Alle berichten door dentoonder

De neus van Lieke

Die neus van Lieke zou zomaar een titel kunnen zijn van een column, of vooruit, een boek van Wilfried de Jong. Hij schreef immers ook over ‘de linkerbil van Bettini’ en over ‘de schaatskont van Koen Verweij’. Lieke Martens, een van de Leeuwinnen, ze was al de beste voetbalster ter wereld. Tijdens het WK was ze duidelijk minder goed. Ondanks het lepe hakje waarmee ze scoorde. En hoe ze, cool, onder de immense druk, een penalty inschoot. En nu is er ‘de knie van Tom’. De mysterieuze klacht na zijn val in de Giro.

Voor onze Leeuwinnen zijn nog geen bijnamen verzonnen. Van der Sande zou goed de naam ‘de Kromme’ kunnen hebben. En de spichtige keeper, overigens de beste van het toernooi, iets met Sidonia? In de wielrennerij doen veel bijnamen de ronde. De Das, El Pistolero, de Kannibaal. Zo mag ik graag een fietsende broer, of – vriend opbellen en dan vragen:
“Spreek ik met de Pijl van Papendrecht?”, of”
“Is de Adelaar van Terneuzen thuis?”

Hoe kom je aan een bijnaam, soms door je gedrag, maar ook een opvallend lichaamsdeel. Fausto Coppi met zijn Neus. Je kunt er als bijnaamdrager ernstig onder gebukt gaan. Wanneer je ‘niet lekker in je vel’ zit en het wordt dan nog eens benadrukt, tja. Ik werd wel Toontje genoemd, daar kon ik mee leven. Eens klaagde ik bij een collega over mijzelf, hoe ontevreden ik was, hoe ik, toen al bijna een halve eeuw, op deze aarde moest rondlopen:
”Ander lijf, andere kop er op, ander karakter erin, dan begint het misschien iets te worden”.
De collega, een werkelijk oerlelijke man, sprak tot mij de onvergetelijke woorden:
“Neen, dat herken ik totaal niet, ik ben uniek.”

Op het gevaar af, dat dit een citatencolumn (CC) gaat worden dan nog dit, ik klaagde bij mijn tandarts over het ontbreken van werkelijk elke vorm van schoonheid aan mijn gebit. Hij deed mij klappertanden met het volgende onsterfelijke gezegde:
“Ach, U heeft toch verkering?”

Ja, zo lust ik er nog wel een. Om dan een nog een hele ouwe uit de kast te halen, van Godfried Bomans over Marilyn Monroe:
“Had mijn vrouw maar één zo’n been”.

En dan nog weer even over mijzelf, maar ook voor u lieve lezer, alweer een wijze raad van uw schrijver. Leef, ongeacht uw kalenderleeftijd en doe! Zoals mij vanmorgen door iemand werd gezegd: dat verschil in leeftijd, hadden we afgesproken, dat was toch geen issue meer? Jackie Joyner – Kersee, wie kent haar nog – alleen de zeer ouden – viervoudig Olympisch atlete zei;
“Leeftijd is geen barrière, het is een beperking die je jezelf oplegt.”

Die teen van Lieke, die opspeelde tijdens het WK toernooi. Om welke teen ging het nu, dat blijft onduidelijk. Was het haar kleine teentje, of juist de grote. Was het de linkervoet, of de rechtervoet? We zullen het niet weten. Of toch een van die andere onbenoembare andere drie tenen? Misschien had Lieke gewoon last van een ingegroeide nagel of was het een kalknagel. Met al die gefrequenteerde kleedkamervloeren, je weet het niet. Zwemmerseczeem, ik roep maar wat. Nu dan nog die neus, het neusje van Lieke, een wipneusje. Gewoon, schattig

Advertenties

geluk is een issue

Net als het groenere gras bij de buren. Je zit weer in je bureaustoel, je klikt wat mails weg, nog anderhalf uur voordat je het pand mag verlaten. Er is weliswaar een bedragje digitaal bijgeschreven op het heilige loonstrookje. Best fijn, maar toch, je zou liever ergens anders zijn. In de bergen, om maar wat te noemen, gek, dat komt gewoon als eerste weer bij je op. Of dat leuke pleintje, toen met die platanen, weet je nog, waar dat windje goddelijk langsstreek, met die koude rosé en die cellist, die traag en vloeiend van die vaag herkenbare Italiaanse opera melodieën speelde.
“Gelukkig waren we toen hé”.

Na uren zwoegen en klauteren waren we eindelijk op die top, we konden er net op, met z’n tweeën, of juist die andere, die hele brede, toen ook ja, die met die sneeuwgraat. En hoever konden we kijken, in het dal was het al donker aan het worden, het leek alsof we vlogen, of we de snelheid van de omwenteling konden voelen en de zon, die kon toveren met kleur en die maakte jou nog mooier.
“O, dat was zo’n geluksmoment”.

Een gewone zomeravond fiets je door de polder. Het graan staat kontjeshoog, het geel steekt warm af tegen groene dijken. De bomen staan stil, niets is er te horen, er staat geen zuchtje wind. Het is vrede hier. De weg kronkelt in lome bochten door het landschap, de ondergaande zon blinkt in de sloot je tegemoet. Een fluwelen paard laat zich even strelen bij het hek van de wei. Boven de bomenrij in de verte zweeft een luchtballon, recht boven je verwaait een oude condensstreep van een vliegtuig. Een vliegtuig vol mensen, op zoek naar geluk. Naar een pleintje of een strand waar dat te vinden is. Het nog groenere gras bij de buren.

In ieders leven komt dat moment, dat je denkt, is dit het? Is dit alles, ben ik op de helft, hoelang heb ik nog? Dat wordt dan, meestal tijdelijk, opgelost door die marathon te lopen, een nieuwe liefde te zoeken, toch nog dat motorrijbewijs te halen.

‘Ga zitten want ik wil eens met je praten
Ik ben allang niet meer zo blij als toen
Nee schrik maar niet, ik wil je niet verlaten, nee
Er is iets en ik kan er niks aan doen

 We komen niets te kort, we hebben alles
Een kind, een huis, een auto en elkaar
Maar weet je lieve schat wat het geval is, ah
Ik zoek iets meer, ik weet alleen niet waar

 Is dit alles?
Is dit alles?
Mmm, Is dit alles wat er is

Is dit alles?
Is dit alles?
Is dit alles wat er is, yeah’

 Het liedje van Doe Maar, Henny Vrienten was toch nog maar vierendertig toen hij dit schreef. Iedereen wil zo graag gelukkig zijn. In de sleur van alle dag besef je niet, het reeds te zijn. Gelukkig zijn of tevreden is wel een wereld van verschil. Een dooddoener die ik eens hoorde: geluk is wanneer je merkt: ik heb geen pijn. Iets mooier is: Geluk is de afwezigheid van pijn. Volgens mij: geluk kun je niet zoeken, dan vind je het niet. Je moet het tegenkomen, gewoon toevallig of per ongeluk. Alleen, dan moet je het ook zien liggen. Je moet stoppen, oppakken en je in stilzwijgende verwondering realiseren, goh, dit is het, dit is zo’n moment. Wat een geluk, ik voel het, ik ben gelukkig. Nog mooier, wanneer je het kunt delen, of zelfs kunt doorgeven. Aan de ander.

Herintreder

Herintreder

Het strand strekte zich uit tot aan de einder waar hij de zee vermoedde. En leeg was het, langzaam om zijn as draaiend, leeg als een woestijn. Een raakvlak tussen hemel en horizon leek niet te bestaan, het was een niets, waar licht scheen uit te stralen, geheimzinnig. Het zand dat flonkerde in het diffuse licht van de verborgen zon. Wel was er de wind en het geluid van de wind, een vriendelijk suizelen, maar golvend, aanwakkerend en dan weer zachter wordend, fluisterend. Mompelend kleine woordjes in zijn oor. Eindeloos kon hij hier verder gaan over deze vlakte en in zijn gedachten. Het slenteren en het trage terugdenken, steeds dieper herinneren.

De time-out die een vergissing bleek. Zo goed dat hij weer was begonnen. Niet alleen voor zijn lichaam, dat magere, pezige karkas waarin hij al zolang woonde, dat onhoudbaar ouder werd, waarin hij zich eigenlijk niet thuis voelde. Klimmen, die beweging die al haast een tweede natuur was, hij was het gaan missen. Gedacht dat het tijd was om te stoppen, toen, dat het niet waar was, dat het wel kon. Goed voor dat lijf en beter nog voor zijn binnenste, interne, intiemste gedachten. Gesterkte spieren voor een rechte rug en sterke geest. Zoals de marathonloper uitstraalt, ik loop die magische ultieme afstand. Zoals de ex-klimmer zich echt een ex-klimmer voelde, zo voelde de klimmer zich weer Klimmer, hij die omhoog gaat en die gloeide van binnen en steeds rechter strekte hij zich, onmerkbaar was zijn tempo omhoog gegaan en betrapte hij zich erop te zingen:
‘It ’s a dark night and it ’s lonesome, the moon gives no light’. 

 Het uitspansel in tere lichtblauwen die verliepen van turkoois naar een bijna geel vlakbij zee, leek te deinen en alsmaar hoger te worden. Een scholekster kruiste zijn pad, razendsnel trippelend op hoge rode poten met een trappelend krabbetje in de snavel. De klimmer zag dit alles niet. Hij worstelde, hoever was het nog, vier meter? De reddende rand met het relais. Voelde hoe de kracht wegvloeide, de verzuring kwam op. De enige remedie was snel doorgaan, geen acht op slaan. Taste nogmaals rechts, zocht naar iets van grip. Korrelige randjes, net te klein, aflopend. Vlug terug, hij greep het setje, rustte, probeerde het althans. Hijgend likte hij langs zijn lippen, kurkdroge mond. Hij herhaalde nogmaals dezelfde moves, met minder overtuiging. Rustte weer, nog langer. Dan toch maar die ene voet links en ver omhoog, uitdrukken, draaien tot het rubber zich vastgreep, zoog aan het steen. Rechtervoet op het minieme steentje en stootte, echt heel hard, zijn knie. Rechts hoog pakken nu, graaien, ja iets van grip met twee vingers en links is daar dan toch opeens een bak voor vier hele vingers. Linkervoet schoot weg maar dat gaf niet want de flow was terug en met vloeiende bewegingen bereikte hij de standplaats, klikte zich, met toch iets van opluchting vast.

De grijze streep van de stilliggende weggeëbde zee verbreedde zich en een licht ruisend mummelen drong zich op. Glimlachend zag de klimmer, herintreder, levendig voor zich hoe hij door de straten wandelde, terug van grote hoogten. De mondaine stad met rijke Japanners en andere toeristen die droomden van diezelfde hoge bergen. Hoe hij nonchalant een ijsje, cappuccino of nee toch maar meteen een halve liter Paulaner wegklokte. Die diepgevoelde vriendschappen en het blindelings vertrouwen op z’n klimmaten, eerlijk en intiem, hoe had hij daarvan afscheid kunnen nemen. Keek nog een keer om, hoewel hij wist dat er niemand was. Trok zijn kleren uit en stapte het koele water in, over de traag dalende bodem die troebel opborrelde en het water ondoorzichtig maakte. De vriendelijke en langzaam omvallende golfjes die hem omarmden en de zon die nu doorbrak met schuine stralen en het water tot aan de lage einder deed oplichten en zo wilde hij het hebben.

zie Ex-klimmer: https://wp.me/p4CCMR-yZ

Ooh, ooh, ooh

Ooh, ooh, ooh
Dat, en minder mooie woorden borrelen geheel vanzelf in mij op. Dus toch. Het vertrouwen in mijn Engelse ‘quick erected’ tentje was al danig afgenomen. Bij de laatste trip leek de binnenzijde van het doek wat aan het wegrotten. Thuisgekomen zette ik de tent op in de tuin, en de straffe straal van de tuinslang erop. De test slaagde.

Nu dwing ik mezelf weer eens voor te klimmen. Die ‘voorklimangst’, die moet ik kwijt. Over een maand hoop ik routes te doen, hoog in de Franse Alpen. ‘Modern Times, ‘Mani Puliti’ en misschien zelfs ‘Maudits Bl’ Héros’. Multipitch climbing; routes met meerdere, of zelfs vele touwlengtes. Chamonix in de diepte, aan de overkant de Mont Blanc. Bart, Eveline en ik op Aiguille Rouge, een droom die eindelijk uitkomt. Nu eerst de werkelijkheid in de vorm van keiharde, soms wat glad afgeklommen Belgische rots.

Massief Beez, secteur Centenaire. We zijn met achttien klimmers, ik ken er acht. Gaandeweg herken ik er nog vier (die helmen…) uit de klimhal. Robert en ik doen een paar routes die allen ‘Sans Nom’ heten, die ik daarna voorklim, inderdaad, makkelijk. Een hagedisje klimt gelijk met me op, steeds vragend achterom kijkend: zeg hé, kom je nog? Ja hallo, ik moet nog even een setje inklikken. ‘Sound of music’, ‘Toto Coelho’, ‘Bananarama’, iets moeilijker en dan ‘La Bibiche’, te moeilijk, voor mij dan. Bekende namen inmiddels. De zon schijnt warm op de rots, de voorspelde regen blijft uit. Af en toe raast een trein vlaklangs. Van boven is er mooi zicht op de Maas. Wij verkassen met z’n tweeën naar een andere secteur, ‘Jonction’. Na ‘Crocodile Dundee’ klim ik ‘Eve-Line’ voor. Het is broeierig warm en van het laatste stukje, glad en heel licht overhangend zweet ik. Ik zweet! Plots verdwijnt de zon en er komt wind. Op het relais maak ik stand met mijn nieuwe gadget, standplaats- en abseilschlinge in één. Zeker Robert na met mijn nieuwe reverso en voel de eerste spetters. In de aanzwellende regenbui bereiden we de abseil voor. Gehaast, maar zonder fouten te maken. Een korte felle bui en het is klaar met klimmen. Wandel- en goeiegesprekkenmaatje Eva neemt afscheid en gaat naar huis. Helaas, geen goeiegesprekken vanavond.

Ooh, ooh, ooh. Tijdens de volgende bui blijkt mijn tent lek. Eerst een plekje, dan aan de andere kant, vervolgens laat de hele naad los. Redden wat er te redden valt. Dweilen met de handdoek en de theedoek. Alles op het ultralight matje, dat past eigenlijk niet. Tijdens de BBQ, kliminstructeurs blijken ook uitstekend te kunnen BBQ-en – hamburgers, worstjes, geitenkaas in spek en het hoogtepunt; banaan met chocolade (eens at ik ook de geBBQ-de bananenschil op, dat bleek niet goed) – komen er doemscenario’s voorbij. Dat ik vannacht moet vluchten uit mijn blankstaande tent. En hoelang die nacht zal duren, hier onder het afdak bij de BBQ. Hoe lang is het geleden, dat ik wakker werd in een plas water? Of de nacht doorbracht in een bushokje, in een park of zomaar ergens achter een muurtje? Die kou, die weet ik nog.

Klimmaat Robert verleent mij gastvrij onderdak. ‘That’s where klimmaats are for….’ Het regent heel de nacht, gestaag en soms hard. De camping, la Cascade de Jausse doet haar naam eer aan. De naburige waterval begint steeds harder te ruisen. Ondanks Robert’s inmiddels alom beruchte decibelsnurk slaap ik goed. Geen stress om voortdurend de tent en het grondzeil te moeten checken. Duncan Laurence met zijn lied ‘Arcade’ en het aanhoudende ‘Ooh, ooh, ooh. Loving you is a losing game’ wat dagenlang in mijn hoofd rondzong, blijkt die avond het ietwat rare festival te winnen. Niets van gemerkt.

Mijn geliefde tentje, dat zich razendsnel liet opzetten en afbreken, prop ik als een natte dweil in zijn hoes. En met een inwendige snik laat ik hem vallen in de grijze waterdichte afvalcontainer van de camping.

Blessed

‘Blessed are the one way ticket holders’. Soms betrap ik me er op dit soort zinnen te zingen, half geneuried, onverstaanbaar, zodat Eega vraagt:
“Wat zeg je?”
Deze, maar ook vele andere strofen uit de songs van Joan Baez. Alle momenten, dat ik vroeger naar de hoezen van haar elpees staarde, bij elkaar opgeteld, moeten dat uren zijn geweest. Nu pas, nu ik haar Google, zie ik dat, toen de Elpee Vol.2 werd opgenomen, ik nog maar tien jaar was.

Tim Knol, die knakker uit Tukkerland komt opeens langs met fantastische Bluegrass muziek, Country & Western-achtig, sneller en hoog gezongen. Herinnert me aan de tijd dat wij ‘into‘ folkmusic waren. The Flying Burrito Brothers, The Dubliners, de Nederlandse band CCC inc. Alles vervlochten met en beïnvloed door ons ideaal beeld van het hippie-dom. Zagen films als Easy Rider, Woodstock en liftten naar Isle of Wight. Hoopten nog iets te vinden van de sfeer van the Isle of Wight festival waar Joan Baez optrad met Bob Dylan. Net te laat geboren, would-be hippies als we waren.

‘Blessed are the midnight riders.’ Blessed zijn de muziekliefhebbers. Zij die op reis gaan, reizen door hun muziekgeheugen. Hoe mijn broertje en ik naar Commander Cody and his Nashville Friends gingen, country rock, in Musis Sacrum, Arnhem en hoe wij met z’n tweeën de zaal afbraken. Hoe ik met mijn vriend Harry, Tom Waits zag optreden in hotel Americain, Amsterdam; onvergetelijk. De elpees van Bob Dylan werden grijs gedraaid en de onbegrepen teksten zongen wij fonetisch mee. ‘Blowin’ in the wind’ tot vervelens toe, dagelijks met m’n broertjes tijdens de afwas. Beatles films als ‘A hard days night’ en ‘Help’ in een andere periode. ‘Yesterday’ zong ik toen al, nog heel jong. Later prefereerde ik de versie van Charles Aznavour. Nu hoor ik die zelfs liever in het Frans: ‘Hier encore’. Tot verbijstering van mijn dochters bekende ik dat op mijn jongentjesslaapkamer destijds een poster hing van Rob de Nijs. Met zijn ‘The Lords’, allen in smoking. Overigens, ernaast hing Sandy Shaw. Die kenden de dochters dan weer niet. Hoe alle Nederlandse bands als Brainbox, Super Sister, The Shoes, Cuby & the Blizzards optraden in het naburige dorp. Hoe wij ‘s nachts als bezetenen dansten in de muziekkelders in Nijmegen, of met mijn vriendin Marja als enige blanken in de souldiscotheek aan het Damrak. Of gebiologeerd door mijn eigen dansende schaduw op de staldeur van het schuurfeest. Of onder de volle maan, in het water van het Veerse meer.

Het Bimhuis, centrum toen voor improviserende jazz, in een obscuur zaaltje achter de Amsterdamse wallen, de intellectuele levensfase. Chicagoblues, breedlachende zwarte muzikanten in glimmende pakken in het Rotaanhuis, down and out at night. Lazy Sunday afternoons, in het Vondelpark liggen met het Festival of Fools, Jango Edwards en het werktheater. The Stones in Ahoy met Mick Jagger onder handbereik.

‘Blessed are the blood relations’. Het is vroeg en zondag, Eega slaapt nog en in de ontplofte logeerkamer weet ik een dochter, ook diep in slaap. De zon schijnt door de halfopen schuifpui en verwarmt m’n blote voeten. Hoe gelukkig kun je zijn, wanneer je kind dat je ver weg waande, in Zambia of Botswana, opeens voor je staat en drie weken blijft logeren. Joan Baez klinkt op de achtergrond met ‘Diamonds and rust’.

‘Rain will come and winds will blow.’ Nog zo’n zin die soms opeens uit het niets opkomt en min of meer verstaanbaar door de keuken galmt tijdens het stofzuigen.

‘Sans Issue’

 

Harry weet hier de weg, dat is duidelijk. We zitten al even op de stille buitenweg, de N158. Met hoge snelheid door onoverzichtelijke bochten. Dat kan, het is donker en eventuele tegenliggers zie je nu aankomen. De zwarte Volvo ruikt de stal: gas! De D895 op, ik begin het te herkennen. Niet rechtsaf naar Alprat maar links, D231. Steeds kleiner worden de weggetjes. Bordjes flitsen voorbij, Bellevue, Le Priou, zoef, daar stond het. Rechts aanhouden, La Grange Picassoux, Le Priou rechtsaf, ’sans issue’. Ja, dit is het, het weggetje, oja, de watertoren. We zijn er, er brandt licht, net boven het bollende weiland. Josette wacht op ons en de open haard brandt. Ondanks de files in Antwerpen en Parijs – de vreemde contouren van Notre Dame – toch op de aankomsttijd die de navigatie voorspelde. Negen uur rijden vanuit de drukke Randstad naar de leegte van departement Charente.

Op m’n sokken sluip ik de zolder af om Harry niet wakker te maken. Meteen maar een rondje om het huis, alles is er nog. De oude muren, verweerde deuren, schuren vol drogend stookhout, maar bovenal de stilte. Wat een rust.

Met Mi-lou wadend door het hoge gras voor een eerste verkenning. Eerst naar de buxus, vier jaar geleden met liefde door haar geplant. Dood, hartstikke dood. Aan de andere kant is nog een buxusheg, een oude, tussen de wei en de wijngaard. Dood, maar hier woekert de meekrap. Meekrap? Wow, wat leuk, zo vaak gehoord vroeger, dat woord, nu zie ik het voor het eerst. En ik voel het, inderdaad, akelig spul. Verder, de ceder, een grote statige boom, ook doodgegaan. Langs het schapenweitje, waar, na vele jaren maaien dusdanig verschaalt, nu bloemen bloeien en orchideeën en gebrande orchis. De fruitbomen waarvan ik de vorige keer, in september, dacht dat ze dood waren, zijn fris lentegroen en al uitgebloeid. Alleen de kweepeer bloesemt nog. We dalen het holle weggetje af naar de beek, nieuwsgierig gevolgd door een kuddetje jonge koeien. Om de poten te breken dendert nog zo’n clubje aan de overkant enthousiast de heuvel af. Terug over een dichtgroeiend paadje horen we de nachtegaal. Beter gezegd, Mi-lou hoort het:
“Dit, en dit, dat is een nachtegaal’.
En verderop nog een, mooi.

Die middag begrijp ik waarom plantsoenwerkers zo vaak op hun schoffel leunen en in dit land nog vaker. Spitten, het is niet te doen, die grond zit vol stenen. En zit er geen steen, gaat het ook niet. Inspectie van de septictank, de deksels moeten vrijgemaakt, graven maar. Boven ons cirkelt een buizerd – Mi-lou ziet alles – en veel hoger, nog een.

Naar de Bricolage voor een houtkachel. De badkamer moet warmer, de elektrische kachels voldoen niet. Een sterke knaap van het walhalla wat zo’n Frans tuincentrum is, deponeert de zware kachel zo op de achterbank van de auto. Een constante warmte is belangrijk voor Josette. Zij brouwt, of is het stookt, in ieder geval fabriceert allerlei sterke drank. Van fruit uit eigen tuin, bomen nog geplant door monsieur Vincent, of zoals op het hekje staat: 20-100. Stapels stookhout in de wei mag ik naar de houtschuur bij het huis kruien. Prettig, weer eens lichamelijk bezig te zijn. Bovendien, je wordt hier zo verwend, de maaltijden zijn een feest, want Frans en bijzonder.  Blij dat ik wat kan doen, me nuttig maken. En er zit systeem in de stapels hout, labels vermelden keurig van welk jaar ze zijn.

Een proeverijtje noemt Harry het. Vanavond wit, staand rond de tafel met het gebloemde zeil gaan de glazen rond, ik probeer verschil te ontdekken. Vinoloog wil Harry worden. En zoals het is met alles, wat je niet kent, de diepere lagen kunnen diep zijn. Om iets van wijn te leren kennen, moet je studeren. En proeven en dat doen we. Bij de lunch, bij het diner en daarna. En nog later komen de kleine glaasjes van Jo. Eau de vie. Pastis, wat ik Pernod noem, ik zie de gele driehoekige asbakken voor me wanneer ik het proef, heerlijk en zacht. Josette, de alchemist van de Charente. Er knapt een tak in de haard en het portret van monsieur Vincent met zijn haan Antoine kijken zwijgend toe.

De septictank wordt goedgekeurd, de geiser gerepareerd, de kachel brandt, alles lukt vandaag. De loeizware schuurdeur terug in zijn scharnieren gehefboomd, ook dat gaat goed. Ik ga nog even het cement checken wat ik de vorige keer onder de pannen smeerde. Volgens Marcel op het operafeest van Harry:
”Verdomd daar heb je hem, de diehard metselaar”.
Het zit er nog en keihard, niet weggepoeierd. Later vallen Harry en ik binnen bij Anna, in Alprat heeft zij sinds kort een galerie. Ik vond haar al iets artistieks hebben, ze maakt prachtig werk, aquarellen en schilderijen met collages. Tevens bezichtigen we het huis, met de kelders en de tuin, waarin de fraaie kerk van Alprat omhoog torent. Ook dit huis ademt sfeer, dat specifieke Franse.

Er zijn wilde plannen, het groene huisje gaat iets groter worden. Heel veel groter, de gigantische schuur wordt verbouwd. Hopelijk houdt de enorme balk die plotseling is doorgezakt het nog even vol. Het zijn hele wilde plannen.

Mi-lou en ik ontdoen de rij essen in de wei van hedera, de klimop, die als je even niet oplet tot in de kruin groeit. We worden geroepen, buurman Freddy is op bezoek. Met een heerlijke fles Rince Cochon, Belgisch bier uit Oudenaarde. Een al even heerlijk stadje waar het fantastische museum van de geweldige Ronde van Vlaanderen is. Ieder heeft zo zijn interesses. Daarna maakt de zaagtafel in hoog tempo behapbaar hout voor het nieuwe kacheltje. Hoe leuk is het om op de plee te zitten, starend in de vlammen naast je.

De laatste avond wordt de tafel extra mooi gedekt. Anna en Christof komen eten. Er wordt witte wijn geschonken en rode wijn. De maaltijd smaakt uitstekend, Christof vertelt over zijn dagje naar Parijs en hoe er geen belangstelling was voor zijn oude jaargangen Paris Match. Over Jardin de Luxembourg en Rue de Rivoli en meteen krijg ik weer dat speciale gevoel, noem het heimwee. En de glazen mogen niet leeg zijn, rode wijn. Zondag is het markt in het dorp, dat gaat druk worden. Jammer, wij vertrekken toch weer te vroeg.

Sloot ik vier jaar geleden m’n verhaaltje af met de scene dat vier biologen vertederd keken naar een gevonden egeltje, nu kijken we verschrikt naar een toornslang, die vlak voor de voeten van Harry wegkronkelt. Tijdens het ontbijt, roep ik, zoals Freek Vonk:
“Kijkkijkkijkkijkkijk!”
Ik zie een reetje, ze lijkt over de heg naar binnen te kijken. Iedereen stormt naar buiten. Net als bij de avondmaaltijd, wanneer Josette de zon vlammend ziet ondergaan, het golden hour.

Alles is nog in diepe rust, ik verlaat stilletjes het huis. Sluit het blauwe hekje van ferme Vincent en loop het weggetje af. Nu pas valt het me op dat het daalt en blijft dalen, tot aan het dorpje Alprat. Langs het bordje ‘sans issue’. Het is ochtendfris en weer valt me de totale stilte op. Nou ja, heel ver weg blaft een hond. Even denk ik dat er regen aan komt. Het is, ook ver weg nog, een auto, die me wat later voorbij raast. Bijna jammer dat ik geen stress meer heb, als je die hier niet kwijt raakt. Wat een prachtig tekstje, mijmer ik: dat ‘sans issue’. Veel mooier dan ‘cul de sac’. Het heeft hier een driedubbele betekenis. Het modieuze: “Ja, dat is wel een issue”. Die heb je hier niet, als je al kwesties had, zullen die hier in Le Prat snel verdwenen zijn. Letterlijk vertaald staat issue voor resultaat. Het bordje lijkt te zeggen, zinloos dit weggetje in te gaan.

Vlak voor het dorp keer ik om en het is goed te merken dat Le Priou op een traag stijgende heuvel ligt. Een heel fijn regentje begint te vallen, het lijkt of het nog stiller wordt. Vlak voor me dwarrelt een takje naar beneden, het doet me opkijken. Een valk zweeft vanuit de boom geluidloos naar het dal.

De zegen van muziek

Alweer diezelfde sterreclame. Wat is dat voor muziek, met die intrigerende zangmelodie. Bij de witte Volvo XC40 – de wat vervreemdende sfeer en die vrouw met een profiel waar dat van de auto in is te herkennen. Het is ‘My favorite things’ uit de Sound of Music, door de Zweedse singer-songwriter Jenny Abrahamson. Het blijft lang in mijn hoofd hangen maar op een prettige manier. Zoals ook dat van ‘onze’ inzending aan het Songfestival straks. Vraag me geen namen, zanger of titel, de sound is lekker.

De lage zon schoof warm en langzaam door de auto die rustig de kronkelende weggetjes nam. Voorin zaten mijn vrienden Bram en Carlijn, we spraken niet. Moe en voldaan waren we, na een weekend klimmen op harde Belgische rots. Vol schalde een mij onbekende extended version van ‘Brothers in Arms’ door de auto. Alle drie waren we gelukkig. Op dat moment wist ik het al, dit is weer zo’n moment, dit blijft je bij. Hoor je dit nummer jaren later weer, denk je hier aan terug. Het wonder van muziek. Die je kan raken. Het toeval, ik zit wat op Youtube muziek te kijken. Een van de zangeressen uit het achtergrondkoortje speelt opeens mondharmonica, en hoe! Wie is dat? Indiara Sfair, ze tovert blues uit dat kleine mondharpje op een ongelooflijke manier. De zegen van muziek. Die ook een vloek kan zijn. Dagenlang zong mijn vriend Wim: “Alle duiven op de Dam”, als een mantra, die ene zin.

Wat zou ik graag eens los gaan op een drumstel, in een geluiddichte kamer. Ik weet zeker dat ik het kan. Denk ik. En moet ik het hier nog hebben over mijn liefde voor Carlos Santana? Muziek kent zoveel emoties. Verbonden aan herinneringen. Het kippenvel, de opwinding, wanneer dan eindelijk, eindelijk na lang wachten en met opgebouwde spanning bij een live concert, de eerste tonen klinken van ‘Angie’, de Stones of het kenmerkende gitaarrifje van The Edge, U2. Of wanneer vriendin Eefje met haar heldere stem weer een nieuw nummer heeft ingezongen op Soundcloud.

Het duurde een tijdje voordat ik het begreep, toen mijn vriend Harry me liet luisteren naar Reggae. Een half mensenleven later wil hij me laten kennismaken met opera. Ik sla zijn uitnodiging voor een concert af; niets voor mij. Tot gisteren, ik ben bekeerd, ik ben om, nu begrijp ik het. Harry was jarig, hoewel ik hem dus al, zo lijkt het, mijn hele leven ken, weet ik niet eens zijn verjaardag. Hij bereikte een bepaalde leeftijd en dat moest gevierd, groots. Boven in het bloedhete zaaltje van The Movies had iedereen zich verzameld, het stond eigenlijk te vol, niemand had afgezegd. Opera per Tutti trad op. Een trio van sopraan, mezzo sopraan en een tenor en een piano. Op een meter afstand van mij zong Mylou Mazali in een gouden japon, gepassioneerd en op volle operasterkte het eerste lied. Verbijsterd en aan de grond genageld kon ik niet anders doen dan, tja, het was meer dan luisteren, me laten overweldigen. Plots draaide ze zich naar mij en toastte met me, de welkomstchampagne in mijn hand. Totaal overrompeld keek ik in haar ogen van smaragd, met goud omrand.

Stukken uit Carmen, La Traviata, Eliser d’amore werden gezongen. Sommige bleek ik zowaar te kennen, zoals Il Barbiere di Seviglia. Het Casta Diva, Norma uit Bellini, wat ook Maria Callas zong, zo vol van drama. Ik liet me meevoeren op de golven van gevoel, verstaanbaar is opera niet erg. Ik voelde humor en verdriet, sensualiteit en wanhoop, liefde. Vergat de heftige spierpijn in mijn lijf, kon bijna niet meer staan, na een dag intens klimmen in de ijskoude wind, die gisteren om de rotsen van Freyr had gehuild. En hoe ik het ook probeerde, slikte en vocht om mijn ogen droog te houden, toen na afloop Harry, met verwrongen gezicht en natte oogjes Mylou omhelsde en bedankte, het lukte niet.