende drives en inmiddels onvindbaar verborgen bestanden, die jijzelf ook niet meer kon vinden, hoe lief je het ook vroeg. Natuurlijk lag het niet aan haar interface maar aan user it self, hier een crash, daar een bug, AFAIK, jouw eigen slordigheid, chaoot dat je bent, slecht archivaris. De firewall, Ddos, je browser, het peer-to-peer system, je server, je moederbord, SSD en de GPU of de Ram, het heeft het allemaal, daar ligt het niet aan. Even updaten maar. Oké, Enter en dan kon je beter de volgende morgen terugkomen, zo lang moest het stampen.

Dus dan toch, op naar de gevreesde winkel, die met die hightech. Met al die wachtenden, de clientèle en de schaarse verkoopadviseurs, zeer lang in gesprek blijvend met een koopgrage. Maar weer naar huis gaan, wegvluchtend, uitstellend en googelend en navragend wat is wijsheid, hoe nu. Je wilt niet nogmaals getroffen door malware, niets vermoedend muziek kijkend op Youtube en een ‘politiemelding’ krijgen met een kulverhaal dat tegen betaling van losgeld jouw pc weer de vrijheid zou krijgen. Je moet eraan geloven, mee in de vaart der volkeren, het is jouw Window op de wereld. Jouw vraagbaak, jouw streetview, jouw digimap van o.a. bijvoorbeeld de Alpen. De werklaptop die je je zelf toe-eigende als smartengeld krijg je ook niet meer aan de gang, kabelbreuk. De tablet, hoe fijn ook, blijkt ongeschikt als typemachine. De gezellig zachtzoemende computer gaat vervangen worden.

Hoeveel uur zat je op die ouwe Gispen, in jouw hoekje achter het raam, uitzicht op alles wat er gebeurt in de wijk. Blind typend op het toetsenbord waar haast geen letter meer te zien was. Je zielenroerselen te digitaliseren, zoekend naar info, eindeloos filmpjes Youtubend. Soms wachtend op Word, dat jou niet kon bijhouden met opslaan. Het is even wennen nu, de snelheid van deze nieuwe processor. Het hypersensitieve toetsenbord, slordige typer dat je bent. En schrikken wanneer een strakke mannenstem opeens het zojuist geschrevene voor gaat lezen. Het nieuwe device verrekt het samen te werken met de printer, te oud. Van Brother naar Canon, het lukt Groundcontrol zélf verbinding te maken via Bluetooth en Iphone met Notebook, printen maar. 

Nadat met zachte hand de harde schijven verwijderd zijn wordt de pc, de muis, de printer, het scherm, het toetsenbord, de laptop en nog een tablet en de hele wirwar van snoeren naar het Afvalbrengstation vervoerd en aldaar, met een inwendige snik, achtergelaten in een rolcontainer in een kille container. Dit schrijvende meldt laptoppie dat zij energiebesparing heeft geactiveerd, nog 14 procent, waarop jij onmiddellijk zijn voeding inplugt om nog langer op hen tekeer te kunnen gaan.