Ophokken

“Aaah, mijn Creuzfeld Jacob speelt weer op!”,
gekscheerde mijn vriend Henri, destijds. Zelf had ik toen meer last van de Gekke Koeienziekte. Gelukkig ontsnapten wij, daarna weer, mijn twaalf witte en bruine kippen aan de Vogelgriep. Hun klaaglijk getok ging mij door merg en been, het kon niet anders, dagenlang zaten zij in lockdown, toen nog geheten; ‘opgehokt’. #

Is dit het dan, dat wat iedereen vreest en ik misschien het meest. Een grote ramp, wereldwijd, of iets sluipends, geheimzinnigs, waar we of in één klap, of tergend langzaam aan kapot gaan. Apocalyps now. Meteorietinslag, de aarde komt tot stilstand, de zwaartekracht verdwijnt – heb ik teveel stripboeken gelezen of slechte films gezien of ben ik gewoon behept met overtollig veel fantasie. De alles verwoestende tsunami, versnellend smeltende Groenlandijskap, niet te stuiten Ebola, maandenlange zonsverduistering door vulkaanuitbarstingen, need I say more? Het begint nu toch wel echt eng te worden.

Is dit een wake-up call? Is it nature itself? Zo van, de wereld gaat eraan, als we niets doen gaan we ten onder. De mensheid holt maar door, met onze dure elektrische auto, volgetankt met vervuilde kolencentraleenergie, scheuren we tot klokslag zeven, met 100 kilometer per uur in vol vertrouwen op de navigatie, volgas naar de afgrond. Zelf ben ik ook een zondaar, als een idioot 2000 kilometer gereden voor een dagje sneeuw. Een promiletje minder opwarming van deze woonplaneet kan geen kwaad. Dat gekke spul, Corona, slecht voor de gezondheid, goed voor het klimaat. De grootst zelfbenoemde Corona deskundige ter wereld mr. Trump himself is een hoopvol doelwit voor dit onderhavige virus, beter voor de wereld.

Mag het iets minder, is het goed om even in te houden. Tot stilstand komen. Letterlijk afstand houden voor het geval men het toch nodig acht te hamsteren en afstand van de ratrace. We wilden allemaal toch eens een weekje in een klooster. Nu even voor het ‘echie’. In een staat-van-zijn. Zoek jezelf, een beetje mediteren, inzicht, Zen en zo. Consuminderen maar! Met z’n allen, lalalala, met z’n allen in quarantaine. Wat mijzelf betreft, dat vertragen, de tijd nemen en onthaasten – voldoende synoniemen zo, die komen vanzelf wanneer je terugschakelt – dat is iets dat ik mezelf al zolang voorneem en mij zo slecht lukt. Aandacht voor elkaar, je lief en op afstand, de ander.

Tip: in het altijd gezellige Arnemuiden is een Yoga centrum gevestigd dat luistert naar de naam: ‘Corona Yoga’. Nog een weetje misschien? Corona is de buitenste laag van de zon, miljoenen kilometers groot en één miljoen graden heet, volgens mijn Wikipedia dan hé. Anderhalve meter afstand houden is het devies, geen twijfels meer over een, twee of toch drie zoenen en de mannenhug. Gemeengoed is de hindoegroet, die met de handpalmen tegen elkaar, lichte buiging, kleine glimlach, mompelen:
“Namasté’, (ik buig voor jou)
het mag.

# Dat hok was nogal groot, die scharrelaars hadden tweeënhalve vierkante meter p.k. (per kip), maar toch, ze wilden buiten spelen.
Bij de foto: opgehokt in vrijheid, op het virusvrije lege strand en bij de bacterieloze zee. Opvallend, de weinige tegenliggers hielden afstand en groetten ons vriendelijk.

Status

Bloody hot was op het balkon.
“En? Ben ik al bruin?” vroeg Eega lachend, net wakker van een dutje, zich even niet bewust van het fabelachtige uitzicht recht tegenover haar. De witte wereld van Les Sybelles in de Hautes Mauriennes. Recht voor ons toonde Pic de L’Etendard, 3464m.  zijn besneeuwde elegante hellingen. Deze top en de drie in het oog springende rotstorens van les Aiguilles d’ Arves,  3514m. die mijn klimmershart sneller deden kloppen. “Ojee, straks kom je thuis met zo’n echt WinterSport hoofd”, lachte ik terug.

Voor de tweede keer in mijn leven op WinterSport, net terug uit de Elzas, waar eerst te weinig sneeuw was, later meer, toen met storm en ook nog een dag met zon. Nu dan in het Walhalla, als ik M&M moest geloven. En, du moment ik de gordijnen open deed van de schuifpui van de woonkamer van het appartement op de bovenste verdieping van het chalet in La Toussuirre op zeventienhonderdvijftig meter hoogte en onbelemmerd over de lager gelegen huizen en hellingen het oogverblindend schouwspel zich aan mij openbaarde, begreep ik het. Ik begreep hen. Dat ze persé weer hierheen wilden.

Het was de duizend kilometer rijden waard, ook al waren die afgelegd met mixed feelings. Corona leek Frankrijk over te slaan, voor hoelang? We zien wel – we hebben geboekt – we gaan, zeiden we tegen elkaar. Het zweeft niet zomaar rond, berglucht is schoon, veel contact met mensen zoeken we niet op, what ’s the risk? Toch, eenmaal daar was het vreemd. Er ontbrak iets, de lucht WinterSport blauw, vriendelijk en vrolijk, de hellingen maagdelijk en wit. De liften draaiden, hier en daar een skiër, daar een boarder, dát was het, zo raar, het was stil, er was haast niemand. Het skioord, het leek een spookstad.

In grote haast en heel vroeg nog, hadden we alles in de auto’s gepropt, het huis schoon, de sleutels in de sleutelbox in het uitgestorven dorp en weg. Twintig kilometer dalen, hairpins en slecht wegdek, geen enkele tegenligger. Toen volgas naar Chambery, Albertville, Lyon en verder. De Péages waren nagenoeg leeg, totaal geen verkeer, met niet werkende klotetolpoortjes, herkenden geen creditkaart meer, stom systeem. Snel het land uit voordat de grenzen sloten. Had het virus ons te pakken? Tanken, soms ook een kunst in dit land. Capriolen, welk pasje deed het? Vlug, we konden weer, door! Geen eten meer te koop, we hadden nog koekjes, water, koffie. Nog een Mars en een Twix en appels (2) en jaa, haha, wc papier, dat hadden we ook. Dijon, Nancy, hoever nog naar Luxemburg? We waren op de vlucht. Op zoek naar ons huis, ons land, thuis. Wilden asiel, die grens over. Weg van president Emmanuel Macron, met zijn ’Nous sommes en guerre’. Wij zijn statushouders, inwoners van Europa met zijn open grenzen. We wilden niet, hoe romantisch het ook klinkt, in quarantaine in dat skioord op die prachtige plek.

Nu eenmaal thuis, denk ik terug, hoe ik me omhoog stampte. Zwetend over de geribbeld geprepareerde en verblindend witte sneeuw van de piste. Kan ik hier weer naar beneden, zonder ski’s, niet denken, hoger. Niemand hier, rechts hangt stil de stoeltjeslift du Soleil. Boven het dorp, aan de andere kant zijn er nog veel meer, geen beweging te zien. Enkele zwarte stipjes, wandelaars. De zon brandt en maakt de sneeuw net zacht genoeg voor mij.
Een helling verder scheurt een sneeuwscooter naar beneden, zijn uitlaatgas waait mijn kant op. Het wordt toch te steil nu, hoog genoeg dan maar. Kijk om me heen, het dorp is verdwenen en ik zoek een afdaalroute. Die stoeltjeslift ginds moet ik volgen denk ik, even niet verdwalen, zonder ski’s. Steek over naar een andere piste, door zachte sneeuw. Zak een paar keer heel diep weg, liever niet in een gaatje vallen hier. Daar in de diepte, daar zie ik het dorp weer. Rutschend op m’n schoenen terug. De zon brandt, de sneeuw blinkt, ik hijg en ik zweet, het is stil en de wereld is mooi. Alleen al, voor deze wandeling, het was het waard.

Een beetje schrijver doet research voor zijn verhaal: de naam La Toussuirre komt waarschijnlijk van “tochière”, de lange houten stok waarmee de herders vroeger hun vee hoedden. Wanneer je La Toussuirre in de vertaalapp gooit: ‘Hoest het op’………..
De schaduw op Pic de L’Etendard, dat profiel, Macron? Of zie ik dat alleen?

 

In gesprek met

Als dank voor jarenlange deelname aan NS panel was ik uitverkoren mogelijk een winnaar te zijn van een aantal prijzen. Ik mocht zelf kiezen. Voor het geval dat, in dat geval, ik koos voor de mogelijkheid van een gesprek met President Directeur Rogier van Boxtel. Waarom wilde ik in geval van winnen deze prijs, werd mij digitaal gevraagd. Wel hierom; reeds meer dan vijftig jaar ben ik treinreiziger, groot voorstander van openbaar vervoer.
En nog steeds voortdurend verbaasd over NS. Had ik Rogier van Boxtel gewonnen, te spreken gehad, dan had ik hem de volgende verbazingen, neen, alhoewel het wel zo is, wil ik het geen ergernissen noemen, medegedeeld.
Rogier, jij – na vijftig jaar, meer dan een halve eeuw, in jouw treinen te hebben gezeten, mag ik je tutoyeren – neemt, sinds je deze baan hebt misschien ook weleens de trein? Ik heb je gewikipediaat en gezien je staat van dienst denk ik wel dat je deugt, jij spoort wel. En zo lang zit je nog niet in dit vak, in het Koninkrijk der Spoorwegen, dus jij kunt er ook niets aan doen.

Tja, waar was ik dan begonnen, als ik jou had gesproken, gewoon maar gelijk van start, groen licht? Wanneer ik hier ter plekke, in mijn wijkstationnetje de trein neem. Ik, met mijn decennia oude NS voordeelchip, kan daar, aan de automaat niets. Stond daar, naast de Arriva kaartjesautomaat er eerst nog een van NS.
Nu niet meer, is weg, alleen die van Rnet en die kent mijn NS kaart niet. Ik ben genoodzaakt de trein te nemen naar het hoofdstation, daar uit te checken, het station uit te gaan en in de NS automaat mijn kaart op te laden. Of bijvoorbeeld het ‘vrijreizen’ kaartje – wat nu toch ook gewoon vier Euro kost – op te waarderen, vervolgens weer in te checken en te constateren dat mijn ‘overstapje’ net vertrokken is.

Ik was er nog even verder op door gegaan, had ik dat gesprek gewonnen. Wanneer ik dan terugreis en overstap op hoofdstation Dordrecht – laat ik maar meteen man en paard, in dit geval man en trein noemen, NS weet toch alles van mij en mijn ‘reisgeschiedenis’, waar is privacy toch heengegaan – op de boemel van Rnet, naar Dordrecht Stadspolders dien ik uit te checken bij NS en in te checken bij Rnet.
Zoals vele tientallen medereizigers, waarvan velen dan net weer hun ‘overstapje’ missen, wegens drukte bij dat gecheck. Daar kun jij natuurlijk niets aan doen, dat is nog een erfenis van mevrouw Melanie Schultz van Haegen-Maas Geesteranus die haar belofte het te stroomlijnen niet nakwam. Laatst was ik in Zwitserland en daar zijn zeer veel verschillende treinmaatschappijtjes, hoeveel precies, dat weet jij beter dan ik, Rogier, maar daar merkt de reiziger hoegenaamd niets en niemendal van.

Mag ik nog even, had ik gevraagd, Rogier, heb je nog heel even? Wat me ook zo verbaast, dat na vijftig jaar de reistijd van Goes naar Amsterdam, die ik als student jarenlang aflegde, nog geen minuut sneller is geworden. Sterker nog, langer, met die stoptrein van het Zeelandstuk.
Ja, zou ik Rogier dan horen zeggen, je kunt overstappen in Rotterdam op de Intercity Plus en dan tegen een kleine vergoeding gaat het een stuk sneller naar Amsterdam. Jaja. Ook pendelde ik heen en weer naar Eindhoven, vanuit Dordrecht en dat kostte precies een uur. Dat lukt niet meer, sukkelen naar Breda, ‘overstapje’ en dan door. Zomaar een half uur langer; de ‘vooruitgang’.

Rogier, ben je daar nog? Ik moet er eigenlijk wel om lachen. Eerst doeken de Spoorwegen de rechtstreekse treinen met buitenlandse bestemmingen op. Nu worden ze met veel halleluja en hoorngeschal weer, héél voorzichtig herintroduceerd.
Concurreren met het vliegtuig? NS spoort niet. Ik zie het al, stiekem zit je op je horloge te kijken, mijn tijd is om. Nog even dit, om niet te worden afgerekend te worden op teveel vertraging, staan de treinen langer stil op sommige stations. Kunnen vertragingen worden opgevangen worden zodat de aankomsttijd toch gehaald kan worden. Ik had je verteld dat ik daar ‘niet vrolijk van word.’

Waarom, beste Rogier, krijgt een reiziger met meer dan vijftig reisjaren, de vaste NS klant, geen voordeelprijs. Zoals bij meer schadevrije jaren, meer noclaim korting? Neen, zelfs het ‘voorrecht’ wat de vaste klant had, het privilege ook in de avondspits met korting te mogen reizen gaat verdwijnen. Het wordt te druk in de trein, NS wil minder reizigers.
Ik ben haast geneigd dan als klant ook maar te verdwijnen. Ergens best grappig, NS, een van de grootste bedrijven van Nederland kon niet voorspellen dat het steeds maar drukker zou worden. En voorzien dat er een constant tekort aan materieel zou zijn.

Geachte heer van Boxtel, bedankt dat ik deze prijs, een goed gesprek, wanneer ik tot de prijswinnaars had behoord, heb kunnen ontsporen.

onthutsende bekentenissen

Vooruit! Het kan nu wel, toe maar. Het is tijd om eens echt eerlijk te zijn, wat kan het me ook eigenlijk schelen. Een schrijver moet schrijven wat er in hem opkomt, wat al tijden ligt te sudderen in zijn grijze massa, ooit moet het er uit.

En dan geen flauwekulletjes over wat ik onlangs ontdekte. Ik wilde meefluiten met Triggerfinger’s ‘I follow rivers’, zou kleinkind J. fluiten leren (evenals dansen, maar daarover een andere keer) en het ging niet, dat fluiten. Ik kan het niet meer. En dat terwijl ik vele, vele uren heb gefloten. En daar zelf het meeste van genoot. De lange nachtelijke wandelingen die ik floot, en er van alles door me heen ging, en ik er alles inlegde, in dat fluiten. Álles, mijn vrolijke maar ook gekmakende verliefdheid op haar, die stevige korfbalster die ik zojuist had thuisgebracht.

Nee, het gaat om serieuze, heuse onthullingen, zoals daar zijn; de uitnodiging van Gerard v. h. R. om een weekje te komen logeren op zijn boerderij in Frankrijk. Dat ik wel eens een boek lees. Dat ik wel eens mail met Arnon Grunberg. Dat ik niet graag een matrozenpakje draag. Dat ik met twee vriendinnen naar de film Turks Fruit zou gaan. Dat ik een of meerdere fietsen stal. Excuses nog aan de eigenaren, bij deze en aan die ene vriendin die toch afhaakte. Dat ik nooit de Elfstedentocht en de Vierdaagse voltooide, sorry daarvoor.

En voor trouwe lezers; echt heel goed skiën kan ik niet. Schokkende bekentenissen voor oudere lezers, hen die de naam Melanie nog iets zegt: de eerste LP die ik kocht was van haar. Per ongeluk zing ik nog weleens een regel uit ‘Beautiful People’. De tweede LP was dan wel weer van Ten Years After; ‘Undead’. Van een vreedzame, conflictvermijdende pacifist als ik zult u het niet verwachten, maar het scheelde niets of ik was gisteren, zoals dat heet, op de vuist gegaan. Onthutsend knokken. Meer onthullen dan dat het iets was met een hond en het strand, mag ik op dit moment niet.

Dat ik ontkende, bij hoog en bij laag volhield nooit in New York te zijn geweest. Dat mijn gewicht ongeveer gelijke pas houdt met mijn leeftijd. En dan dit; veinzen. Jahoor, ik beken, ik veins weleens een bekende, vriend of kennis niet te zien, wanneer ik hij / zij in de stad tegenkom. Niet echt schokkend, temeer daar ik vermoed dat ook u dat wel eens doet; veinzen.

En toch, nu iets geheel anders, het onthutsendst kan ik hier niet bekennen. Ik krijg het er niet uit, op papier of digitaal. Mocht er onder lezers een bepaalde nieuwsgierigheid bestaan, laat het mij weten. In een tête-à-tête, op een nader bekend te maken locatie, zult u deelgenoot gemaakt worden van een – laat ik het voorlopig zo noemen – situatie. Geheimhouding verzocht.

Heineken

En ik zal afdalen langs gitzwarte pistes met donderend geweld, ik in mijn helderwitte wetsuit met oranje accenten. Avalanches achter me latend en blondines en brunettes wiens lokken vanonder hun modieuze helmkes uitpiepen in verbijsterde betovering. En sneller dan de ijswind zal ik carven en jumpen met mijn matzwarte Rossignols over gapende gletsjerspleten in ijle wolken van het witste poeder. En mijn glimlach zal mijn gebronsde gelaat openbreken en de harten van allen op mijn weg dalwaarts doen smelten.

Ooit zwoer ik op het graf van de te laat overleden Idi Amin dat ik nooit van z’n leven op wintersport zou gaan, never never nooit zou inschepen op de vleesfabriek ook wel genoemd cruiseschip, musicals, Venetië en Benidorm bezoeken, bungeejumpen en nog enkele activiteiten en zie: waarheen ga ik? En dat zelfs twee keer? En dat zelfs binnen één (1) maand? ‘ Op WinterSport’. Jawel. Tja, als je mij vraagt of ik meega, dan loop je een zeker risico, dat ik inderdaad ja zeg en meega.

Offpiste zal ik gaan en urenlang omhoog stampen op mijn vellen in volstrekte eenzaamheid tot ik door de Scharte ga en rechts omhoog langs scherpe graten en langs Seracs en Wächtes die mij vanachter mijn gouden goggles sardonisch vriendelijk lijken toe te grijnzen.
En ik zal, voordat ik me dalwaarts stort, de gestroomlijnde helm nog eenmaal vaster snoeren en diep ademhalend mijn longetjes vullen met zuiverst-grote-hoogte berglucht.
En nog eenmaal zal ik om me heen kijken en her en der een bergprofiel herkennen, Dente de la Parachée dichtbij, Mont Blanc iets verder en ver weg Sextener Rotwand en Gross Venediger waar ik eens bovenop stond of ook juist net niet.

WinterSport, akkoord, deze hellingen bevinden zich meestal in een berggebied, een streek waar ik, zoals mag worden verondersteld bekend, mij graag ophoud. Welteverstaan dan liefst zonder andere levende wezens op twee benen. WinterSport, ik zie er de zin niet zo van in. Zinloos, overigens, net als bergbeklimmen. (waar ik dan wel weer het nut van begrijp)

Als dan de steilste steilte afneemt en de boomgrens nadert en ik met onheuse doodsverachting het sprookjesbos induik zal ik laverend, in split seconds de dikste bomen ontwijken, om dan de vloeiende almen te bereiken waar paarse koeien vredig grazend verbaasd opkijken.
En eenmaal in het dal arriverend, zal ik na honderden meters rutschend tenslotte tot stilstand komen en deuren van bronstige kroegen openstoten en armzwaaiend roepen: “Biertje, 0,0 %!”

En als laatste zal ik dan maar weer het licht uitdoen in de ozo gezellige StammStube of Bistro, waar ik de lange avond de hitte van de tegelkachel danwel openhaard trotseerde en ik plots niet doof was en oorverdovend verstaanbaar en ik zal, toch weer geheel alleen, in de maanverlichte straten op zoek gaan naar een bed in een verduisterd chalet, ergens in het romantisch wit besneeuwde skioord terwijl de melkweg dichtbij lijkt. Dichterbij dan ooit, toch jammer, dat ik, alleen ik dit zal waarnemen.

Februari

Het is me meegevallen. Alleszins. Niet zoals in de periode van 1983 – de geboorte van mijn dochter tot oudejaarsnacht van het jaar 2000 – dat ik gestopt was met roken en daar nog steeds dermate veel moeite mee had, dat er momenten waren van wanhopig zoeken in oude jassen naar kruimels tabak teneinde daar met een half vloeitje een armzalig sjekkie van te paffen. Neen. Het kostte me verbazend weinig. Geen lange avond wachten tot Eega naar boven vertrok om stiekem toch een glaasje wijn in te schenken, in een limonadeglas ter camouflage (NB). Natuurlijk, er waren de diverse nieuwjaarsborrels, waar ik met een zekere trots verkondigde niet mee te doen. Het was niet moeilijk, men vulde al zelf in; “Aha dry January”.

Het leek me wel goed mijn levertje even wat rust te gunnen. De honger naar drank te stoppen, de gewoonte te doorbreken, indachtig de slogan van enkele jaren geleden; ‘drank maakt meer kapot’. Ik wilde het niet zover laten komen zoals mijn goede vriend T. Waits al zong: “I don ’t have a drinking problem, ‘cept when I can’t get a drink”. Midden in die drooggelegde maand was er de reeds lang gemaakte date en de met mezelf gemaakte afspraak, die avond mag het, dan drink ik. En ik wil hem, de heerlijke roes, ik hou ervan.

Dat een avondje op schreeuwniveau praten in diverse volle etablissementen met beginnende keelontsteking, chronisch kapotte stembanden, eerst wijn en later bier niet bevorderlijk is voor de strot zal ook een geheelonthouder kunnen invoelen. Dat ik in mijn geestdrift met vertellen een vol glas rode wijn van het piepkleine tafeltje smashte en daarmee een voltreffer veroorzaakte op de off-white teddyberen jas van de uiterst beschaafde dame aan het belendend tafeltje heeft niets van doen met teveel drank, ik had er pas een op, zo’n rooie.
Later die nacht, toen wij door de stille donkerte huiswaarts zweefden en ik overliep van geniale ideeën, in de ietwat merkwaardige bebouwing van de onderhavige straatjes architectonische schoonheid ontdekte en meer dan goed voor me was van mijn vrienden hield, besefte ik, dit is hem weer, die heerlijke roes. En toch, ook dat hielp, de volgende ochtend, om met hernieuwde kracht de rest van de maand January aan te vatten.

Voor de goede orde, lieve lezers, zoveel drink (dronk) ik niet. Er zijn mensen in  mijn omgeving die meer drinken. En, áls ik drink, ik heb geen kwaaie dronk, ik ben een blije drinker, hooguit wat overmoedig soms. Niet zoals T. Waits: “ and in the bottom of my glass, I see her face in there….” En om nu te zeggen dat ik drink, alleen wijn, rode wijn. En bier. Niet zoals dhr. J. A. Deelder zijn gin-tonic; “Gin, een wolkje tonic en geen groente er in.”
Vriend en vinoloog Harry, een gezworen drinkmakker, samen dronken wij hoeveelheden, ooit op een historische zomeravond uitsluitend raki, knikte mij begripvol toe hoe ik terugkwam van de bar, en naast zijn Chauvignon blanc mijn perensapje plaatste.

In de vorige eeuw, toen ik in perioden van training naar een bepaalde hardloopwedstrijd, niet dronk, meldde ik mij op feestjes tot hilariteit van de aanwezigen soms met medeneming van een six-packje Buckler. Het was niet te drinken en met dank aan een brallende conferencier nu niet meer verkrijgbaar. Ik beloof hier schriftelijk, én digitaal, mij in de toekomst af en toe, met opgeheven hoofd te wenden tot een groen flesje met op het etiket 0,0 %.

 

toch tradities

Schreef ik laatst nog over tradities, die voor mijn part mogen verdwijnen, tot mijn schrik merk ik er zelf een in stand te houden. Na hoeveel jaar kan men spreken over een traditie, wanneer is het zover. Een select groepje deelnemers weet waar ik op doel. Zij, die vroeg opstonden, op de eerste zaterdag van het nieuwe jaar. Berubberlaarst of anders improviserend pogend droge voeten te behouden, indien nodig, in de Biesbosch waar omstandigheden moeilijk voorspelbaar zijn.

In voorzichtig zonlicht, ruggelings tegen het zwartgeteerde hout van de Keet nipte ik van m’n koffie. Merkwaardig sfeertje hier, in de verre omtrek vermoedelijk, behalve die twee reeën, niemand. Een klein stukje terug hing zeer dichte mist, geen verkeersgeruis van de Moerdijkbrug drong tot hier, dat aanhoudend gerommel op de achtergrond, dat kwam van de stad. Het was oudejaarsdag en daar, in Dordrecht was het al gezellig. Daar genoten enkele fanatici van Thunder Crackers, Bazooka’s en Cobra’s, speelden voor Trumpje en keken wie er langst geen oog of vinger verloor. En zo doe ook ik graag mee met de nieuwe geboren traditie, – en nu citeer ik vrijelijk een cabaretier – de traditionele jaarlijkse discussie over het jaarlijkse wel of geen vuurwerkverbod. Volgens wijze politici die ons land besturen wil het volk dit, we willen knallen, het milieu verpesten, lekker zinloos geld verspillen.

Traag wandelde en fietste ik terug, dwars door een droomlandschap van grillige wilgen die opdoemden in dichte mist. Bij de aanlegsteiger zat het zo potdicht dat ik me even afvroeg of de pont nog wel zou varen. Werkelijk niets te zien of te horen. Tot een zacht brommen hoorbaar werd en pas bij het aanmeren een vage contour in beeld kwam. Gelukkig, ik hoefde niet via Werkendam en Gorinchem terug.

Ieder jaar melden er zich enkele mensen aan die zin hebben in een frisse neus, stukje wandelen na al die feestdagen, nieuwsgierig zijn naar een onbekend stukje natuur vlak bij huis, of sterke verhalen hebben gehoord over bizarre waterstanden. Met de Nieuwjaarswandeling gaan Kees en Rienk sowieso elk jaar mee, dit keer zijn er negen aanmelders waarvan drie zich weer afmelden, dat maakt een club van zes. Prima.
Het is droog, niet erg koud, de bruggetjes liggen boven water en precies modderig genoeg. Gezellig keuvelend maken mensen, klimmers en wandelaars, die elkaar wel en niet kennen, het rondje. Het is niet te ver, alleen het weer, dat is een beetje saai, geen sneeuw, of storm met jagende wolkenluchten, grijs, waar de zon zich niet doorheen geschenen krijgt. Tocht tradities, pakweg duizend Rivierenlanders gingen nog niet mee naar de overkant: zaterdag 2 januari 2021, nieuwe kansen.

Op die mistige oudejaarsdag groef ik de sleutel op in een van de vele ‘handige’ zakken van m’n jack, het hangslot zag er hetzelfde uit en jawel hij paste nog, de sleutel van de Zwarte Keet. De griendwerkerskeet uit 1912, gerestaureerd in 2000, waarvan de sleutel tijdens de eerste zaterdag van het nieuwe decennium van 2020, alle goede voornemens ten spijt, nog thuis op het nachtkastje lag, vergeten.

Excuses van E.

Oplettende lezers zal het ongetwijfeld niet zijn ontgaan dat langs deze pagina’s gewag werd gemaakt van enkele – niet bijster interessante – fragmenten van brieven tussen twee – mij niet onbekende – vriendinnen. Vriendinnen die liever anoniem blijven, bij voorkeur niet bij naam en toenaam genoemd worden. Onlangs was besloten verdere publicatie van de correspondentie niet voort te zetten. Correspondentie, dat mag helder zijn, die ook heden ten dage nog immer voortgaat.
Wat schetst mijn verbazing, schrijfster van de brieven aan E., de penfriend dus van E., wiens naam of zelfs initialen onbekend bleven, deed onlangs mijn brievenbus klepperen met een heuse brief, rechtstreeks aan mij gericht. Jawel, een schriftelijke brief, helemaal echt, in een door haar lippen dichtgelikte envelop, compleet met postcode en postzegel, inderdaad, ze bestaan nog, die zegels.

Hieronder wil ik, met toestemming van de schrijfster aan E. een fragment van haar brief met u delen. Mij bereikten namelijk geluiden van grote consternatie en vertwijfeling alom. Wie was / is toch die E. en wie o wie toch die ander. Het zal duidelijk zijn, dit zal onduidelijk blijven. De dames in spé hechten grote waarde aan hunner privacy. Tot voor kort konden zij ongestoord over straat en hoewel E. , zo vertrouwde zij me ooit toe in een moment van intieme ontboezemingen, zich kon voorstellen wel een BN-er te kunnen zijn, een zekere hunkering naar roem was haar niet vreemd.

Fragment uit de brief van de schrijfster aan E. aan mij:
……en je weet, ik ben de moeilijkste niet, maar als ik dit geweten had dan had ik me wel 2 keer bedacht. Jij strijkt al het geld op en ik zit met de ellende. Gelukkig ben ik niet zo van de selfies en zodoende nog best wel anoniem, hihi. Maar laatst toen E. en ik zaten te shoppen in Breda kregen we toch best wel vervelende opmerkingen van die Brabo’s en dat komt dus door jouw. Als jij alles op internet knalt.
Maar goed, ik wil ook en dat wil E. ook, onze excuses aanbieden voor de verwarring die gebeurt is. Harry staat er ook achter dat ik dat doe, dus. En verder kan ik dan meteen aan iedereen dit leest voor het nieuwe jaar de allerbeste wensen doen en dat iedereen veel liefdevolle brieven mag ontvangen en gezondheid want dat is het belangrijkste……

Beste lezer, ik heb niets te verbergen, dat van dat geld, dat valt nogal mee. En met genoemde ellende ook, kan ik u verzekeren, zo beroemd zijn ze niet geworden, nog niet. Klaarblijkelijk hadden de dames het er onderling ook over gehad, schriftelijk of mondeling, maar toen ik E. benaderde, ik ben van hoor en wederhoor, vertrouwde E. me toe dat haar correspondentievriendin nu eenmaal nogal, volgens haar, een ‘aandachtvragend tiep’ is.
En dat het met die aandacht eigenlijk best wel was tegengevallen. Maar goed, ook zij was van mening dat ik voor ‘chaos en warboel’ had gezorgd met het openbaar maken van die fragmenten. Dus hierbij wil ook ik mijn welgemeende excuses maken, mocht ik lezers dezes in verdwazing hebben gestort. Wanneer u mij persoonlijk benadert ben ik desgewenst bereid woon- of verblijfplaats van E. en haar prenfriend prijs te geven.

* Bij de foto, de twee schrijvende vriendinnen aan het shoppen, rechts E.

‘A little help’

Tradities zijn er om overboord te gooien, dingetjes zoals nieuwjaarsbrandstapels, rotjes mogen blijven, gillende meiden ook liefst, overig vuurwerk, legaal of illegaal terstond verbieden. Nieuwjaarswandelingen daarentegen gaan ten allen tijde door, zoals ook de eerste vrijdag na Kerst. Die staat vast, dan gaat de GGE op pad, dat geheimzinnige genootschap van vrienden, Bergliefhebbers. Trokken zij traditioneel de Hoge Venen in, sneeuw vrijwel gegarandeerd, nu echter, net als vorig jaar ontdekken zij steeds andere gebieden, streken waar de stilte heerst.

Wat zou het leven zijn zonder vrienden, vijftig jaar geleden zong Joe Cooker het al tijdens Woodstock. ‘With a little help from my friends’. In deze tijd van Top Tweeduizenden en -Quizzen, zijdelings wat geschiedenis mag wel even. Het nummer, geschreven door Paul McCartney, werd een enorme hit door de eigenzinnige zang en presentatie van Joe Cooker en zijn performance op Woodstock werd een van de hoogtepunten van het festival.

En stil was het, in de Waterleidingduinen. Er was geen race op Zandvoort, athans niet hoorbaar. Wel een vreemd zacht gerommel, om de twee minuten, wanneer een vliegtuig opsteeg van Schiphol, maar ook dat geluid verstomde naarmate de groep van vijf dieper het gebied introk. Naald en loofbos veranderde in struikgewas in duingebied in strand, waar zee en lucht nauwelijks van kleur verschilden, het was een prachtige dag. December zonlicht strooide warm licht en maakte alles nog net iets mooier. De vrienden maakten een rondje van zeventien kilometer en spraken in wisselende samenstellingen over de toestand in de wereld, (klein-)kinderen, geliefden, hogere doelen en welke bergen. Verder noteerden zij; een Vlaamse gaai, brilduiker, smient, boomkruiper en uiteraard tientallen reeën en herten die hooguit verveeld even omkeken.

‘Ah, with a little help from my friends
Don’t you know I’m gonna make it with my friends?
Ah, with a little help from my friends
I promised myself I’d get by
Ah, with a little help from my friends

 Zacht zing ik, zo hard ik durf, mee, de volgende avond, en het is makkelijk want de tekst wordt geprojecteerd, boven de band die het speelt. In de stampvolle ‘Main Stage’ is het jaarlijkse (traditie) Top 2000 Event en wat er hangt is fantastisch; sfeer. Geïnitieerd door vier kerken is een keuze gemaakt uit de muziekgeschiedenis en het thema vanavond is ‘vriendschap’. Het kerstgevoel en de slogan, ‘niemand mag met kerst alleen zijn’ nog even vasthouden of zoek ik het te ver. Niet alleen liefde voor bergen verbindt, ook muziek brengt mensen samen. Omgekeerde wereld, je verwacht het niet, gratis toegang, terwijl voor het natuurgebied van gisteren entree werd gevraagd.

Klimmaatje en ik, we doen ons best, kunnen beiden even goed zingen en dat is helemaal niet erg, de band speelt op volle sterkte. Van dichtbij schreeuw ik in haar oor over Joe Cooker en Woodstock uit 1969 en ze kijkt me vragend aan, de tekst kent ze, dat wel. In deze setting is een goed gesprek wat lastig – “verder kijken, waar gaan we heen, wat gaan we klimmen”, maar wat geeft het.

‘What would you do if I sang out of tune?
Would you stand up and walk out on me?
Lend me your ears and I’ll sing you a song
I will try not to sing out of key’

Ari, de wereld is rond

Aangespoord door de onvergetelijke dichtregel van de onlangs heengegane Deelder J.A.:
“Hoort, men werpt een atoombom”,
welke zin, niettegenstaande gruwelijkheids dezes, krult onhoudbaar een niet wijkende glimlach om mijn lippen en nestel ik mij gerieflijk naast de smaakvolgehangen kerstboom, derhalve ik voel, het kan weleens gaan vloeien. ‘Astanblaft’, om met dhr. Deelder te spreken. Die zin staat, blijft staan en wordt veelvuldig aangehaald, thans na zijn verscheiden en dus vierenzestig jaar nadat hij deze klinkende vijf woorden opschreef, te weten op de respectabele leeftijd van elf (11) jaar.

Vooropgesteld, ik behoor niet tot de lieden die zich onmiddellijk, nadat een publieke figuur is doodgevallen, op de borst trommelend naar voren werpen en luidkeels verkondigen dat zij tot de intiemste vrienden van desbetreffende behoorden. Verre van, echter Jules, ik mag Jules zeggen, mocht op een zekere sympathie mijnerzijds rekenen, temeer ook daar ik een verwantschap met hem voelde. Niet alleen voor de rauwe dichtkunst maar ook voor zijn stijlgevoel en de liefde voor de schoen. * In een, toegegeven, mindere periode in mijn leven, er moest nu eenmaal de kost verdiend, rokende schoorstenen en open mondjes van studerend kroost etcetera, toen ik ietwat werkte en dergelijke, trof ik hem wel aan, goedkeurend mompelend, denk ik, naar het door mij zojuist, vers geëtaleerde schoeisel van 85% handmade hoogstaande en premium kwaliteit.

Tevens was ik levend aanwezig bij diverse optredens van J. in den lande. De eerlijkheid schijnt dan in zulke voorkomende gevallen te gebieden, eerlijk te zijn, eenmaal was het gebodene niet te pruimen, dit waarschijnlijk mede te danken aan het gezelschap waarmee hij destijds optrad. Brood en Chabot. Stoned of dronken of allebei, het was abominabel slecht, akkoord, Chabot trachtte de boel nog enigszins te redden. Graag wil ik op deze plaats nog een lans breken voor Dhr. J.A. Deelder. Hij exposeerde eens in de Kunsthal met onnavolgbaar knappe objecten, expositie getiteld: ’Beelder’. Helaas is dat, ook in het grote terugblikken volledig onbelicht gebleven, mijn enthousiasme echter was groots, voor deze beeldige juweeltjes, stuk voor stuk luisterend naar typisch Deelderiaanse namen, zoals ‘Spuit 11’, ‘Locomotrutfantje’ of ‘Deelderaaf’.

Daarbij gevoegd dat hij een meester was in verwarring scheppen, gevoel voor rare taal, plat Rotterdams en of archaïsch taalgebruik, een geheel eigen jargon, paginalang doorgaande zinnen, liefde voor jazz, de kleur die volgens de kleurenleer van prof dr. Iitten feitelijk geen kleur is: zwart, het nachtleven, het veelvuldig de oorlog en den Duitschen medemens er bij halen, nodig of onnodig, de zelfkant van het leven – zijn voorliefde voor Sparta, alsmede zijn overdadig gebruik van bepaalde roesopwekkende stoffen daargelaten – (hoewel ook schrijver dezes graag in een roes verkeert), dit alles en het onweerlegbare feit dat op de dag van zijn verscheiden, ondergetekende  zijn nieuwste boek ‘Hardgin’ zich toe-eigende in de dichtstbijzijnde bibliotheek. Is dat toeval, dat laatste, neen dat kan geen toeval zijn.

Mijn beeldschone dochters heten geen Ari. Maar mijn kleindochter, nu al beeldschoon te noemen heet wel Juul.

*Zie mijn verhaal ‘verliefd’, in swelks het handelt hoe een mens – een man zelfs in dit geval – verliefd kan zijn op zijn nieuwe schoen(en)