Alle berichten door dentoonder

De schaduw

‘When I was young it was more important’
Waar komt dat opeens vandaan, dat liedje wat ik blijk te neuriën, hoewel ik het binnen in m’n hoofd eigenlijk keihard schreeuwend zing, zoals Eric Burden & the Animals toen en ik weet het al, de lage septemberzon laat mijn schaduw ver voor me uit lopen en daar lijk ik niets veranderd. Toen dit lied in de hitlijsten stond was ik achttien en mijn profiel bleef al die jaren ongewijzigd.

De schaduw als tijdmachine
Het verleden draag je als een schaduw mee en dat verleden is een schimmenspel, op de vreemdste momenten schieten dingen te binnen die vergeten leken, die een weemoedige glimlach kunnen toveren, die pijnlijke wonden open rijten.

Het geheugen als tijdmachine
Dat is een machtig iets, belangrijker nog dan alle foto’s  in de albums, op de harde schijf of in de cloud. Je kunt op reis gaan in je hoofd, op zoek naar mooie momenten, belevenissen, landschappen, gesprekken, de mogelijkheden zijn eindeloos, zolang de geest helder is, de zon schijnt en schaduw maakt.

‘There is a house, it ‘s called the rising sun
Ook gezongen door diezelfde Animals, misschien nog wel bekender, met een tekst die nog simpeler lijkt en misschien zelfs een diepere boodschap heeft. Een ‘traditional American folksong’ en de naam, ‘House of the rising sun’, die zo mooi vertaald is als ‘De Dageraad’, heeft een geheel andere betekenis, gevangenis of bordeel bijvoorbeeld, ik hou het liever bij de dageraad, dat mooie moment van de dag, een nieuwe dag.

Het zal de lezer misschien opvallen, ik kan het ook niet helpen, naarmate je ouder wordt, wordt de toekomst korter, het verleden langer dus ja, ik ben – soms – een beetje aan het terugkijken. Het is vreemd, maar dat zal ‘de lezer’ misschien ook herkennen, als je even de eventuele pijntjes of klachten vergeet, dan voel je  je, nou ja misschien geen achttien meer, maar toch zeker niet je kalenderleeftijd.
Totdat je per ongeluk jezelf weerspiegeld ziet in een winkelruit of in de spiegel van de badkamer wanneer je ’s nachts toch heel even dat plasje moet doen of wanneer je je op een reünie van school moet voorstellen aan die klasgenoot die jij zelf ook absoluut niet meer herkent.

Mijn schaduw is van mij, me and my shadow, hij (sorry, het is een hij) zal altijd bij mij blijven, onveranderlijk, waarheen ik ook ga. Hij zal me nooit bedriegen, of in de steek laten. Ik ga ook niet, dat modieuze, er overheen stappen. Nee, ik zal mijn schaduw volgen waarheen hij mij ook brengt, ik beloof het.

Zou zomaar een rocknummer kunnen zijn:
‘Your shadow is a Timemachine, Yeahhh!’
Niks geen geneurie, keihard schreeuwend gezongen.

ALS HET REGENT IN MEI

De secondewijzer van de eenvoudige wijzerplaat van mijn Bering polshorloge tikte 18 seconden weg tijdens het opschrijven van deze zin.
‘Time is an ocean but it ends at the shore’,
zong Bob Dylan. Alweer 18 seconden dichter bij het einde.
‘Nader tot U’
zou G. Reve gezegd kunnen hebben.

In menig mensenleven gebeurt wel iets dat berust op onwaarschijnlijk toeval, of het is iets ongelooflijks, niet uit leggen, misschien is het zelfs een kijkje in een vreemde dimensie of een andere werkelijkheid. Ieder mens maakt beslissingen en keuzes, waarvan het vaak gissen is of dat besluit van toen wel zo verstandig was, het blijft immers onduidelijk welke invloed dat had op de verdere levensloop, wellicht was men aan menig onheil ontsnapt, of was men van vreugde of rampspoed gespaard gebleven wanneer men ja of nee gezegd had, simpel rechts in plaats van links was gegaan.

Bovenstaande wijsheden ontsproten niet aan mijn eenvoudig brein, het zijn flarden die ik mij herinner, van wat mij werd toegefluisterd, dat wat ik opving in het oorverdovend lawaai in de buik van de Walvis. De man, die plots naast mij opdook, gezegend met een Grieks profiel, qua neus en snor, meer werd ik niet van hem gewaar in de duistere heksenketel, sprak gejaagd, het was hem kennelijk zwaar te moede en, zo was mijn inschatting, hij droeg een groot geheim met zich mee. Dat wat hij mij toevertrouwde in die korte tijdspanne was mij wel duidelijk, de grote vergissingen in zijn leven moesten geheim blijven en ik zal ze dus hier niet publiek maken.

Wie deze man was, hoe hij onverhoeds plaatsnam in mijn zwarte gezinswagen is me tot op heden een raadsel. Dat dit alles passeerde in de vijf minuten dat ik door de hallucinerende borstels en waterstralen en kleuren van de regenboog verlichting van de wasstraat werd gesleurd, een betere plek om een geheim te delen is haast ondenkbaar. Het leven is kort – cliché – en de enige zekerheid die men heeft is dat men op zeker moment zal sterven. Met dit soort gezegdes – ‘Als het regent in mei, is april voorbij’ –  en ‘Alles is altijd maar tijdelijk ‘ lardeerde de man zijn haastige relaas. Ook vroeg hij mij, of was het slechts een hardop denken, is er een kansberekening, hoeveel procent kans heeft de mens op een bepaalde hoeveelheid geluk, in de vorm van liefde, gezondheid en of geld, of miserie als pijn, tsunami’s, aardbevingen of andere ellende.

“Vanaf hier wegrijden”, doemde op achter de laatste woest over de voorruit vegende tentakels en ik startte de motor van mijn wagen en als verdoofd reed ik langzaam door de donkere ruimte in de richting van de verlichte rechthoek waar ik het volle leven vermoedde, waar de zon scheen, de kinderen en de vrouwen lachten en de aarde in die vijf minuten onverstoorbaar alweer duizenden kilometers verder was geroteerd in de onverschillige oneindigheid. Echter, voor ik bij die helverlichte uitgang was viel mijn oog op het dashboard, daar draaide als in een lichtkrant een dichterlijke tekst voorbij, voor zover ik die heb kunnen onthouden, want zodra ik buiten was, in het volle daglicht vervaagde de tekst en verscheen gewoon zoals altijd de kilometerstand en het toerental en de gebruikelijke symbooltjes. In mijn herinnering was het zoiets als dit;
Het was een lach vol stilte zeker niet van oor tot oor was het spot of medelijden troost of liefdevol verlangen de vogels zagen het gebeuren hoe ze naar hem lachte….
Van de man met de Griekse neus geen spoor. De secondewijzer van mijn smaakvol Bering polshorloge blonk op aan mijn linkerarm, heel even.

travelers’ directory

In het jaar onzes Heren 1977 ontwierp ik de omslag voor het – goed gevulde – adressenboek van travelers’ directory. Op deze adressen kon men gratis overnachten, mits men zelf ook slaapplaats aanbood. In North Carolina, New York, Pennsylvania, maar ook in Utrecht en Amsterdam. Couchsurfing avant la lettre, internet bestond domweg nog niet.
Het was de tijd van rondliften en leven van weinig geld en veel luf & pies. Het boekje werd gedrukt in Amsterdam waar ik anno 1977 ook een vaste verblijfplaats had. Dat drukken gebeurde weliswaar illegaal door mijn vriend Harry, hij liet zich simpel insluiten en door het kelderraampje van het souterrain waar de huisdrukkerij zich bevond, kon ik ook binnen.

Vierenveertig jaar later, op een kenmerkende grijze zonloze dag van het jaar 2021, fiets ik met hoge snelheid zonder haast naar de stad, tot ik opeens gemaand wordt Halt! te houden. Harry en een mij onbekende figuur: “Gerard! Dit is Scott!”
”Scott?”
“Ja, uit New York, van Travelers’ Directory, de editor”. Dan gaat bij mij een lampje branden. Ongelooflijk toeval, Scott logeert nu bij hem en Harry laat hem, op de fiets, de schoonheid van ons landje zien. Harry had Scott al verteld dat ‘the artist’ van de omslag van dat jaar ook in deze stad woont.

Onderweg naar het centrum passeer ik een wandelend jong stel met rugzakken, aan die van hem bungelen een paar lege blikjes en op die van de bruid prijkt een bord met de tekst: ‘Just Married.’  Even verderop heb ik geluk, de brug Riedijkshaven die bijna nooit open gaat, staat omhoog om een binnenvaarder door te laten. De Vincita (= Winnen) uit Terneuzen. Aan de Merwedekade ligt een enorm riviercruiseschip uit Basel, haveloos en naamloos.
En ik heb alweer geluk, de tijdelijke Engelenburgerbrug, de oude wordt totaal gerenoveerd,  gaat net open. De zware staalplaat wordt simpel met twee staalkabels piepend omhoog getrokken. Een fraai lichtblauw zeiljacht tuft vanuit de Nieuwe haven de rivier op.
Ook de volgende brug, de Mazelaarsbrug draait open. De naam Mazelaars komt van de zakkendragers, zij die vroeger de schepen losten met zakken op hun rug, de schepen die van de Maas hier binnen voeren. Het lichtblauwe zeiljacht van zojuist zoekt kennelijk  liever een plekje in deze haven, het Maartensgat. Een stukje verder kom ik het pasgetrouwde stel tegen en zacht fluister ik hen toe in het passeren; “Veel geluk”
en fiets door zonder reactie af te wachten.

Bij Villa Augustus plaatst juist de presentator en dichter van de documentaireserie ‘Na de vloed’ een klein kindje in zijn auto. Een professioneel gemaakte film over de gevolgen voor Dordrecht van de Sint Elisabethvloed  en de toekomst van de stad met stijgend zeewater. In de remmen knijpend roep ik hem toe:
“Complimenten voor de prachtige serie Na de vloed!”
Ik hoor een verbaasd; “Dankjewel!”

Zodra ik thuis ben ga ik op zoek, in stoffige dozen op zolder waaruit een muffe lucht opstijgt bij opening. Ik moet dat boekje ergens hebben, tussen stapels oude tekeningen, ontwerpen en drukwerk en andere zaken die niet weg mogen, die steeds mee verhuisden.
Op het moment dat ik het vind in een plakkerig plastic opbergmapje, met de originele tekening en offsetplaat erbij krijg ik een appje van Harry; “Lekke band!” met een foto erbij, precies voor het huis waar ik exact de looptijd van mijn hypotheek woonde. Inderdaad op pagina 1, Editor Scott Lewis en Artist: – mijn naam. ’Printed  in the Netherlands by the Graphic Bull Studio’. (Harry)

Als voorwoord een citaat uit het boek ‘Travels with Charley’ van John Steinbeck, hoe hij door de US reist met zijn kleine camper en de poedel Charley. Een pocket uitgave die ook in mijn boekenkast prijkt. Uiteraard moest ik Scott beloven dat whenever ik naar the States zou gaan, ik bij hem, in the suburbs van New York kom logeren. The city that never sleeps, staat al heel lang op mijn longlist. Echter, er is a small problem, hoe overwin ik mijn vliegschaamte.

Never too late

‘De omgeving van de mens is de medemens’. Dat deze spreuk van dhr. J. A. Deelder zeer van toepassing is blijkt al snel wanneer ik mij een halte te vroeg uit het te volle treintje wurm en me in de drukte van Rotterdam stort, teneinde een aantal mijzelf opgelegde opdrachten vandaag af te werken. Te weten, de performance die al jaren aan de gang is, vlakbij mijn toenmalige werkplek en nog nooit gezien heb – en dat kan dus niet (Kunst!) – midden op de Coolsingel, plus het nieuwe Depot van museum Booymans  van Beuningen. Bijblijven.
Naast station Blaak blijkt opeens een open kelder te zijn gebouwd, als fietsenstalling, met gezellige boompjes op de bodem, nieuw voor mij. Even verderop twee enorme metalen voeten aan weerszijden van het nu lege marktplein. Kunst! Getiteld; ‘Iedereen is dood, behalve wij’. Naarmate je er verder langsloopt veranderen ze van vorm, geweldig. Bloemperkjes en een heuse watervalmuur, leuke dingen voor de medemens, ingewikkeld uitlegbaar maar het heeft allemaal te maken met de Binnenrotte.

Uiteraard ben ik, zoals altijd, te vroeg, moe word ik ervan, van mezelf, de performance is altijd exact om twaalf uur, niet meer dagelijks nu, maar elke woensdag. Dus dan maar meteen door naar het Depot. (haast)
Op weg erheen over de altijd fijne Westersingel, pik ik daar de nieuwste aanwinst mee, de metershoge ‘De Vlecht’ van ineengevlochten staaldraden, lastig na te vertellen statement, iets met feminisme.
Pal voor het kantoor van Inez Weski plof ik neer op een van de lange banken waar geen dakloze ligt te slapen, even zitten in de zon.
Dan het Depot, waanzinnig mooi, een enorm komvormig gebouw, weer een aanwinst voor deze architectuur minnende stad.
Nu ik toch in de buurt ben, loop ik verder door, kijken waar hij woonde, Jules, en inderdaad, de gevel is net zo strak als zijn pakken waren, gele steentjes, jammer dat de ongetwijfeld van oorsprong stalen kozijnen vervangen zijn door dunne witte kunststof, een kunstsóf zou hij gezegd kunnen hebben.
Nu moet ik toch wel haast maken, terug, maar dan wel dwars door het paradijs voor lezers, boekhandel Donner, groter dan ooit nu.

Bij de glazen vitrine waarin de roestvrijstalen roeptoeter staat, hebben zich al enkele medemensen verzameld, we kijken naar elkaar met een zekere binnenpret, noem het voorpret, noem het medemensen gevoel, wij weten wat zich hier gaat afspelen.
Dertig seconden voor twaalf, net als ik al denk, zul je net zien, is hij ziek, de omroeper, komt hij er aan. De figuur die ik al verwachtte het te zijn, zag hem drentelen achter de Bigmac hamburgerhel, waar ik in de roaring seventies mijn maandagochtendkoffie scoorde, komt heel relaxt opvallend onopvallend aanwandelen. Ontsluit de twee sloten, neemt de spreekbuis ter hand, zet een enkele pas voorwaarts en roept, heel hard en onverstaanbaar:
“It ’s never too late to say, sorry”
Heel eenvoudig plaatst hij de megafoon terug, sluit de deur en wandelt rustig verder. Een performance van een minuut, die ik voor een goud had willen missen. Kunst.
Het kan mensen raken en het kan onverschillig laten. Zoals Kabouter Butplug veel stof deed opwaaien ( ik beken dat ik toen niet wist wat dat was, een butplug)  en nu weer de ‘klimwand’ kunst in de Tweede Kamer, zo doet het plan ‘Rivier, Boot, Stad’ de burgerij van Dordrecht in woede ontsteken, wat mij betreft is het kunstproject nu al geslaagd. Sorry.

En ook Sorry aan allen die ik beledigde
Sorry als het nog niet te laat is
aan hem die ik sneed
en haar die ik vermeed

Sorry, voor doorwaakte nachten
aan allen die mij niet kenden
of die mij wel dachten te kennen

Sorry dat ik aandrong
voor mijn tranen
voor mijn mening of onverschilligheid
dat ik te laat was en te vroeg
of te lief

Sorry aan de medemens dat ik stom deed of juist niets
voor de scherven en gebakken peren
voor mijn humor
dat ik je links liet liggen
en dat ik weg was in gedachten
en dat ik het me verkeerd herinnerde
en dat ik geen sorry zei

Sorry, als het te laat is.

Purmerend

Als de pensionado niet oppast wordt hij aan alle kanten voorbij gelopen. Binnen de kortste keren staat hij aan de zijlijn, ‘kan je niet meer mee’. En het predicaat ‘ouwe lul’, is wel het laatste waar de gemiddelde P mee geassocieerd wenst te worden. Tenminste wanneer ik voor mezelf spreek, hoe kijkt de wrede buitenwereld aan tegen deze, zich manhaftig tegen de tand des tijds verzettende figuur.
Het is geboden bij te blijven, met de tong op de schoenen, met de immer sneller vernieuwende betaalmethodes, belastingaangiften, doorkliklinks met de daaraan verbonden op de loer liggende valkuilen van phishing en erger. Men moet mee in de vaart der volkeren.

Was ik – vroeger, als je dat woord nog mag gebruiken, zonder voor ‘dor hout’ te worden uitgemaakt – tégen. Ik zag het om me heen: toen ik nog werkte, medeforensen die in de trein hun huisvrouw die in de soep stond te roeren toefluisterden in hun Nokia’s dat ze eraan kwamen, dat ze in de trein zaten. Tenslotte was ik om en kocht zo’n ding, nog hoor ik de verbaasde reactie van mijn dochters wanneer ik hen belde om te zeggen dat ik bijna thuis was. Nu schiet ik in de stress wanneer ik merk vertrokken te zijn zónder mijn peperdure phone.

Lang stelde ik het uit, verdomde het een ticket uit de automaat te halen, kocht mijn vervoersbewijs zolang mogelijk bij het loket. Niet meer voor te stellen nu, maar de aanschaf van de OV-chip stuitte op verzet en het verlaten van stations waar nog geen werkende poortjes stonden opgesteld voelde als een bevrijding.

Links en rechts wordt de P ingehaald. Wie heeft nog cash op zak? Wie klooit nog bij de parkeermeter? Wie staat nog onnodig lang te wachten bij het stoplicht, met de Schwungapp springt het licht sneller op groen, per fiets. Ook zo iets, heeft men als P geen E-bike, staat men meteen met een-nul achter. Aan alle kanten vliegen ze je voorbij, die luie E-bikers, relaxt achterover hangend.
Namelijk, op dit front ben ik nog niet om, tégen! Teneinde de hartslag omhoog te jagen put ik dit lichaam graag ietwat uit. Dat dit consequenties heeft voor vriendschappen neem ik op de koop toe, gezellig een dagje samen fietsen kan niet meer. Ongelijke strijd.

Maar nu nog gekker; fiets ik laatst, op een van die zeldzame zomerdagen dit jaar, met mijn gebruikelijke kruissnelheid van tweeëntwintig kilometer uit de stad – wind mee, zon in de rug – naar huis, komt uit een zijstraat van rechts een step. Een elektrische. Ik neem voorrang, juist of onjuist? Glimlachend denk ik terug aan mijn eigen step, rood met van die dikke witte bandjes en hoe hard je daarmee kon vallen in de brandgang achter het huis en hoe dat kolengruis gemeen in je schaafwonden bleef prikken en aan het liedje:
‘Bent u misschien bekend
weet u misschien de weg naar Purmerend?
Op de step
op de step
ik ben zo blij dat ik hem heb’

Even later word ik ingehaald, hoe gek wil je het hebben. Door een step. Zo’n, jongere, ontspannend staand op zijn zwarte step en ik krijg zicht op zijn opgeschoren nekkie, de haartjes bovenop glimmend in de gel achterover, de witte draadloze oortjes in zijn oren steken helder af tegen zijn gebruinde teint. Het bruin- oranje ensemble in de snit van een katoenen trainingspak van Dolce & Gabbana, of moet ik huispak zeggen fladdert om zijn afgetrainde corpus. In de rechterhand bestudeert hij op zijn IPhone de binnenkomende appjes van zijn scharrel(s).
Op dat moment gaat dan bij een P het licht uit, wordt hij moedeloos, de boot gemist, de ratrace verloren. Aan verre horizon gloort de rollator.

Verstandig

“Doe het nu niet, zie er toch alsjeblieft van af”,
werd me van verschillende kanten toegeroepen toen ik mijn eerste huis wilde kopen. Toegegeven, het was oud, niet groot maar romantisch. Onderaan de dijk, een van de laatste huizen van de stad, hier begon het buitengebied, de polder. De stad was hier nog dorps, met zingende telefoondraden aan houten palen op de dijk. Goed, de vloer liep scheef, de voordeur was verrot en wanneer je de achterdeur wat driftig sloot viel de achtergevel er net niet uit.
Maar we waren verliefd, op elkaar en op dat huisje op die plek. Ik sloopte de keuken er uit en parkeerde die in de tuin. Nadat handenwrijvende keukenboeren hun prijzen verklapten plaatste ik de natgeregende boel haastig weer terug. Die tuin waar onze aardappelen groeiden en de rode bessen en de druiven en waar vier zwartbruine Barnevelders voorzichtig hun eitjes legden en de zon scheen. En waar ik, na veel denkwerk geheel zelfstandig een schuur bouwde.

“Zou je dat nu wel doen, dat wordt niks”,
werd me vier jaar later ingefluisterd toen ik mijn tweede huis wilde kopen. Toegegeven, het was een krot, het was nog ouder, iets groter maar romantisch. Bovenaan de dijk nu, een van de laatste huizen van de stad, met uitzicht, kilometers over de polder tot aan de Biesbosch. Aan de andere kant, in de verte, rukte de bebouwing van de stad op. Ook hier liep de vloer scheef en was de voordeur verrot. En de kozijnen ook. Ik sloopte de keuken er uit en bouwde er in de andere kamer een nieuwe oude mee. Toen het water in de stortbak bevroor werd het tijd het houtkacheltje te vervangen voor een gaskachel.
De tuin die gigantisch was, werd veranderd van moestuin tot een groen paradijs, honderddertig bomen en struiken geplant. De buitenmuren voegde ik opnieuw en schilderde alles steeds opnieuw weer wit. Net zoals het vorige huis kreeg ook dit huis een nieuw dak. Met veel denkwerk creëerde ik twee slaapkamertjes voor onze meisjes op zolder. Veertien kippen, paarden in de wei, alle soorten groenten en fruit. Selfsupporting willen zijn, het is mogelijk, maar het is heel, heel hard werken. De kruidentuin, de hangmat, de kampvuurcirkel, de feestschuur, het was een groene oase in de nieuwbouwwijk die ons langzaam maar zeker omsingelde. Na exact de looptijd van de hypotheek kocht ik mijn derde huis.

“Is dat nu wel verstandig, doe het nou niet’,
ik heb het niet gezegd toen die ene dochter een huis kocht met veel hout en een keuken uit het sprookje ‘Duizend en een nacht’. En ook niet toen ze weer een huis kocht, zo gigantisch groot dat ik haar ervan verdacht een B&B te gaan beginnen. En ik heb het ook niet gezegd tegen die andere dochter toen die een huis kocht met veel grond en veel ‘potentie’.

Idealen, het is goed om ze te hebben, leef ze na, leef je droom.

De cursus Mens-erger-je-niet

Moest hij het beschouwen als een cursus eerder dan een spel? Een leren omgaan met. Ja, zo had hij het zich voorgenomen. Was hij daar nu zoo oud voor geworden? Zijn laatste dagen, maanden, hopelijk nog jaren te laten vergallen, zich te laten opvreten in zijn innerlijke ik door wrevel en chagrijn? Om dat vervolgens vuilspuitend en – bekkend te uiten en zich schielijk te verontschuldigen bij zijn lief, het was maar een grapje, humor! Neen, zo beloofde hij haar en ook zichzelf, ook al zou het moeite kosten, hij moest het kwijt, weg met die ergernis, dat zinloze ergeren. En ook, zo nam hij zich voor, hij zou ‘zich niet meer irriteren’ aan, het foutief gebruiken van dit woord, immers het is ‘zich ergeren aan’ en ‘het irriteert me’.

Het blaffen van de hond, de harde stemmen, het niet aflatende getimmer met daarbij het kennelijk noodzakelijk voortdurend alles afspuiten met de lawaaiige hogedrukspuit van en door de buurmannen, dat alles gaat voortaan volledig genegeerd worden. Met een vriendelijke glimlach laat hij alles over zich heen komen, als les 1 van de cursus Mens-erger-je-niet. Daarbij hoort ook de onlangs getimmerde buitenkeuken van voornoemde buurmannen – het zijn er drie, broers en allen dikbuikig – en de daarmee onlosmakelijke geur van te zwart gebraden te veel vlees.

De tweeëntwintig postduiven – nooit vliegende ratten zeggen – die de andere buurman op mooie dagen loslaat voor hun zinloze rondjes rondom het huis exact op het moment dat hij zich in gezelschap van een aantal goede vrinden aan de goedgevulde dis op de buiteneettafel wil zetten, zullen vanaf heden zijn goede humeur niet meer verpesten, in tegendeel, ziet, hoe de ranke lijfjes het luchtruim doorklieven en hoe schoon zijn deze schepselen, de wonderen der natuur. Te beschouwen als les 2.

Trouwe lezers zullen het zich herinneren, het artikel ‘Honds’ dat diverse tongen deed losmaken en waarin het handelt over het gelijknamige gedrag van dier en bezitter. Immers, vindt men ooit nog een kunstig gedraaide hondendrol in de publieke ruimte? Neen, die kans is vrijwel tot nul gereduceerd, dus laten we blij zijn met zulk een vondst. Met een jubelsprong zal hij er overheen vliegen, zweven is een beter woord. De vogels en de honden en de buren en alle dieren des velds, allen zullen hem even dierbaar zijn. Deel 3. De ergernis werpt hij ver van zich. Wanneer hij in een nabije toekomst wederom besnuffeld, beblaft, dan wel besprongen wordt door een huisdier, dat volgens zijn bezitter ’niets doet’ , dan zal hij de pootafdrukken op zijn kledij koesteren.
Les 4 van de cursus Mens-erger-je-niet.

De andere buurman, iets verderop, die samen met zijn buurvrouw de stilte van de zomeravond kleur geeft met het bruisend zoemen van hun hottub zal hij bemoedigend toeknikken, zo van: “Heus, het is helemaal niet gek”.  Hij zal het minzaam glimlachend ondergaan, evenals dat van het buurjongetje dat alleen maar kan gillen boven het brommen van het opblaaskussen. Hij zal er van genieten, zich koesterend in zijn afgebakend kleine paradijsje waar de lavendel geurt en het koolmeesje af en aan vliegt teneinde haar kleintjes te voederen met kleine wormpjes en dergelijke.

En tenslotte de afsluitende les die zal gaan om ook de aanblik van de oude aanhangwagen – het woord sjofel, voor wie het woord nog kent, is hier van toepassing)  van de andere buurman te omarmen die voor onbepaalde tijd is vastgeketend aan de boom precies voor zijn voordeur. Alles went, behalve een vent en alles went, zelfs hangen. Eén ding dus voor ogen houden, want het is gewoon zo, hij bezorgt geen overlast, hij niet.

Citaat van ‘Loesje’; ‘Ik ben gestopt met mopperen en ik ben een stuk gelukkiger geworden’.

Zuid zuid-west

“Willen jullie mij naar de zee dragen?”
“O ja natuurlijk, we rollen je er wel heen!’
kwam onmiddellijk het antwoord. Vier krachtige vrouwenhanden, want gestaald door kilometers hoge gevechten tegen de zwaartekracht, tilden hem op alsof hij niets woog, wat feitelijk ook zo was, want in dromen kan alles.
Of was dit toch werkelijkheid, hij had het hen zojuist nog toevertrouwd, dit te beleven, op een dag waarop de zon, die zich maandenlang niet kon of wilde laten zien wegens niet aflatende depressies die hardnekkig bleven overtrekken en daarmee klimaatontkenners weer gelijk leek te geven, zie-je-wel-niks-aan-de-hand, eindelijk met volle overgave al haar warmte naar de zee, het strand en ook naar het kleine duinpannetje zond, dat duinpannetje waarin hij zich samen met twee vriendinnen bevond, min of meer noodgedwongen om beschutting te vinden tegen de nog altijd koude wind, dit te beleven dus, dat was toch de ultieme droom van iedere man, met twee beeldschone vrouwen in een duinpan.

En werkelijkheid was het, het goudgele strand, de geul verderop die zich vulde met vloedend water en de zandbank die langzaam zou gaan verdwijnen onder datzelfde onstuitbare zoute water, net zoals die meeuw die laag over scheerde, belust op geurende kaasbroodjes.
En ook dat hun beider ogen zo blauw waren als de lucht van deze dag, die de zee, die eigenlijk grijs is, kleurde in datzelfde prachtige diepblauw.
En hun heldere stemmen die bleven klinken met verhalen over hun kinderen en het leven met hun partner waarin liefde doorklonk en over de inhoud van hun werk en kortom alles in alle facetten.
Over hun eigen tekortkomingen en dingetjes waar ze tegen aan liepen en dat alles hoorde hij aan en dat alles deed de sympathie voor hen alleen maar toenemen en hij voelde zich niet buitengesloten, in tegendeel, ook hij kreeg alle ruimte voor zijn inbreng en wat voelde hij zich intens tevreden, zichzelf, vredig en rustig tegelijk en eigenlijk dus gelukkig.

Het was al even voorbij gekomen, tijdens het grote genieten, van willekeurig elk moment zoals daar zijn, zonnewarmte op een teder huidje, de aanblik van een tot overwinnen uitnodigende rotswand of de geur van een ordinair versgezette bak koffie, hadden beide dames hun eigen wijze van uiting daaraan geven.
Bij de een was dat een neurie-achtige zoem, de ander bracht een zuchtend geluidje ten gehore. En inderdaad, gelukkig overstemde het heerlijke bruisen van de zee, hoewel gedempt door het glas dat het terras omzoomde, de geluksgenietende zuchtneuries nog enigszins, zodra ze hadden plaats genomen op dat terras en even later nogmaals toen de frisse consumpties werden aangevoerd en opnieuw toen de ietwat norse en boerse door en door Zeeuwse ober de Zeeuwse kaasplank presenteerde.

Het jaar 2021 was nog niet eens halverwege maar de ‘hij’ in dit opstel voorspelde nu al wat hij als antwoord zou geven op de traditionele vraag van zijn vriend op oudejaarsavond om te onthullen wat voor hem het hoogtepunt van het jaar was.

Lastig was wel dat hij zich af en toe bleef vergissen, alhoewel hij uiteraard exact wist wie wie was en wat haar naam was, lastig inderdaad wel met twee dezelfde eerste letters en zich op cruciale momenten wilde beperken tot het algemene en dus altijd goede ‘vriendin’, maar in die laatste split second tijdens het afscheidsknuffeltje, dan toch koos om de naam te gebruiken en dan juist heel zacht in het fluwelen linkeroortje de verkeerde prevelde.

Terrassenweer

‘Het is mij vreemd te moede’.
Voor diegenen die schrijvers dezes kennen of menen te kennen, het zal hen zeker niet ontgaan zijn dat hem (de schrijvert) wel vaker enig cynisme overvalt en zijn relativering ontbreekt en hij op sommige momenten van onbegrijpelijke maatregelen en onzinnige verboden of overbodige veiligheidsmaatregelen, kortom, bij alles ‘van bovenaf’, naar zware middelen zou willen grijpen, zoals neerslaan, omsingelen, pijnigen en meer zulks, echter de lezer weet; hij doet geen vlieg kwaad. Daarom hier bovenstaand eufemisme gebezigd.

Pakweg een halve eeuw en tel daar gerust nog tien jaar bij op, nadat hij voor het eerst in zijn toen nog korte leven oog in oog stond met de machtige betonnen commandopost, kon hij hem nu tonen aan Harry en Angela ook. In de lange hete zomers van toen beleefde hij hier met zijn broers de zware beschietingen, bombardementen en andere gewelddadigheden waar kinderen in hun onschuld zo van houden. Alvorens zich met Eega en zijn gasten onder te dompelen in de overweldigende schoonheid van de schepping God’s en Natuurmonumenten het duingebied Zeepeduinen, leidde hij de route eerst langs – hier niet het te pas en te onpas gebruikte ‘schuldig landschap’ van mijn goede vriend Armando gebruiken – de met vuige geschiedenis beladen bunker. In het genoemde paradijselijk landschap hielden de reetjes en ander gedierte zich schuil, op een enkele gierzwaluw na.
Harry, alert als altijd ontwaarde en benoemde, als rechtgeaard bioloog, een pinksterbloem en een herderstasje die dapper hun kopjes uit het droge duinzand hoog hielden. Na een omtrekkende beweging via de Zandstraat en het pittoreske kerkje van het ringdorp Burgh werd het gezelschap vergast op een fantastisch relikwie uit een nog verder verleden, mogelijk nog rauwer en barbaarser. De Karolingische burcht. Men hanteerde toen geen beton maar slechts aarden wallen en gevlochten wilgentenen. Deze gebruikte materialen mogen vriendelijk overkomen, de kokende pekpotten die toentertijd daar achter klaar stonden doen anders vermoeden.

Maar nu dat waar dit verhaal eigenlijk heen wil, met, alweer een omweg, weliswaar. Het mocht weer. Na maandenlange drooglegging was het toegestaan, buiten, met al de uitgekauwde voorzorgsmaatregelen bij een horecagelegenheid – met vergunning, iets te drinken. Het Nederlandse volk mocht winkelen in overvolle supermarkten maar een tochtig terras op het strand aan de koude Noordzee waar het altijd waait was te gevaarlijk. Deze dag stormde het nog niet, maar de visserman uit Bruinisse zou het een stevige bries noemen, zelfs voor de van origine Zeeuws geborenen die schrijver dezes en zijn Eega ten slotte zijn, waaide het hard. Kwam het door een onverhoedse windvlaag of toch weer door zijn ongecontroleerde motoriek en enthousiasme dat, haast traditioneel, alweer een vol glas kostelijk vocht zinloos over tafel vloeide. Het was zuiver te danken aan het zout en het vet dat de kabeljauw en de zeetong niet wegwaaiden, maar het mocht weer.

Dát, dat mogen én het zojuist aangebrachte hekje bovenop de inmiddels tweeëntachtig jaar oude bunker, door de kinderen ‘ de Vliegtuigbunker’ # genoemd, en die nu bij thuiskomst digitaal gezocht en gevonden ‘de Walvisbunker’ blijkt te heten, dat hekje plús het bordje ‘Valgevaar’, dat maakt dat ondergetekende het vreemd te moede is. Wel voelde het goed dat Harry en Angela achterbleven om het Fort Ellimet te bewaken. Goed voor zijn gemoedsrust.

# Digitaal dus nu info vindbaar, met zelfs de plattegrond van deze bunker, de kamertjes en gangen tussen de metersdikke muren. In de stalen koepel bovenop bevond zich een periscoop. Het was de commandobunker van een heel stelsel bunkers op Westenschouwen en maakte deel uit van de Atlantikwall. En het uitstekende schuine deel, dat aan een vliegtuigvleugel doet denken was een zogenaamde scherfmuur.

Het gevoel

en alweer een avontuur van Les Copains
een korte klimtrip in de Elzas / Vogezen

Camelot
“Touw!”
“Geef touw!”
En meer buitensmonds gemompel klinkt van boven. Barry, onzichtbaar voor ons, wil ondanks ons herhaaldelijk roepen dat het touw ‘uit’ is meer touw en blijft er om schreeuwen. Het klemt zich vast rondom een haakse rotswand en is niet door te trekken voor hem. Nadat hij dat heeft opgelost en de hardnekkig klemmende cam losgepeuterd zijn alle problemen voorbij. Het Bl’ Héros Ensemble glijdt in een soepele rupsbeweging langs de Martinswand.

Bodemdrift
Eindelijk weer samen op pad na een jaar dat de geschiedenis in zal gaan met het C-woord dat ik weiger hier neer te typen – genoeg! Asjeblieft! Zeer vroeg vertrokken om meteen die eerste dag omhoog te kunnen gaan, ergens. En alweer typisch, kennelijk standaard voor het illustere trio, het wandje dat wij opzoeken is getooid met een bordje;
La pratique de l’ escalade est fortement deconseillee.
Ce site n’est ni surveille, ni securise.
Dit gebied wordt niet onderhouden en afgeraden te beklimmen. Nou dat zullen we dan nog weleens zien zegt Barry en gooit even later een touw van boven. Creatief een standplaats in elkaar geknutseld en alle drie klimmen we met de nodige moeite de korte route. Gadegeslagen door Brooke, die ook mee is op dit tripje, maar nog niet staat te trappelen om te klimmen. Zij beschikt over een zekere bodemdrift. Kwamen we onderweg hierheen al een pijl tegen met ‘Point de vue’, hier op dit plekje is veel meer vue, prachtig.
Lynn heeft, zo nu en dan (meestal) een goed (=wild) idee.
”Als we aan de achterkant abseilen? Daar zijn veel langere routes”

Oké, dan mag zij, ook zoals altijd, als eerste abseilen in het ongewisse. Veertig meter tot op een randje waarachter het nog een veertig meter dieper gaat. Wij dalen ook af, maar dan, weer terug omhoog, hoe dan. Ik zie haar zoeken en aarzelen en eruit pendelen. Tenslotte verdwijnt ze uit het zicht. Met de nodige spanning wacht ik tot het vrij is, even denk ik nog gewoon terug omhoog, langs het massiefje te lopen. Met goed kijken en bedachtzaam klimmen kom ik verrassend snel over de grootste moeilijkheden heen. Phoe! Met een droge mond en hoge hartslag meld ik hijgend wat een extreem lastige route dit was. Haha en dat voor een 4c. Een beschaduwde route, gedeeltelijk begroeid met gras en uitgestorven kruimelend mos.
Maar wat ben ik van binnen blij dat ik niet ben omgelopen, een goed gevoel. En de Bratkartoffeln mit Schweinekäse und Braunwurstn op het terras-met-uitzicht van Auberge Schwanwasen mét een gekoelde Pinot-noir gaan er goed in bij het voldane Ensemble. Het weerzien van Chalet Cicogne Montagnarde, hoog gelegen boven het dorp is zacht gezegd ook min of meer fijn. Jammer dat de meisjes vroeg te bedde gaan, maar ach, Barry en ik maken het ook niet laat, het was een lange dag.

Rocher de Haut – Fourneau
Fissure de sagitture 5b
La Cheminee 2c
Diédre de la Saint Bernard 4c

Balkon
Voor de derde keer nu in dit Chalet, het is inmiddels vertrouwd en ik geniet opnieuw van deze heerlijke plek. Al om vijf uur word ik wakker en dwing mezelf nog even te blijven liggen en dat is lastig. Alles slaapt nog en op kousenvoeten sluip ik rond, maak koffie en onwillekeurig, hangend over het balkon van waaruit ik weet dat de Alpen soms zichtbaar zijn, denk ik terug aan die vorige keren. Toen, met de afgeslankte GGE, met z’n vieren nog, hierheen uitgeweken om alle restricties omtrent ‘C’ in de berghutten te vermijden.
Ik zet de balkondeuren open en de vroege ochtendzon straalt gefilterd door de grote boom haar warmte binnen. Helemaal per ongeluk neuriezing ik zachtjes, voor zover ik de juiste woorden ken:
‘no need te run and hide
it ‘s a wonderful, wonderful life
no need to laugh and cry
it ‘s a wonderful, wonderful life’
Wat een fantastische uitvalsbasis voor mooie wandelingen en na al die jaren in al die hutten eigenlijk wel lekker, privé. En zeker ook van die eerste keer komen herinneringen terug. De gezellige drukte toen met elf mensen en dan de stilte die neerdaalde wanneer ze vertrokken naar een skigebied en ik het rijk alleen had.

Martinswand
Wanneer men aan de Vogezen denkt komt niet meteen de gedachte aan klimmen op, maar eerder aan Gérardmer en het gelijknamige meer. Toch zijn er 37 massieven met in totaal ruim 1100 klimroutes. Van begin af was meteen duidelijk, de Martinswand, daar willen we heen. Het grootste en bekendste gebied. Negentig meter hoog, graniet. Voie Normale, die is voor ons, de langste route van het massief, zigzaggend met traverses en vier touwlengtes naar de top. Het was even zoeken, hoe komen we naar beneden. In feite staan we boven de toppen van de diverse massieven hier, zoals in Freyr.
Het steile paadje dat er langs lijkt af te dalen kan het niet zijn volgens L. en B. Ik zeg alleen dat ik, toen we met de GGE na de Hohneck hier langs liepen er geen ander pad te ontdekken was en denk er het mijne van. Als het om voorklimmen gaat, ik haak al snel af, begin er gewoon niet aan, maar dit paadje, business as usual, bekend terrein voor GGE-ers.  

Na de lastige start met het touw en vastzittende cam volgt vrij snel een stukje traverse. En die is eigenlijk een beetje eng. Naklimmend afdalen en dat in een traverse voelt als voorklimmen. Ik spreek tot mijzelf; contact blijven houden met de wand L! En daarna is het alleen genieten. Even samen komen met z’n drieën op de volgende standplaats en weer door. En ik denk weer terug aan de fijne momenten samen, met Chamonix onder ons, tegenover de enorme Mont Blanc en aan de legendarische zoektocht naar Copains D ’Abord, of aan dat biertje met zicht op Aiguille du Midi. En de bonte avond en die vin chaude bij de yurt in het klimbos en nog veel meer van de wintersport week hier in het Chalet. Op een enkele verticale meter is het, zeker voor mij als naklimmer, nergens moeilijk. En al zou het dat zijn, daar geniet je als klimmer ook van.
In plaats van het tweelingtouw gebruiken we nu dubbeltouw en dat geeft mij meer vertrouwen. En ach, dat tweede naklimtouw even inklikken is geen moeite. Onze zonnebrillen kunnen niet verhullen dat onze ogen stralen. Dit is zo heerlijk, wat hebben we hiernaar verlangd. Het is niet alleen het klimmen of dat mooie uitzicht, de natuur of zelfs niet het avontuur. Nee; ontsnappen, vrijheid.
“Nakomen”,
hoor ik Barry roepen. Ik klik m’n zelfzekering los, roep dat ik er aan kom, kijk even om naar Lynn die glimlachend knikt en ik klim. Hoger!

Annie
Terug afgedaald op de bodem tussen twee massieven, mijn gear in het rugzakje proppend hoor ik ze mompelen en lachen en ik meen een woord op te vangen.
“Lionel, kijk eens even naar de camera?”
En nu lachen ze voluit en begrijp ik de context van het woord dat ik toch goed gehoord bleek te hebben; ‘Clitoris’. Zo heet de route waar ik onder sta. Onder een overhangend stukje is de naam keurig toepasselijk, ietwat verscholen op de rots geschilderd. Om de humor hiervan goed te doorgronden dient men op de hoogte te zijn van eerdere verhalen #, over een route in Hotton.

De naam die inmiddels historisch is geworden binnen de klimscene van Rivierenland; ‘Fissure Annie’. Een ietwat scheef hangende spleet route, die destijds door regenval nog gladder was. En welhaast een verplichte route, eentje die je gedáán moest hebben. Mijn reactie op het gelach:
“Because it is there….” ##
Tot overmaat van ramp blijkt een en ander ook nog gefilmd en zo moet een pensionado zich wat laten welgevallen. Waar is het respect van den jeugd.
“Hier heeft Annie wat achtergelaten”.
“Tja, dan is het uit met de pret”.

Massief Martinswand
Voie normale, 4a,4a, 3, 4a
# verhalen; ‘Boven de achttien’ en ‘Annie’.
## ‘Because it is there’ is een gevleugelde uitspraak geworden. Het was het antwoord dat George Mallory gaf op de vraag van een journalist, toen hij, na twee eerder mislukte pogingen de Everest – destijds nog nooit beklommen – het opnieuw ging proberen. Hij keerde niet terug en zijn lichaam werd pas na vele jaren gevonden.

Rock & Roll
Behandelde ik al eens het thema kortebroek / afritsbroek, daar is uitputtend aandacht aan besteed in correlatie tot het rock en roll gehalte van schrijver dezes, welnu; ik huldig dan toch weer mijn principe: ‘Principes zijn er om overboord te gooien’. Noopten de vorige twee zomers tot noodzakelijk kortebroek gedrag, ook deze ietwat nattere zomer kan ik het niet laten. Ik bezit er inmiddels vier. Jawel. Ik ben dan ook alle schaamte voorbij aangaande het ontbreken van elke vorm van esthetiek die mijn onderdanen dan wel / niet zouden uitstralen. Voor de goede orde, in de stad zal men mij er niet op kunnen betrappen.
Alsmede het dragen van een pet, verstopte ik mijn tamelijk hoge voorhoofd achter een pet uit het duurdere segment als een Stetson of een Bosalino. Ik ben er klaar mee, ik ben een nieuw leven begonnen, wat kan mij het schelen. Die paar jaar nog.
Ook qua haardracht, beloofde mezelf pas weer mijn favobarbiertje te bezoeken wanneer het hoogste niveau van ‘C’ voorbij was. Dat dit enige tijd zou vergen, het barbershopje was enige tijd verplicht gesloten en tevens had barbertje zelf te kampen met ‘C’, hetgeen tot gevolg had dat bij mij achterop een soort mat begon te ontstaan. Soit, het was voor het goeie doel én het was -alweer dat woord; het gevoel –  een heerlijk gevoel, dat haar dat mijn nek streelde. Nu we het er toch over hebben, ook graag iets meer respect voor dat kostbare gebit van ondergetekende met betrekking tot social media.

Hoog laait het vuur
En dat dan vier keer. En opnieuw. In canon. Het liedje dat Lynn inbrengt komt niet echt heel goed van de grond maar ach. Het kampvuur brandt lekker in de wasmachinetrommel, de avond is zwoel, de lichtjes van het dorp in de diepte gaan een voor een aan. Boven ons een enkele ster in de diepzwarte hemel, hier beneden gloeien wij nog na, het was heet op de rotswand. Wat heeft een klimmer nog meer nodig. Het gezelschap is warm, de forel ook en de wijn koel, love is in the air en de passie voor onze sport is zoals het vuur, het laait hoog.

Flake
Wederom zeer vroeg wakker, de wind rukt aan de luiken voor mijn open raam en dat geruis, regen, o no! Er is regen voorspeld, we gaan, we zien wel. En niet naar lac Blanc of Le Tanet, neen! De Martinswand zal het zijn, nogmaals, er is genoeg te doen. Wat een wand, mooi vloeiend en grijs met spectaculaire platen en spleten en deuken en blokken. Het lijkt wel een Bigwall, op miniatuur niveau. Lynn gooit van boven het touw uit in de volgende route en ik bind me snel in. Het voelt meteen goed, na de eerste passen. Mijn zooltjes zuigen zich vast aan het graniet, grijs met lichtgrijs en groen en geelgroen en alles daar tussenin. Dit is grip. Het ligt precies genoeg achterover en om het nog fijner te maken dient zich links of rechts steeds op tijd een volgend greepje aan. Ik ga snel, dit gaat soepel. Toch ben ik blij met het touw, vallen betekent hier schuren en schaven.
Automatisch denk ik terug aan Free Solo met Alex Honnold, hoe hij de eerste driehonderd  meter op dit soort terrein ongezekerd ‘omhoog liep’. Het wordt wat steiler en wat meer zoeken naar iets voor je handen. Een enkele keer doe ik voorzichtig wat ‘handjamming’. De hand in de rotsspleet bol trekken, als je niet beweegt kost het geen huid. In de vorige twee kortere routes met de cannelures, de watergoten deed ik het zojuist al een paar keer. Dit is de vierde route vandaag, veel meer zullen het niet worden, er is regen voorspeld. Bovenop de kale vlakte waaide het hard, hier is het beschut.

Fijn voor Brooke, zit enigszins in de luwte al die tijd, ze ziet er toch vanaf, wanneer je lang niet klimt heb je iets te overwinnen. Ik ken het heel goed. Ik had al eens bijna afscheid genomen van het klimmen. Bovendien spelen Brookes hormonen ook een rol. Klimmen met een kindje in je buik als kostbare ballast voelt ook heel speciaal.

Toch komt er even een moment van twijfel, op ooghoogte een breder randje, prima om op te staan, alleen hoe kom je daar. Zoeken met mijn vingers in een ondiepe spleet naar iets meer vertrouwen. En dan, als ik eenmaal sta dringt zich alweer de vergelijking bij mij op, ik zie een flake, zoals op the Nose, maar dan in verhouding klein, maar het is er een. Ideaal, makkelijk. Bevind ik mij in de Freerider? En even verder nog een. Ik weet het, het is belachelijk, maar er komt een euforisch gevoel over me. Op het hoogste punt waar het touw over een ronde granieten rug naar de haken loopt ontsnapt mij een kreet die lijkt op:
“Yiiieehaaah!”

De Clit
Mijn tevreden blik wanneer ik op de bodem beland wordt niet beantwoord. Er is geheimzinnig gelach en weer is een camera op mij gericht. Niet begrijpend staar ik ze aan. Dan volg ik de blik en de vinger van Lynn, draai me om en lees de naam van de route. Nu begrijp ik waarom mijn vreugde tot grote hoogte was gestegen, ik heb zojuist de Clitoris gedaan. Weer die clit. Bulderend gelach en ik lach mee. En wanneer Barry wil gaan klimmen blijkt het touw vast te zitten, in de spleet. Daar waar ik moeilijk zat, hogerop, roept hij dat een goede vingergreep heeft gevonden. Zachtjes begint het te regenen. Lynn wil de route uiteraard ook doen, bovendien zit er nog een karabiner van haar boven in de toprope. Van boven klinkt haar vrolijke stem:
“Het wordt nu toch wel nat hier, glad”.
Van beneden:
“Dat wil je toch?”
En:
“Maar toch wel wat wrijving…..”
Ach, a dirty mind is a joy for ever.

Massief Martinswand
Les Cannelures 4c, Le Clafoutis 5B, Premier de corvée 5B,La Clitoris 5B

Scrub
Na de overvloedige pastamaaltijd zegt Lynn:
 “Wij gaan in de Spa en doen ook nog een maskertje”,
en zij verdwijnt met Brooke naar beneden. Ojee, ja dat is waar ook, er is hier die sauna. Barry en ik doen nog maar een koffietje en bespreken de toestand in de wereld. Hij ziet mijn vragende blik als ik buiten een vreemd geluid hoor. Het is de schommel onder het balkon. Een tijdje later probeer ook ik het wereldkampioenschap Naaktschommelen te verbeteren, het blijkt een probaat middel om goed af te koelen na de sauna. De Nudeboulder hoger achter in de tuin laat ik even achterwege, dat kan mijn hart niet aan. Binnen liggen Lynn en Brooke onherkenbaar bemaskerd na te sudderen en mijn vraag waar ik me moet melden voor de fullbody scrub blijft onbeantwoord.
Morgen is het alweer de  thuisreis dag, drie dagen het Ensemble met alle routes, bodemdrift, hoogtepunten, uitzichten, gesprekken, bekkenbodemdrift en ervaringen, het is teveel. Het mengt zich in het vermoeide hoofd van een klimmer tot een pasta van enorme afmetingen en slapen gaat echt niet. Hoog laait het vuur en dat dan meerstemmig.

Samoens
Na een kort nachtje toch weer om half zeven wakker, er piept een streepje licht door de luiken. Oja, meteen daalt een zekere weemoedigheid neer, de laatste dag. In gedachten sorteer ik mijn herinneringen. Zet koffie, haal de vaatwasser leeg, nu al haast op de automatische piloot. Zachtjes pak ik mijn spullen alvast in. Waar is mijn favoriete boodschappentas gebleven, dat souvenir uit Samoens, met een afbeelding van ons beoogde doel toen. De ‘Pointe du Tuet’. Een voor een melden de teamleden zich. Brooke met teleurstellende berichten, ‘we’ winnen minder medailles in Japan dan gedacht. Barry heeft een tas klimgrepen, o ja de aanhangwagen moet opgeleukt. Lynn vroeg me er bergen op te schilderen, denkend, als ik dan geen schilderij krijg voor aan de wand, dan maar op de kar.

Lac Blanc
Luiken dicht, de vaatwasser, de wasmachine, de droger, alles draait, alles is schoongepoetst, we gaan. Au revoir Chalet Cicogne Montagnarde, hopelijk tot ziens. Lunch aan de oever van Lac Blanc,  in het heldere water zwemmen forellen in alle maten. Ze lusten Hollands krentenbrood van vijf dagen oud. We hebben prachtig zicht op het klimmassief Lac Blanc, een van de opties van deze trip. Misschien volgend jaar en dan hopelijk tot de top. Ik ben benieuwd wat dat witte ornament op de top voorstelt. Zelfs na langdurig googelen heb ik er geen goede afbeelding van kunnen vinden. Als het is waar ik het op vind lijken past het exact in de sfeer waar dit verhaaltje spontaan in belandde.

Boni-stock
Telefoon, amper thuis, Adri (GGE-lid):
“Gaan jullie nog naar Melchsee- Frutt?”
Het appartement is beschikbaar. De eigenaren die er alleen in de winter komen om te overnachten voor hun skitochten, vinden het leuk als het ook gebruikt wordt voor andere sportieve activiteiten. Kosten, zoals het er nu naar uit ziet, een goede fles wijn en goed stuk kaas, of iets naar eigen inzicht. En nog een andere mogelijkheid komt in zicht, de Zwitserse vriendin van Adri, Marie-Louise uit Luzern heeft nu een appartement in Munster. Te huur voor vrienden en wellicht voor vrienden van vrienden. Munster in het Gomsdal, Zwitserland. Jawel. Daar vlakbij Ritzingen – wordt vervolgd.