klimmen

Veel van deze ‘klimcolumns’ zijn gepubliceerd in
Relais,
het clubblad van Regio Rivierenland
de lokale afdeling van de NKBV
Nederlandse Klim- en Bergsport Vereniging
en later op de site van deze club
veel, ook niet…..

 

 

Hamburgerroute en Stuifhagel


“Hey man, ouwe klimmer!”
“Moge, andere ouwe klimmer!”
“Ja ook goeiemorgen. Weet je nog, in die noordwand, met die hagel?”
“Ja man, zo! Heftig!”
“We hebben geschiedenis geschreven!”
“Haha, het  was leuk hé?”

Toen we neerstreken op een zonnig terrasje in Dinant moesten we helaas constateren dat we de verkeerde beslissing hadden genomen. Het was nu al een hele tijd droog en de lucht was nog altijd blauw. Het was het ‘verzorgde’ Regioweekend vanuit de Chaveehut met klimmen in Pont á Lesse. Die morgen waren de rotsen al nat en glibberig. Weer een bui en halverwege de klettersteig konden we eruit stappen. We schuilden in het grotje. De cursus reddingstechnieken kon hier gewoon doorgang vinden, er waren haken! De slachtoffers speelden hun rol wel heel levensecht. Wij keken toe en kregen het steeds kouder in het tochtige grotje. We waren nu voor de tweede keer uitgeregend en besloten het voor gezien te houden. De wandeling van Anseremme naar Dinant was leuk, dit stuk altijd alleen maar vanuit de auto gezien. Nu was de koffie op en de lucht boven Dinant nog steeds blauw. Snel rekenden we af en reden haastig naar een ander klimgebied, Yvoir. We konden toch nog klimmen.

Marina. Heel makkelijke route, die durf ik wel voor te klimmen. Razendsnel trekken we de gordels aan. De rots ligt vol in de zon en is alweer droog, voelt zelfs warm aan.

“Oké?” “Yep!”
Even checken en ik ga. Een aantal setjes hoger trek ik aan het touw –  kom op, meer touw, klim ik te vlug – en ik kijk eens achterom. Een inktzwarte lucht nadert snel. Dan kom ik bij een standplaats, wat te doen, doorklimmen? Ik maak stand, kunnen we even overleggen en laat Julian nakomen. Shit! Hij heeft zijn bergschoenen aan, dan moet ik dus verder ook voorklimmen. Nou ja, we zien wel, misschien valt het mee. Halverwege het tweede stuk klettert de hagel op me neer. De lichte rots kleurt donker en koelt voelbaar af. Is dat dan die voorspelde Belgische ‘stuifhagel?’ De route is zo makkelijk dat ik gewoon verder kan klimmen, iets meer opletten maar ergens van binnen moet ik lachen. Dit is best kicken. Stand! Het is alweer droog en ik plof neer op een behageld plat rotsje, mijn broek absorbeert het gretig. Terwijl Julian nakomt droogt de rots zichtbaar op en wordt weer een tintje lichter.

Verzorgd Regioweekend, d.w.z. ontbijt, lunch en diner is geheel verzorgd, enige  medewerking wordt natuurlijk wel verwacht….. Voor 22 hongerige buitensporters, wandelaars en klimmers worden enorme hoeveelheden klaargemaakt. Soep, hoofd- en nagerecht. Heerlijk, ik wil graag het recept van de soep weten.

Beetje duf nog de volgende morgen stuit ik op Julian:
“Moge ouwe klimmer………..”
Een paar uur later roept Mariska:
“Een hamburger voor degene die die route uitklimt!”
Erik heeft juist via een omweg een touw in een onmogelijk moeilijke route uitgehangen. Ik denk overmoedig:
“Die is voor mij”,
maar laat die gedachte snel varen. Ik zie hoeveel moeite de goeie klimmers ermee hebben. Tony haalt er zijn vinger open, Stefan verbindt hem. Waar zijn de vingerpleisters? We hebben teveel verbandmiddelen bij ons. Stefan klimt daarna een andere route voor; hij heeft bloed geproeft! Ook ik haal een vinger open en roep om vingerpleisters. Kleumend, zonder mogelijkheid tot schuilen wachten we tot een regenbuitje weggewaaid is. Mooi moment voor koffie. Daarna zon! En we klimmen lekker tot er een definitieve zwarte lucht aan komt. De aanstormende instructeurs die bezig waren met hun cursus reddingstechnieken zijn ook helemaal rot van het zware sjorren aan de prusiktouwtjes. Terwijl we inpakken, komt iemand de rots waar we net nog klommen afzetten met rode linten. Steenslaggevaar, ernaast, wat hoger ligt inderdaad een enorm blok. Dat ligt los. O….?

Hazeldonk. In La Place, waar we lekker eten alvorens Nederland in te rijden, bedenk ik:
“Shit, ik had een hamburger moeten bestellen”.

Naschrift: één week later verscheen er op Youtube een filmpje. Hierin is te zien hoe een Belgische ‘kuiser’ met een koevoet die bewuste rots loswrikt. Alles op zijn weg dalwaarts verwoestend stort het blok, zo groot als drie koelkasten naar beneden. Het blok waar Maarten zich aan optrok en waaronder Tony hem zekerde…….

 

Balade Nocturne

 

 Klimweekend Beez – juni 2010

Vrijdag 20.15 u.
We werpen een snelle blik naar links, bij het oversteken van de Maas. Ja, ze staan er nog, achter een sluier van miezerige regen; de rotsen van Beez. Afslag negentien, Spontin, het is gestopt met regenen, Yvoir, de brouwerij, linksaf, het café, Purnode, camping du Bocq. Ons plekje in het bos, aan de beek. Niemand. Hier is het droog en  stil. Kees en ik zetten onze tenten op. De geur van koffie en gras. Het geluid van de beek en de wind in het bos. Need I say more?

Zaterdag 08.00 u. Telefoon: “Wordt het nog wat vandaag?”
Dat vraagt Joke van de SGD, de Dordtse filmclub, ze zijn naar ons onderweg:
“Wij rijden in de regen, gaat het wel door?”
Ja, bij ons is het droog, onder een dreigende lucht. Net voor we weer de Maas oversteken begint het te regenen, dat wordt niets! Toch hijsen we ons even later in de gordels, het was maar een buitje. Alles wordt gefilmd, het aantrekken van je klimschoentjes, het voorklimmen en het naklimmen. Het rinkelen van de karabiners moet erbij. Ze filmen het abseilen en het pauzeren. Zoomen in op de bakkende, spetterende eieren met spek. Waar ze smakelijk van mee-eten, deze Jan en Joke. Ze maken opnamen voor de jubileumfilm, het vijftig–jarig bestaan van Regio Rivierenland. En ze zijn aanmerkelijk ouder dan vijftig, zitten plat op hun kont, eten een eitje mee, kijken, filmen en ook zij genieten; levenskunstenaars! Gekke hobby’s, de één filmt en een ander houdt van klimmen….

We zijn bij het massif du Centenaire, secteur Bananarama en doen bijvoorbeeld la Bibiche 4+. Direct na het vertrek van de filmcrew breekt een bui los. Rowan zit in La Caroline 5B en kan schuilen onder een overhang terwijl Elwin hem zekert vanuit een grotje. Waar wij alle spullen droog opbergen. We denken aan Tony en Larissa, ze zitten in Sans Nom 5B, maar ook zij komen later lachend beneden, daar was eveneens een overhang.

15.00 u. Bij Mozet is het weer droog. Tony doet de Steenbok, hij treedt toe tot de elite der Steenbokklimmers. We werpen een weemoedige blik om de hoek bij de Steenbokhut. De deur zit op slot met een groot hangslot. De kippen scharrelen nog precies als toen.

17.00 u. Vanaf de camping maken we een wandeling waar onze wandelgroep jaloers op zou zijn. Op zoek naar een klettersteig. Schitterende natuur, bos waar doorheen steeds een steile wand zichtbaar is. Is daar de klettersteig? Een enorme steengroeve. We lopen achterlangs, Pas d’accès, Vivaqua: een verboden toegang waterwingebied, wat we doorkruisen en zien dan achter een walletje een verticale wand onder ons. Een meertje in de diepte. Is hier de klettersteig? Hij blijft onvindbaar. Dan maar de kortste weg terug, over de spoorbaan, door de tunnels. Waar we net het treintje heen – maar volgens ons ook alweer terug hoorden rijden.

20.30 u. Op aandringen van de aardige campingbaas zien we in zijn kantine de WK; Nederland tegen Japan, in de herhaling dan, moeizaam winnen.

Zondag 08.30 u. Wordt het nog wat vandaag? We blijven langer liggen. De regen tikt al de hele nacht op het tentdak. Wel kunnen we droog ontbijten, maar de lucht voorspelt niet veel goeds. Toch gaan we even kijken. Bij het oversteken van de Maas regent het nu alweer. We lopen meteen door naar achter. Massif Junction. Hier zijn routes met de meest fantastische namen en nog mooier; ze zijn droog! Stefan houdt het touw vragend omhoog. Echt niet? Gisteren hield ik al de hele dag de boot af. OK dan, ik zal er ééntje voorklimmen, nou, nou: een 3+ zelfs, Balade Nocturne en een fisure cheminée! En we doen Eve Line 4 en Crocodile Dundee 4+ en A2 c’est mieux 5a. en Moi, je fais de la montagne 3. En wat te denken van Masculino ma non fanatico 6a.
“Laat ik eens gek doen, ik doe hem ook!”
Ik hoor gemompel onder me en ik denk:
“Ik doe iets niet goed, dit is geen 6a, dit is niet moeilijk, ik zit vast naast de route.”
Dat had ik beter voor me kunnen houden ……..

15.00 u. Met een prettig gevoel rijden we naar huis. Schoon en leeg in het hoofd. Een lekkere pijn in armen en benen, heerlijk geklommen. Het klimweekend was afgelast, er was geen Kliminstructeur beschikbaar. Dus gingen we maar op eigen gelegenheid. Kees en ik hebben geen klimjaarkaart. Wij klommen dus eigenlijk illegaal en konden worden weggestuurd. In Beez was het heel rustig, in Mozet helemaal niemand en we hebben geen controleur gezien. Ach, al waren we weggestuurd, dat was ook niet erg geweest. We waren er tussenuit, sliepen lekker in onze tentjes. Hebben gekletst en gelachen. Een klein groepje van verschillende leeftijden maar allemaal een stuk jonger. Absolute acceptatie onderling. We waren een weekend buiten. We hadden ook kunnen gaan wandelen. Of een terrasje met een biertje in Dinant kunnen doen. O, die mooie lange boulevard van Dinant, ik kan soms door een gevoel van heimwee overvallen worden……

 

nooit was ik in Bleau

Het gebied wat voor klimmers een begrip is; Fontainebleau.
En inmiddels voor veel NKBV-ers, landelijk, een vaststaand gegeven – met Hemelvaart gaan we boulderen in Bleau. Ieder jaar werden de verhalen van de deelnemers sterker, de groep werd steeds groter en de weekenden nóg gezelliger. Ook ik wilde mee.
“Ada, waarom ga je niet gezellig mee?” vroeg ik mijn vrouw.
Lang bleef het onzeker, tot er opeens twee nieuwe campingstoeltjes stonden, ze ging mee!

We vertrokken niet op woensdag in de file, maar donderdag heel vroeg. Om half drie al wandelden we met z’n tweetjes in de heerlijke tuinen van het kasteel, aangelegd in Engelse landschapsstijl. En die avond hielden we in een lichte regen stand, met z’n allen in een grote cirkel rond het kampvuur, al of niet beparapluut. De volgende ochtend verklaarde de chaos van blinkend natte groene flesjes in het gras mijn ietwat teruggelopen conditie. Er zat maar één ding op, flink ertegen aan. In een lange colonne van auto’s reden we door het uitgestrekte gebied naar sector Canche aux Merciers.

Boulderen. Het was even wennen. Ik miste een touwtje.  Moest een paar dingen doorkrijgen, het bewegwijzeringsysteem en de routewaardering – op kleur. De tweede boulder was al meteen niet fijn, op wrijving hoog door, het lukte! Gaandeweg kwam er meer lef en ging het steeds beter. Het was leuk! Tussendoor pikten we soms een anders gekleurde route mee. Bij het afklimmen was het handig even een aanwijzing te krijgen waar een voet te plaatsen. Ada, die op haar eentje mee wandelde kreeg gaandeweg meer gezelschap van moegestreden klimmers. Alleen al in deze sector waren een paar honderd mensen actief. Wat een drukte.  Maar ach, hoeveel massieven en tevens circuits zijn er niet. ’s Avonds dwaalde ik alleen door het doodstille dorpje Grez sur Loing, wat heel sfeervol is met zijn smalle straatjes, Romaanse kerkje en ruïne uit de twaalfde eeuw. Toen ik terugliep over de eeuwenoude brug sloeg de klok in de toren, één keer, om de stilte te benadrukken. De zon wierp een lange schaduw van de brug over de traag stromende rivier. Geluk; dat zijn kleine momenten.

De camping, gelegen op een eiland in de Loing is precies goed, de juiste dosering Franse nonchalance. Ook de omgeving is mooi, dat je er heerlijk kunt wandelen ontdekten we de volgende dag, de GR 13 loopt dóór het dorp. (GR 13 van Fontainebleau (Seine et Marne) tot Bourbon Lancy (Saone et Loire) En hier eveneens; rust en stilte op de velden, tussen de akkers en in de bossen. Tegen de avond, na de wandeltocht wilden we ook nog snel het alternatief voor een regendag bekijken; ‘Dagje Decatlon’. Noordwestelijk van het stadje Fontainebleau is een hele grote Carrefour, loop je daar opeens met 3000 man in een winkelcentrum. ’s Avonds laaiden de vlammen van het kampvuur weer hoog op, het voelde als een korte vakantie, om het stopwoord van het weekend te gebruiken…….. Bon!

6 Harde Route (vertical poetry)

Het moet anders, beter
en het gaat nu gebeuren
Als een luipaard zul je gaan
met vloeiende bewegingen
die vertraagd lijken, soepel
als olie
Sluipend op kousenvoeten
benader je de wand
Een laatste blik naar boven
een laatste spierstrekking
– die met de handpalmen tegen elkaar –
(als een hindoegroet)

Meteen uithangen naar rechts
diagonaal door naar links
rechts bijpakken
oplopen, doorpakken, grijpen
Vast
setje los
over het randje
dóór
links, rechts, rechts
Hup stáán
even schudden, eerst de ene hand
dan de andere, pof
Kijken, hoe zat het ook weer
oh ja die rare greep,
zo’n klein poffertjespannetje
Kom op
Ja in één keer goed
nu kruislings doorpakken

indraaien, de route buigt naar links
nu komt het moeilijkste stuk
twee niet echt fijne grepen
Béét
twee voeten los, zwaai door naar links
nu snel, klik los dat setje
Schwung! Twee benen terug
rechts, links
nog drie grepen
Bám! Een deuk in het plafond

Zo ongeveer moet het gaan
zo lukt het, in gedachten
net voordat je inslaapt
Nu nog – for real – in Pentagon
6B – je eerste – die blauwe………

 

Respect!
Niks te lezen in huis en in de bieb niets te vinden. Dan ‘De Witte Spin” van Heinrich Harrer maar weer uit de boekenkast mee om in de trein te lezen. Toch wel een of twee keer per jaar pak ik dat boek. Blader wat, staar naar een foto of lees lukraak her en der een huiveringwekkende passage over die eerste beklimmingen van de Eiger. Nu ook, ik zit onmiddellijk in het verhaal, hoor niet het geruis van de MP3 links of het geritsel van de Metro- en Spitskrantjes rechts. Het is absoluut geen vergelijk, maar; twee dagen geleden stopte ik mijn vingers in mijn mond om ze op te warmen. Een zondag in februari. Halverwege een vierdegraats route op de Vignoble – Sy. Alle gevoel in mijn vingers was verdwenen. De rots was steen- en steenkoud.  Hoe kon Bart dit voorklimmen? (respect) Even scheen de zon en een zuchtje wind deed de sneeuw van de bomen neerdwarrelen.

De Ourthe beneden gleed glanzend en geluidloos verder. Stilte. Ik hing achterover in mijn gordel en keek omhoog, Bart, tien meter hoger, keek naar beneden.
“Oh, man!” zei ik.
“Hier gaat het wel weer, in de zon”, antwoordde Bart.

De zaterdag ervoor in Les Awirs was het ook precies zoals het moet zijn, lekker koud, beetje guur zelfs. De lucht net zo grijs als de rots. De wandelaars van het weekend gingen langlaufen in de Hoge Venen, vlakbij. Daar lag een flink pak sneeuw. De klimmers Bram en Jorg kwamen terug van Face Nord, de andere kant van het massief, met een ijspegel van één meter lang. Zoals Face Nord nu in de winter, maar dan duizend keer uitvergroot, in mijn fantasie, zo moet de Eiger eruit zien.

We klommen een makkelijke route op La Dalle du Pied naar de Korakaram Highway. Een prachtige naam voor een traverse in de vorm van een klettersteig. Deze highway is slechts vijfentwintig meter lang, maar leuk om even te doen voor degene die nog nooit heeft geklettersteigd. De staalkabel eindigde, er waren geen stalen treden meer. We stapten over op rots, gingen de hoek om via een glibberig modderrandje en daar was nog een grote plaat; la Dalle Supérieure. Hier konden we kiezen uit zeven routes verder omhoog.

De route Demolition Squad 4+.
Uit de topo; Een stoere naam? Als je weet hoeveel ton steen er tijdens de opening in de naast gelegen sector La Tour naar beneden kwam, begrijp je het wel.

 We deden de twee – korte – touwlengtes, Bart klom voor, Jorg als laatste hield zijn gewone schoenen aan tegen de koude voeten. (respect) Mopperend op mezelf kwam ik boven, stijlloos geklommen, koukleum die ik ben. Toen waren we bovenop het massief, een groot plateau en we liepen naar Les Dalles Superposées voor de lange abseil naar beneden. Op het Relais, dertig meter onder ons oefenden onze vrienden de reddingstechnieken. Ze hoorden ons roepen en keken omhoog. Met het touw kon er weleens een steentje mee naar beneden komen. Ze verdachten ons ervan te zijn omgelopen, puur om hier ab te seilen. Pas toen ze begrepen dat we verderop echt omhoog waren geklommen, vonden ze het OK dat we daar gingen abseilen. Béétje respect graag……

 

 Waarom klimt de Mens?
Of; “Waar zijn we nu helemaal mee bezig?”

Die vraag overvalt me wel eens wanneer ik om me heen kijk in klimhal Pentagon. Aan alle wanden klimmers die verwoed pogingen doen zich omhoog te worstelen. Laten zich liever vallen dan dat ze anders gekleurd greepje pakken. Zijn ze eindelijk boven, laten ze zich onmiddellijk weer zakken. Vreemde bezigheid, of is het sport? Zo kun je bij meer activiteiten vraagtekens zetten.

Zag deze winter de Olympische winterspelen. Curling, lijkt me een heel leuke bezigheid. Leuk spel.

Het is een Olympische sport? Werd in ieder geval zeer lang geleden al beoefend. Of razendsnel in zo’n bobslee, spannend, dat is het zeker. Het is een vast onderdeel op de Olympische spelen.

Kennelijk een Olympische sport? Moet je bij klimmen ook een vraagteken zetten? Hoeveel curling-spelers zouden er zijn – wereldwijd? En bobbers?

De beweging, klimmen zit in de mens, althans in veel mensen. Sommige doen er iets mee. Waarom klimmen kinderen in bomen? Waarom klom ik in de gymzaal als een aap in die dikke klimtouwen? Alleen aan m’n handen? Waarom klommen wij in de hoogspanningsmast op het Scouting terrein? (zekeren – nog nooit van gehoord)

In de Oosterschelde staat een enorm betonnen gevaarte; De Pijler. Een indertijd door minister Neelie Smit Kroes wegbezuinigde pijler van de Oosterscheldekering – de doorlaatbare dam. Hij staat nog in de werkput waarin hij is gemaakt en waarvan de dijk werd doorgegraven zodat de pijlers varend op hun plaats werden gezet. Een doortastende Zeeuwse buitensporter – Pieter de Haas zag hierin een kans en maakte de pijler beklimbaar. Zo’n twintig klimmers van Rivierenland togen naar Zeeland, trokken zich met een kleine ponton naar de pijler en klommen via alle mogelijk routes tot bovenop. Waarom? Gadegeslagen door de passagiers van de regelmatig langsvarende rondvaartboot die zich het zelfde afvroegen.

Klimmen kan een avontuur zijn. Op een berg, boven. Alleen of met je vrienden, zonder publiek. Bergsport en sportklimmen. Sommigen klimmen binnen om te trainen voor buiten. Anderen hebben nog nooit buiten geklommen. Ze klimmen in een hal met of zonder publiek.

Buitenstaanders kijken er vreemd tegenaan, begrijpen het niet. De beoefenaars wéten. Hoeveel er in zit. Hoeveel techniek, kracht en inzicht. En naarmate het niveau toeneemt; training en toewijding. Zal met bobslee en curling ook wel zo zijn…………

Waarom is (sport)klimmen geen Olympische sport?

 

Toch Jammer
Zondag 21 november 2010:

Tout Dordrecht vergaapt zich aan de zojuist geopende sportboulevard. Het is een walhalla waar alle sporten beoefend kunnen worden. Van buiten ziet het er futuristisch uit, de ovale druppel van de ijsbaan waar op twee niveaus  geschaatst wordt. De koepel met glazen wand van het zwembad. Binnen is gekozen voor een rustige, haast chique kleurstelling. Met gladgepolijste betonnen muren, de deuren van een iets vergrijsd hout. Een royale entree met zitjes en loungebanken. Honderden mensen grijpen de kans aan om tijdens de open dagen alles te bekijken. En dat is veel, naast het schaatsen en zwemmen, zijn er ook zalen voor allerlei balsporten, turnen, gym, fitness, vechtsporten en zumba natuurlijk. Sporters met grote sporttassen, gezinnen met kleine kinderen, opa’s en oma’s, het krioelt gezellig door elkaar. De sportverenigingen presenteren zich met stands en demonstraties. Waar zijn wij? Vanachter een cappuccino zie ik de drukte, het gewoel en gewemel en denk aan onze klimmers. Die in alle rust en stilte en met mooi weer op dat moment in Hotton klimmen. Wij zijn weer totaal onzichtbaar. Wanneer de – in het allereerste stadium-  hier geplande klimhal daadwerkelijk gerealiseerd was, middenin in dit complex, wat zou dat anders zijn. Dan waren we in de picture! Kregen we meer nieuwe leden, meer jeugd? Toch jammer. Hoewel, aan de andere kant, je kunt het ook bekijken zoals, voorzitter Jos Mesman zegt:
“Ik vind het al druk genoeg in de bergen………”

 

Heisser September

“Weet je wel hoe hard ik snurk?”
vroeg mijn kamergenoot.
“Maakt mij niks uit, ik vind het wel rustgevend, slaapverwekkend”,
antwoordde ik.
“Ja maar, ik schijn echt héél erg hard te snurken!”

 Het was het jaarlijkse weekend voor de vrijwilligers, dit keer in de Aachner Hütte in Nideggen (D). Ik liet mijn slaapzak liggen en ging een drankje drinken. In het gezellige houten hutje waren wij, met een groep van vijftien de enige gasten. We reden hierheen in de stromende regen en ook voor morgen werd slecht weer voorspeld. Na enige discussie werd duidelijk wat iedereen zou gaan doen. De wandelaars Jos en Wim, gingen wandelen, dat was logisch. De rest was van plan te gaan mountainbiken. Met het oog op het weer haakten er enkelen af, ze gingen iets geheel nieuws doen, wandelen in de stad, in Düsseldorf! Shoppen! (dat schijnt heel vermoeiend te zijn) Ook op mij was druk uitgeoefend door Stefan om mee te gaan fietsen. Ik ging liever klimmen en Julian ook.

Zaterdag.
Beiden zijn we geen echte super voorklimmers. Soms denk ik: ik begin er gewoon helemaal niet meer aan. Zo ook dit weekend, in dit gebied, waar de eerste haak soms echt ver weg is. Het was stil in het bos, er was niemand. In een licht motregentje deden we twee routes, op de groenige rots van de Vogelwand. Terassenwändchen links en Terassenwändchen rechts. Het was makkelijk, toch moest ik me goed concentreren. Ik had zo vast geslapen; toen we onze slaapplek opzochten zag ik een leeg kamertje. Griste mijn tas en slaapzak mee. In vijf seconden was ik verhuisd en twintig seconden later lag ik erin. Moest hardop lachen, Haha! Een kamer voor mij alleen. Dat kon ik nog net bedenken voordat ik in een diepe slaap viel. Later die nacht toen ik er toch even uit moest, hoorde ik een donker gerommel uit één van de andere kamertjes – geruststellend. Ik hing het touw vanboven in, in de route ernaast, Heisser September 5+. En toen regende het. Hard. Wat verderop vonden een droge plek onder een grote overhang en gingen uitgebreid en langdurig aan de thee.

Aan het eind van die middag dwaalde ik eenzaam rond in het gebied bij de hut. Regen, beboste heuvels in herfstkleuren, witte vakwerkhuisjes van het dorpje Blens, de snelstromende Rur en niemand te zien, heerlijk! Tegen de avond vielen de diverse groepjes de hut weer binnen, glunderend, met napret en sommigen gehavend. Robert had een duikeling met de fiets gemaakt. De natgeregende wandelaars, de bemodderde mountainbikers en de voldane shoppers, ze hadden allemaal honger. De fantastische maaltijd die Julian had bereid, was in zeer korte tijd weer verdwenen. Achteraf was ik blij dat ik niet mee was gaan fietsen, ik was relatief droog gebleven, nog heel en niet zo moe.

Zondag
Ik werd als het ware gewekt door een heerlijke geur, die zich langzaam verspreidde in de donkerte. Waar was ik? Vreemd, gestommel op de gang?
“Moge Gerard!”
Dat was Maarten, die pas zaterdagavond was gekomen en het bed naast mij had gekozen. De gebruikelijke eieren met spek bij het ontbijt dwongen me onmiddellijk terug in de werkelijkheid. Het uitzicht vanuit de hut was weids te noemen en de lucht erboven veelbelovend. Van een teer en heel licht ochtendblauw. Ah, dit werd een heerlijke dag! Het was nu nog mooier in het natte herfstbos, de lage zon prikte voorzichtig door de bomen. Het tegenlicht gaf de verkleurende bladeren een warme gloed. Het contrasteerde heel mooi met het oude vuile bruin van de rotsmassieven. Vol ontzag keken we naar de overhangende routes van de Affenfelsen en wat verderop de Zitrone 6+/ 7-. We deden voorzichtig wat routes op de Aussichtswarte, langzaam werd de rots droger. De zon kwam hoger en daar waar hij om de hoek van een massief scheen ontstond kort een mistige damp, hoe vochtig het was! Elwin en Toni deden een spectaculaire route. Goldfinger 6+, die had ik ook wel willen doen, maar ja……… En ik herinnerde me weer die galmende, kippenvel veroorzakende tune in klimhal Klimax, Puurs, tijdens de worldcup “Goldfinger”.

“Goldfinger
He’s the man, the man with the mighty touch
A spider’s touch
Such a cold finger……..”

Een paar meter ernaast klom Rowan met ogenschijnlijk gemak de route  Dr No 7-. Ook al zo’n mooie titel voor een verhaaltje. Later die middag troffen we elkaar waar wij gisteren begonnen waren en besloten het weekend met de route met die mooie naam – Heisser September. Zoals Erik het noemde:
“Nog ééntje dan, om het af te leren?”

 

 Ik Zit Op Klimmen
VVA vergadering in Zeist

Zelfs wij, Jos en ik, raken even in de war wanneer we worden opgewacht door mannen in gele hesjes van de KNVB. Oh nee, die zijn niet van ons, van de NKBV……. De vorige keer was het in de Johan Cruijff zaal, nu zitten we in de Faas Wilkes zaal.

Op het uitgestrekte terrein van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, in de bossen van Zeist, ontmoeten zo’n 65 afgevaardigden van alle regio’s, studentenklimverenigingen en andere secties van de NKBV elkaar.

Alvorens te beginnen wordt in een kort moment van stilte Ronald Naar herdacht. Dan worden enkele hoogtepunten van het afgelopen jaar genoemd, waaronder die van Jorg Verhoeven met zijn recente beklimming in Wales, ‘Strawberries’ 7c onsight. Slechts één keer eerder is deze route beklommen; een bijzondere prestatie van Jorg.

En weer een Nederlander, René Bergsma beklom de Mount Everest en daarmee zijn laatste van het rijtje Seven Summits. Dan begint de vergadering pas echt, de VVA, de Vergadering Van Afgevaardigden. De NKBV is een vereniging. Over echte besluiten, koersveranderingen wordt via deze vergadering de mening van de leden gepolst. Die kunnen hun zegje doen, commentaar en kritiek leveren. Soms ook komen er punten naar boven waar het bestuur of een desbetreffende commissie dan niet aan had gedacht. Soms moet je stemmen, zwaaien met je stemkaart. Dat doe je dus namens de leden van Rivierenland. Letterlijk alles komt aan de orde. Niet alleen het beheer van bijvoorbeeld de Tukhut, waarvan het teruglopend aantal bezoekers zorgen baart. En er dus een discussie is, moet die wel of juist niet worden gemoderniseerd? Maar ook zaken als het milieu in klimgebieden en bergen, de ondersteuning van topsporters, de bijscholing van het kader worden besproken. De enorme organisatie die schuilt achter de bergsportreizen. Hoe gaat het met de contacten met klimhallen en de invoering van klimvaardigheidsbewijzen.

Er staan steeds mensen op, die bijvoorbeeld het meerjarenbeleidplan heel scherp gelezen hebben, met kritiek of aandachtspunten. Een aristocratische figuur, die me sterk doet denken aan de Britse bergbeklimmer Chris Bonnington, ook met grijze baard en ruitjeshemd, stelt op humoristische manier enkele punten aan de orde. Hij begrijpt tenminste de in notaristaal geschreven nieuw in te voeren statuten over de tuchtcommissie. Ook een jonge vrouw die met witte laptop op schoot alles aandachtig volgt, staat regelmatig achter de interruptiemicrofoon. Tussen de verschillende agendapunten door worden korte filmpjes vertoond. Even op adem komen. We krijgen een filmpje over een skirun, een wedstrijd ergens hoog in Scandinavië. Er wordt uitgelegd: duizend deelnemers beklimmen zo snel mogelijk, op ski’s een helling om die vervolgens ook weer zo snel mogelijk af te skiën.
“Zinloos……”
klinkt vanachter uit de zaal. Een lachsalvo volgt en de voorzitter, Frits Vrijlandt reageert lachend, “Haha, net als bergbeklimmen……”

Na de lunch in weer een ander gebouw – toevallig aan tafel met die andere Seven Summitter: Frits Vrijlandt – horen we dat er weer een ledengroei is. Na jarenlange terugloop, zijn er nu weer 160 leden bij gekomen. De jaarrekening wordt besproken, interessant voor hen die van cijfers houden. Hoe staan we ervoor? Hoeveel geld gaat er naar de ondersteuning van expedities, wat gaat het kosten? En er gaat geld naar de Mischabelhut, die wij gaan helpen met verbetering van de water – en stroomvoorziening.

De NKBV stelt zich ten doel takken van sport zoals speleo, canyoning, mountainbiking en trialrunning ook in te lijven. Een soort van overkoepelende organisatie te worden. De vraag is, moet hiervoor ook weer een aparte veiligheidscommissie in het leven worden geroepen? Tot slot volgt de bespreking van de Nieuwe Verenigingstructuur. Een waarheen – waarvoor plan. Het doel is onder meer klimmers uit de klimhal aan zich te binden. Groei te verwezenlijken. Meer clubgevoel te creeëren. Het is mij uit het hart gegrepen. De bijbehorende slogan blijft in mijn kop rondzingen wanneer Jos en ik in de stromende regen onze auto opzoeken:
IK ZIT OP KLIMMEN.

 

Annie

Is hier een nieuwe trend aan het ontstaan?
Is er al sprake van een zekere vorm van legendevorming?
Wordt Annie de nieuwe Steenbok?
(La Fissure Annie, 5c)

Tijdens een wonderlijk weekend in de herfst – met lichte vorst in de nacht en strakblauwe lucht overdag – klommen de vrijwilligers van Rivierenland allen deze route.

Alweer enkele jaren geleden werd in een historisch klimweekend de Fissure gedaan. Eén en ander zorgde voor wat beroering binnen de klimgroep. Een voorklimval, de omstandigheden: nattigheid en vooral de hilarische napret zorgden ervoor dat de naam van deze route in het geheugen bleef hangen.

In de jaren dat de beroemde Steenbokhut als uitvalsbasis werd gebruikt klom men vaak een dag in het naburige gebied Mozet. Daar bevond zich de route Steenbok. Iedereen moest eraan geloven. Dát was de route, die moest je gedaan hebben. Dan telde je mee.: heb jij de Steenbok weleens gedaan? De clou: staand bovenop een vrijstaand rotsje, ter grootte van een A4-tje moet je je voorover laten vallen naar de wand ernaast, overstappen en daar nog een paar meter verder klimmen tot de standplaats. Nu was de rots droog, misschien ’s ochtends vroeg nog een beetje koud. De één na de ander klom de klassieker van Hotton; Fissure Annie. Ook ik kon niet achterblijven. Het kostte me moeite. De laatste meters hadden weinig met klimmen te maken, stijlloos geworstel. En dat, terwijl ik hem al eens gedaan had, toen, met Maarten. Even dacht ik aan opgeven. De gedachte aan nog langer geleden – ooit in winterse omstandigheden klom ik de onderste helft voor – deed me doorgaan. Voor alle duidelijkheid; er zijn meer routes geklommen dat weekend. In alle gradaties, makkelijk, moeilijk en zelfs zeer moeilijk. Er is gewandeld en gemountainbiked. Er is gepraat, gelachen en Jupiler gedronken. Die ene route kwam weleens voorbij.

Dit jaar abseilde een groot gedeelte van de actieve klimmers van hoge gebouwen in de stad Dordrecht – zwart geschminkt. Het was een serieuze regio activiteit. En zeker ook een uitdaging, zo voor het oog van de camera’s en het veelkoppig publiek beneden. In Hotton is het een stuk stiller.

Annie, een leuke naam, maar wel één met een reputatie. Annie, geen sprookje maar keiharde rots. Hier ligt een uitnodiging voor Rivierenland klimmers, voor hen die hem nog niet deden. Wordt deze route van toch slechts vijfentwintig meter een legende? Ben jij al be-Anniet?

La Fissure Annie, 5c
Massief Renissart – Hotton. (Fissure = (v) spleet / barst )

 

Kent u die uitdrukking?
Maandag; wasdag, kent u die uitdrukking?  Ik wel en ik begin erin te geloven ook. Het is namelijk op maandag altijd mooi weer. Dat valt des te meer op wanneer het ‘s zondags daarvoor slecht weer was. En nog duidelijker is dat wanneer je ‘uitgeregend’ bent, als je op die zondag niet kon doen wat je wilde. Zoals bijvoorbeeld klimmen. En dan al voor de zoveelste keer; zo heb ik nog nooit zaterdags én ook zondags geklommen. En ook bij het klimweekend in Freyr van eind juni was dit weer het geval. Altijd geklommen op koude rotsen, in het voor – of najaar. In het clubblad Relais werden verschillende klimweekenden in de zomer aangekondigd. Toen ik dit – ogenschijnlijk – terloops aan mijn vrouw meldde, reageerde zij echter enthousiast:
“Gáán, gáán!”.

Dat liet ik mij geen twee keer zeggen. Há, eens een keer aan warme rotsen voelen, dat leek me wel wat. En ondertussen een beetje bruin bakken onderaan die rotsen, in plaats van huiverend wachten op je volgende klimbeurt. Het voorafgaande weekend was het zinderend heet en uit de toegestuurde gegevens bleek het dorpje waarbij gekampeerd zou worden ‘Riviere’ te heten; dat begon goed. Een grappig Belgisch routekaartje was bijgesloten, waar in tegenstelling tot de werkelijkheid het dorpje zich onder Dinant bevond. Maar misschien ben ik wel dwars, door altijd de bovenkant van een plattegrondje als het noorden te willen beschouwen. Eigenlijk was dat hier ook het geval. Alleen de namen stonden ondersteboven…….

We waren met een klein clubje; tien,  waarvan acht klimmers. De camping was ook klein, maar Belgisch. Het weer was somber en ’s nachts regende het behoorlijk. Zaterdagmorgen stonden Jaap en ik vroeg op. Keken bezorgd naar de lucht en hadden erg veel zin, stonden eigenlijk te trappelen. Lon en zijn dochter Carlijn ook, met Lon heb ik jaren geleden tijdens een bergsportkamp een topje met een heel vies kruis beklommen. Pointe de Veliére in de Vanoise; honderden vliegen op de top. Nu gingen we niet naar Freyr, maar naar een ander klimgebied, tamelijk dichtbij de camping, genaamd; Le Paradoux. Dit is een tijd gesloten geweest en er is (nu nog) geen klimkaart voor nodig. Parkeren kun je bijna onder de rotsen, alleen moet je een stukje terug lopen voor het tunneltje om onder de spoorlijn door te komen. Ik vond het er wel prettig klimmen, behoorlijk ruw en zeker niet zo afgeklommen als Freyr. De eerste route was makkelijk. Een wat achterover liggende wand die eindigt in een losse tand waarvan we aan de achterkant abseilden. Ernaast zijn een paar gladde platen die zich ideaal zouden lenen voor klimmen op wrijving als ze tenminste iets minder steil zouden zijn. Rechts daarvan is een prachtige route die over de hele lengte een bepaalde hoek heeft waardoor je eenvoudig met tegendruk naar boven ‘wandelt’. Ziet er spectaculair uit en is het ook! Arend Jan klom deze route voor; vrolijke deuntjes fluitend, Piet deed het ook, had wat te weinig setjes bij zich en sloeg dus maar wat haken over.

Ook Marianne klom deze route voor, maar ze deed er wat langer over. De eerste keer dat ik in de klimhal klom kreeg ik instructie van Marianne. Ook nu, Jaap en ik klommen met haar, was zij de routinier, degene met ervaring. Grappig was wel dit; zij had al een tijd niet geklommen en Jaap en ik waren aardig in vorm. Helaas kluns ik nog steeds een beetje met stand maken, langzaam begin ik het te begrijpen. In het najaar is er die cursus voorklimmen……. Ondanks dat het tijdens het koken, eten en natafelen steeds even regende en we steeds onze tentjes indoken kon dat de pret niet drukken. Het vooruitzicht straks weer een nachtje lekker in de nieuwe slaapzak dwars in de tent met de regen roffelend op het dak door te brengen! (biertje erbij)  Als het morgen dan maar droog is……..

Op zondag regent het altijd in de Ardennen dus gingen we winkelen in Dinant en rotsen, die van Dave bekijken. We reden vroeg naar huis en inderdaad, toen ik maandag weer aan het werk was en ik toevallig (heel even) naar buiten keek, toen scheen de zon.

 

Klettergarten Nordeiffel
Klim / wandelweekend in Nideggen of Ibbenburen.

Die namen kwam ik al tegen in het clubblad Relais toen ik nog niet klom. Niemals da gewesen!  Altijd al nieuwsgierig naar geweest. De Eiffel, hoe zou dat er uit zien? De laatste tijd gingen de weekenden meestal naar België. Nu dan eind maart naar Nideggen. Wat ik er van las op internet beloofde echter niet veel goeds; routes die door de Gemeinde waren abgeflext! Felssperrungen!
En dat het gebied tot de Top Tien van de absurdesten Kletterverbote Deutschlands behoort!
Naturschlusverordnungen etc…………………..

Een groep van zeventien klimmers liet de auto’s achter bij de stadspoort uit 1300 en toen ik de eerste rotsen tussen de bomen in de verte zag oprijzen dacht ik;
“Dat kunnen ze nog niet zijn, die zijn niet schoongemaakt”.

Achteraf had ik het al kunnen weten. Zoals in de Ardennen de huizen vaak dezelfde kleur als de rotsen hebben, zo is dat hier natuurlijk ook. Ik moest even wennen aan die kleur. Vuilig donkerbruin. Ook het klimmen was even wennen. Heel anders, de wanden bestrooid met kiezels, groot en klein of juist met gaten waar ooit kiezels zaten. Soms zijn er horizontale banden tussendoor waar de kiezels ontbreken en waar weinig greepjes zijn. Nadat Jaap en Jan allebei ogenschijnlijk makkelijk een route hadden voorgeklommen was het mijn beurt. Ik had zoveel moeite met de eerste meters dat ik een geestelijk knakje kreeg en een beetje zenuwachtig werd. Uiteindelijk belandde ik toch op een brede richel. De bedoeling van deze route was om een meter of tien naar links te traverseren en dan een paar meter licht overhangend klimmen tot de tophaak, een zogenaamd ‘ezelsoor’. Ik zag het door mijn slechte begin niet zitten en liet me zakken met achterlating van een karabiner. Vertrouwde erop dat m’n klimpartners die wel zouden meenemen. Dat ‘knakje’ werkte de hele dag door en ik beperkte me tot naklimmen.

We hadden, gezien de weervoorspellingen, op slecht weer gerekend. Oké, het was fris maar droog en ‘s middags scheen zelfs af en toe de zon en was het bijna lekker weer. De laatste route van de dag gaf me de kick waarnaar ik zocht. Ik klom voor, tot de eerste haak, door naar de tweede, toen een stukje niks, nog een stuk, weer een stukje, werkte me op een plateautje, reikte ver naar de haak rechts, klak! en hup, touw erin. Stapte van het plateau op een paar kleine kiezelsteentjes. Dit stuk was weer zo’n bijna gladde band. Snel verder en legde het touw in dat gekke – voor mij nieuw – ezelsoor. Beneden me hoorde ik zacht goedkeurend gemompel. Yes! hé, hé, gelukkig, toch nog iets gedáán. Dit maakte mijn dag goed.

Van de eerste aanblik van de Aachner Hütte kreeg ik ook een warm gevoel. Wij waren niet vrijdagavond vetrokken maar heel vroeg die zaterdagochtend. (en arriveerden vijf minuten eerder dan de groep bij de Tankstelle om een Kletterticket te kopen ) In het dorpje Blens, waar de hut staat, geen vuilbruine huizen maar gemütliche witte vakwerkhuisjes. De hut was van hout, zwartgeteerd en van hoog padvinderijgehalte en dan bedoel ik dat positief! Hier ontmoetten we de wandelaars van dat weekend. Omdat de meesten snel weer vertrokken om ergens te gaan dineren, konden de echte smulpapen zich in alle rust wijden aan hun instantmaaltijd.  Ik nam het er eens goed van en trakteerde me op een heel blik Smac!

Die avond deden wij ons best om geen bierblikjes weer mee terug naar huis te moeten nemen. Toen ik ‘s nachts even wakker werd hoorde ik hoe iemand in zijn droom een moeilijke klimpassage overdeed. Wat angstig gehijg, een luide kreun en tandengeknars. De volgende morgen werd me verteld dat het ‘s nachts stevig geregend had en daar had ik niets van gemerkt!

Mijn ervaring is dat het in België op zondag altijd slecht weer is. In Duitsland is dat minder. Het was daar wel koud, maar nog steeds droog. Jaap en ik gingen nu als duo de rotsen te lijf. Maar het viel niet mee routes te vinden die enigszins te doen waren. Te moeilijk, te glad of soms zat de eerste haak wel vijf meter hoog. Ook waren er routes die gewoon alleen maar een tophaak hadden. Voorklimmen; ik ben er niet meer aan begonnen die dag. Jaap had er geen problemen mee, hij probeert het gewoon.  Eén keer viel hij er flink uit en lanceerde mij van mijn zekeringsplaats tegen een boom. De zon scheen nog een uurtje een beetje waterig. We klommen gezellig met z’n allen bij elkaar in de buurt; deden wat topropes. Later oefenden Jaap en ik op de brede richel van gisteren het maken van een standplaats nog maar eens. We bleven daar een poos zitten. Overzagen het leuke dalletje wat zich nu langzaam vulde met mist en zeiden;
“Goh, wie had dat gedacht, dat we dit nog eens zelfstandig zouden kunnen doen!

 In het cafeetje met de ongelooflijk nette gordijntjes en de niet te geloven grote gebakjes dronken klimmers en wandelaars iets lekkers. Buiten begon het zachtjes harder te regenen. En even later reden we met een aangename moeheid in armen en benen naar huis.

 

Tobben met touw

 

(tobben met tekst)

Topo Beez – secteur La Liedekerke
Het linkergedeelte biedt een grote diversiteit aan routes met veel fysieke inspanning. Dat aan de rechterkant laat plaats aan wat minder steilte, zoals de beroemde Liedekerke. Dit laatste stuk van het vlak is een lijn die zowel logisch is als elegant.

Zaterdagavond 00.30u.
Alweer mee pien in de pote op de bank. De fles wijn naast me op de grond is leeg, het pak kroepoek ook, het kreukelt zich langzaam weer uit. Bijna alle routes op Da Vinci geklommen vandaag, wat een verrukkelijke loomheid teweegbrengt. In de keuken ligt het touw nog, ik ruik het. Op tv een documentaire over Jimi Hendrix, dan een best goeie show van Ruth Jacott met klassiekers van o.a. The Supremes, Billie Holiday en dan De Zwarte lijst, jazz, blues and soul. Allemaal ouwe muziek met zoete herinneringen. En al deze componenten samen zorgen voor een aangename toestand in de geest.

“Voel ik daar een verhaaltje op komen?”
zei ik een week geleden op de terugweg van een klimdag in Beez (B). Over het tobben met het touw. Het was steeds verder in de knoop geraakt. Nadat Rowan en ik allebei al een route deden stonden Eva en Maarten nog te ontwarren. Aan het eind van de dag bleek zelfs tachtig meter touw nog te kort. Toch daalden we allevier er mee af. Eva als eerste, haalde de kopen eruit, gleed verder en landde op haar voeten terwijl het touw terugverend uit het achtje sprong. Toch kwam niets in me op, het scherm bleef leeg. In een poging iets – inspiratie? – op te wekken schreef ik alle namen op van de routes die we deden. Zelfs vertaalde ik een stukje over de sector Liedekerke. Het lukte niet en ik bracht de geleende topo terug naar Jan. Nu, languit op de bank speelt die vraag van Eva toch weer door mijn hoofd, ergens vaag achterin, getriggerd nu door een vraag op Facebook;  “waar blijft die blog? “ Opeens heb ik het, maar mijn kladbriefje ligt al in de papiercontainer. Ik krabbel razendsnel een papiertje vol. Nu niet, morgen verder!

Opeens was er die oproep: wie heeft er zin? Klimmen in Beez met:
Eva Vos
Van Son
Rowan
Kort, krachtig en duidelijk.

We deden acht routes, in totaal meer dan 200 meter omhoog. Over routes met klinkende namen. Die vragen oproepen, althans bij mij, waarom heten ze zo, betekent het nog iets? Na vruchteloos graaien in de papiercontainer zet ik hem op zijn kop, op zoek naar het lijstje met de namen. En ik héb het!
La Gouden Carolus 4+
La Liedekerke 3 / 5a
L’emporte Piece 5a+
Confortably numb 4
Time 4+
Money 4
Peku 5B
Shine on you Crazy Diamond 4

Zo makkelijk als ik het eerste stuk tot het relais voorklom van La Liederkerke, zoveel moeite kostte het me om tot de tophaak na te klimmen. De volgende route was nog lastiger, Maarten zekerde Eva na in de route ernaast, keek op me neer me en zei:
“Vind je het nog leuk Gerard?”
Toch wel, heerlijk.

Al minstens een jaar geleden spraken we af, we gaan naar Da Vinci. Steeds lukte het niet, het hek was op slot, het regende. Tot gisteren, ik had de sleutel van het hek en het was droog! En net als in Beez een week eerder, ook hier was niemand. Jürgen kraaide van plezier. Hij klimt al jaren, maar hier was hij nog nooit geweest. Moest even wennen aan de routes en de structuur, maar vond het geweldig. De Da Vinci muur is nog steeds niet gesloopt, sterker nog, hij staat recht overeind en de haken zijn in prima conditie. Volgde ik in Beez slaafs als naklimmer wat Rowan voorklom, durfde alleen een drietje voor te klimmen, hier voelde ik me zeker. Deed ook de schoorsteen, maar dan met maar één wand – zonder de zijkanten! Samen met Jürgen Groenenboom op de muur van Leonardo Da Vinci. Heel anders. Wéér goed.

 

Fout fout fout! 

 

Er was een klimmer die een boek las. Een boek over veiligheid en risico in de bergsport, geschreven door Pit Schubert. De klimmer dacht na over de vele dingen die fout konden gaan. En de fouten die soms niet in het boek stonden maar die hij zich wel kon voorstellen. De fouten, die de klimmer ooit zelf beging. Zoals die keer toen hij over de rand stapte, bovenop Monte Cervino. En hij daar ontdekte dat zijn abseilacht nu, door het omdraaien verkeerd om zat. En hij zijn schroefkarabiner opendraaide, zich even ophees aan de rand en razendsnel zijn acht uit de karabiner haalde, omkeerde en de karabiner weer dichtschroefde. Dit alles op 30 meter boven de grindbak om de klimtoren. Dat was fout, helemaal fout. Een fout die hij doelbewust maakte.

Verder terug dacht de klimmer. Aan die keer dat hij op een kleine standplaats ergens in Freyr zich per ongeluk had uitgebonden, één van de eerste keren dat hij buiten klom. Tien seconden maar stond hij helemaal los en de standplaats was klein en hoog boven de grond. En dan die keer in Hotton, toen hij bovenop de rots gezeten, het touw uit zijn handen had laten glippen. Omdat zijn klimpartner dacht dat hij het touw vasthad terwijl hij dacht dat zijn klimpartner….. Foutje.  Ze hadden naar beneden geroepen:
“Nee, we abseilen niet, we lopen even om”.

De grootste stommiteit maakte de klimmer in de bergen. Onverwacht was daar die gletsjer. Die afgedaald moest worden. Zijn stijgijzers lagen nog op het bed in de hut. Zijn maten waren al vertrokken, niet meer aan te roepen. Gelukkig lagen er veel stenen op de niet al te steile, wel nagenoeg apere gletscher. Met het schaamrood op de kaken herinnerde de klimmer zich meer: op aanraden van de klimmers beneden gooide hij eens een touw naar beneden. Niet zoals de bedoeling was, los. Opgeschoten en als een kanonskogel was het tussen de klimmers geploft. Wel had hij eerst geroepen: ”Touw!” Oeps……

De klimmer seilde ab, net iets te ver. Hij was al voorbij de standplaats gezakt. Hier hing het tweede touw, keurig voorbereid, voor de laatste dertig meter tot de grond. Om stand te maken moest hij terug naar boven. Kreeg zijn prusikknoopje niet los, zijn schlinge was te lang, kon niet bij de standplaats komen. Gooide tenslotte het touw maar uit zijn achtje, om het tweede touw erin te kunnen doen – nadat hij ‘stand’ had gemaakt met het prusiktouwtje aan zijn beenlus.

Ooit klom hij voor in Freyr. Met grote snelheid en vrijwel nergens een tussenzekering leggend. Vrijwel het hele touw uitklimmend…. Fout! Ook had hij eens, terwijl zijn zekeraar dertig meter lager zat en onzichtbaar voor hem, na een behoorlijke traverse de laatste acht meter, 6a voorgeklommen, tot de standplaats bovenop. Het is gebeurd dat de klimmer zijn gordel nog aan het aansnoeren was en hij opkeek en zag dat zijn voorklimmer al tien meter hoog in de rots was. En dat die juist het touw in de tweede haak klikte.

Volgens het boek over veiligheid en risico dat de klimmer las,
is topropen niets anders dan gecastreerd klimmen…
De prikkeling van het valrisico ontbreekt, evenals het genot van het voorklimmen.

De klimmer herkende dit niet, juist het naklimmen gaf hem dat gevoel van vrijheid, het ontbreken van angst gaf hem juist vleugels, de moed om fraaie bewegingen uit te voeren.

 

Het rituele zagen

Noem het voorpret – noem het gedegen voorbereiding. Het pakken alvorens te vertrekken, ook wel grammenjagen genoemd. Zo weinig mogelijk meenemen en alles ook zo licht mogelijk. Bergsporters die er met de rugzak op uit trekken zullen dit herkennen. Met hoe weinig T shirts kan het, onderbroeken tellen. Een heel erg klein flesje vullen met shampoo / zeep, hetzelfde doen met zonnebrandspul en natuurlijk de tandenborstel afzagen. Wanneer je het heel sterk doorvoert scheelt het uiteindelijk kilo’s.

Een bergtocht van een week, al lang van te voren begin ik de spullen te verzamelen. Wegen doe ik nu niet meer, ik heb mijn vaste lijstjes. Vroeger wel, alles werd gewogen op zoek naar het lichtste. Mijn allereerste tocht was heel verhelderend. Van alles ging in die hele grote rugZAK – draagcomfort nul – een bijl, een transistorradio; opgezwollen schouders! Topografische  kaarten kopen, de route bestuderen, het zijn welhaast rituelen. En daarbij hoort ook zeker weloverwogen de rugzak inpakken.

Eens voor aanvang van een tocht werd het eten uitgedeeld, ieder kreeg een zelfde afgewogen hoeveelheid. Zat er in ieder zakje ook een complete rol wc papier. Die ging dus linea recta terug het busje in. Ik tél ze bijna, bij wijze van spreken, de velletjes en dan zónder kokertje. Met sokken moet je niet te zuinig zijn, maar toch; regelmatig wisselen kan weer een paar schelen. Na twee mooi weer tochten dacht ik m’n handschoenen thuis te kunnen laten. Dat heb ik geweten, bij gebrek aan beter moest ik een paar sokken aantrekken – schone- om mijn handen nog enigszins op temperatuur te houden. Ook wil ik altijd pen en papier meenemen; papier  = twee A-viertjes. Mijn Eega betrapte me toen ik stond te wegen welke pen het lichtste was:
“Gaat het nog wel goed met je?”

Naarmate de stapel spullen groeit wordt het hoofd al lichter. Steeds vaker droom ik weg, kijk nog eens op de kaart en stel me de bergen van het uitverkoren gebied voor. Ik ben al minder hier en meer dáár. Zijden lakenzak, mini handdoekje, mini EHBO-tasje met 1 aspirine om de eerste-dag-hoofdpijn te verzachten. Reserve broek; een plastic trainingsbroek, ’t is niet te wegen. Bord, mok en wegwerpbestek, dat weegt ook níets. Alleen de bivakzak, die zou lichter kunnen; het is een tweepersoons en vrij zwaar. En de regenbroek, als dat een lichtgewicht werd, dat zou nog schelen, maar ja dat scheelt weer in de portemonnee. Het zakmes is ook zwaar, maar dat heeft emotionele waarde. Binnenkort ga ik weer, het lijkt een chaos daar in de hoek van de slaapkamer. Maar het klopt precies. Tot op de gram. Mijn Vlissingse zwager zei; “Heb je je tandenborstel al afgezaogd?”

 

Sfeervol ontlasten aan de Ourthe

 

Is bovenstaand een toeristische tip, de titel van een roman of typerend voor
‘Het Vrijwilligers Weekend in de Ardennen?’

Dat weekend van Rivierenland: je maakt wat mee, je overnacht in de eigen hut van de NKBV, de Tukhut, gelegen aan het eind van België. Sy, idyllisch gelegen aan de Ourthe. Als waardering voor al je inspanningen voor de club mag je mee. Je stapt de hut en een andere wereld binnen. Aan de bar wordt een enkele versnapering genuttigd en je probeert een nog sterker verhaal te vertellen. Je doet een oogje dicht op de romantische slaapzaal. Voor alle menselijke geluiden sluit je je af. Na een verkwikkend ontbijt van eieren met spek, weggespoeld met koffie van het merk Tectyl splitst het gezelschap zich op. Niet nadat de kok met Zuid-Afrikaanse roots ieder persoonlijk een padkost* heeft aangereikt. De groep Woudlopers trekt uiteraard de wouden in. De groep Durfals doet dat per Mountainbike. Persoonlijk meld je je bij de Rochers des Vignobles, een afwijzend rotsmassief. De zon tovert met schaduwplekken over het pad en de oplichtende Ourthe. De koffie doet zijn werk en de een na de ander verdwijnt in het struweel. Om vandaar gehurkt het uitzicht over de vreedzaam stromende rivier te bewonderen. Enkelen met weinig verantwoordelijkheidsbesef hangen touwen uit in routes met namen als La Lulu 4 en Diédre Maillieux 4+ . Naklimmen is niet makkelijk en je dringt niet verder aan: het is Vrijwilligersweekend. Meer koffie! Met de l’Arréte 5- herwin je je zelfvertrouwen. Dan wordt je gedwongen de Cristobelle 5a+ te doen. Net als je begonnen bent,verzamelt zich een groep wandelende studenten op het pad. Ze zijn verbaasd over je moed, begrijpen niet hoe het mogelijk is en vragen zich af of het touw wel goed vast zit boven. Wanhopig kleef je aan de wand, een relaxte blik op je gezicht bewarend. De herfstzon brandt laag in je nek. De minuscule grepen maken zich onzichtbaar. Je voeten glijden langzaam weg en kramp komt op in je linkerbeen. De groep loopt door, op weg naar het station in Sy.
“Zijn ze weg?”
“Ja!”
“Blok!”

Je maat wil nog meer en begint aan de Finishing Touch 4b en test jouw zekeringcapaciteiten met een spectaculaire voorklimval. De kliminstructeur van dienst mag optreden als reddende engel: de standplaats op de top is wat lastig abseilbaar te maken.

Die avond scheppen we op en we scheppen nog eens op. Twee jaar lang wist onze kok het recept van zijn soep geheim te houden. Zo rot zijn koffie is, zo heerlijk kan hij koken. Nu maakt hij het recept openbaar.
Linzensoep (voor 20 personen)
4 uien
2 teentjes knoflook
olie (zonnebloem ofzo, geen olijfolie)
1 kg. rode linzen
kurkuma (10 gr.)
gemalen komijn (10 gr.)
gemalen koriander (10 gr.)
bouillonblokjes voor 5 liter (kip of groente)
3 blikken gepelde tomaten (de tomaten liefst in stukjes)

Snipper de ui en fruit deze in de olie (niet te zuinig met de olie)
als de uien doorzichtig zijn voeg de geplette knoflook en de kruiden toe
voeg de rode linzen en de 5 l. kokend water toe
laat zachtjes koken tot de linzen gaar zijn ( +/- 20 min.)
voeg de gepelde tomaten en hun sap toe (snij de tomaten ev. In kleine stukken)
laat het nog 5 min. Koken

ga er met de staafmixer doorheen
voeg ev. nog zout toe
opdienen met volle yoghurt erbij en eet smakelijk!

Na een kort voorzitterswoord nemen we een minuut stilte in acht en herdenken Jos Mesman. Onverbrekelijk als zij verbonden was met onze club, deze hut en onder meer dit Vrijwilligersweekend. Anekdotes worden opgehaald en indachtig zoals zij het ongetwijfeld had gewild, vult, na enige tijd op respectvolle wijze, daarna het Rivierenlandgeroezemoes de Tukhut.

De Woudlopers moesten worden gered, per auto om op tijd terug te zijn voor het diner. De trein van het naburige Bomal of Barvaux, ik ben het spoor bijster, had twee uur vertraging. Van de drie Durfals met de Mountainbike komen er slechts twee terug. De derde ging vliegen en brak na een schier oneindige vlucht bij de landing een rib en ging alvast naar huis. En dat is niet om te lachen.
Enorme hoeveelheden spaghetti met plopje* zijn noodzakelijk om de verloren gegane calorieën weer aan te vullen.

Zondag motregen. De Woudlopers en nog meer Durfals trekken zich daar niets van aan en erop uit. Een uitgedund, of liever gezegd, een select groepje klimmers doet een wanhoopspoging een droog klimgebied te vinden. Helaas, ten oosten van Luik motregent het harder. Pepinster, leuk plaatsje met een gelijknamige leuke plaat om te klimmen. Onthoud die naam. Toegang tot het gebied, recht tegenover de ingang van de stijlvolle restanten van de fabriek La Textile de Pepinster.

* = lunchpakket
* = schep saus

 

Klipper
“Tsja, het Vrijwilligersweekend valt dit jaar niet gunstig, ik ben net terug?”
zo legde ik het voorzichtig bij mijn geliefde in de week.
“Ga nu maar gewoon!”
riep zij terug uit de keuken. Ik laadde mijn klimgereedschap van de trekking rugzak over in de klimrugzak.

De sympathieke waard van de Tukhut had de lijst van instructies goed gelezen. Onderaan stond: Let op, Rivierenland heeft gereserveerd. Bij het kopje bestellingen vulde hij in: Jupiler. Gestaag druppelden duo’s en trio’s binnen, handen werden geschud en schouders geslagen. En daar was Jan, lang niet gezien, die nog langer geleden, mij toen als Klim Instructeur begeleidde op mijn allereerste klimweekendje.

Het beloofde zonnetje wachtte even met tevoorschijn komen. Het was wat fris en onwennig nog zocht ik contact met de rots. Net goed en wel terug uit het Stubaital en de Pala Dolomieten, dit was toch weer anders. Hoe vaak je ook in een van de Belgische gebieden komt, er zijn nog steeds geheimen. Nog niet gedane routes. Voor mij vallen er sowieso al heel veel af. Te moeilijk. Al jaren denk ik: volgend jaar ga ik het rustiger aan doen. Nu besloot ik: voorklimmen doe ik niet meer. Naklimmen viel nu al niet mee. Fissure Annie, de legendarische route lonkte naar me. Ik zag dat ze er goed droog bij lag maar ik kon haar verleiding weerstaan. Een keihard Neen! Die middag werd het warm, sommigen klommen veel, anderen weinig en luierden. Het ruisen van de stromende Ourthe dempte de geluiden. Ik koesterde me in de zon, vaag hoorde ik nog de karabiners rinkelen. Beelden van vorige week, hoog in de Dolomieten kwamen terug. Moet ik zeggen dat ik me gelukkig voelde?

Zoals altijd was er de luidruchtige maaltijd, die heerlijk en overvloedig was. Bedacht en bereid door kok Julian. Die avond was er tijd te kort voor alle verhalen en plagerijtjes. Van klimmers die de volgende dag meteen zouden doorrijden naar Italië. Die nog koortsachtig puzzelden in boekjes en topo’s op zoek naar routes. Verhalen over vreemde voorvallen tijdens jeugdweekenden. Het verhaal van Schipper Zoekt Vrouw. Die met dat schip met die liefdevolle naam. Onze klimmende schipper. (Klipper) En van dat stel dat elkaar al gevonden heeft, het klikte tussen hen. Alweer een huwelijk van Rivierenlanders. Doen we er nog een? We doen er nog een. De huttenwaard streepte een consumptiekaart door.

Vaste eieren met spek bakker KI Maarten bakte eieren met spek. Laat kwamen we uit bed en traag waren we, er hoefde niets. Het was vrijwilligersweekend. We namen afscheid van de vier die op zoek gingen naar echte bergen. En hun auto volstouwden met alle materiaal. Tony wilde eerst douchen, nog eenmaal en dan warm. Maar ook de waard sliep uit en zijn douchemunten ook.

Onder de Vignoble klonk:
“Hey man, zet jij je helm niet op?”
“Ach joh, dat hoeft toch niet, het is vrijwilligersweekend.”

Net als gisteren vond ik ook hier in Sy alles moeilijk. Kwam niet in mijn ‘ritme’. Voorzitter Robert toonde leiderschap, wilde kost wat kost de greeploze wand Cristabelle 5a+ voorklimmen. Klimcommissaris Julian klipte met zijn nieuwste gadget, een inklipper uitschuifstok het eerste setje op vier meter alvast in. Ik dacht:
“Mokkokké”.

Onverschrokken kleefde Voorzitter lang boven het tweede setje. Penningmeester Elwin bood uitkomst. Met zijn deelname aan de Durnal Challence, 58 routes binnen 12 uur tijd, beschikt hij nu over een nog ruimere ervaring. Twee wildvreemde Klimvrouwen keken toe. Toen de toprope eenmaal klaar hing, was het een onuitgesproken eis. Iedereen zou hem doen. Ik stelde het nog even uit. Keek verderop, bij de grot, waar die gekken een onmogelijke route deden. De eerste haak vijf, zes meter boven de grond. Ik beperkte me tot fotograferen. De lucht boven de kleurige stipjes aan de wand was van het mooiste blauw. Nog hoger zag ik zwarte roofvogels zweven. De Klimvrouwen klommen in onze topropes. Na nog een koffie was het tijd voor die ene route. Cristabelle 5a+. En dat deed het hem voor mij, toen was de ban gebroken. Eindelijk, eindelijk had ik weer het gevoel en deed daarna de laatste route van het weekend in een flow. Scheurde een Klimvrouw voorbij.

De muis die rondscharrelde bij Julian’s theefornuis had de dag van zijn leven. Jan offerde de kaas van zijn boterham. Meer dan het gewicht van een hele muizenfamilie. Killing.

 

Zwarte Berg

 

 

 

De maan doet het niet vanavond. Het pad is nauwelijks zichtbaar, gelukkig is het van een iets lichter gesteente. Behoedzaam zoek ik mijn weg omhoog, langzaam, om de hartslag laag te houden. Mijn ogen zijn al aan het donker gewend, ik liet het dorp achter me. Het is verleidelijk om achterom te kijken. Hoe lieflijk het daar ligt met zijn pinkelende lichtjes in de diepte. Ik doe het niet, ik kijk voor me. Gelukkig ben ik nu boven de boomgrens, uit het donkere bos. Ik weet, hier begint het al, het uitzicht. Scherpe kammen en pieken overal. Hoe hoger je gaat, hoe meer er tevoorschijn komt. Maar de maan doet het niet en er is niets te zien, zelfs geen contour, niets.

Traag ga ik verder, ik struikel niet, het pad voegt zich naar mijn voeten. De ademhaling wordt zichtbaar, kleine wolkjes lichten witjes op, heel even. Het is kouder hier, uit het bos. De kille gletsjer is voelbaar. De haakse bocht zie ik pas wanneer het heel zwart wordt, een donkere rotsmuur waar ik bijna tegenop loop. Toch wil ik de Petzl niet aandoen. Ik loop er omheen en zie de nachtelijke hemel. Slechts enkele sterren gaan aan en uit. Daar waar geen ster te zien is, daar staat de berg. Ik voel de magnetische kracht van zijn nabijheid. De Zwarte Berg.

Als kind al werd ik erdoor beïnvloed, geïndoctrineerd. Ik tekende veel en op de kleurdoos van Caran d’Ache was de berg. Getooid in een ijspantser tegen het onwerkelijk Alpenblauw. Het was onoverkomelijk, ooit zou ik er op staan. En het is zinloos, honderden, duizenden gingen mij al voor. Het is geheel overbodig, het betekent niets. Toch, hier ga ik, ik ben op weg. In dit overweldigende landschap, wat zich verhuld in diepe duisternis, loopt een klein mens met verhoogde hartslag, bang en verheugd. Het bloed kolkt warm door zijn aderen, alle zintuigen op scherp. De Berg, de heuvels ervoor, zijn gletsjer en de bergen erachter, tot aan de verre horizon, het laat ze onverschillig. Koel en afwijzend, spottend haast. Het kleine mens hoopt op mededogen, dat hij wordt toegelaten.

Mooi, ik zie het Fixseil al, het vaste touw. Even was er twijfel, was dit het Japanse Couloir, daar moet je rechts aanhouden. Maar wat was rechts? Ik had het eerste en tweede couloir toch al gehad? Opluchting! Ik zit goed. Het toch wat lastige begin van de instap, de spanning, die eerste twintig meter klim je verkrampt van zenuwen. Het is volslagen windstil. De hevige duisternis verlicht zich wat en een zacht licht verschijnt achter de horizon. Ik zie nu de contour oprijzen, de zwarte wand tekent zich af tegen een lichter wordende hemel. Onherkenbaar silhouet in dit vertekenend perspectief. Duizend stijgijzerkrassen op grijze rots wijzen hier de weg. Daarboven lijkt een hoekig profiel zichtbaar. Als dat de Lasvoyhut is, moet dit Untere Soymeleplatte zijn. Dat is op 4000 meter en het klopt precies met mijn geluksgevoel, tot ongekende hoogten gestegen.

De Schulter, de beroemde schouder. Hier neem ik, voor het eerst, pauze. En ook voor het eerst, nu kijk je zo de noordwand in. Griezelig en diep. Een dun windje stijgt op. Een klein stukje verder vind ik beschutting en het is zo stil. De koffie uit de oude thermos is inmiddels lauw maar smaakt voortreffelijk. Recht voor me is opeens een streep zon. Fel, en in een enkele minuut staat de zon rond boven de horizon. Het lijkt of het ook meteen iets warmer is. Ik schuif wat op, laat klimmers passeren. Zachte stemmen, rinkelende karabiners, de geur van de berg. In mijn hoofd zingt Bob Dylan ‘Girl from the north country’ en ik hoor het aarzelende gitaarspel:

Well, if you go when the snowflakes storm
When the rivers freeze and summer ends
Please see for me if she’s wearing a coat so warm
To keep her from the howlin’ winds.

Please see for me if her hair’s hanging down
If it curls and flows all down her breast
Please see for me if her hair’s hanging down
That’s the way I remember her best.

Ik zoek mijn zonnebril op en breek een stuk keiharde Toblerone. Het is nog een klein uurtje tot de top. Vanaf hier is een lang stuk beveiligd met dik touw. Ik zou nog door kunnen gaan. Naar de top.

 

Les Autrichiens

Waarom rij ik eigenlijk niet gewoon nu meteen weg? En zo voegde ik daad bij het woord. Ik stapte in mijn zwarte wagen en na gestart te hebben reed ik de straat uit, rechtsaf, naar het zuiden. Diverse files moest ik zien te overleven maar kon tenslotte na Bouges, bij afslag 14, de N311 verlaten. Ingeklemd tussen de kronkelende rivier en de suburbs van Namur zocht ik mijn weg. Kort en goed, ter hoogte van het oorlogsmonument in Wepion, ontwaarde ik het beoogde klimgebied. De rotsen van Dave, aan de overkant van de Maas. Ik kon een goede inschatting maken van de steilte en moeilijkheidsgraat. Het meest linkse massief, dat zou het worden, morgen.

Dan snel door naar Dinant, waar ik in recordtempo de boulevard afmarcheerde in beide richtingen. Ik moest namelijk enigszins nodig plassen. Dan maar weer een café binnen. Stootte aan de Rue Adolphe Sax een willekeurige deur open, denderde doorheen de doorrookte ruimte, tot ik weer buiten stond. Nu op het balkonterras aan de Maas, die onverschillig doorging met stromen. Ik bleek mij te bevinden aan exact hetzelfde tafeltje als een jaar geleden, toen met mijn goede vriend Kees. De binnenvallende, lekker vals spelende Dixielandband ontbrak, evenals Kees. En ik zat daar stillekes te denken aan alle routes die ik morgen niet zou beklimmen. En aan de tijd dat ik hier kampeerde met mijn jonge Eega. Aan die boom, die toen in zijn volle lengte naast ons tentje was neergevallen in het nachtelijk onweer. En weer jaren later, hoe ik hier met mijn kind had gekampeerd en ik, met onze rugzakken terug op weg naar het station, knalhard tegen een Belgisch verkeersbord aanliep. Het staat er nog, dat bord, hier vlakbij. Dit soort overpeinzingen had ik en die ik nu, op gevaar af mijn imago geweld aan te doen, aan het digitale toevertrouw.

Eenmaal terug bij de zwarte wagen, met een goede bak Rombouts koffie in de mik, bemerkte ik wat ik glad vergeten was. Noodgedwongen doorkruiste ik, nu met spoed, nogmaals Dinant en reed in een ruk door naar Freyr. Parkeerde bruusk op de P-plaats boven de Merinos. Enerzijds opgelucht koerste ik even later richting Maillen. Anderzijds gespannen, zou ik in de snel vallende schemering de Chaveehut kunnen traceren? Om te voorkomen dat dit avontuur te gedetailleerd gaat worden, ga ik nu verder met wat zich de volgende dag afspeelde.

De kobaltblauwe Pantzerwagen van de Jeugdleiding leverde mij gedecideerd af bij het massief. En meteen daar, toen, op dat ogenblik, merkte ik, voelde dit. De tinteling, de kriebel, de wil, het heilig moeten, zo van: ik wil omhoog, nu naar boven, klimmen. Die ontbrak! En dat heeft dan niets te maken met mogelijke inname van enige drank in de altijd gezellige, die vorige avond. Of met de lange wachttijd voor de nog in duisternis gehulde en gesloten hut, het langdurig rondwandelen door het donkere Maillen, me gadegeslagen wetend door het buiten rokende en om de hoek piesende biljartvolk van het Café Biljard en het nogmaals-wachten-tot-de-waard-er-is. Neen! Ik, die eerder het verhaal Ex-klimmer * publiceerde, ik klom / klim niet meer. Kort geleden was ik nog een week in Oostenrijk, in het Stubaital en maakte sneeuwval, dooi en storm elke toppoging onmogelijk.

Jan en ik stelden uit, klommen (lees = wandelden) omhoog tot we bovenop het massief, in het herfstige bos waren. Jan en ik, de oudsten van de groep, maar ik, toch wel de opa. Die aan de Stammtisch moest bekennen ’nog geen kleintjes te hebben gezien’. En er eigenlijk wel klaar voor was. Zelfs last bleek te hebben van opspelende, ja zelfs gillende ‘Opahormonen’.

Op de onmogelijke routes iets verderop dansten twaalf klimmers hun verticale dans. Op ons massiefje hing Jeugdleiding Stefan tenslotte een touw uit. De rijkelijk groen begroeide route luisterde toepasselijk naar de naam ‘Les Autrichiens’. De Oostenrijkers. In het Stubaital zag ik die week geen gras. Nu klom ik in één vloeiende beweging en met hoge snelheid naar de eerste en door tot de tweede standplaats. En of dat dan weer te maken had met het ontbijt van die ochtend, een boterham rijkelijk bestrooid met van citronella doordrenkte hagelslag? Geen mug meer gezien.

*https://gerarddentoonder.com/2017/07/08/ex-klimmer/

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties
%d bloggers liken dit: