Alle berichten door dentoonder

Observaties vanuit het keukenraam

Lang aarzelde ik over deze titel. Buurvrouw zou korter zijn, maar ook makkelijker googelbaar. Nu ga ik er gemakshalve vanuit dat geen van de hieronder ten tonele gevoerde buurvrouwen dit zal lezen. Een van mijn allereerste verhaaltjes ooit; ‘Buurman’, leverde ook geen haatmail of bedreigingen op. Bovendien, het zijn slechts observaties. Vanuit willekeurig een keukenraam.

Laat ik maar meteen beginnen met zij die mij het meest intrigeert. Hoe zij lóópt. Diepzwart is ze en beeldschoon, waarschijnlijk vierendertig en liggen haar roots in Nigeria, Ghana of Senegal, mogelijk ook Dubbeldam. Zij loopt zo gracieus, traag en typisch Afrikaans kaarsrecht, alsof ze net terugkomt van de waterput verderop met een kruik water op haar hoofd, trots. Zij is altijd alleen, heel dun en haar haar, ik denk ontkroest, draagt zij in zo’n strak naar binnen vallende krul, zoals Diana Ross het had in de tijd dat ze nog bij The Supremes was.

Een geheel ander type is buurvrouw-met-het-hondje, pal naast me. Die zijn er trouwens veel hier, met een hondje. Deze is een onopvallend type, net als haar hondje, mocht ik haar in de stad tegenkomen, ik zou haar niet herkennen, net als dat hondje trouwens. Ze heeft, in de vier jaar dat ik hier woon, nog nooit iets tegen mij gezegd. De eerste drie jaar dat ik haar groette, keek ze me alleen maar aan, zei niets terug. Nu ben ik ermee gestopt, met dat groeten. Ze kijkt nog steeds. Een andere buurvrouw-met-het-hondje, tattoos, bruin en blond, shaggie links, danwel rechts in de mondhoek zegt gedag, kort. Ze is mager, net als haar hondje.

Er is er nog een, blond en-met-een-hondje, maar zij heeft het lang en hoogblond, dat haar. En wel zo dat men, haar op de rug gezien, nieuwsgierig wordt naar de voorzijde. Die dan toch wel ouder is dan verwacht. Het hondje is ook blond, met zwart. Ze zegt ook gedag, maar Dordts. Van een andere orde is er die buurvrouw-met-hondje met dat rare haar. Zwart en gothic. Ze kijkt wat nors en zegt niks, net als haar boxer.
De buurvrouw-met-twee-hondjes. Schattig tiepje, trippelt gebukt, aandachtig vol liefde kijkend naar de keffertjes, voorbij, zegt soms zachtjes hallo. Verassende combi met haar man, geblondeerde oorbelletjesdrager en bestuurder van een zwarte brullende Dodge pick-up.

Buurmeisje blijf ik haar noemen, hoewel ze die benaming inmiddels al is ontgroeit, sterker nog, binnenkort woont ze ergens anders. Als zij langsloopt met-het-hondje kijkt ze zelfs door het keukenraam om te zwaaien. De hond ook, kwispelend.

Heb ik het al over de buurmannen gehad? Die twee of drie hier pal achter. Ook met hondjes, soms een, soms twee. Aanwezig, altijd. Luidruchtig, praten kunnen ze niet, alles op schreeuwniveau. Altijd klussen, zagen en boren en schuren in de tuin of aan het huis. Als ze niet timmeren moet alles worden afgespoten met de gele Kärcher. Elke week weer, een halve dag lang. Als ze niet spuiten blaffen de hondjes, naar alles wat beweegt.

Ik zou haar weleens willen ontmoeten, buurvrouw Diana, daar twee kilometer verderop, als ze water komt halen bij de waterput.

Zinloos

Heb je nog even, ik heb er geen zin in namelijk, sterker nog, ik ga er niet aan beginnen. Ik. Doe. Niet. Mee. Van hogerhand opgelegde dwangmatigheden, ik voel er niets bij, ik heb er geen goed gevoel bij, om het eens modisch uit te drukken. Kijk! Als het zin zou hebben, oké, ik ben de beroerdste niet. Zoals mijn  goede vriend Wim T (ik mag T zeggen) Schippers al zei; ‘de zin van de onzin’, ik ben best in voor onzin.

Zoals ten tijde van de invoering van de verplichte reflector op het rijwiel. Goed, ik wilde daar nog wel in meegaan, zag, als notoir zonderlichtfietser, er wel de voordelen van in. Maar, er zijn grenzen, we moeten niet overdrijven. Toen ook de fietsbanden moesten gaan reflecteren, ja zég. De capriolen die men uithaalde om maar op te vallen in het donker. Hedentendage is het vrijwel onmogelijk een band zonder oplichtende streep bezijden het loopvlak te vinden. Zoveel jaar later heb ik de hand weten te leggen op een herenrijwiel met banden zonder. Jawel. Een geheel matzwart geheel, slechts de velgen zijn gaan glimmen, wegens bruusk hanteren der remblokjes. Trouwe lezers, ik dwaal ietwat af, bewust om er toch een Aviertje van te maken en tenslotte tot mijn punt te komen.
En wel hierom, wil ik leven op een planeet waar het niet alleen de gewoonte is om als mens je te bedekken met zaken als daar zijn, schoenen, broeken en allerhande diverse kledingstukken en vanaf nu dan ook het aangezicht te verbergen achter een mondkapje. Het vervloekte mondkampje.

Eens kijken, waar ben ik gebleven – zojuist over de drukste Brouwersdam ever, thuisgekomen en nu verder schrijvend in de te warme tuin zojuist een versgevulde koek, de zaterdag Volkskrant van zes dagen geleden en een koud Hertog Jantje, hoe gelukkig kan men zijn, weetjewat, ik doe eens gek, ik neem nog zo’n koek en zo’n biertje, ik heb zin om aangeschoten te worden, nou ja, niet té. En de eerste de beste BOA die mij driehonderdnegentig euro wil afpersen weiger ik drie keer mijn naam te geven en sla hem daarna keihard twee keer op zijn goedgekeurde mondkapje.

Laten wij wel wezen, lieve mensen, dat wil je toch niet. Door het leven gaan met zo’n ding op je hoofd. Ik denk terug aan mijn tijd in Nepal. Hoe ik daar hele hordes Japanners zag, hoog in de Himalaya, met hun hoedjes, handschoentjes en mondkapjes. Wat een idiote controverse, in dat waanzinnige oerlandschap, die trippelende krankzinnigen. Dat wil je toch niet, zo leven op deze aarde. Onze lieve mooie moederaarde. Als ik ga duiken, onder water, doe ik wel een zuurstoffles op mijn rug. Maar rondlopen in de Albert Heijn (nooit Appie zeggen) in bos en duin en stad en land met een wel of niet goedgekeurd (door wie dan) ding op je kop, dat wil je toch niet.

En als binnenkort de fietshelm verplicht wordt op de fiets, vanwege de verzekering, en kort daarna het lichtgevende hesje en dan kort daarna weer het zwaailicht bovenop de helm vanwege de betere zichtbaarheid voor de heilige automobilist – had ik het al gehad over zinloze mondkapjes – echt hoor, schiet mij dan maar naar Mars, ik doe niet meer mee.

 

La,la,la,lai

Het kan op de Koetenisseweg of de Weilandsweg zijn geweest of was het toch op de Lokkershofweg – ze bestaan echt – dat ik mezelf betrapte op het luidkeels zingen van deze tekst:
“Lalalalalalalailalalailala,
Lalalalailala”.
Een spontane uitbarsting van, ja van wat eigenlijk. En niemand die er gek van opkeek. Er was namelijk helemaal totaal niemand, zowel op voornoemde wegen als in de wijde omgeving. Iedereen was op uitdrukkelijk verzoek van onze MP Rutte thuis gebleven, zat braaf bij het geannuleerde Songfestival.

Zeeland is leeg. De almachtige Veiligheidsregio deed Zeeland op slot. De jaarlijkse twee miljoen toeristische overnachtingen gaan dit jaar niet gehaald worden. De dunstbevolkte provincie van het land moet leeg blijven.

Eens een Zeeuw, altiet een Zeeuw. Althans zo voelt Eega dat en ik ben het, zoals altiet, natuurlijk helemaal met haar eens. Aan willekeurig elke kust, of het nu de Middellandse -, Egeïsche -, Noordzee – of de Atlantische kust is, daar voelen wij ons thuis. Wij zijn kustmensen. Dag mag een dijk zijn aan de Ooster- of de Westerschelde, dondert niet, doch niets gaat boven het oneindig Zeeuwsche Strand. Over Frankrijk wordt gezegd dat het zo’n leuk land is maar dat het jammer is dat er Fransen wonen. Zeeland is ook leuk, maar ze moste d’r geen Zeeuws praete.

Op deze pagina’s maakte ik al eens gewag van mijn drang om een kilometer strand te kopen, helaas heeft nog niemand zich gemeld. Welnu, in deze dagen, neen! ik zal het C-woord hier niet gebruiken, lijkt het al zo. Ik héb mijn eigen strand. En toch, lieve badgasten, dat voelt raar. Het is ondeugend (=leuk) want ik blijf niet thuis. Maar hoe, stel dat ik het zou willen; besmetten, het kan hier niet, er is niemand, één groot Quarantainegebied. Nu hou ik van lege stranden, maar dit is eigenlijk een beetje spooky.

Spoor 1, van de trein naar Zandvoort op Amsterdam CS wordt geblokkeerd. De ene helft van de Amsterdammers wil naar de kust, de andere helft blijft thuis en gaat naar het park. Zeeland moet leeg blijven, prettig voor mij, maar griezelig leeg. Ik hoop dat het doemscenario hieronder, in de toekomst door mij ongeschreven zal blijven:
‘Een béétje duinovergang heeft zijn eigen teststraat (verplicht), alleen toegang voor negatief geteste badgasten.’
Gelukkig ken ik mijn eigen sluiproutes daar. En wat te denken van dat nieuwe bordje:
‘Naaktrecreatie toegestaan, mondmasker verplicht’.
Dit alles flitst in enkele seconden door mijn hoofd, terwijl ik met een lauw windje mee, geluidloos over de Verseputweg door de lege polders van het eiland fiets, met rechts de rechte voren van een kale aardappelakker en links iets groens, laag nog, dat wel graan zal worden en schaamteloos uitbarst in dat gelalalala.

NB, deze letters werden geschreven vóór Hemelsvaartdag 2020. Drukste dag op Brouwersdam ever!

Ik ben Juul (2)

Hallo, het is alweer even geleden, voor hen die mij niet kennen, ik ben Juul (17 maanden) en voor hen die mij niet kennen; ook. Ik weet niet hoe met jullie is, maar ik kan het niet meer volgen. Had ik net een beetje m’n draai gevonden in dat zaaltje met leeftijdgenootjes, houden ze me daar weg, mocht er niet meer heen, en nu, deze week word ik daar weer opeens een dag geparkeerd. Was ik net gewend om constant thuis te zijn, nou ja, went wel weer.
Misschien kan iemand mij zeggen, wanneer ik m’n opa’s en oma’s, er zijn er een stuk of vier, weer eens ouwerwets kan knuffelen, want ja, dat was ook afgelopen en waarom, niemand vertelt mij iets. Ik weet het niet zeker natuurlijk maar volgens mij missen ze mij. Snap het niet, zo leuk ben ik niet. Op de een of andere manier merken ze direct wanneer ik een natte luier heb, gaan ze onmiddellijk aan de slag, hup, een droge aan. Alsof dat prettig is, zo’n kouwe.

Ach ja, soms moet je even je best doen, meedoen, mee bewegen, dan gaan ze lachen. Een tijd geleden alweer, toen zetten ze een of ander muziekje op, kennelijk iets dat ze zelf mooi vinden. En dansen dat ze deden en lachen naar mij en roepen dat ik mee moest doen. Nou ja zeg, ik kon net stáán! Je had erbij moeten zijn, die koppen, ze kwamen niet meer bij! Toen ik eenmaal mijn moves ging doen, gillen! Er zijn zelfs filmbeelden van schijnt het.
Trouwens van meer dingen, alles wordt gefotografeerd, wat móet je ermee denk ik dan, en gefilmd. Leuk voor later hoor ik ze zeggen. Eendjes voeren, ook zoiets, zó traditioneel. Kijk eens, ik vind het best hoor, ik doe wel mee, als ze dat nu leuk vinden, als ik ook maar wat te eten krijg. Overigens, even tussendoor, waar ik de vorige keer over schreef, hot item toen, stikstofuitstoot, stikstofstikstofstikstof, dat leuke woordje, ik hoor er niks meer over.

Waar ik dan wel weer onwijs van geniet, de glijbaan. Beetje jammer dat ze dan steeds afremmen, sowieso maak ik niet veel snelheid, iets met zwaartekracht ofzo, ik ben te licht, maar dat lijkt me zo kick, keihard naar beneden….  Het ging wel een keer goed fout. Die ene opa vond het nodig mij steeds in dat blokkenkarretje te zetten en me dan een harde duw te geven zodat ik de hele kamer door zeilde. Toen papa en mama me ophaalden werd dat gedemonstreerd. Ik liet me toen er keihard uitvallen, zo met mijn hoofd op de vloer, schrikken dat ze deden!
Iets anders, kennen jullie dat ene liedje met dat refrein; ‘ga a a a a a a, pak alles wat je kan en ga a a a a a a.’ Vind ik wel geinig, zing ik zelf steeds: ‘a a a a a a ‘, alleen die zin: ‘Leef, alsof het je laatste dag is.’ Hallo, ik ben net begonnen, 17 maanden, ben je daar nog?  Ik neem me voor het niet binnen te laten komen, maar leuk is anders, constant uitgelachen te worden. Ik met een gek mutsje op, of ik, een beetje geknoeid met mijn ijsje, of ik met mama’s roze Tokkie badslippers aan, of ik, lurkend aan leeg flesje Jupiler. Het schijnt ook heel interessant te zijn om aan iedere willekeurige voorbijganger te zeggen dat ik nu vier tanden heb, twee boven, twee beneden, begrijp jij het?

Even voor de goede orde, niet alleen maar negatief doen nu, het is nu eenmaal zo, ik kan het gewoon nog niet zeggen, ik wil het wel, maar ik hou best wel van ze, mama en papa, het zijn lieverds, allebei! Eigenlijk best wel. MMMMsmak, kusje. Kusjezwaai, nieuwnormaal, toch?

En dan nog iets, wat zou dat zijn; huidhonger, geen idee, maar het komt op mij over als iets engs. Een opa en een oma met huidhonger, ik weet niet of ik daar op zit te wachten. Nou doei, als ik me verveel schrijf ik nog wel eens. Ik sluit af met mijn laatste nieuwe woordje, zegt mama altijd – wat ze er precies mee bedoelt weet ik niet – wanneer ze me, met zo’n voor mijn gevoel best linke zwaai, in dat fietsstoeltje parkeert: “OeoewaaH!”
Doeoeoeiii.

Free World

De eerste drie uur ging het goed, ze sliepen nog. Maar tanken in Luxemburg, daar gingen de oogjes open en een slaperig, doch dwingend stemmetje vroeg: ‘Bassie en Adriaan, Bassie en Adriaan’. Er zat niets anders op dan de vrolijk dreinende deuntjes af te spelen, om de lange reizen naar de Alpen voor hen enigszins draaglijk te maken. Het was nog de tijd van de cassettes, uren lang hetzelfde, voortdurend omdraaien, dus het bandje was op den duur gloeiend heet. Dat het magnetisme daar niet van in de war raakte.

Sorry folks, dit wordt vermoedelijk toch weer een columnpje over muziek, een issue van importantie in ‘my life’. Ik was dit alles eigenlijk vergeten, tot ik zojuist Neil Young hoorde; ‘Keep on rocking in a free world’. Zodra de kids weer in slaap sukkelden wisselde ik snel van muziekgenre. Kennelijk toch wat geïndoctrineerd hierdoor, kwam soms ook de vraag – na weer een lange sessie met ‘Hallo vriendjes’ – ‘Rokkie in een friewurd, rokkie in een friewurd!’ Minimaal twee keer, altijd, minstens. Het refrein werd net zo hard meegezongen als dat van dat toch iets minder prettige clownsduo, hetgeen weleens grappig was wanneer we door de smalle straatjes van een Zwitsers bergdorpje sukkelden. Twee schattigkleine meisjes keihard rockend achterin.

Van een andere orde, vergelijkbaar, maar dan andersom is het volgende verhaal. Dat van de leuke buren op de camping hoog in de bergen, die met het hippe VW busje en de vier kinderen. Bassie en Adriaan waren dat jaar bij ons al ingeruild voor ‘Baila, baila, baila’, van the Gipsy Kings. ‘Keep on rocking’ was vergeten, maar goed ook, zo’n vrolijke tekst is dat niet. De pa met het leuke busje ging op een vroege ochtend brood kopen in het dorpje in het dal en nam de kinderen mee. Kon mams een keer uitslapen. Toen de motor uitging bij terugkeer naast hun tent en tevens de muziek, die luidkeels uit de geopende raampjes schalde, rolden de kinderen uit het busje. Boos en beschaamd riepen ze, achterom kijkend naar pa: ‘Wil je dat nóóit meer doen?” De rest van de vakantie zongen of floten buurman en ik: “Ik héb hier een brief, van me moedér!”

Naar Carlos Santana, een lang gekoesterde wens, kreeg ik cadeau van dochter Martine. Samen zwierven we een dag door Antwerpen in afwachting van het concert in het Sportpaleis. Naar UB40 met dochter Carol en haar Robert in HMH, swingen op reggae. Of flyeren in Ahoy, in mijn Voodoo Lounge shirt, voor gratis toegang bij de Stones en dan op aanraakafstand met Jagger himself. Etmalen onderweg voor U2 en Rolling Stones, uitgeput en bemodderd.

Een van de mooiste herinneringen, wat betreft muziekmomenten is deze. Ook weer op weg naar de bergen, ‘s nachts vertrokken, de kinderen slapen achterin. Het is heel stil op de lange weg naar Metz, Nancy, Mulhouse, Basel en de volle maan staat er helder bij. Heel langzaam begint het in het oosten, waarheen wij rijden, licht te worden, de dageraad. Aan de verre horizon verschijnen ze, de contouren van de bergen. Zacht klinkt Neil Young (alweer) door de volgeladen, gehuurde en gloednieuwe zwarte Renault Laguna station. Het is een traag nummer, met echo er in. We praten niet, we rijden en luisteren en kijken, naar die kartelige vormen in de verte, die zwart afsteken tegen de lichter wordende hemel. En dan zegt Eega, die eigenlijk niet zoveel heeft met muziek; “Dit past wel heel mooi nu”. Dat moment, ik denk er soms aan terug, het trof me. De auto stond boordevol geluk, met z’n viertjes onderweg, vakantie, bergen en avontuur voor de boeg. Een kippenvel moment van puur geluk. Alle cassettes zijn weggegooid en hoe ik ook zoek, op Youtube en Spotify, dat nummer, ik ben het kwijt. Het was een magic moment.

Herkenbaar? Er moeten ontelbaar veel herinneringen zijn zoals deze, please, tell me!

 

Free at last

In een helder ogenblik dacht ik het gevonden te hebben. De zoektocht naar lucht en ruimte, weg uit die intelligente lockdown, zucht naar avontuur en natuur, dat was het, alle klimgebieden, campings gesloten, Zeeland op slot: Paalkampeerterreintjes, daar konden we heen. Tot me bleek dat Staatsbosbeheer ook die tot verboden gebied had verklaard.

In alle stilte wachtte ik, lichtjes ongeduldig, op mijn vrienden. Lynn had hét idee. We gingen toch, wildkamperen, gedoogd, op een groot privéterrein in een bos, ergens op de Utrechtse heuvelrug, waarvan ik die coördinaten hier niet zal prijsgeven. Mijn rugzak weloverwogen ingepakt, alleen het hoognodige, zo licht mogelijk, zodat ik zoveel mogelijk water kon meenemen. Immers, daar waar wij heen gingen was, niets, geen water, geen wc. Plus de noodzakelijke zes blikken bier, her en der er nog bijgepropt, het zou warm worden deze dagen, waarvan ik er meteen maar een consumeerde om de pijn van mijn ongeduld tijdens het wachten op Barry en Lynn te verzachten, die hoefde alvast niet meer mee.

Zo luxe heb ik nimmer in mijn lange leven gewildkampeerd. Nadat we ons hadden geïnstalleerd, de tenten op veel meer dan de voorgeschreven afstand, op een fijn teekenarm grasveld, omzoomd door bos van divers en indrukwekkend geboomte werd de meegesleurde BBQ ontstoken. Er was rosé en rode wijn, Desperado, chips, sla en salade, saté, hamburgers, worstjes en kaarsen en feestvlaggetjes en meer bier. Zat ik daar met mijn mini coolpack met miniMarsjes.
Terwijl de schemering inviel en het geluid van de A27, best ver weg toch, iets luider leek te klinken, lagen wij languit op de bivakzak en het langzaam vochtig wordend gras en we spraken en lachten over zware en luchtige zaken des levens. In het donker zochten we ons een weg naar het nabijgelegen minikasteeltje. De landlord verzocht ons te kijken of de open haard wel echt uit was gegaan, Lynn had de sleutel en daar zaten we, met kaarslicht onder de jachttrofeeën aan de muur en we keken elkaar in de ogen die blonken in dat flakkerlicht en we zagen dat het goed was.

Inslapen dus met een glimlach en wakker worden ook, de geluiden van het bos, als een volière, met het ritme van een specht daaronder. De zon probeerde tussen de bomen waar een licht ochtendneveltje opsteeg al op ons veldje te schijnen toen ik omkeek naar ons kampje, de restanten van het feestmaal. De buggy en de trolley waarop al de extra zooi was meegesleept, het eten, BBQ en flessen water, over de hobbelige, zanderige bospaadjes, waar de kleine wieltjes moeite hadden met de denappels en takken. Hoe we met de grootste moeite dit paradijselijke plekje tenslotte vonden.

Lukraak liep ik een stukje het bos in, een heel zacht en lauwwarm ochtendbriesje streelde mijn ontblote bilstreek terwijl ik, mij onbespied wetend, hurkte. Na een en ander keurig bedekt te hebben met Utrechts Heuvelrugmos en stevig verankerd met dode takken, richtte ik me op om terug te gaan en stond ik, met de wc-rol in de ene hand en het schepje in de andere, oog in oog met drie sportieve dames die met gezwinde pas mijn kant opdartelden, goedemorgen!

Rest mij nog te vertellen dat ook het ontbijt, zeker voor ‘wildkamperen’, van ongekende luxe was. Kaas, ontbijtkoek, aardbeitjes, eitjes. Zat ik daar met mijn eenvoudige krentenbollen. Was ik dan toch geen levensgenieter, een minimalist? Schoot ik te ver in mijn jacht op de grammen? Beschaamd en als kleine tegenprestatie kookte ik koffiewater en bakte eitjes in het schier eeuwenoude aluminium aanbakpannetje, dat herinneringen met zich meedraagt aan gouden tijden van gebakken Smac. En ook dat de terugweg, de zoektocht naar de parkeerplek door het heerlijk geurende bos net zo lang duurde als de heenweg en dat het werkelijk had gevoeld als een bevrijding, omdat het kón.

Roomtrip
In het spoor van écht Grote schrijvers, zoals Connie Palmen, Bert Wagendorp en anderen die weer in navolging van de onvolprezen J.M.A. Biesheuvel, nu in de huidige situatie ook door hun kamer ‘reisden’ en de lezer daarin meenamen meen ik in al mijn domheid m’n fans te kunnen verblijden met wetenswaardigheden omtrent mijn woon- of verblijfplaats. Welnu, dames, heren ook, het is er niet donker, het tocht en lekt er niet. Het is er ook niet koud en ikzelf heb ook geen honger. Ik ben namelijk geen echte kunstenaar en geen Groot schrijver en heel arm ben ik ook al niet.

Met welke kamer zal ik eens beginnen, toen ik nog wel arm was dan maar. In de toenmalige rosse buurt van Utrecht, en ook echt driehoog achter. Op een stoel staand kon ik door het dakraam de haveloze achterkanten zien van de rotte balkonnetjes van de woonkazernes. Wanneer ik ’s avonds nog een kroket en een blik Skol (bier) ging scoren moest ik mij een weg banen door publiek van bepaald allooi. Ik legde geld op de toonbank, bestelde een kroket, de frietboer draaide zich om, legde het bestelde in het vet en ik pakte het geld weer van de toonbank, ik was toen arm.
Voordat de frietboer dit ging opvallen verhuisde ik naar elders in de stad, een aanmerkelijke verbetering. Wel weer driehoog, maar nu voor. De verhuurster woonde beneden en bezat drieëntwintig klokken, die net niet allemaal tegelijk het hele en het halve uur lieten horen. Het grotestadsleven beviel mij prima, anoniem, opgaan in de massa, de student, de artiest, leven van statiegeld en geleend brood, fietsen op een ‘gevonden’ fiets. De eerste voorzichtige schreden op weg naar miskenning, zowel in de liefde als in de kunst.

In Amsterdam woonde ik altijd begane grond, een grote stap voorwaarts. Niet wat betreft het aantal vierkante meters. Eerst piepklein maar wel op stand, in het sjieke Oud-zuid, met zelfs een zonnig tuintje. Bij een stokoude Joodse vrouw, ooit rijk geweest maar lief. Commercieel gezien ging het mij daar niet voor de wind, evenmin als in de liefde. Artistiek daarentegen gezwind.
’s Nachts fietste ik zwalkend op een oude fiets zonder licht van kroeg naar huis. Eindelijk in de hippe stad van mijn jongensdromen. Muziek in het Vondelpark, Nieuwmarktrellen. Alweer een verhuizing volgde, een teruggang qua niveau, de Pijp was toen niet wat het nu is. Achter de ‘Malle Pietjewinkel’ was mijn hele halve woning, ijskoud, dat wel. Alweer met tuin, gevuld met twee meter hoge brandnetels waartussen beschimmelde schoenen en wasgoed van de bovenburen dat naar beneden was gevallen. Uitzicht op het water, geen gracht maar wel een kade. En met de liefde ging het geweldig. Samen op de fiets zonder licht door de stad naar Bimhuis, Cinemá of bistro.

Toch weer driehoog nu, in de middelgrote provinciestad. Voor die liefde, met pijn Amsterdam de rug toegekeerd. Het appartement, weer een stapje groter, volgestouwd met groene planten, zeventig, het balkon meegerekend. De grote (her)ontdekking van natuur en polder, op de fiets. Al snel kende ik elk paadje op het eiland. Gevolgd door een romantisch oud huisje onderaan de dijk. Achterdeur voorzichtig sluiten zodat de achtergevel niet omviel. Bessenstruiken, aardappelveld en kippen in het tuintje. Alle verbouwingsklussen klaar, verhuizen maar weer. Romantisch oud huis bovenaan de dijk. De tuin was enorm evenals de verbouwingsklussen. Honderddertig bomen en struiken aangeplant, om mee te beginnen. Meer kippen nu, paarden in de wei en schapen. Pruimen, peren, appels, bramen, alles. Groente ook. Gras, hectares heb ik gemaaid, vier benzinegrasmaaiers versleten.

Nu dan, eindelijk, nog steeds in diezelfde middelgrote stad op dat eiland, een braaf huis, maar een goed huis, geen tocht en geen vocht, de woonkamer haast zo groot als alle voorgaande woonkamers samen. En boven – voor- dan tenslotte een eigen kamer. Waar schoksgewijs, in perioden van een kwartaal of een halfjaar met grote snelheid schilderijen worden geproduceerd.
Vaste lezers weten; altijd haast. Maar nog veel gekker, op de parterre – nog een werkkamer. Ven Eega mag ik het geen kantoor noemen, schrijfkamer dan? Waar soms worstelend, soms in een flow een column of verhaaltje op het toetsenbord gehamerd wordt. Hmmm, dit nu teruglezend nog niet echt een reis door mijn kamer. Verder maar, denken, straks op de fiets, die nieuwe, nu.