Het leven als film

De legendarische uitspraak van Forrest Gump
‘life is like a box of chocolate’
is maar al te waar. Wat maak je toch veel mee in het leven en niet alles is even leuk. Wanneer de bioscopen gesloten zijn verlang je er des te meer naar om even in een donkere zaal je voor twee uurtjes te verliezen in een andere werkelijkheid. Even uit de film van je eigen leven stappen. Dat maar voortdendert, soms als spannende actiefilm en dan weer als een langzame roadmovie.

Er zijn gebeurtenissen die je bijblijven, maar er zijn er ook die zo snel mogelijk vergeten dienen te worden. Je wilt meer zien van die ene scene, die zo romantisch leek te gaan worden, met een happy end. Of juist niet, een korte blik van een scenario waar je niet mee geconfronteerd wilt worden, ‘un film noir’, of erger nog de horrorfilm. Van die momenten dat je denkt, huh, gebeurt dit echt, ben ik dat. Het leven is immers één groot toneelstuk, een rollenspel.
Toen ik voor het eerst een fiets jatte, spannend. En later, er waren nog geen camera’s die overal alles zagen, die rode MG cabriolet, stukje joyriding, nog spannender. Of die nacht dat ik meeging, tegen mijn zin, maar mijn nieuwsgierigheid niet kon bedwingen en mijn gêne overwon.
Was ik dat? Achteraf, allemaal scenes, als bevroren beelden uit een film. Hoogtepunten uit het leven om nooit te vergeten, de foto van de stapel boeken op de tafel bij de boekhandel; mijn boek. Of de aanblik van de kust die eindelijk opdoemde aan de horizon, na al die weken van lichte ongerustheid op zee.

Momenten van geluk, het geluid van de leeuwerik hoog in de lucht, ik lag, een kind nog, in de schaduw onder de boerenkar terwijl mijn opa verderop met twee zware trekpaarden de akker aan het ploegen was. Of van schrik, toen ik ze op de Eerste Hulp hoorde zeggen dat hij (ik dus) geen reflexen in de benen  vertoonde.
Sommige voorvallen zijn te onwaarschijnlijk, ontmoetingen te toevallig om waar te zijn. Als je het zou lezen, zou je denken, nee dat kan niet, dit verzin je niet. Toen de dansvloer voor ons alleen was in die dampende club en wij in die never ending groove waren en we ons achteraf afvroegen of het echt gebeurd was. Toen wij de vrijheid proefden en de zon scheen en de zee ruiste zoals hij nooit eerder had geruist en toen we ons op grote hoogte bevonden en de wereld onder ons nog donker was en de eerste lichtjes in de diepte begonnen te bewegen en haar ogen onvoorwaardelijke liefde beloofden.
Minder mooie momenten, die je snel probeert weg te stoppen in het laatje, of is het al een kast vol met ‘deleted scenes’. Van droefenis en schaamte en van rouw en verloren liefde en van spijt. Dat pijnlijke blauwtje, die oerstomme vergissing, iedereen zal ze hebben, maar jij hebt die van jou en die zijn geheim. Er zijn herinneringen die zich hebben vastgezet in het geheugen. Er zijn er bij die je onthoudt omdat ze je ooit verteld zijn en waarvan het nu lijkt dat jij ze nog zelf weet. Of zoals bij een droom die even bij je blijft en langzaam vervaagt als een flauw maneschijnsel bij een bewolkte hemel.

Ik hou van films met een open einde, dat het je bezig houdt, hoe zou dit aflopen, wat gaat er gebeuren. Een ding in het leven weten we zeker, deze film is eindig, ooit stopt het echt. Soms abrupt, of aangekondigd, of ellendig traag. Tot die tijd hou ik vast aan dat open einde, nieuwsgierig, hoe het zou kunnen zijn. Welk scenario staat er voor jou in het storyboard.
‘you never know what you gonna get’.

Schapentellen

Het is weer zover, het gaat wederom niet lukken. En wanneer hij zich realiseert dat hij dat denkt; ik kan niet in slaap komen, dan lukt het helemaal niet meer. Gedachten tuimelen over elkaar heen in het hoofd. Het is er te vol, het bevindt zich in memory lane en wel op het paadje naar Eega. Niet dat dat zo erg is, integendeel, sweet dreams en steeds verder terug in de tijd graaft hij zich. Hij ziet het zo weer voor zich, hoe haar paardenstaartje op en neer danste, toen ze samen hard liepen op het smalle polderweggetje en hoe hij daar in al zijn overlopende verliefdheid zo om moest lachen.
En als ze wandelden en de zon scheen en zij haar sandaaltjes droeg, of waren het teenslippers, en hoe haar teentjes bij elke stap zachtjes omhoogwuifden als zeeanemonen in het heldere water voor de kust bij Bonaire op een diepte van dertig meter.

Een ander deurtje in het geheugen schuift opzij en toont hoe zij zwaaide, net zoals die Belgische televisiepresentatrice na Kapitein Zeppos zwaaiend afscheid nam van de jeugdige kijkertjes toen, zo zwaaide zij met twee handen tegelijk waarachter haar glimlach zich verborg, haar kleine handen die op geheimzinnige wijze ergens vanuit haar lange donkere cape kwamen.
Hoe zij opeens op een donkere herfstavond opdook in het volle licht van de halogeenlamp hoog aan de Amsterdamse gevel van het enorme pand waar hij eenzaam nog laat aan het werk was en een bliksemflits door zijn lichaam sidderde bij deze onverwachte ontmoeting. Lang vergeten herinneringen poppen op in zijn schedel als het kaarslicht ontstoken door een zondige misdienaar in een koude kerk. Hoe ze bij hem achterop de oude damesfiets zonder licht, net als Rutger Hauer en Monique van der Ven, door de stad kriskrasten, lachend en vrolijk en net dat beetje onbezorgd en aangeschoten.

Zoals dat gaat in halfslaap is er geen systeem in te ontdekken, hij krijgt het niet voor elkaar, het tolt maar door en hij weet het. Ook dat de zinnen die nu vanzelf ontstaan met woorden wel in zijn woordenschat aanwezig, doch ongebruikt die nu schitterend op hun plaats vallen, zinnen waarvan hij weet dat die de volgende morgen verdwenen zullen zijn. En weer hoort hij het geluid, de zee die onhoudbaar dichterbij kwam en die het strandje waar ze lagen zou opslokken en hoe ze op het laatst snel omhoogklommen over de gladde rots, nadat ze zich gehaast aankleedden en het bodempje witte wijn waarvan ze ieder nog een slok namen. Het zout van de zee en haar lichaam, het natte zand en wijn.
Hoe op de dansvloer van Bar the Laughin’ Ghost de lange pony van het zwarte haar dat haar ogen haast bedekte, glansde en het grijs erin zilver leek. Hoe haar zelfgemaakte meubels en kunst aan de muur in haar kamertje hem toen haast ontroerden en de vlam nog hoger stookten.

Hij draait zich om in het krakende oude bed dat men zo romantisch vindt en ziet de groene fosfor cijfers van de wekker kwart voor drie aanwijzen en luistert naar de rustgevende slaapgeluidjes van Eega vlak naast zich. Dat gaat een wel heel kort slaapje worden realiseert hij zich en neemt zich voor nu echt in slaap te gaan vallen.
Natuurlijk, hij zou uit bed kunnen sluipen en de goed verstopte slaappil die hij van een vriendin had gekregen; ‘hier, probeer deze maar eens’’, nu eindelijk dan eens innemen. Onhoorbaar schuift een ander laatje open in de diepten van zijn dichtgeslibte geheugen. Opeens, waar komt dat vandaan, ziet hij haar weer zitten achter het spinnewiel en hoe ze met die kleine handen van de vette schapenvacht een ragfijne wollen draad spon. Het is mogelijk dat dat het is, niet het bekende ‘schaapjes tellen’ waardoor hij opeens in slaap valt, maar misschien het ritme van haar voet waarmee ze het spinnewiel aandreef en het eentonig snel draaien van het rad.
Een diepe, weliswaar korte slaap waarin hij mogelijk verder droomt over Eega of misschien ook over andere zaken die hij hier nu liever voor zich houdt en waarvan het meeste alweer vervaagd is voordat hij goed en wel beseft dat hij wakker is, het ochtend is en hij er uit mag.

Ik ben Jens

Heu!

Ik zal t maar meteen zeggen, voor diegenen die het niet weten, ik ben de broer van Juul. En voor hen die het wel weten ook. Meteen maar even een gebbetje tussendoor, want ik schijn een grappenmaker te zijn, nu al, volgens mijn opa. Hij heeft het niet in de gaten maar hij is er dus ingetrapt, gewoon, iedere keer als hij naar mij kijkt, doe ik net of ik lach. Kost me overigens geen moeite, want ik ben goed terecht gekomen. Leuke familie, er wordt goed voor me gezorgd, mijn ouders zijn ook niet verkeerd, het schijnt dat ik nu in de voormalige slaapkamer van Juul woon, krijg op tijd m’n eten, kortom, nee, mij zul je niet horen klagen. Overigens, dat grapje van ‘voor diegene die het niet weten’, dat is van mijn opa, die hoorde dat pakweg 50 jaar geleden en hij heeft het eigenlijk nog nooit op een goed moment kunnen zeggen.

Tussen twee haakjes, ik zeg dit alles bij monde van Juul dus. Zij is een stuk welbespraakter dan ik. (nooit ‘als ik’ zeggen) Moeilijke woorden dat ze soms gebruikt, als ik denk ‘ja’, zegt zij in plaats daarvan: ‘inderdaad’. Respect. Het is een leuke meid, ze is alleen nogal hardhandig, ze grijpt me steeds beet en dan gaat ze me op haar manier knuffelen.
Goed bedoeld maar of ik er nou altijd op zit te wachten, ben ik net even in gedachten duikt zij opeens bovenop me. Laatst zei ze dat ze zó blij was dat ik er was, snap jij het, nou ja laat maar. En altijd dat lieverd of liefje, dat weet ik nu wel. Ze heeft het blonde haar van d’r moeder, ik ben benieuwd wat dat van mij gaat worden, misschien wel dat pikzwarte van pa. Zie je die trui die ik aan heb, best aardig toch?
Net als die ene met die teksten, aan de ene kant, ’Ik ben Jens’ en van achteren ‘De stoere broer van Juul’, maar ja die is alweer te klein, beetje jammer dus.

Nog even over mijn haar, volgens m’n ma groeit het een centimeter per dag, zelf heb ik daar m’n twijfels over en alles goed en wel, als ze d’r maar afblijft, of nog erger, me mee sleurt naar zo’n enge salon. Als ik het goed begrijp zijn die nou dicht. Prima toch, wat mij betreft kan die pony nie lang genoeg zijn. Verder, ik doe m’n best, dat kruipen lukt niet erg, zitten heb ik bijna onder de knie, soms doe ik net of ik opeens omval.
Láchen joh. Laatst werd ik opeens in een gek stoeltje vastgebonden en Juul zat ook al in zoiets geks, maar dan achterop. Ik zat beter, want van voren, ik kon alles zien. Maar wat nog raarder was, mamma zat tussen ons in op dat ding, heet dat iets of fiets of zoiets?
Maar nu nog gekker, pappa heeft er kennelijk geen, want die moest rennen, vlak naast ons. En hard joh en hij kreeg het erg warm, maar wat nóg gekker was, we gingen gewoon nergens heen. Gewoon een stuk langs bomen en water en leeg land en toen waren we opeens weer thuis. Kan iemand mij dat uitleggen?

Ik weet niet wat normaal is voor mensen zoals ik, maar ik schijn een slechte slaper te zijn. Ja nogal wiedes, weet je hoelang ik in dat bed moet liggen en hoelang het donker is? En pas geleden op een nacht was het een beetje rumoerig, of is dat niet het goeie woord, steeds knallen, keihard. Zelfs Juul schrok ervan, het is dat dit verhaaltje over mij gaat anders zou ik je die foto van haar laten zien, ze schrok echt wel grappig. En wat ik nou weer opving, ik ga binnenkort, mét Juul trouwens, bij opa en oma logeren. Het zal mij benieuwen, het schijnt dat ze allemaal karren hebben met blokken en gekke beesten en een voetbal en een schommel en een vroemvroemdingetje en een soort logeerbedje, nou ja, we gaan het zien, voorlopig moet ik het allemaal maar over me heen laten komen. Van Juul hoorde ik dat oma grappige liedjes kan zingen over maneschijn in een groen groen konijnenland, maakt mij niks uit, het is maar een dagje. Tenminste, als ze ons nog ophalen, aan het eind van die dag.

Is this love

Onmiddellijk zingt dat rond in mijn hoofd, du moment dat Ruben Block (Triggerfinger) vertelt welk nummer wat hem betreft nummer een zou moeten zijn in de Top 2000: Bob Marley’s  ‘Is this love’. Het is zo’n simpel liedje, met slechts een paar zinnetjes die steeds worden herhaald, maar zo lekker om te zingen.

‘I wanna love you
And treat you right
I wanna love you
Every day and every night’

Eind van het jaar zit ik aan de buis gekluisterd en word getrakteerd op weemoed en andere gevoelens opwekkende muziek – die Matthijs krijg je er gratis bij – maar allez, voor het goeie doel. De pareltjes geschiedenis van Leo Blokhuis, maar ook mij volledig onbekende muziek waarvan ik denk, huh, waar was ik toen, was dat toen ik de bak zat, of op een andere planeet. Deze avond zit in het café ‘van Monika’ een meisje achter het tafeltje met Perzisch tapijtje. Ze vertelt in een donkere depritijd  zoveel aan de muziek gehad te hebben van – alweer- een artiest die ik niet ken. Maar het klopt, muziek = emotie.

‘We’ll be together
With a roof right over our heads
We’ll share the shelter
Of my single bed
We’ll share the same room, yeah
For Jah provide the bread’

Wat kwam er voorbij deze week A-go-go: Miles Davis, ojaa, die LP had ik ook. En wat brulde ik mee: (Eega was al naar bed) Dr Hook; Sylvia’s mother, “And the operater said, 40 cents more”. En ook Doe Maar: “Een nacht alleen”. Toeval, ik zong het al eerder die dag, in de auto, maar had niet de juiste tekst; ‘Een nacht met jou’.  En het al even eeuwenoude; ‘Heaven must be missing an angel’ en ‘Blue Hotel’.
Overigens, het is nauwelijks voor te stellen, maar Bob Marley overleed al in 1981. Verder natuurlijk Procol Harum met het onverslijtbare ‘A whiter shade of pale’, wie schuifelde niet wang aan wang met hem / haar, van hem / haar dromen, over duistere dansvloeren.
Alanis Morissette met ‘Ironic’, heerlijk, toen ik dit cassettebandje, in die tijd, keihard afspeelde in de auto, scoorde ik hoge ogen bij de meisjes aan wie ik een lift gaf. Uria Heep, ook al uit de oertijd, toen wij, het trio de drie broers, dit op volle oorlogssterkte afspeelden, wanneer pa en ma een avondje weg waren, heftig luchtgitaar spelend.

‘I wanna know, wanna know, wanna know now
I got to know, got to know, got to know now
I-I-I-I-I, I’m willing and able
So I throw my cards on your table’

Elke avond van de Top 2000 A-go-go zijn er wel enkele nummers die bij mij iets teweeg brengen. Hetzij herkenning, weemoed, blijheid, droevenis dan wel de warmte of de pijn van de liefde. Ik noem maar wat; een fantastische uitvoering van ‘Feeling good’ van John Legend.
Of, alleen voor de zeer oude lezers, Liza Minelli, over wie iemand anders vertelt aan dat Perzisch kleedjestafeltje. Ik herinner mij de film ‘Cabaret’ en de bijzonder lange zwarte wimpers van Liza. En nog zoiets, Bette Midler, nooit eerder gezien, maar wiens naam ik ken van het duet samen met mijn goede vriend Tom Waits; ‘Never talk to strangers’.
Nog zo’n andere ouwe, Charles Aznavour, wie kent hem niet. Ik zong alles fonetisch mee, heerlijk. “La bohème’, waarvan ik de titel leende voor een verhaaltje, zich afspelend in Parijs met uiteraard een open – romantisch – einde.

‘Is this love, is this love, is this love
Is this love that I’m feelin’?
Is this love, is this love, is this love
Is this love that I’m feelin’?’

Tim Knol met band speelt momenteel Bluegrass, wellicht een muziekgenre dat niet iedereen kent. Bij mij komen onmiddellijk herinneringen op aan o.a. The Flying Burrito Brothers, een Bluegrass band, heerlijk gekke country and western achtige muziek. Uit een tijd dat er voor mij nog een hele wereld, op alle gebied te ontdekken was. Veel muziek herinnert mij nu aan die tijd en aan:
we share the shelter of my single bed, is this love that I ‘m feelin’?

En dan nog dit, Carlos Santana blijkt toch wel in de top 2000 te staan, niet met ‘Europe’, waaraan ik laatst een column wijdde, maar met ‘Samba Pa Ti’; Samba voor jou. Ook goed.

Cowboy in Nepal deel II

Limited Edition – alleen voor leden.
Alle verschenen verhalen hierin gebundeld.
Op de flaptekst:

Zijn er cowboys in Nepal?

De schrijver neemt ons mee op zijn rondzwervingen in de Zwitserse, Franse en Oostenrijke Alpen en de Italiaanse Dolomieten. Hij maakt de lezer deelgenoot van het grote geluk dat hij daar vindt; het een zijn met de natuur. Een ieder die de liefde voor de bergen met de schrijver deelt, zal de euforie herkennen van het op pad gaan, het hogere en onbekende tegemoet. Van het zich klein voelen in een betoverend landschap, dat in een oogwenk door een weersverandering kan veranderen van een lieflijk in een bijna beangstigend decor.

Na Cowboy in Nepal gingen de trektochten gewoon door. Naarmate de ervaring toenam werden de tochten – soms – uitdagender. In zijn kenmerkende stijl beschrijft Gerard den Toonder welke avonturen hij en zijn trouwe vrienden beleefden. Nieuwe bergtochten met hoogtepunten maar ook met  teleurstellingen. Succesvolle beklimmingen, maar ook dat wat soms maar net goed ging. Cowboy? Een synoniem voor de drang naar vrijheid en geluk die de basis vormen voor dit meeslepende boek.

I put a spell on you

Stom! Ik ben weer dom geweest, te gehaast dat lijstje ingevuld, welke vijf nummers voor mij de beste zijn in de top 2000. Net als ‘All along the Watchtower’ van Jimi Hendrix uiteraard, vergeten. Achteraf, ik weet niet welk nummer ik vaker heb beluisterd, ‘Europe’ van Santana of ‘I put a spell on you’. Is de gitaarsolo van ‘Europe’ lang en ingewikkeld, zo is de tekst van ‘a Spell’, vrij simpel. Wanneer je alle herhalingen weglaat hou je dit over:

I put a spell on you
because you ‘r mine
you better stop the things you do
I tell you, I ain ’t lying

You know I can ’t stand it
You ‘re running around
You know better daddy
I can ’t stand it ‘cause you put me down
Oh no

You know I love you
I love you
I love you anyhow
and I don ’t care
if you don ’t want me
I ‘m yours right now

Het is al uit 1956, geschreven / bedacht door Screaming Jay Hawkins. Op een korrelig Youtube filmpje zingt hij in een vreemde Vooddoo-achtige act, compleet met een bot door zijn neus. Als je goed zoekt zijn er honderden versies van verschillende artiesten te vinden, wie zong het niet.

The Animals, Creedence Clearwater Revival, Joe Cooker natuurlijk, Annie Lennox en ook mooi; Nina Simone. Waarschijnlijk kende ik het het eerst in de uitvoering van ‘The Alan Price set’. Toen ik vijftien was stond het lang in de hitparade. Het is duidelijk waar ik heen wil; welke vind ik het mooist. Dus; Joss Stone, zoals zij het zingt en dan het liefst begeleid door Jeff Beck, misschien wel de beste gitarist ter wereld. Er bestaan vele verschillende live-uitvoeringen van hen samen. Recenter is haar samenwerking met gitarist Steven Down.

Waarom nu speciaal dit nummer en met deze zangeres. Zoals zij het zingt, met zoveel passie, hoe ze soms schreeuwend zingt – hoe houdt ze haar stem heel. En dan de tekst; ‘Ik betover je’. Hoewel ik pas sinds kort weet dat dat de betekenis is van I put a spell. En natuurlijk, Joss, ze is zo naturel en zo mooi. Laatst ontdekte ik toch weer een mij onbekend filmpje. Abominabele beeld- en geluidkwaliteit, uit 2010 in Shepherds Bush, Londen. Alleen voor doorgewinterde ‘Spell’ beluisteraars. Maar dan, werkelijk, hier breekt de pleuris uit, it ’s war on stage, een gevecht tussen gitarist en zangeres. Ik krijg het er warm van, hartkloppingen, kippenvel, brok in de keel, kortom.

Voor wie niet zo kapot is van haar soms ietwat rauwe stem, luister dan eens naar haar akoestische uitvoering van ‘Then you can tell me goodbye’

Kiss me each morning for a millon times
Hold me each evening by your side
Tell me you ‘ll love me for a million years
Then if it don’t work out
Then if it don’t work out
Then you can tell me goodbye

Nog een tip, Voor velen toch redelijk onbekend, Jeff Beck, de onnavolgbare gitaarkunstenaar. Luister eens naar de instrumentale nummers, ‘Nadia’ en ‘Cause we’ve ended as lovers’.

Europe

Tip van de sluier; dit onvolprezen nummer staat eindelijk, maar zo verdiend, bij de eerste tien, en als het aan mij ligt nummer een van de top 2000 van dit jaar. Tip van mij; niet muziekliefhebbers en met name van Carlos Santana dienen hier door te scrollen want deze column is aan hem en het mooiste nummer aller tijden gewijd.

Europe (Earth’s Cry, Heaven’s Smile) van het album Amigos, zoals het eerst heette, werd uitgebracht in 1976 en de beluisteringsschattingen door mij lopen uiteen van duizend tot wel minimaal 327 keer. En eerlijk waar, het verveelt nooit, soms betrap ik me erop tijdens het ramenwassen of stofzuigen of ander zinloos huishoudelijk geweld dat ik gedeelten van Europe fluit, voor de arme ziel die Europe niet kent, het is instrumentaal, anders zou ik wel zingen.

Even een stukje geschiedenis, zoals dat gaat met klassieke nummers die de tand des tijds zullen doorstaan, diverse verhalen doen hierover de ronde. Het was dus eerst anders getiteld en geïnspireerd door het verhaal van een vriend die een ‘bad trip’ had door het gebruik van mescaline.

Tijdens het optreden in Woodstock (1969) was Carlos ( Carlos Humberto Santana Barragán, 1947) zelf high, onder invloed van LSD en mescaline. Desondanks was het een groot succes en meteen ook de internationale doorbraak, in het bijzonder dankzij het nummer Soul Sacrifice. De titel werd veranderd in Europe in 1975, tijdens een concerttour door Europa en hieraan kleeft een ander verhaal. In 1967 hadden ze peyote gebruikt, mescaline van een cactus in een club waar een vrouw een ‘bad trip’ kreeg, aanleiding voor Carlos het nummer te spelen en het toen te noemen: ‘The mushroom lady’. Hierna is het nooit meer gespeeld tot die tour in Europa.

Eenmaal had ik het voorrecht een concert bij te wonen, Sportpaleis Antwerpen, drie uur non stop, met dank aan dochter Martine die het regelde – onvergetelijk – en me vergezelde. Een heilig doel behaald. Punt. Uiteraard werd Europe gespeeld en alle nummers die ik kende van de LP’s die ik bezat. Beet jammer waren de diverse preken die hij meende te moeten geven tussen de nummers door. In 1973 was hij nog in hoger sferen onder invloed van een Indiase goeroe die hem de naam gaf; Devadip. Vele jaren bleef hij drugs gebruiken, deed enkele zelfmoordpogingen, maar hij heeft nu alweer jaren terug ‘het licht’ gezien en houdt niet op dat verkondigen.

Sinds de invoering van Youtube kreeg de muziek nog een andere dimensie. Nu kon ik mijn idool zien spelen en nog steeds duiken nieuwe live versies op en altijd verrast het weer met net een iets andere uitvoering. Heerlijke solo’s van die door en door bekende gitaar. Zelfs goedbedoelende amateurs die zich het nummer hebben eigen gemaakt worden door mij beluisterd en dan blijkt, het is soms best leuk, maar het kan niet tippen aan het magische spel van himself.

Het zal duidelijk zijn – en alweer een tip; beluister het eens – deze muziek zorgt voor een goed gevoel, de beat, de conga’s, de Hammondswing en daar overheen steeds die onnavolgbaar zingende gitaar. Even tussendoor; mocht ik ooit tot sterrenstof verworden, dan is er vast wel iemand zo verstandig dit nummer aan de toegestroomde menigte te laten horen. Drie keer raden welke muziek door mijn boxjes schalde tijdens het schrijven van dit verhaaltje en het was dat ik mijn handen er toe dwong om letters te typen anders waren ze weer druk geweest – en daar zijn ze bijzonder goed in, al zeg ik het zelf –  met luchtgitaar te spelen.

Happy end

Na mij ervan vergewist te hebben of het tijd was, zomertijd / wintertijd, zegt u het maar, zette ik koers naar het centrum. Dat centrum ligt middenin de oude stad waarin ik gehuisvest ben.
Per fiets bereikbaar maar vandaag nam ik het besluit om mijzelf eens per auto te vervoeren. Ik verliet het kasteel, sloot de deur zorgvuldig af, dit is de sleutel twee keer omdraaien teneinde lieden die zich toegang willen verschaffen middels een afgeschreven OV jaarkaart, mag ook zijn bibliotheekpas of anderszins, de pas af te snijden en startte de motoren van mijn zwarte gezinswagen. Zachtkens neuriënd reisde ik naar mijn centrum.

In de donkere spelonk hing de geur van rood pluche en overstemde muziek en praatgeluid het geknisper van popcorn. Sommige dingen moet men niet willen begrijpen zoals waarom de menssoort deze materie wil eten in een donkere tunnel. Nog door het een en noch door het ander liet ik mij afleiden maar meevoeren door het getoonde.
De voertaal was Frans, tot zover was het duidelijk. Ook meende ik enkele gezichten te herkennen van andere gebeurtenissen waar zij andere personen verbeeldden.
En zoals zo vaak raakte ik snel de draad kwijt, teveel lettend op randverschijnselen als de fraaie camel kleur van haar jas, de donshaartjes in tegenlicht op haar wang, goh, zojuist brandde de sigaret in zijn hand al en nu steekt hij hem pas aan, die straat ken ik, dat is in Parijs, hinderlijk die ondertiteling maar toch wel prettig ook, wat zou ik graag weer eens door Parijs verdwalen, beetje verliefd doen in Jardin du Luxembourg of te dure koffie drinken aan een te klein tafeltje aan een te lawaaierige Boulevard of Avenue en met wie dan. Zo ben ik dus met heel andere dingen bezig dan met de film, want die draait maar door in deze donkere buis waar het warm is en rood in het pluche.

De steigerende fonteinpaarden verdwijnen haast in de mist van water die ook jou en mij licht benevelt en wij versagen niet, de groene stoeltjes die wij hebben veroverd, die zijn ons!
Pinken verstrengeld slenterend door de vredige Tuilerieën, naar binnen kijkend naar de drukte in de tempel van cultuur en neervallend in een hoekje van het geheel rood geschilderd bistrootje en ik zie jouw mysterieuze grijsgroene ogen van heel dichtbij en weer verder trekken wij, waar onverwacht vanuit een geheel nieuw perspectief ons een blik op de Sacré-Cœur wordt geopenbaard en daarna bovenkomend uit het Métro gangenstelsel bij het morsige Stalingrad onderweg naar het zachte gras aan le Canal waarop we neervallen en het duister langzaam doch vredig aangeslopen komt en jij een plastic glaasje vult met witte wijn waaruit we samen drinken en jij daarna met je lieve zilver omlijste hoofd op mijn buik een klein beetje in een kort slaapje valt en de geurenmix van jou en van het groene water in het kanaal en het verkeer op de brug mij nogal tamelijk gelukkig maakt.

Aan het eind van het kanaal buitelden namen en teksten over het decor, Delon, Binoche, Isabelle, Gérard en langzaam werd de vloer lichter en het beeld voor me verstoord door schimmen en silhouetten en was het opeens stil en bleef slechts geroezemoes en rook ik de vreemd vertrouwde geur van mijn zwarte wagen. Na geruime tijd het goud van het bruin in de ogen van Juliette bestudeerd te hebben ging de rood-witte boom omhoog en gleed ik door de sluis een andere tijdzone en de regen van de nacht binnen. Nat asfalt glom en kleurde in neonlicht en onder het banden geslis hoorde ik Françoise Hardy en ik neuriede zachtkens mee:
‘Tous les garçons et les filles de mon âge
se promènent dans la rue deux par deux
Tous les garçons et les filles de mon âge
savent bien ce que c’est d’être heureux’

Met iedere slag van de ruitenwissers legden wij, mijn gezinswagen en ik, een afstand af die me dichterbij mijn bed bracht en me verwijderde van de filmhuisfilm die mij juist zoveel verder weg van het hier en nu voerde. 

Déjà vu

Alsof ik in een geluiddichte coupé van een voortdenderende trein zat opgesloten en buiten, aan mijn raam onbekende landschappen en steden en dorpen voorbij rolden en hoelang ik daar was en nietsziend en gelaten naar buiten staarde terwijl in mijn hoofd een geheel andere film zich afspeelde. Een trage film van eenzaamheid en leegte. En hoe ik bedroefd op een steile oever van een beek of was het misschien toch een rivier zat, in de verte leek het of daar de zee al was, en zij opeens, zonder iets te zeggen van hoog in het water sprong. Ik zag het bijna te laat, nog net zag ik haar onder water verdwijnen, hoe ze haar neus dichtkneep, de andere hand hoog in de lucht en dat haar kleren opbolden en hoe ze daarna, al even plotseling dicht naast me zat, nu anders gekleed, in een zwarte jurk die glansde en droop van het water.
Van heel dichtbij keek ik naar haar profiel en haar huid die wel van marmer leek en een beetje doorzichtig met hele kleine adertjes en nu zag ik ook kleine rimpeltjes. Droomde ik of was dit een droom die ik me herinnerde terwijl de trein razendsnel over een lange brug reed zonder enig geluid te maken en het niet tot me doordrong of het nu water was onder me of een diep ravijn waar het donker was. Alles gaat voorbij, er is niets dat blijft, de tijd gaat vliegensvlug maar verder, zoals een gele trein in de nacht.

En wederom bevond ik me in een capsule. Alsof ik plotsklaps vanuit de ene eeuw in een volslagen nieuwe eeuw belandde. Alsof ik opdook vanuit de donkerste diepten van de zee, na de stilte van het suizen van de druk in mijn oren, het wateroppervlak doorbrak en het schitteren van het witte licht van een volle maan op de fel weerkaatsende zee en het ruisen van de golven me overviel. Was het een droom.

Het was alsof ik onder een grote glazen stolp zat opgesloten en ik heel hard rende en zo hard ik kon en de stolp gelijkmatig met me mee bewoog en het was als in een droom waarin je hard loopt maar geen meter verder komt en je door een blinde paniek bevangen wordt. Een symbolische stolp voor de interne wereld van gedachten, waaruit geen enkel geluid kon ontsnappen en ik schreeuwde heel hard want ik voelde pijn, een hete pijn diep van binnen. De stolp begon langzaam te beslaan met het condens van mijn hijgende ademhaling en dat was fijn omdat ik onzichtbaar werd en kon verdwijnen. Want ik wist dat het niet altijd zo door zou kunnen gaan omdat alles altijd maar tijdelijk is.

Waar was ik nu weer, een kleine ruimte waar het stil was. In mijn hoofd tolden beelden, snel voorbij schietende eindeloze naaldbossen, tunnel in en tunnel uit en het was warm. Ik had alleen mijn horloge aan en ik merkte dat ik zweette omdat het heel warm was, heet en dat er geen ramen waren in dit hok en dat alles van lichtgeel hout was en vochtig. Was er een sauna in de trein of droomde ik dat ik droomde. Het was nog maar even later toen ik vanuit grote hoogte het kleine houten hokje zag waarin ik zat, op een open plek in het woud op een glooiende helling en door een gat in de wolken gleed maanlicht er zacht overheen. Want nacht was het en leek het altijd wel te zijn.
De kronkelende rivier lichtte op in het donker en stroomde verder, onherroepelijk, zoals het leven verder glijdt en alle herinneringen meeneemt. In een van de oude sparrenbomen zat de vrouw met de zwarte jurk en ze keek me aan van heel dichtbij met haar ogen die de kleur hadden van de zee, een zee in een nacht zonder maan. En ik herkende het profiel van de vrouw niet meer, misschien was het toch geen droom maar een voorspelling.