de ontdekking van zijn hemel

Vandaag zullen we op deze pagina’s behandelen de grote schrijver de heer Harry Mulisch, die deze week herdacht wordt, tien jaar na zijn dood. En dan met name de vraag hoelang hij nog bij ons zal zijn, hoelang blijven zijn boeken gelezen, verkrijgbaar in de bieb, op de leeslijst staan van examenkandidaten en belangrijker nog, wanneer ontmoette hij Gerard M. den Toonder.

En, het mag geen toeval heten, hoe vaak kruisten hun wegen. Het zal begonnen zijn in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen hij het parmantige Hotel American frequenteerde, soms in het gezelschap van zijn wijze moeder, op een van hun rondwandelingen door Amsterdam dat toen ook al gezellig druk was, maar met meer krakers en hippies en de provincie ontvluchte boeren dan de hedendaagse Japanners en vrijgezellenfeestgangers. Het werd al eens eerder hier gememoreerd, het gezellige getik met gebaksvorkjes en theelepeltjes werd regelmatig overstemd door de omroep met de mededeling  ‘Telefoon voor de heer Mulisch’. En dat zijn moeder en hij Harry, hij mocht Har zeggen, maar hield het altijd keurig bij Harry, zagen oprijzen en met rechte rug richting telefoon de zaal zagen doorkruisen.

Bijna wekelijks ook bezocht Mulisch de statige winkel in de Kalverstraat, het enorme pand dat doorliep tot aan het Rokin en het was daar dat voor het eerst contact gelegd werd. Het moet gezegd, vergeleken bij Harry’s ijdelheid verbleekte de zijne, immer keurig gekleed in fraaie tweed sportcolberts, voorzien van de nodige pochetten, dasspelden, horlogekettingen en dikwijls gedragen op, heel gewaagd in die tijd, pantalons, in fijne ribfluweel of honderd procent kamgaren in felle tinten. Bijna geheel handgemaakte Engelse schoenen vervolmaakten zijn outfit. Waarover zij spraken valt terug te lezen in zijn veelomvattend oeuvre en dan met name in de boeken van na 1975.

En dan bij uitstek om de dusver geheim gebleven gesprekken in het Victoriaanse hotel Métropole aan het Place de Brouckére te Brussel. In een stijl die een eclectische mengeling is van neo-classicisme, neo-romaans, Franse en Italiaanse  renaissance en empire. In de loop der jaren ontving Métropole voorname gasten als Albert Einstein, Marie Curie, de Amerikaanse staatshoofden Hoover en Eisenhower, kanselier Adenauer, generaal De Gaulle en een onmogelijk op te noemen aantal beroemde acteurs en zangers en zangeressen, zoals onder andere Jacques Brel en dus de Grote schrijvers als Harry Mulisch. Het is niet te zeggen hoeveel uren en dagen en nachten hij, al of niet in gezelschap van Mulisch doorbracht binnen deze uitermate luxueuze muren. Het doet hem dan ook pijn te vermelden dat deze horecagelegenheid, wegens financiële Corona gerelateerde problemen zijn deuren onlangs definitief heeft moeten sluiten.

Lange tijd publiceerde hij niets, treurde hij om het verlies van Harry, was het de teloorgang van het fantastische etablissement daar in het verre Brussel, nu nog verder, onbereikbaar haast door de gesloten grenzen in Coronatijd. En alweer een herinnering aan dat wat ooit was, verdwenen. Was het omdat hij in een andere fase belandde, kwam er even niets uit zijn handen, zowel op papier, digitaal of op het doek? Werkte hij in het geheim aan weer een of ander duister manuscript of was het dat hij zich opnieuw op de poëzie stortte? Niet alles zal bekend worden, vele dingen blijven in het verborgene en vele vragen zullen onbeantwoord blijven. Evenals de mysterieuze dichtregels die hem werden toegeworpen en nog meer stof doen opdwarrelen;
‘ben ik niet die ik was
of was ik niet die ben?’

Mogelijkheden in het hoofd

Dat je in dezelfde race rijdt als Max Verstappen. Het is mogelijk. Het kan zelfs dat je vlak achter hem rijdt, dat je zou kunnen winnen. Of dat hij plotseling remt en jij zijn spoiler er af rijdt. Of dat dat niet gebeurt, het gaat allemaal weer net goed. Maar je besluit hem te laten winnen. In je hoofd kan alles.

Die keer dat je het kanaal over zwom. Dat je de K2 beklom – de Everest is te makkelijk – via de achterkant, of in ieder geval via een nieuwe onbekende route. Niemand gelooft het, maar je hebt de foto’s nog.

Je zit in de bioscoop met Maxima, het is uitverkocht. Er zitten dertig mensen verspreid over de zaal, welke film het was ben je vergeten, maar jullie mogen naast elkaar zitten. In de pauze haal je popcorn. Maxima eet lekker mee en haar been drukt tegen het jouwe. Wanneer de aftiteling begint te lopen fluistert ze in je oor, de popcorn is nog niet op:
“Wil je eentje er uit mijn navel snoepen?”,
zo met dat speciale accent en die stem.
“Dan rijden we naar paleis Soestdijk, daar heb ik nog een kamertje laten inrichten”.
Eenmaal buiten zet ze met de app op haar telefoon alvast de verwarming aan.
“Het is zó’n koud paleis”,
zegt ze verontschuldigend. Wanneer ze ook, zegt ze, even de marechaussee moet bellen dat ze poort van slot doen, zeg jij dat je er even over moet nadenken.

Net zoals toen je het kanaal over zwom. De ‘white cliffs of Dover’ doemden op boven de grijsgroene Noordzee golven, je begon moe te worden, je kon nog maar twee dingen zeggen:
“Hé, hé”.
en je besloot om te keren. Het zijn mogelijkheden, alles kan in het hoofd, doorzwemmen en omkeren. Je zou weer kippen kunnen houden. Een Harley Davidson kopen. Met een zijspan, dan wel een oude, een Liberator met een groot bruin lederen zadel. En van die tassen over het achterwiel, die bijna over de grond slepen, met van die franjes eraan en een beetje kapot en versleten. En jij hebt een bruine leren broek aan, met een oranje streep over de naad. En nee, toch maar zonder, geen zijspan. Je zou Barbra Streisand kunnen interviewen en samen na afloop bij haar in de keuken dat heerlijke liedje ‘Guilty’ zingen, jij met de stem van Barry Gibb uiteraard.

Mogelijkheden in het hoofd, het is zo stom om hier slechts enkele van die onafzienbare hoeveelheid op te schrijven. Het is onbegonnen werk. Ik weet het zeker, jij, lieve lezer of lezeres, dat jij dat ook hebt.
Je zit even een paar dagen in lockdown, of gewoon in bed, een uurtje langer op zondag omdat het wintertijd wordt, je ligt daar in een soort van halfslaap en in je hoofd fantaseert die blubberachtige massa er ordeloos en ongecontroleerd op los, het is een chaos daar, het ene moment balanceer je op het randje van een peilloos diep ravijn dat het zweet je uitbreekt en het volgende moment word je opgevangen in de zachte armen van die ene buurvrouw daar iets verderop waarvan je niet wist dat haar armen zo zacht waren en al helemaal niet dat die zo lekker roken, die armen.
Of je bent gewoon klaarwakker en je geeft je er aan over, aan je fantasieën of aan je heimwee of aan je liefdesverdriet, of aan gevoelens waar je geen weet van had of net waar je maar zin in hebt.

Of je zit aan tafel in een deftig kantoor, ergens hoog met uitzicht op de Zuidas of in La Défense in Parijs of toch gewoon in Manhattan en je weet dat het gaat gebeuren, dat je zo je handtekening gaat zetten en dat die kilometer strand dan uiteindelijk echt van jou is.
Of dat je met jouw schilderij, veilig opgeborgen in je oude verschoten tekenmap, op weg bent naar en even later daadwerkelijk het Museum binnen stapt. Het Museum waar binnenkort jouw schilderij aan de muur hangt en te zien zal zijn voor iedereen die dat maar wil.

‘Kennedy’, zo is het getiteld. Aan het eind van de donkere straat torent het stadhuis op, verlicht met de klokkentoren tegen de zwarte lucht. Waar in een van de zalen ooit muurschilderingen zijn aangebracht door de Dordtse kunstenaar Reinier Kennedy, in welke zaal jouw dochter trouwde. Dat stadhuis is oud, gebouwd in 1383.
Nog net geen achthonderd jaar oud, zoals de stad Dordrecht dit jaar herdenkt en ter gelegenheid daarvan mogen de inwoners van de stad van alles inleveren bij dat Museum dat voor hen een verbinding symboliseert met hun stad.
Een hele goedkope manier dus om bijvoorbeeld jouw schilderij ‘Kennedy’ in het Museum tentoongesteld te krijgen. Dat is dus gewoon keiharde werkelijkheid en echt helemaal waar. In het hoofd echter, kunnen zich andere mogelijkheden afspelen. (schilderij NTK)

Au bout sombre de la rue (3-slot)

Hij wist het, het was onbegonnen werk en bovendien lastig. Zijn knieën die al zoveel geleden hadden protesteerden snel en daarom doseerde hij de klus waaraan hij tenslotte toch maar was begonnen. Iedere dag vulde hij een gat, een van de vele, tussen dak en muur op de grenier. Met van alles dat voorhanden was, restanten hout, stenen in alle vormen en maten en een beetje cement. Hij was er aan begonnen, nu zou hij doorgaan ook, hij zou de strijd tegen de muizen en de vleermuizen en zelfs die ene marter winnen.

De middag was gereserveerd voor die andere klus. De rij iepen en esdoorns die de wei omzoomden moest hoognodig ontdaan van hedera en de altijd maar voortwoekerende braam en altijd overal die zaailingen. Gedachteloos was hij aan het werk, het was immers al de zoveelste keer dat hij dit deed, het ging op de automatische piloot. Eerst kort snoeien, maar niet te kort, dan had je nog houvast om te trekken, de wortels van de braam moesten de grond uit. Het genoegen, het vooruitzicht van de knetterende fik, de torenhoge brandstapel die het bramenafval zou vormen was er niet. Het mocht niet meer, al die nieuwe regels voor het environnement. Je zou er contraire van worden.
Oei, daar schramde hij zich lelijk aan een doorn, een stukje zat nog in zijn hand en voorzichtig peuterde hij het er uit en het was daarom, dat hij even stil was, dat hij de deur van het groene huisje hoorde dichtslaan. Het was moeilijk te zien, de zon stond alweer laag en scheen hem recht in het gezicht. Maar was het werkelijk, het leek of ze daar de hoek omkwam, langs de waterput bij de schuur. En hoorde hij daar de schuif van het blauwe hekje? Zijn hekje? Het zoemde in zijn hoofd:
‘Vous n‘ avez jamais connu l’ amour dont je souffrais,
Vous, que j’ adorais….’

Au bout sombre de la rue (2)

‘Vous n‘ avez jamais connu l’ amour dont je souffrais,
Vous, que j’ adorais….’

Echt goed zingen kon hij niet, de oude man, zijn stem klonk beverig en hij miste soms een toon. Evenmin beheerste hij de kunst van het bespelen van de twee muziekinstrumenten die op een prominente plaats in de schemerige woonkamer stonden. De ukelele en de accordeon, wanneer hij speelde, met zijn houten vinders de toetsen of de snaren beroerde en de klanken aarzelend door de altijd geopende deur naar buiten stroomden, dan stopten les poulets hun gekakel en hielden hun kopjes schuin. Maar af en toe, uit pure wanhoop, het kon zomaar gebeuren, het was sterker dan hemzelf, dan moest hij dingen kapot maken. Het verdriet, de onbeantwoorde amour, zij, zo vlakbij, om de hoek bij wijze van spreken, in het groene huisje, zo onbereikbaar ver. Soms bleef hij te lang op en dronk teveel van zijn zelfgestookte brouwsels, peren, appels, druiven, combinaties daarvan en ontstak in woede, hakte en zaagde hout, sloeg stapels dakpannen aan gort. En altijd weer die nacht,die lange nacht, wanneer zijn fantasieën opspeelden, dan welde het vanzelf op, dan moest hij schrijven, dichten.

Illusie
schop me
maak me wakker
help me uit mijn droom
ik kan het niet geloven

Was het fantasie
is het een illusie
voel me goed en warm daar
jij liet me zo geloven
kijk me aan en zeg het me
was het utopie
maar zal verder moeten
ik zou je willen dragen
dagen lang over
uitgestorven stranden
met onstuitbaar dadendrang
over lege bergen door verstilde dalen
wees niet bang
overal
ik wil je redden
je redder zijn je ridder
je veroveren ontvoeren
gijzelen desnoods
maar liefhebben bovenal

schut me wakker dan
zeg het me recht uit
blijf hier en loop niet weg
ik kan het niet verdragen
was het slechts illusie

Au bout sombre de la rue

Het was een samedi en septembre. Het was zo’n dag met voorzichtig zonlicht dat laag over de heuvels lag en de schaduwen lang en het groen in de struiken en bomen die de velden omzoomden donker maakte en waar in de onderbegroeiing ritselend leven te vermoeden was. De oude man onder de boom staakte zijn werkzaamheden, liet de gevallen walnoten voor wat ze waren en staarde. Rechtte zijn rug en staarde lang, niets ziend in de verte. Als een standbeeld stond hij, een hand boven zijn ogen te midden van zijn poulets die vragend naar hem opkeken, een enkele pikte aarzelend aan zijn broek. Waaraan dacht hij? Aan de druiven die nog geplukt moesten worden, of aan het blauwe hekje dat hij wilde repareren? Kreeg hij een ingeving om een andere werkbank te maken met de tak van de eik die zo wonderbaarlijk was gegroeid?

Die nacht stond la lune roerloos boven de huizen die samen Le Prat vormden, omringd door groene weilanden waarvan het gras leek te glinsteren in de witte licht. Op de zolder van de boerderij lag de oude man in zijn bedstee, het leek of hij sliep. De stilte van de nacht was intens, niets bewoog, de zware bruine koeien lagen bewegingloos, de vogels hielden zich verscholen. Alleen boven zijn hoofd, over de zware balken trippelde iets, een muis, of een relmuis of was het misschien toch een marter?

Wat verderop belichtte de maan een ondiepte in een weiland, van hoog boven bezien een glanzende waterpoel met lelies erin, die wel aan Monet deed denken. Het wateroppervlak rimpelend en dichterbij, lager komend zouden twee waternimfen zichtbaar kunnen worden die zich lui aan de oever wentelden, in het witte nachtlicht hun blanke lichamen als van albast. Een derde ranke gestalte zou glanzend in al haar naakte schoonheid uit het water kunnen oprijzen en zich uitstrekken naast de anderen. Wellicht aten zij iets, druiven of toch walnoten en ook was het mogelijk dat een kleine fles rondging van mond tot mond, eau de vie?

Echo


De schaduw van herinnering
aan haar aanwezigheid
hangt dreigend als een beest
hoog boven in de lucht
klaar om neer te duiken
met zijn klauwen in mijn geest

De droogte van vergetelheid
het verdronken sentiment
de stilte die ik mijd
haar sporen mogen snel verdwijnen
de leegte van het niemandsland
leeg als drie woestijnen

De echo’s van de werkelijkheid
beklijven op mijn ziel
de adem van de tijd
is als wasem op mijn hart
echo’s zullen blijven galmen
wonden makend in het vlees

Lange zomers

Lange zomers lang
had hij van haar gehouden
op de fiets of in het brandend zand
bloedend streelde zij zijn hand

Lange zomers lang
had hij tot haar gebeden
op terras en in een dode stad
van de liefde ladderzat

Warme zomers lang
dacht hij dat hij droomde
haar lange adem in de nacht
teder, hees en warm en zacht

Lange zomers warm
lui liggen in een donker park
privé concert alleen voor haar
de sterren hadden geen bezwaar

warme zomers warm
door bergen en door dalen
door een bedreigende vallei
op hoge heuvels vol stampij

Voeger waren zomers lang
aan vreemde oevers zwerven
bekende hij haar schuld
gebroken ziel en geen geduld

Vroeger duurde even lang
nooit meer de vergiffenis
ademloos voorgoed schaakmat
solo op het eindeloze pad

Bange zomers lang
klinkt haar stem nog in zijn oor
haar liefde was een steenlawine
zijn hart verwerd een bloedmachine

Lange zomers bang
de toekomst is gevlogen
elke berg kent zijn ravijn
en zo eindigt dit refrein

No Diving

Het was een hitte die alles in bedwang leek te houden en alle energie opslorpte en alles leeg en futloos maakte en de bomen en de vogels hielden zich stil, terwijl de duinen in de verte leken te sidderen door de opstijgende hete lucht boven de akkers.
Zelfs de zee die het kleine stukje land omzoomde, rondom en het tot een eiland maakte hield zich koest en stroomde loom en langzaam er omheen.  Wie goed keek kon nog enige beweging ontwaren, heel kort, boven de groene heggen verscheen, naast de witte nog een rode parasol.
Het was de man van het eiland die met enige moeite een zware betonvoet een stuk opzij versleepte en een tweede parasol opzette. De gele steentjes deden zijn voetzolen brandden maar hij lette daar niet op, deed het graag, het eilandvrouwtje hoefde hem niets te vragen, hij wist precies wat ze nodig had. En zo zaten ze even later beiden in hun eigen eilandje van schaduw.

Het was een verzengende hitte die de grond in de akkers deed openbarsten en de bloemen in de tuin van de eilandman verschroeide. Water geven deed hij niet, behalve dan de jonge plantjes, wanneer soms in het voorjaar op het eiland, die vooruitgeschoven post van het vaste land, de regens uitbleven en de wolken overdreven en pas landinwaarts hun lading lieten vallen. Lang stilzitten kon hij niet, sleepte nu emmers ijskoud water aan, vulde het gele opblaasbadje, voor haar en haar vermoeide voeten met die teentjes, hoe vaak had hij die geteld en grinnikte in zichzelf. Nu pas viel hem de bestickering op het gele badje op en weer moest hij lachen, maar anders, cynisch. No Diving or Jumping Shallow Water, het gele badje bleek een levensgevaarlijk badje waarin je kon verdrinken, je nek breken, verlamd raken of levensgevaarlijke verwondingen kon oplopen of zelfs; Dood!
Verschrikkelijk, daar moet je toch niet aan denken! Zonder enig geluid te maken om zijn Eega niet wakker te maken haalde hij een fles bier uit de koelkast en geruisloos opende hij de lade op zoek naar de opener. Het kleine klikken van de dop was toch voldoende, het eilandvrouwtje hoorde het en dacht:
“Moet je nu alweer aan het bier?”
Maar ze zei het niet en deed alsof ze verder sliep.

De hitte deed het blauw van de hemel ietwat verbleken en een zilveren vliegtuig trok er strepen door, vier, die aaneen vloeiden tot een bredere die al snel weer leek op te lossen.
De eilandman zag het gebeuren, dronk met kleine slokjes en verder deed hij niets, rustig de hitte maar verdragen en wat dromen en wat denken. Vlak naast hem zoemde een kleine bij, zoekend naar nectar in de bijna uitgebloede pimpernel, druk in de weer met zijn geel-zwart gestreepte lijfje en het zoemen van zijn vleugeltjes was het enige geluid dat hoorbaar was. Het vliegtuig was verdwenen en de condensstrepen ook.
Hij wist, daar in het oneindige niets waren op dit moment drie raketten van verschillende nationaliteiten onderweg naar Mars, een kleine 500 miljoen kilometer verderop. Hij, als man van het eiland, was vaak op zoek naar het alleen-op-de-wereld gevoel, hoe zou dat zijn, het alleen-op-Mars gevoel?

Het was een hitte waarin auto’s bumper aan bumper stonden op de wegen naar de kust en op de brug naar het eiland en waar mensen op de stranden zich wentelden in met zweet verdunde factor dertig. Hij wierp een blik op zijn vredig slapende Eega, dronk in een teug het restantje bier en dacht aan morgen, dan was het eiland, het strand weer leeg.

Jonathan

Nee, een albatros was hij niet
– zat daar totaal niet mee –
ook geen Jan van Gent
of pinguïn, pelikaan
was er immers aan gewend

Op het land of boven zee
of heel hoog in de lucht
eindeloos lang kon hij zweven
bewegingsloos zijn vleugels
daaruit bestond zijn leven

Altijd op zoek naar eten
vis of krab of patates frites
lange dagen, vele uren
wat lust hij niet
eind’loos in de diepte turen

Vissersschepen, oorlogsschepen
boulevards en lege stranden
hij bezag het allemaal
bruidspaar in het park
speurend naar z’n avondmaal

Bommen en granaten
oude man op zwarte fiets
plastic soup en olievlekken
file zonder eind
mammoettankers lekken

Bosbrand en tsunami
liefde in een duinpan
uitbarstende vulkanen
bliksem, hel en donder
vretende varanen

Hoog boven de middellandse zee
enorme ravage van Beiroet
ammoniumnitraat
dat ook in Dordrecht ligt
is men daar paraat?

Tien asielzoekers op een vlot
rode zon die ondergaat
mooie vrouw op een balkon
noordpool zonder ijs
grote roze luchtballon

Wereldleiders met een laag IQ
luxueuze witte jachten
vlakke zee of hoge golven
geelstinkende fabrieken
klimmers onder ijs bedolven

Kind in een woestijn
vliegtuigstrepen in de lucht
vreugde, blijdschap en verdriet
geen vis vandaag
dan wordt het toch weer friet

Jonathan beziet het allemaal
slaakt zijn schorre schreeuw:
“Tjáááá, ik ben nu eenmaal
slechts een simp’le  mantelmeeuw”

 

Gedekt model

Ontsnapt, hij was ontsnapt, uit de knipgrage handjes van de barbier. En hij had al zijn haar nog, tenminste zolang de voorraad strekte, dat wat nog voorradig was.  Hij vluchtte weg, enkele geknipte haartjes hadden zich een weg weten te vinden langs het griezelige kapmanteltje en kriebelden onder het zwarte T- shirt over zijn rug die ernstig bezweet was. Snel, pet en zonnebril op en weg van dat vreselijke oord waar een bedwelmende lucht hing van lotions en gel, hairspray en andere haarproducten.

Eigenlijk, hij wist het, moest hij hulp zoeken. Zijn angst begon traumatische vormen aan te nemen. Ging hij al nooit graag, altijd uitstellen, het was nu erger dan ooit. Was ook dit terug te leiden naar vroeger, was het daar ontstaan? Dat hij lang haar wilde en zijn vader niet? Dat het een erfenis was uit de tijden van verzet? Dat het meer was, een gevoel van onoverwinnelijkheid, zolang de manen ongeknipt bleven? Niet gekortwiekt? Een vogel die men kortwiekt kan niet vliegen.

Het is niet uit te leggen. Zoals zijn kat, Romeo, haarfijn aanvoelde dat het mandje met het luikje zou leiden naar de dierenarts en daar met geen mogelijkheid, tenzij na een worsteling met bloedige verwondingen in te krijgen zou zijn, zo verzette hij zich innerlijk tegen zichzelf wanneer hij tenslotte toch ooit de gang met lood in de schoenen naar de ‘Salon’ zou gaan afleggen.

In een grijs verleden, in de ‘Hoofdstad’ wonende nota bene, bleef hij enkele keren per jaar zijn kapper van vroeger bezoeken, in een dorpje op het platteland, klein en pittoresk. Hoewel hij de op hun beurt wachtende boeren achter zijn rug rare dingen hoorde mompelen wanneer hij kapper Renee, ‘gedekt model, meneer?’, toestemming gaf zijn nieuwe coiffure ‘met de föhn te doen’.
In een latere periode wendde hij zich tot Karl, een kleine goedgemutste en op latere leeftijd uit de kast gekomene en zelfs toen hij verhuisde naar de andere kant van de middelgrote provinciestad, bleef hij deze knipper trouw. Op zaterdagochtenden bereikte zijn auto snelheden tot negentig kilometer per uur door de stille woonwijken teneinde exact vijf minuten voor openingstijd binnen te stappen, de eerste klant te zijn, mede om de verleiding te weerstaan een beduimelde Panorama of Nieuwe Revue open te slaan.

Tot op een gezegende dag een verleidelijke kapster hem vroeg met haar klantvriendelijke stem, hij droeg zijn haar toen, wegens vermeende dunne plekken op de kruin en wijkende haargrens op het voorhoofd, kort tot zeer kort:
“Zal ik het eens met de tondeuse doen, meneer?”
En dat gaf de doorslag, hij zag het licht, een nieuwe, kapperloze toekomst openbaarde zich, onmiddellijk ging hij over tot aanschaf van zulk een apparaat. Haast een decennium lang behandelde hij zichzelf, schoor dat het een lieve lust was, experimenteerde met de diverse standen die deze machine in zich had.
Tot op een dag dat een inzicht bij hem begon te dagen. Waarom  eigenlijk, droeg hij zijn haar zo kort, wat kon het hem schelen? En zo gebeurde het dat het begon te groeien, het haar. En wat bleek, er zat nog leven in, hij was niet kaal, het ontkiemde en het groeide en het bloeide en het was prachtig. Nog dezelfde tint die hij zich herinnerde toen hij jong was, donkerblond en na een lange zomer zonverschoten en nog net zo dun of dunner.

De consequentie van dit besluit, hoewel, het gaat vanzelf, men hoeft er niets voor te doen, was uiteraard dat hij zich vroeg of laat weer tot de schaar moest wenden, ingekapseld door een glibberig kapmanteltje, overgeleverd aan de knipselkunst van een wildvreemde Belinda of Chantal, het gevaar van buiten komen met model bloempot, die rondflitsende schaar rakelings langs je linkeroorlel, kortom, dat dit zou leiden tot het bekende uitstellen spreekt voor zich.
Dat quarantainemaanden daar aan meewerkten ook. Maar toch, het was gelukt. De kritische en goedkeurende blik van zijn Eega sprak boekdelen, snel, groeien met dat haar.