GGE 2021 SORRY TOUR

Evenals vorig jaar rijdt de GGE met de auto tot aan hun verblijfplaats, niks pakweg duizend meter hijgend omhoog naar een berghut stampen – worden ze ouder, of is het gemakzucht. Neen! Het is dat vermaledijde C-woord dat hen noopt akelige regeltjes in overvolle hutten te vermijden, hoewel ze het eigenlijk ook wel prettig vinden, een eigen plekje. Nu nog gekker, ze parkeren in de parkeergarage onder hun appartement, dat nóg gekker, hen gratis tot beschikking staat. Het wordt eigenlijk alleen ’s winters gebruikt om te skiën, terwijl er zoveel andere activiteiten hier ‘doable’ zijn.

Sorry, maar zelf heb ik het wel een beetje gehad, in meer dan tachtig hutten gelogeerd, vaak leuk maar soms ook ronduit vervelend, te vol, met de lange avonden op de harde banken en dan soms met die muffe paardendekens. Dit wordt het zevenentwintigste tochtje van de GGE, slechts Rienk was er altijd bij, ik kon drie keer niet mee, Aad en Edmar nog iets vaker niet. Enkele dagen voor vertrek moest ik voor een griezelig onderzoek naar het ziekenhuis, ik weet nu nog niet waar ik banger voor was, die polonaise aan m’n lijf of de kans dat ik niet mee zou kunnen, de belangrijkste week van het jaar. Verwelkomd door Silvia, de eigenaresse, de bedjes verdeeld, de wc verkend, een blik bier leeg en dan zijn we gearriveerd.
Op het menu; Aad’s thuis gefabriekte fantasiepasta, een goede fles wijn en als toetje de inmiddels beruchte tiramisu van Edmar. Het is snel laat, gespreksstof te over en na een kleine borrel vroeg te bedde.

Melchsee – Frutt, de naam is net zo merkwaardig als het dorpje.
Een verzameling chalets van verschillende leeftijd, een paar boerderijtjes, enkele hotels en het nieuwste hotel staat, uit verhouding groot, precies in het uitzicht naar de Hochstollen, de berg hier recht tegenover. De berg waarnaar ons chalet is vernoemd. Rienk is het eerst uit bed, dan ik, gevolgd door Aad en even later ook Edmar. Grappig, dit herhaalt zich iedere dag in dezelfde volgorde.
Eerst maar eens op verkenning, de andere kant op dan de stroom dagjesmensen die op deze zonnige zondag met de kabelbaan omhoog komt. Bovenlang Bonistock, de twee kilometer lange klimwand, hoogte winnen, acclimatiseren, typisch zo’n eerste dag. Op het omkeerpunt, de ronde top van de Hohmad 2447m. lekker in de zon zittend rondkijken en genieten, simpel van het er weer zijn; in de bergen, met zicht op de Titlis en daar is dat de Eiger? Ja, we zien hem vanaf een andere kant zoals meestal, dit is de Mittellegigrat.

En zoals meestal, tijdens een GGE tocht, Kees is jarig. We zingen hem ‘Lang zal die leven’ toe, lekker vals maar goedbedoeld. We dalen af, braaf de markeringen volgend, tot Rienk en ik de lange omwegen beu zijn en rechtstreeks, padloos willen afdalen richting de Tannensee. We lopen dat meertje rond, terug langs het kerkje aan de oever van de Melchsee, het meertje bij ons dorp. We passen precies met z’n vieren op de bank aan de zijkant van ons appartement, het is vier uur, tijd voor bier.
Op het menu; mijn Terriyakki waar ik op het laatst nog haastig de bijna vergeten roerbakgroente aan toevoeg en een goede fles wijn. Die avond hebben we, net als gisteren, goede gesprekken en vertellen we elkaar verhalen. Zo heb ik onder andere het verhaal van de kunstmanifestatie in Rotterdam, waar ik getuige van was. ‘It is never too late to say; sorry’ (zie mijn verhaal: ‘Never too late’)

Vandaag wordt de mooiste dag van de week, qua weer, dus doen we maar meteen de zwaarste tocht die gepland staat voor deze week. De Alpine Tour Hochstollen, Glogghüss en Rothorn, een graatwandeling gewaardeerd op moeilijkheidsgraat T3, T4, T5. Het zwaarst op deze schaal wordt aangeduid met T6, dus pittig zal het worden, kunnen wij dit? De GGE heeft al vele bergsportdisciplines beoefend, zo’n lange en moeilijke graatwandeling echter nog nooit.
Eerst maar eens op de Scharte zien te komen, gaat het lukken? Ben ik wel goed genoeg, deze keer totaal niet getraind, voelde me al een tijdje niet heel erg goed. Wanneer je twijfelt aan je lijf werkt dat door, fysiek is vaak psychisch. Langs een prachtig verstild meer, ‘Blausee’, winnen we gestaag hoogte, tot we op het diepste punt van de graat zijn waar een nieuw panorama zich ontvouwt. Die ene, zwart afgetekende berg in het vroege ochtendlicht, met de onmiskenbare driehoek, de Eiger en daarnaast de Mönch, de Jungfrau en vooraan, de Schreckhorn; fantastisch.
Sorry, we zullen verder moeten, de eerste van onze drie toppen vandaag torent steil voor ons op. Hoe we er op zullen kunnen komen, dat is nog niet te begrijpen, voorlopig duiken we de schaduw in langs de achterkant.

Altijd onverwacht is daar het kruis op de top te zien, nog een paar meter, op de Hochstollen 2457m. De Melchsee en het dorp ligt aan onze voeten, daar, ons appartement met het bankje, het lijkt of Edmar daar zit.
“Sorry”,
was het eerste wat hij zei toen hij uit bed kwam;
”Ik heb geen oog dicht gedaan en voel me helemaal niet lekker”.
Aad schiet wat foto’s vanuit een nieuw perspectief, hoog van boven met zijn drone. Bloedirritante dingen, dat gezoem boven je hoofd, het gevoel bespioneerd te worden, maar nu blijkt het wel schitterende beelden op te leveren. Verder, afklimmen, steil en lastig, niet te zekeren en de diepte erachter, het is blauw gemarkeerd, tja Alpine…
Wat een fantastische route, dikwijls besef je het niet, een berg is bovenaan vaak heel dun, de top slechts een smalle schijf. Uitzicht naar alle kanten, dikwijls aan een kant loodrecht, de andere glooiend. De hemel is nog blauw, er verschijnen wat kleine wolkjes en een licht sluiertje, perfect wandelweer. We volgen de rondlopende graat en steeds duikt opnieuw ons dorpje op in de diepte.

Nog twee toppen, Glogghüss 2533m. en de Rothorn 2526m., stukken smalle graat, korte gedeeltes met kabel gezekerd en passages dat je denkt, waarom zit hier nu geen kabel? Het lopen over de graat, soms twee schoenen breed, levert geen enkel probleem op, het zijn de lastige wandjes die vrijwel steeds ongezekerd afgeklommen dienen te worden. Alles gaat goed en zelfs de lange afdaling valt mee, gedurende de dag gaat het mij steeds makkelijker af. Vertrokken om 8.10 u. en terug om 16.40 u. De tijd die voor de tour staat is (netto) 6.15 u. dus we doen het best netjes, met de vele fotomomenten en enkele relaxte pauzes erbij. Het wordt dus later dan vier uur, maar de Grosse Weissner op ons bankje buiten, onder de NKBV vlag, smaakt uitstekend.
Op het menu, de bietengalette met geitenkaas van Edmar en een goede fles wijn. Die avond is het muziekavond, de bluetooth speelt alles wat we willen en ieder laat de anderen horen waar hij van houdt, tussen de besprekingen van de wereldproblemen door, onder het genot van een kleine borrel. Het gaat van ‘Voila’, van Barbara Pravi en ‘Rough and rowdy ways’, de nieuwste van Bob Dylan tot aan ‘Zwemmen in Bacardi Lemon’ van ene Mart Hoogkamer.

Goeiedag, wat leggen die twee, Aad en Edmar er een tempo op. Ik doe het even rustig aan, maak me geen zorgen, vertrouw erop dat ik, als oude diesel langzaam op stoom kom, net als gisteren. We zijn weer op weg naar dezelfde Scharte maar gaan in plaats van links nu rechtsaf, naar Brünnighaupt, de markante top waar de graat abrupt eindigt. Ook Alpine, blauw gemarkeerd. En ook nu is het weer zoals altijd, als je als laatste erbij komt, wanneer ze op je gewacht hebben, ze gaan meteen weer verder zodra je arriveert. Hallo, mag je ook even op adem komen. En ik doe het dan ook, even de hartslag iets laten dalen.
“Al dat geloop!”

Steil, bijna padloos omhoog naar de nieuwe graat. Eenmaal daar zien we in de verte de top, met vele tussentopjes ervoor, de graat gaat heftig op en neer, maar wij lopen netjes langs de ’hoogtelijnen’. Ik kom maar niet in mijn ritme, voel me niet helemaal oké, fysiek was toch psychisch? Wat mankeer ik. Extra concentreren op het smalle pad, kan me geen misstap veroorloven, niemand hier trouwens. Even verder is over een steile plaat de afdaling beveiligd met een kabel.

“Wat zijn dat hier voor tuinslangen?”
vraag ik me af, er zit een rubberen hoes om de kabel. Zonder de kabel zou je hier niet langskomen, wel zijn er Petzl haken om te zekeren. Inwendig moet ik toch weer lachen, denk aan de uitspraak van een vriend, over zijn jack van tuinslangenleer, of ook wel kippenlippenleer. Vlak daarna hoor ik een alarmkreet van Rienk. Het schijnt nu serieus te worden.


“Sorry, ik blijf hier wel zitten”,
zeg ik, en Edmar sluit zich bij me aan. Een verticaal stuk dient afgedaald, een stortgoot overgestoken en dan een lange schuin oplopende richel langs de wand waar op regelmatige afstanden touwlussen hangen. Rienk en Aad halen hun gordels tevoorschijn, misschien moeten ze zich zekeren aan de lussen. Aad slaakt een kreet van schrik die verloren gaat in het scheurende geluid van zijn gordel, die volkomen verteerd blijkt. Aiii, beetje jammer, sorry, denk ik, niet handig, dat had je thuis moeten checken, voor vertrek.
“Die heb je zeker gekocht op de markt van Thamel in Kathmandu?”
Met alles maximaal uitgeschoven past Aad in mijn (kindermaatje) gordel. Moeizaam dalen ze af, nu pas zie ik dat er toch een ketting hangt en voel lichte twijfel opkomen, had ik dat geweten. Met verrassend gemak nemen ze de passage langs de lussen en wandelen dan behoedzaam omhoog door de geul langs de wand.
Wanneer ze uit het zicht verdwenen zijn koesteren Edmar en ik ons in het warme septemberzonnetje en ik probeer nu echt eens mijn hele lunch op te eten. Het irritante insect dat ik denk te horen en dat de volmaakte stilte hier verstoort, is de drone volgens Edmar, dan zijn ze dus op de top. Telefoon, het is het nummervan mijn woonplaats, dus ik neem maar op en hoor iets onduidelijks. Is het Rienk met verdraaide stem? ” Ben je op de top?” vraag ik en vraagt dat nogmaals nadat ik het weer niet versta. Edmar zegt dat het Rienk niet is en nu versta ik het, het is Beter Horen met een aanbieding. “Sorry, als ik beter wil horen, bel ik jullie zelf wel”.

“Sorry mannen, ik draai hier om”,
zeg ik, ik voel me helemaal niet lekker, ik ben moe en het rommelt in mijn buik. Het is een beetje regenachtig, we zijn bijna aan het eind van het pad langs de Bonistock klimwand. De bedoeling is een echte lange wandeldag te maken, maar ik zie het niet zitten. Zodra ik terugloop, over het nu geleidelijk dalende pad gaat het meteen beter, minder inspanning. Thuis in base-camp Hochstollen neem ik er mijn gemak van, thee, toiletteren, thee, douchen, thee en wat eten. Pfff, het lijkt iets beter te gaan, fysiek is toch ook inderdaad psychisch. Ik ga het dorp verkennen, daal af naar het meer, rond een stuk oever langs het water en wanneer ik me omdraai is het dorp verdwenen in dichte mist. Het is dat ik mijn eigen gesteldheid nog niet helemaal vertrouw; ik heb eigenlijk zin in een koude (snelle) duik. Later die middag loop ik de mannen tegemoet en zie ze van verre aankomen, van hoog op de Panoramalift aan het meer.
Ze hebben een drie-merentocht gelopen en gelunched aan de Engstlensee met regen en mist op de terugweg. Het is weer happy hour op onze bank, nu onder de GGE vlag, lekker in de zon.
Op het menu; Aad’s currie en gele rijst en een goede fles wijn. Ik drink eens even geen wijn en geen bier. Die avond spreken we over de dingen des levens en de liefde en over monogaam zijn of toch niet onder het genot van een kleine borrel. 

“Sorry, een beetje berggids heeft geen helm nodig, toch?”
en ik laat me terugzakken vanaf het tweede setje dat ik juist inklikte. Klimmen zonder helm, het is not-done, een klein steentje kan fataal zijn. En weer moeten we lachen, toen in de Dolomieten, die overdreven stoere berggids die een groep Klettersteigers begeleidde. Hij droeg als enige geen helm en op de vraag van Aad waarom hij geen helm droeg antwoordde hij:
“Die helm van jou heb je zeker gekocht op de tweedehands markt in Kathmandu?”
Voorklimmen doe ik eigenlijk nauwelijks meer, maar hier moet ik wel en durf ik ook, heel makkelijk terrein met de standplaats al in zicht. Alweer de laatste dag, een heerlijk ochtendje spelen op Bonistock, super ingericht, goed behaakt, de naam, moeilijkheidsgraat en lengte onder iedere route. Ulsbruch, Schneeschmelzi, Sunntigföhn, Judihui.
Ik hang het touw steeds van boven een route verder, het is eigenlijk veel te makkelijk, toch zie ik Rienk en Aad zoeken naar grip en ik vang zelfs het woord ‘verzuring’ op. De volgende touwlengtes na de standplaatsen zijn vaak meteen zevende graads, overhangend en verkeerd om gelaagd, niet te doen. Af en toe valt een heel licht motregentje, de rots blijft onder de geweldige overhang gewoon droog.
Aad’s verrotte gordel heb ik versterkt met een lange prusik en een extra inbindlus, zelfs al scheurt de hele gordel kapot zal hij nog in de prusik blijven hangen. We verkassen naar een volgende sector; onder andere Dia Churz, Mini, Stägli. Aad en Edmar maken mooie beelden met de drone, we zekeren met de gigri en dat is best even wennen. Wanneer je het touw er goed inlegt is het in feite nog veiliger dan alle overige zekeringsapparaten. Ik vind het ontzettend leuk, Rienk en Aad ook, maar voor Edmar die niet klimt waarschijnlijk lang genoeg, dus in een lichte regen pakken we in.

Op naar de Klettersteig die door deze wand leidt tot bovenop, vlak bij het gelijknamige restaurant, waar ook de Boni Bahn, de kabelbaan uitkomt. Zondag zal het ongetwijfeld druk zijn geweest hier. Rienk zit er al een stukje in onder een overhang, wanneer het harder begint te regenen. Edmar aarzelt om verder te gaan. Ik hang tussen hem en Aad in en de stalen treden en de rots worden direct heel glad. Even aarzel ook ik, dan denk ik terug aan de Oskar Schuster en de Bolver Luigi. Die leverden achteraf prachtige verhalen op, maar waren in feite vergissingen. We hadden moeten omkeren toen het nog ging. De ene Via Ferrata was hogerop verijsd en de andere verdween naarmate we hoger kwamen onder een steeds dikker pak sneeuw.
Wij klimmen af, lopen het massief rond en treffen Rienk boven. Op vertoon van de beroemde QR code nuttigen wij een verrukkelijke broccolisoep ter besluit van een weekje Bergen in Zwitserland. Deze keer is het trefpunt waar de laatste blikken Weissner genoten worden het andere bankje, er staat een koude wind en af en toe verdwijnt het zicht op de bergen en de graten die we deden deze week volledig uit het zicht, mist of dichte bewolking.
Het menu; Edmar’s volkorenspaghetti met bloemkool, zonder een goede fles wijn; op. De laatste restjes Schrobbelaer en Oorlam drinken we ook op, het is net als de gespreksstof, ook een beetje op. Maar dat geeft niet; inpakken en de hut schoonmaken; morgen vroeg uit bed voor het tijdslot van de tolweg, deze berg af.
En dan eerst langs het prachtige Vierwoudstedenmeer naar Luzern – waar ik graag nog weer een keer zou willen rondwandelen – de sleutel inleveren bij Inge-Marie en een charme offensief bij haar voor ons beoogde volgende doel; tochten maken vanuit haar appartement in Munster in het schitterende Gomsdal – Wallis.
Later hoor ik dat zij op de Galenstock is geweest, mijn voorstel; is zij de nieuwe beschermvrouwe der GGE – Grosse Galenstock Express?

Uit ‘Never to late’:
https://gerarddentoonder.com/2021/08/26/never-too-late/

En Sorry nog aan allen die ik beledigde
Sorry als het nog niet te laat is
aan hem die ik sneed
en haar die ik vermeed

Sorry, voor doorwaakte nachten
aan allen die mij niet kenden
of die mij wel dachten te kennen

Sorry dat ik aandrong
voor mijn mening of onverschilligheid
dat ik te laat was en te vroeg
of te lief

Sorry aan de medemens dat ik stom deed of juist niets
voor de scherven en gebakken peren
voor mijn humor
dat ik je links liet liggen

en dat ik weg was in gedachten
en dat ik het me verkeerd herinnerde
en dat ik geen sorry zei

Sorry, als het te laat is.

Volzet

Wat zou het leven zijn zonder muziek en liefde.

‘On a dark desert highway, cool wind in my hair’

De klankkasten van de gitaren spatten vonken in het flakkerlicht uit de BBQ. Aan de overkant van de oude picknicktafel buigen Barry en Nina zich over hun g, c en d akkoorden, aan deze kant wordt driftig digitaal gebladerd op zoek naar bijbehorende songtekst. De windstille nacht in de beschutte tuin, de intimiteit van samen zingen en muziek maken, het is een warme omhelzing van geluk. Alle low-budget hutten en waarschijnlijk ook die van boven ons budget waren ‘volzet’;
“Het is het WK wielrennen deez weekend, meneer, het is overal volzet, meneer”.
Dus zingen wij, het kwartet Leiadk klimmers, ‘Hotel California’ in de ‘such a lovely place’ van Lynn voordat wij te slapen worden gelegd in diverse prinsessenbedjes, maar niet voordat ‘House of the rising sun’, John Denver’s ‘Annies song’ en nog meer dichtregels en klanken wegdrijven in de droomloze nacht. Ook ik wil zo graag een bijdrage leveren, wil de vrienden zo graag kennis laten maken met mijn goede vriend Tom Waits; ‘Wasted and wounded, it ain’t what the moon did’uit Tom Trauberts blues. Tegen beter weten in beroer ik de snaren van een gitaar maar ik weet het al, die enkele akkoorden die ik beheerste zijn weggegleden uit mijn vingers. En alleen als ik heel hard zing flapperen mijn stembanden nog enigszins in hoogte heen en weer. Om aan te sluiten bij het culturele gebeuren wil ik graag, maar durf toch niet mijn gedicht ‘Zeemuziek’ voor te dragen.

Wat zou het leven zijn zonder zon en vrienden.

Of klimmen zonder zwaartekracht. Of vrienden aan wie je je leven toevertrouwd of aan een touw van negen millimeter of aan een haak die een onbekende ooit bevestigde. Ter hoogte van Hazeldonk klinkt een juichkreet van Nina,
‘We zijn in het buitenland”,
bij de eerste heuvel weer een en wanneer de rotsen van Beez opdoemen een gelukzalige zucht. Wat heeft ze er naar uitgezien, zo lang niet geklommen, of weggeweest, de vrijheid geproefd. Die rotsen van Beez, altijd de blik opzij wanneer je over de N411 en het ‘Viaduc de Beez’ rijdt. Ze staan er nog, nu hoog oprijzend wanneer we er heen lopen, achter de spoorlijn, onaangedaan. De sporen die mijn teergestel er achter liet onvindbaar.
Op een van de mooiste zomerste dagen van twintigeenentwintig, de warmgestoofde kalk, de muziek van rinkelende karabiners, ‘Blok!’ en de zwiep van vallend touw. We zijn er, wat een feest, met dit clubje zo vertrouwd, het puzzelen, welk massief, welke route. Niet alles lukt, maar ach. Nina krijgt bijscholing van Lynn, boven op de zonnige standplaats. Barry en ik in een route ernaast. Bladerend in de topo herken ik veel namen, gefocussed als ik altijd daarop ben. Zoveel hier geklommen of net niet.


“Het niveau kan me niet schelen, als de route maar een mooie naam heeft,

indachtig eerdere legendarisch geworden beklimmingen. Dit klinkt goed: Masculino ma non fanatico, hm 6a, toch maar niet. Crocodile Dundee en Ballade Nocturne (wel ooit gedaan) ook leuk, maar ik neem genoegen met, liever gezegd, ik dwing mezelf er een voor te klimmen: Moi, je fais de la montagne. Tja, spreekt me wel aan, net terug uit Obwalden Zwitserland, en ik doe het tot mijn verrassing geheel stressloos, net als het ombouwen. Ook L’Hortisculpteur, met stukje licht overhangend gaat vloeiend, kennelijk betaalt de Boni Stock Klettergarten ervaring zich nu uit. Onder me hoor ik gemompel over mijn genderneutrale uitrusting -de ‘metroman’- ik als machoman kan me alles veroorloven. Ik ben nu eenmaal een gevoelig tiepje

Dan hebben we dorst, met de bestofte gear in de rugzakjes, een zanderig touw in de nek en de shirts plakkend van het zweet gaat de bende van de zwarte hand op zoek naar een kroeg. Ik weet er een vlakbij, afgekeurd, te vol in de zon en vlak aan de weg. (ik gaf er ooit een rondje en deed toen in recordsnelheid de rit naar Zeeland voor de lieve vrede en het eten op de verjaardag van mijn schoonvader) Verder dus, de Maas over en terug richting Namen. Daar flitst iets voorbij dat nader onderzocht moet worden. Iets fouts, het glittert en blinkt, de roze stoeltjes zijn niet bezet. Bar a la champagne, ‘La Libertine’. Nu ben ik altijd op zoek naar liberté, naar vrijheid, ik wil alles meemaken in het leven, maar gelukkig is de deur hier gesloten.
“Anders mag ik nooit meer mee van Eega….”
Verderop, na nog zo’n ‘House of the rising sun’ tent, ‘La Desire’, schenken ze in de afgezakte Japanse tuin, onder de ginkgo boom, van ‘Jardin du Thé’ gelukkig niet alleen thee.

Wat zou het leven zijn zonder muziek en vrienden.

‘No Time To Die’. Wat was mijn weekend volzet. Het weekend van het WK wielrennen, van het einde van de anderhalve meter, van de première van de nieuwe James Bondfilm. De zondag na ‘Leiadk’ dompel ik me onder in een geheel andere wereld. Uitgenodigd door Harry en Angela voor ‘Pranzo di Pavarotti’ op kasteel Krabbehoff melden Eega en ik ons in tenue de ville voor een lunch die, in Italiaanse stijl, buiten, de gehele middag gaat duren en volledig in het teken staat van opera. Mylou Mazali, mezzo sopraan en twee tenoren, Eric Janse en Pascal Pittie zingen dertien opera hits, waarvan de helft mij bekend in de oren klinkt. Nu enkele malen zelfs van dichterbij dan anderhalve meter en dat passievol en op volle kracht. Liederen uit ‘La Boheme, La Traviata en La Donne e Mobile’. Mylou, een goede bekende van Harry, vertelt hele verhalen over opera en speciaal over Luciano Pavarotti  en ze komt meermaals aan onze tafel.
Deze ambiance, het gezelschap aan de witte tafels in de tuin, nu weer samen met Eega, het gezelschap en ook van mijn ‘oudste’ vriend en Angela, de muziek, de wijnen, de herinnering aan gisteren, het leven dat razendsnel voorbij rolt en dat toch een keer zal stoppen, het knap opgebouwde repertoire dat naar een climax leidt, zelfs de meezinger ‘O Sole Mio’ die voorbijkomt, dat alles doet mij al eens besmuikt mijn neus snuiten. Maar, na het daverend slotapplaus klinkt opeens Pavarotti zelf, met het lied ‘Caruso’ dat op mijn verzoek klonk tijdens de begrafenis van mijn moeder, toen we de kist de kerk uitdroegen, gaan bij mij de sluizen open, niet te stoppen.

Ach, wat zou het leven zijn zonder muziek en emoties.

De schaduw

‘When I was young it was more important’
Waar komt dat opeens vandaan, dat liedje wat ik blijk te neuriën, hoewel ik het binnen in m’n hoofd eigenlijk keihard schreeuwend zing, zoals Eric Burden & the Animals toen en ik weet het al, de lage septemberzon laat mijn schaduw ver voor me uit lopen en daar lijk ik niets veranderd. Toen dit lied in de hitlijsten stond was ik achttien en mijn profiel bleef al die jaren ongewijzigd.

De schaduw als tijdmachine
Het verleden draag je als een schaduw mee en dat verleden is een schimmenspel, op de vreemdste momenten schieten dingen te binnen die vergeten leken, die een weemoedige glimlach kunnen toveren, die pijnlijke wonden open rijten.

Het geheugen als tijdmachine
Dat is een machtig iets, belangrijker nog dan alle foto’s  in de albums, op de harde schijf of in de cloud. Je kunt op reis gaan in je hoofd, op zoek naar mooie momenten, belevenissen, landschappen, gesprekken, de mogelijkheden zijn eindeloos, zolang de geest helder is, de zon schijnt en schaduw maakt.

‘There is a house, it ‘s called the rising sun
Ook gezongen door diezelfde Animals, misschien nog wel bekender, met een tekst die nog simpeler lijkt en misschien zelfs een diepere boodschap heeft. Een ‘traditional American folksong’ en de naam, ‘House of the rising sun’, die zo mooi vertaald is als ‘De Dageraad’, heeft een geheel andere betekenis, gevangenis of bordeel bijvoorbeeld, ik hou het liever bij de dageraad, dat mooie moment van de dag, een nieuwe dag.

Het zal de lezer misschien opvallen, ik kan het ook niet helpen, naarmate je ouder wordt, wordt de toekomst korter, het verleden langer dus ja, ik ben – soms – een beetje aan het terugkijken. Het is vreemd, maar dat zal ‘de lezer’ misschien ook herkennen, als je even de eventuele pijntjes of klachten vergeet, dan voel je  je, nou ja misschien geen achttien meer, maar toch zeker niet je kalenderleeftijd.
Totdat je per ongeluk jezelf weerspiegeld ziet in een winkelruit of in de spiegel van de badkamer wanneer je ’s nachts toch heel even dat plasje moet doen of wanneer je je op een reünie van school moet voorstellen aan die klasgenoot die jij zelf ook absoluut niet meer herkent.

Mijn schaduw is van mij, me and my shadow, hij (sorry, het is een hij) zal altijd bij mij blijven, onveranderlijk, waarheen ik ook ga. Hij zal me nooit bedriegen, of in de steek laten. Ik ga ook niet, dat modieuze, er overheen stappen. Nee, ik zal mijn schaduw volgen waarheen hij mij ook brengt, ik beloof het.

Zou zomaar een rocknummer kunnen zijn:
‘Your shadow is a Timemachine, Yeahhh!’
Niks geen geneurie, keihard schreeuwend gezongen.

ALS HET REGENT IN MEI

De secondewijzer van de eenvoudige wijzerplaat van mijn Bering polshorloge tikte 18 seconden weg tijdens het opschrijven van deze zin.
‘Time is an ocean but it ends at the shore’,
zong Bob Dylan. Alweer 18 seconden dichter bij het einde.
‘Nader tot U’
zou G. Reve gezegd kunnen hebben.

In menig mensenleven gebeurt wel iets dat berust op onwaarschijnlijk toeval, of het is iets ongelooflijks, niet uit leggen, misschien is het zelfs een kijkje in een vreemde dimensie of een andere werkelijkheid. Ieder mens maakt beslissingen en keuzes, waarvan het vaak gissen is of dat besluit van toen wel zo verstandig was, het blijft immers onduidelijk welke invloed dat had op de verdere levensloop, wellicht was men aan menig onheil ontsnapt, of was men van vreugde of rampspoed gespaard gebleven wanneer men ja of nee gezegd had, simpel rechts in plaats van links was gegaan.

Bovenstaande wijsheden ontsproten niet aan mijn eenvoudig brein, het zijn flarden die ik mij herinner, van wat mij werd toegefluisterd, dat wat ik opving in het oorverdovend lawaai in de buik van de Walvis. De man, die plots naast mij opdook, gezegend met een Grieks profiel, qua neus en snor, meer werd ik niet van hem gewaar in de duistere heksenketel, sprak gejaagd, het was hem kennelijk zwaar te moede en, zo was mijn inschatting, hij droeg een groot geheim met zich mee. Dat wat hij mij toevertrouwde in die korte tijdspanne was mij wel duidelijk, de grote vergissingen in zijn leven moesten geheim blijven en ik zal ze dus hier niet publiek maken.

Wie deze man was, hoe hij onverhoeds plaatsnam in mijn zwarte gezinswagen is me tot op heden een raadsel. Dat dit alles passeerde in de vijf minuten dat ik door de hallucinerende borstels en waterstralen en kleuren van de regenboog verlichting van de wasstraat werd gesleurd, een betere plek om een geheim te delen is haast ondenkbaar. Het leven is kort – cliché – en de enige zekerheid die men heeft is dat men op zeker moment zal sterven. Met dit soort gezegdes – ‘Als het regent in mei, is april voorbij’ –  en ‘Alles is altijd maar tijdelijk ‘ lardeerde de man zijn haastige relaas. Ook vroeg hij mij, of was het slechts een hardop denken, is er een kansberekening, hoeveel procent kans heeft de mens op een bepaalde hoeveelheid geluk, in de vorm van liefde, gezondheid en of geld, of miserie als pijn, tsunami’s, aardbevingen of andere ellende.

“Vanaf hier wegrijden”, doemde op achter de laatste woest over de voorruit vegende tentakels en ik startte de motor van mijn wagen en als verdoofd reed ik langzaam door de donkere ruimte in de richting van de verlichte rechthoek waar ik het volle leven vermoedde, waar de zon scheen, de kinderen en de vrouwen lachten en de aarde in die vijf minuten onverstoorbaar alweer duizenden kilometers verder was geroteerd in de onverschillige oneindigheid. Echter, voor ik bij die helverlichte uitgang was viel mijn oog op het dashboard, daar draaide als in een lichtkrant een dichterlijke tekst voorbij, voor zover ik die heb kunnen onthouden, want zodra ik buiten was, in het volle daglicht vervaagde de tekst en verscheen gewoon zoals altijd de kilometerstand en het toerental en de gebruikelijke symbooltjes. In mijn herinnering was het zoiets als dit;
Het was een lach vol stilte zeker niet van oor tot oor was het spot of medelijden troost of liefdevol verlangen de vogels zagen het gebeuren hoe ze naar hem lachte….
Van de man met de Griekse neus geen spoor. De secondewijzer van mijn smaakvol Bering polshorloge blonk op aan mijn linkerarm, heel even.

travelers’ directory

In het jaar onzes Heren 1977 ontwierp ik de omslag voor het – goed gevulde – adressenboek van travelers’ directory. Op deze adressen kon men gratis overnachten, mits men zelf ook slaapplaats aanbood. In North Carolina, New York, Pennsylvania, maar ook in Utrecht en Amsterdam. Couchsurfing avant la lettre, internet bestond domweg nog niet.
Het was de tijd van rondliften en leven van weinig geld en veel luf & pies. Het boekje werd gedrukt in Amsterdam waar ik anno 1977 ook een vaste verblijfplaats had. Dat drukken gebeurde weliswaar illegaal door mijn vriend Harry, hij liet zich simpel insluiten en door het kelderraampje van het souterrain waar de huisdrukkerij zich bevond, kon ik ook binnen.

Vierenveertig jaar later, op een kenmerkende grijze zonloze dag van het jaar 2021, fiets ik met hoge snelheid zonder haast naar de stad, tot ik opeens gemaand wordt Halt! te houden. Harry en een mij onbekende figuur: “Gerard! Dit is Scott!”
”Scott?”
“Ja, uit New York, van Travelers’ Directory, de editor”. Dan gaat bij mij een lampje branden. Ongelooflijk toeval, Scott logeert nu bij hem en Harry laat hem, op de fiets, de schoonheid van ons landje zien. Harry had Scott al verteld dat ‘the artist’ van de omslag van dat jaar ook in deze stad woont.

Onderweg naar het centrum passeer ik een wandelend jong stel met rugzakken, aan die van hem bungelen een paar lege blikjes en op die van de bruid prijkt een bord met de tekst: ‘Just Married.’  Even verderop heb ik geluk, de brug Riedijkshaven die bijna nooit open gaat, staat omhoog om een binnenvaarder door te laten. De Vincita (= Winnen) uit Terneuzen. Aan de Merwedekade ligt een enorm riviercruiseschip uit Basel, haveloos en naamloos.
En ik heb alweer geluk, de tijdelijke Engelenburgerbrug, de oude wordt totaal gerenoveerd,  gaat net open. De zware staalplaat wordt simpel met twee staalkabels piepend omhoog getrokken. Een fraai lichtblauw zeiljacht tuft vanuit de Nieuwe haven de rivier op.
Ook de volgende brug, de Mazelaarsbrug draait open. De naam Mazelaars komt van de zakkendragers, zij die vroeger de schepen losten met zakken op hun rug, de schepen die van de Maas hier binnen voeren. Het lichtblauwe zeiljacht van zojuist zoekt kennelijk  liever een plekje in deze haven, het Maartensgat. Een stukje verder kom ik het pasgetrouwde stel tegen en zacht fluister ik hen toe in het passeren; “Veel geluk”
en fiets door zonder reactie af te wachten.

Bij Villa Augustus plaatst juist de presentator en dichter van de documentaireserie ‘Na de vloed’ een klein kindje in zijn auto. Een professioneel gemaakte film over de gevolgen voor Dordrecht van de Sint Elisabethvloed  en de toekomst van de stad met stijgend zeewater. In de remmen knijpend roep ik hem toe:
“Complimenten voor de prachtige serie Na de vloed!”
Ik hoor een verbaasd; “Dankjewel!”

Zodra ik thuis ben ga ik op zoek, in stoffige dozen op zolder waaruit een muffe lucht opstijgt bij opening. Ik moet dat boekje ergens hebben, tussen stapels oude tekeningen, ontwerpen en drukwerk en andere zaken die niet weg mogen, die steeds mee verhuisden.
Op het moment dat ik het vind in een plakkerig plastic opbergmapje, met de originele tekening en offsetplaat erbij krijg ik een appje van Harry; “Lekke band!” met een foto erbij, precies voor het huis waar ik exact de looptijd van mijn hypotheek woonde. Inderdaad op pagina 1, Editor Scott Lewis en Artist: – mijn naam. ’Printed  in the Netherlands by the Graphic Bull Studio’. (Harry)

Als voorwoord een citaat uit het boek ‘Travels with Charley’ van John Steinbeck, hoe hij door de US reist met zijn kleine camper en de poedel Charley. Een pocket uitgave die ook in mijn boekenkast prijkt. Uiteraard moest ik Scott beloven dat whenever ik naar the States zou gaan, ik bij hem, in the suburbs van New York kom logeren. The city that never sleeps, staat al heel lang op mijn longlist. Echter, er is a small problem, hoe overwin ik mijn vliegschaamte.

Never too late

‘De omgeving van de mens is de medemens’. Dat deze spreuk van dhr. J. A. Deelder zeer van toepassing is blijkt al snel wanneer ik mij een halte te vroeg uit het te volle treintje wurm en me in de drukte van Rotterdam stort, teneinde een aantal mijzelf opgelegde opdrachten vandaag af te werken. Te weten, de performance die al jaren aan de gang is, vlakbij mijn toenmalige werkplek en nog nooit gezien heb – en dat kan dus niet (Kunst!) – midden op de Coolsingel, plus het nieuwe Depot van museum Booymans  van Beuningen. Bijblijven.
Naast station Blaak blijkt opeens een open kelder te zijn gebouwd, als fietsenstalling, met gezellige boompjes op de bodem, nieuw voor mij. Even verderop twee enorme metalen voeten aan weerszijden van het nu lege marktplein. Kunst! Getiteld; ‘Iedereen is dood, behalve wij’. Naarmate je er verder langsloopt veranderen ze van vorm, geweldig. Bloemperkjes en een heuse watervalmuur, leuke dingen voor de medemens, ingewikkeld uitlegbaar maar het heeft allemaal te maken met de Binnenrotte.

Uiteraard ben ik, zoals altijd, te vroeg, moe word ik ervan, van mezelf, de performance is altijd exact om twaalf uur, niet meer dagelijks nu, maar elke woensdag. Dus dan maar meteen door naar het Depot. (haast)
Op weg erheen over de altijd fijne Westersingel, pik ik daar de nieuwste aanwinst mee, de metershoge ‘De Vlecht’ van ineengevlochten staaldraden, lastig na te vertellen statement, iets met feminisme.
Pal voor het kantoor van Inez Weski plof ik neer op een van de lange banken waar geen dakloze ligt te slapen, even zitten in de zon.
Dan het Depot, waanzinnig mooi, een enorm komvormig gebouw, weer een aanwinst voor deze architectuur minnende stad.
Nu ik toch in de buurt ben, loop ik verder door, kijken waar hij woonde, Jules, en inderdaad, de gevel is net zo strak als zijn pakken waren, gele steentjes, jammer dat de ongetwijfeld van oorsprong stalen kozijnen vervangen zijn door dunne witte kunststof, een kunstsóf zou hij gezegd kunnen hebben.
Nu moet ik toch wel haast maken, terug, maar dan wel dwars door het paradijs voor lezers, boekhandel Donner, groter dan ooit nu.

Bij de glazen vitrine waarin de roestvrijstalen roeptoeter staat, hebben zich al enkele medemensen verzameld, we kijken naar elkaar met een zekere binnenpret, noem het voorpret, noem het medemensen gevoel, wij weten wat zich hier gaat afspelen.
Dertig seconden voor twaalf, net als ik al denk, zul je net zien, is hij ziek, de omroeper, komt hij er aan. De figuur die ik al verwachtte het te zijn, zag hem drentelen achter de Bigmac hamburgerhel, waar ik in de roaring seventies mijn maandagochtendkoffie scoorde, komt heel relaxt opvallend onopvallend aanwandelen. Ontsluit de twee sloten, neemt de spreekbuis ter hand, zet een enkele pas voorwaarts en roept, heel hard en onverstaanbaar:
“It ’s never too late to say, sorry”
Heel eenvoudig plaatst hij de megafoon terug, sluit de deur en wandelt rustig verder. Een performance van een minuut, die ik voor een goud had willen missen. Kunst.
Het kan mensen raken en het kan onverschillig laten. Zoals Kabouter Butplug veel stof deed opwaaien ( ik beken dat ik toen niet wist wat dat was, een butplug)  en nu weer de ‘klimwand’ kunst in de Tweede Kamer, zo doet het plan ‘Rivier, Boot, Stad’ de burgerij van Dordrecht in woede ontsteken, wat mij betreft is het kunstproject nu al geslaagd. Sorry.

En ook Sorry aan allen die ik beledigde
Sorry als het nog niet te laat is
aan hem die ik sneed
en haar die ik vermeed

Sorry, voor doorwaakte nachten
aan allen die mij niet kenden
of die mij wel dachten te kennen

Sorry dat ik aandrong
voor mijn tranen
voor mijn mening of onverschilligheid
dat ik te laat was en te vroeg
of te lief

Sorry aan de medemens dat ik stom deed of juist niets
voor de scherven en gebakken peren
voor mijn humor
dat ik je links liet liggen
en dat ik weg was in gedachten
en dat ik het me verkeerd herinnerde
en dat ik geen sorry zei

Sorry, als het te laat is.

Purmerend

Als de pensionado niet oppast wordt hij aan alle kanten voorbij gelopen. Binnen de kortste keren staat hij aan de zijlijn, ‘kan je niet meer mee’. En het predicaat ‘ouwe lul’, is wel het laatste waar de gemiddelde P mee geassocieerd wenst te worden. Tenminste wanneer ik voor mezelf spreek, hoe kijkt de wrede buitenwereld aan tegen deze, zich manhaftig tegen de tand des tijds verzettende figuur.
Het is geboden bij te blijven, met de tong op de schoenen, met de immer sneller vernieuwende betaalmethodes, belastingaangiften, doorkliklinks met de daaraan verbonden op de loer liggende valkuilen van phishing en erger. Men moet mee in de vaart der volkeren.

Was ik – vroeger, als je dat woord nog mag gebruiken, zonder voor ‘dor hout’ te worden uitgemaakt – tégen. Ik zag het om me heen: toen ik nog werkte, medeforensen die in de trein hun huisvrouw die in de soep stond te roeren toefluisterden in hun Nokia’s dat ze eraan kwamen, dat ze in de trein zaten. Tenslotte was ik om en kocht zo’n ding, nog hoor ik de verbaasde reactie van mijn dochters wanneer ik hen belde om te zeggen dat ik bijna thuis was. Nu schiet ik in de stress wanneer ik merk vertrokken te zijn zónder mijn peperdure phone.

Lang stelde ik het uit, verdomde het een ticket uit de automaat te halen, kocht mijn vervoersbewijs zolang mogelijk bij het loket. Niet meer voor te stellen nu, maar de aanschaf van de OV-chip stuitte op verzet en het verlaten van stations waar nog geen werkende poortjes stonden opgesteld voelde als een bevrijding.

Links en rechts wordt de P ingehaald. Wie heeft nog cash op zak? Wie klooit nog bij de parkeermeter? Wie staat nog onnodig lang te wachten bij het stoplicht, met de Schwungapp springt het licht sneller op groen, per fiets. Ook zo iets, heeft men als P geen E-bike, staat men meteen met een-nul achter. Aan alle kanten vliegen ze je voorbij, die luie E-bikers, relaxt achterover hangend.
Namelijk, op dit front ben ik nog niet om, tégen! Teneinde de hartslag omhoog te jagen put ik dit lichaam graag ietwat uit. Dat dit consequenties heeft voor vriendschappen neem ik op de koop toe, gezellig een dagje samen fietsen kan niet meer. Ongelijke strijd.

Maar nu nog gekker; fiets ik laatst, op een van die zeldzame zomerdagen dit jaar, met mijn gebruikelijke kruissnelheid van tweeëntwintig kilometer uit de stad – wind mee, zon in de rug – naar huis, komt uit een zijstraat van rechts een step. Een elektrische. Ik neem voorrang, juist of onjuist? Glimlachend denk ik terug aan mijn eigen step, rood met van die dikke witte bandjes en hoe hard je daarmee kon vallen in de brandgang achter het huis en hoe dat kolengruis gemeen in je schaafwonden bleef prikken en aan het liedje:
‘Bent u misschien bekend
weet u misschien de weg naar Purmerend?
Op de step
op de step
ik ben zo blij dat ik hem heb’

Even later word ik ingehaald, hoe gek wil je het hebben. Door een step. Zo’n, jongere, ontspannend staand op zijn zwarte step en ik krijg zicht op zijn opgeschoren nekkie, de haartjes bovenop glimmend in de gel achterover, de witte draadloze oortjes in zijn oren steken helder af tegen zijn gebruinde teint. Het bruin- oranje ensemble in de snit van een katoenen trainingspak van Dolce & Gabbana, of moet ik huispak zeggen fladdert om zijn afgetrainde corpus. In de rechterhand bestudeert hij op zijn IPhone de binnenkomende appjes van zijn scharrel(s).
Op dat moment gaat dan bij een P het licht uit, wordt hij moedeloos, de boot gemist, de ratrace verloren. Aan verre horizon gloort de rollator.

Verstandig

“Doe het nu niet, zie er toch alsjeblieft van af”,
werd me van verschillende kanten toegeroepen toen ik mijn eerste huis wilde kopen. Toegegeven, het was oud, niet groot maar romantisch. Onderaan de dijk, een van de laatste huizen van de stad, hier begon het buitengebied, de polder. De stad was hier nog dorps, met zingende telefoondraden aan houten palen op de dijk. Goed, de vloer liep scheef, de voordeur was verrot en wanneer je de achterdeur wat driftig sloot viel de achtergevel er net niet uit.
Maar we waren verliefd, op elkaar en op dat huisje op die plek. Ik sloopte de keuken er uit en parkeerde die in de tuin. Nadat handenwrijvende keukenboeren hun prijzen verklapten plaatste ik de natgeregende boel haastig weer terug. Die tuin waar onze aardappelen groeiden en de rode bessen en de druiven en waar vier zwartbruine Barnevelders voorzichtig hun eitjes legden en de zon scheen. En waar ik, na veel denkwerk geheel zelfstandig een schuur bouwde.

“Zou je dat nu wel doen, dat wordt niks”,
werd me vier jaar later ingefluisterd toen ik mijn tweede huis wilde kopen. Toegegeven, het was een krot, het was nog ouder, iets groter maar romantisch. Bovenaan de dijk nu, een van de laatste huizen van de stad, met uitzicht, kilometers over de polder tot aan de Biesbosch. Aan de andere kant, in de verte, rukte de bebouwing van de stad op. Ook hier liep de vloer scheef en was de voordeur verrot. En de kozijnen ook. Ik sloopte de keuken er uit en bouwde er in de andere kamer een nieuwe oude mee. Toen het water in de stortbak bevroor werd het tijd het houtkacheltje te vervangen voor een gaskachel.
De tuin die gigantisch was, werd veranderd van moestuin tot een groen paradijs, honderddertig bomen en struiken geplant. De buitenmuren voegde ik opnieuw en schilderde alles steeds opnieuw weer wit. Net zoals het vorige huis kreeg ook dit huis een nieuw dak. Met veel denkwerk creëerde ik twee slaapkamertjes voor onze meisjes op zolder. Veertien kippen, paarden in de wei, alle soorten groenten en fruit. Selfsupporting willen zijn, het is mogelijk, maar het is heel, heel hard werken. De kruidentuin, de hangmat, de kampvuurcirkel, de feestschuur, het was een groene oase in de nieuwbouwwijk die ons langzaam maar zeker omsingelde. Na exact de looptijd van de hypotheek kocht ik mijn derde huis.

“Is dat nu wel verstandig, doe het nou niet’,
ik heb het niet gezegd toen die ene dochter een huis kocht met veel hout en een keuken uit het sprookje ‘Duizend en een nacht’. En ook niet toen ze weer een huis kocht, zo gigantisch groot dat ik haar ervan verdacht een B&B te gaan beginnen. En ik heb het ook niet gezegd tegen die andere dochter toen die een huis kocht met veel grond en veel ‘potentie’.

Idealen, het is goed om ze te hebben, leef ze na, leef je droom.

De cursus Mens-erger-je-niet

Moest hij het beschouwen als een cursus eerder dan een spel? Een leren omgaan met. Ja, zo had hij het zich voorgenomen. Was hij daar nu zoo oud voor geworden? Zijn laatste dagen, maanden, hopelijk nog jaren te laten vergallen, zich te laten opvreten in zijn innerlijke ik door wrevel en chagrijn? Om dat vervolgens vuilspuitend en – bekkend te uiten en zich schielijk te verontschuldigen bij zijn lief, het was maar een grapje, humor! Neen, zo beloofde hij haar en ook zichzelf, ook al zou het moeite kosten, hij moest het kwijt, weg met die ergernis, dat zinloze ergeren. En ook, zo nam hij zich voor, hij zou ‘zich niet meer irriteren’ aan, het foutief gebruiken van dit woord, immers het is ‘zich ergeren aan’ en ‘het irriteert me’.

Het blaffen van de hond, de harde stemmen, het niet aflatende getimmer met daarbij het kennelijk noodzakelijk voortdurend alles afspuiten met de lawaaiige hogedrukspuit van en door de buurmannen, dat alles gaat voortaan volledig genegeerd worden. Met een vriendelijke glimlach laat hij alles over zich heen komen, als les 1 van de cursus Mens-erger-je-niet. Daarbij hoort ook de onlangs getimmerde buitenkeuken van voornoemde buurmannen – het zijn er drie, broers en allen dikbuikig – en de daarmee onlosmakelijke geur van te zwart gebraden te veel vlees.

De tweeëntwintig postduiven – nooit vliegende ratten zeggen – die de andere buurman op mooie dagen loslaat voor hun zinloze rondjes rondom het huis exact op het moment dat hij zich in gezelschap van een aantal goede vrinden aan de goedgevulde dis op de buiteneettafel wil zetten, zullen vanaf heden zijn goede humeur niet meer verpesten, in tegendeel, ziet, hoe de ranke lijfjes het luchtruim doorklieven en hoe schoon zijn deze schepselen, de wonderen der natuur. Te beschouwen als les 2.

Trouwe lezers zullen het zich herinneren, het artikel ‘Honds’ dat diverse tongen deed losmaken en waarin het handelt over het gelijknamige gedrag van dier en bezitter. Immers, vindt men ooit nog een kunstig gedraaide hondendrol in de publieke ruimte? Neen, die kans is vrijwel tot nul gereduceerd, dus laten we blij zijn met zulk een vondst. Met een jubelsprong zal hij er overheen vliegen, zweven is een beter woord. De vogels en de honden en de buren en alle dieren des velds, allen zullen hem even dierbaar zijn. Deel 3. De ergernis werpt hij ver van zich. Wanneer hij in een nabije toekomst wederom besnuffeld, beblaft, dan wel besprongen wordt door een huisdier, dat volgens zijn bezitter ’niets doet’ , dan zal hij de pootafdrukken op zijn kledij koesteren.
Les 4 van de cursus Mens-erger-je-niet.

De andere buurman, iets verderop, die samen met zijn buurvrouw de stilte van de zomeravond kleur geeft met het bruisend zoemen van hun hottub zal hij bemoedigend toeknikken, zo van: “Heus, het is helemaal niet gek”.  Hij zal het minzaam glimlachend ondergaan, evenals dat van het buurjongetje dat alleen maar kan gillen boven het brommen van het opblaaskussen. Hij zal er van genieten, zich koesterend in zijn afgebakend kleine paradijsje waar de lavendel geurt en het koolmeesje af en aan vliegt teneinde haar kleintjes te voederen met kleine wormpjes en dergelijke.

En tenslotte de afsluitende les die zal gaan om ook de aanblik van de oude aanhangwagen – het woord sjofel, voor wie het woord nog kent, is hier van toepassing)  van de andere buurman te omarmen die voor onbepaalde tijd is vastgeketend aan de boom precies voor zijn voordeur. Alles went, behalve een vent en alles went, zelfs hangen. Eén ding dus voor ogen houden, want het is gewoon zo, hij bezorgt geen overlast, hij niet.

Citaat van ‘Loesje’; ‘Ik ben gestopt met mopperen en ik ben een stuk gelukkiger geworden’.