L ‘Étranger

Temidden van een zaal vol Cineville-volgers hoor je het verhaal over deze film. En over het boek dat, zo vertelt de enthousiaste bioscoopeigenaar, een van de meeste verkochte boeken in Frankrijk was. En wie had het niet op zijn leeslijstje staan, toen op school. Nou, jij niet, je had wel Franse les, in totaal zelfs zeven jaar maar om nu te zeggen dat je Frans spreekt, nou nee.

Ach die arme monsieur Louvain, de aardige leraar die jullie probeerde wat Frans bij te brengen, hij werd zo gepest en wat interesseerde Frans jou toen. Maar ja, als een leraar op een Solex naar school kwam stond hij meteen met één-nul achter. Terwijl je Frans nu een mooie taal vindt en Frankrijk zo’n fijn land, om over Parijs maar te zwijgen.

Het boek L’Étranger van Albert Camus is in 1967 al verfilmd met onder andere Marcello Mastroianni en nu dus opnieuw. Op de vage beelden die ik vond op YouTube is niet te zien of Mastroianni de rol net zo uitdrukkingsloos speelt als Benjamin Voisin nu. Want daar gaat het in feite om, de hoofdpersoon toont geen enkele emotie. Niet om de dood van zijn moeder, om de moord die hij pleegt, noch in de verhouding die hij heeft met zijn vriendin. Existentialisme, het thema van het verhaal in boek en film. Wat heeft het voor zin, het leven, leuk allemaal dat er hier een verhaaltje over geschreven wordt. Voor wie eigenlijk. Zo sta je weleens in de rij voor de kassa in de supermarkt en staar je naar buiten waar het motregent, achter je duwt een iets te gezette vrouw haar karretje tegen je aan, werktuigelijk leg je jouw boodschappen op de lopende band, strijk je met de pinpas, hoor je in de verte het ‘Fijne dag’ en denk je, ‘this could be anywhere’. Excuus, jouw Frans is niet best. In Parijs zei je laatst in vloeiend Frans: ‘Je ne parle pas Français’. Dat had je niet moeten doen.

Natuurlijk, toen je vorig jaar met je linkerpink aan die rotswand hing met het duizelingwekkend diep dal onder je, had je wel dat gevoel van ’Ik lééf!’ Net zoals je op een zonnige voorjaarsdag over een geheel verlaten strand dwaalt terwijl in de verre verte de zee ademhaalt of toen je letterlijk de overweldigende magnetische kracht van de Nuptse en de Lhotse en de Everest aan je lichaam voelde trekken, maar ach dat zijn momenten. Op een andere dag kun je denken, ach ja, dat is waar ook, dat was toen, maar had dat nu enige zin?

In de film gaat Mersault, de hoofdpersoon – ‘De Vreemdeling’ – met zijn vriendin Rebecca naar de bioscoop. Terwijl ze opgaan in hun hartstochtelijke kus verschijnt op het doek achter hen de onwaarschijnlijke lach van Fernandel, een vervreemdend beeld. Pas helemaal op het eind van de film blijkt de flegmatieke Mersault toch emoties te kunnen tonen. Een Franse film, zwart-wit, in het Algerije van de jaren dertig, hoe fotogeniek wil je het hebben? En dan ook nog een film met een open einde.

De telefoon blijft maar blieben; Duolingo herinnert je eraan het dagelijkse kwartiertje Franse les nog te doen. Je hebt het boekje van Albert Camus aangevraagd in de bieb, makkelijk, hoef je niet zoeken, staat het gereserveerd voor je klaar. Omdat het kan. Je gaat het lezen, denk je.

Gaafland

Nooit bij stilgestaan, totdat iemand je erop attendeerde. Verbaasd staarde je naar de datum op je rijbewijs. Verhip, die datum ken je, het is je verjaardag en kennelijk ook de dag dat de geldigheid ervan verstrijkt. Het schijnt maanden te gaan duren, de aanvraag voor een nieuw. Terugrekenend, over een half jaar is het zover, tijdig beginnen dus maar.
Niks ervan, Plof! Een brief van het CBR op de mat:
‘Geachte heer, uw rijbewijs verstrijkt…. Ga naar ….’

Online een rijtje medische vragen invullen met NEE en betalen. Ploeng! Een CBR-mailtje met de vraag om een medicijnverklaring van ‘UW’ apotheek. Het vriendelijk apothekersbaliemeisje reageert verbaasd:
’Maar meneer, u gebruikt helemaal geen medicijnen?’
Jij antwoordt dat jij dat ook heus wel weet maar het CBR niet. Ploink! Weer een CBR-mailtje, nu met de opdracht tot een medische keuring en betalen.

Wat een Gaaf Land zei onze appeltjesetende geinponum MP. (wel betalen) Je hoeft niets zelf te bedenken, het wordt voor je geregeld, nagedacht, ontzorgd door onze verzorgingsmaatschappij. Doe echter niets verkeerd, maak geen foutje want voor je het weet verword je tot slachtoffer.

Als je de te hoog gegroeide struiken in het Gemeentegroen naast jouw tuin zelf kortwiekt pleeg je een strafbaar feit. Maak dus een melding op de Gemeentelijke FIXI app. Ploeing! Melding: Uw melding is ontvangen. Na drie dagen word je gebeld en je legt het uit. Na een week wordt er aangebeld, de melding wordt geschouwd en er gaat overleg plaats vinden. Na een week word je gebeld: de prunus kan slecht tegen snoei. Na de bloeitijd kan het enigszins en je beloofd te melden wanneer de – overvloedige en roze – bloei voorbij is. Dan komen ze. Snoeien. Gaaf.

Na twee weken ben je aan de beurt, jouw eigen huisarts mag jou niet keuren. Vlak om de hoek blijkt een geblindeerd keuringskamertje. Daar mag je je plasje inleveren en wordt het gezichtsvermogen getest. Ook de bloeddruk wordt gemeten en die blijkt wat hoog, bij navraag. Die getallen zeggen jou overigens niets maar volgens de keuringsarts kan dat. Het is misschien een ietwat onwennige situatie én hij heeft je twintig minuten langer laten wachten voordat je aan de beurt was. Je schiet in de lach, dát was het, geduld…

Nog voordat je thuis bent, voel je in je jaszak Ploeingk! Een CBR-mailtje met goedgekeurd. Nu alleen nog lachen naar het vogeltje. Oh nee, geen gelach op de pasfoto. En betalen.

Buurmeisje

Natuurlijk, dit boek had evengoed een andere titel kunnen hebben. Bijvoorbeeld ‘Onthutsende Bekentenissen’ of ‘Mensenmens. Of ‘Eten jullie nog vlees’, naar een ogenschijnlijk willekeurig zinnetje uit een verhaal.

En wat heeft het Buurmeisje gemeen met die Maserati, hoezo Formidable, wat zijn dat voor Bekentenissen en is er al niet genoeg Nepnieuws tegenwoordig? In een bundeling van meer dan honderd ‘verse’ verhalen neemt den Toonder de lezer mee in zijn gedachtewereld. Op reis in zijn zoektocht naar ‘het alleen op de wereld gevoel’, de liefde voor het strand en passie voor de bergen. Maar ook in zijn kijk op het leven om hem heen, soms meedogenloos maar vaker liefdevol. Is het feit of is het fictie? Niet alles is waar; zoals een spreuk van zijn vader luidde: ‘Het is allemaal waar gebeurd en als het niet gebeurd is, kán het nog gebeuren.’

(tekst op de achterflap van mijn nieuwste ‘schrijfwerkje’)

online overal verkrijgbaar – maar vooral via bookmundo.com

Tegen heug en meug

Zoals gewoonlijk lag hij lang wakker, teveel gedachten malend door zijn hoofd. Sliep hij net of toch nog niet toen hij zijn Eega voelde stommelen. Geluiden die je liever niet hoort klonken uit de badkamer. Hij kreunde en voelde medelijden met zijn lief. Het was nog geen uur later toen ook hij dringend het bed moest verlaten. Het werd een horrornacht waarin de twee elkaar aflosten op de kille badkamer.

Zoals er van alles door zijn lijf raasde, zo kolkte het in zijn hoofd; ‘Ojee , het heerst weer.’ En oja, de griepgolf, de H3N2 stam van griep A. Nou lekker dan, coronaprik gehaald, welja, griepprik ook, kan er nog wel bij. Onee, wat een ellende, dacht hij wankelend op zijn benen tussen bed en toilet, de presentatie morgen, waar hij lang naar uitkeek, vergeet het maar en de afspraken in het weekend ook.Onvrijwillige opsluiting, terug naar ‘quarantaine’. Voorzichtige kopjes thee, wat blijft erin, een Maria-kaakje, nergens zin in. Met een ongewassen ongeschoren kop lodderig kijken. Naar niet eindigende voor- en nabeschouwingen op tv over schaatsen in Milaan. Olympische winterspelen met Conijn, Wanatabe, Beune, Lollobrigida, de Boo en Ghiotto. Het beeld toonde dikwijls veel oranje.

Half verdoofd kwam het allemaal niet echt binnen en de vreemde sporten als skeleton, biatlon en curling al helemaal niet. Daar bij Cortina d’ Ampezzo, hij was er ooit vlakbij, die stad achter het magische bergmassief, Tre Cime di Lavaredo. Waar hij de top van Monte Paterno beklom, nu slechts een vage herinnering. De bobsleebaan bij Cortina die speciaal voor dit evenement werd gebouwd, kostte 118 miljoen euro. Een deelnemer rodelt in nog geen minuut naar de finish. Hij wilde er niet over nadenken, alleen maar lusteloos, met influenza gierend door het lijf, staren naar de winnende race van een beroemde influencer met mascaratraan. Rillerig, warm en dan weer koud.

de droom

Kijk, ik ben er natuurlijk ook één, één van die honderdduizenden mensen die zich verstoppen achter hun laptopje en op een zondagmiddag of misschien midden in de nacht heerlijk hun gedachten toevertrouwen aan de geheime krochten van dat apparaat. Die verder zwoegen om een eind te breien aan dat verhaal, of de inspiratie uit hun tenen proberen te halen, of die niets vermoedend op straat lopend iets zien en plots een idee hebben om over te schrijven. En dat laatste overkwam mij zojuist.

Ik was er al eerder omheen gelopen, heel voorzichtig in het hoge gras, alle hondenpoep ontwijkend, om dat vreemde beeld dat er al heel lang staat. Daar op de Wantijdijk, plompverloren neergezet lijkt het. Hufterproef, dit haal je niet even weg, een groot liggend rotsblok en een dikke staalplaat met zware kettingen. Ik was op zoek naar iets van een naamplaatje, wie heeft dit gemaakt en hoe heet het. Niets te vinden, Google Lens komt niet verder dan dat wat ik net beschreef. De beeldbank van de gemeente, over kunst in de openbare ruimte kent het ook niet. Zojuist dus, toen ik er nogmaals heen liep, om te kijken of er echt geen naam op staat, zag ik het van een andere kant, ik loop normaal nooit zo. Over het van den Broek-erf richting het van Ravensteyn-erf.  Van heel ver piepte de wolk, want dat is het, die staalplaat, net boven de rand van de dijk uit.  Precies boven de donkergroene taxusheg van de rotonde, symmetrisch achter de waterpartij met de twee bruggetjes. Dat kan geen toeval zijn, daar is over nagedacht. Naarmate je de dijk nadert verdwijnt hij uit het zicht om met elke stap op de laatste treden van de trap omhoog weer zichtbaar te worden. Laat maar zitten ook, die titel. Zodat iedereen er zijn eigen naam of ideeën bij kan bedenken. Een wolk, vastgeketend met dikke kettingen aan dat rotsblok. Zodat die niet weg kan zweven, hier blijven! Een wolk, een droom, een idee. Kunst.

Toch niet, ik liet het er niet bij zitten, zocht contact met het gemeentearchief en kreeg direct antwoord, maar dan van het Dordrechts museum. Uitgebreid zelfs en wat ik nooit had gedacht, het beeld is van Marinus Boezem. Die van ‘De Groene Kathedraal’, landart bij Almere, 178 honderd populieren in het klassieke patroon van een kathedraal. Wat ik geweldig mooi vind, het idee dan, want populieren worden niet zo oud en het schijnt al wat in verval te zijn. Ik ken nog een ander beeld in Dordrecht dat ook van Boezem blijkt te zijn. ‘Schaduw’, de in zwart graniet gevatte schaduw van de boom ernaast op een bepaald tijdstip op een bepaalde dag, prachtig idee. De boom is omgezaagd en het beeld ligt nu op een andere plek, bij schouwburg Kunstmin, gewoon onder een andere boom, het maakt het verhaal alleen maar mooier. Nu terug naar ’de Droom’. Het blijkt ‘Lifting a cloud’ te heten. En ook dit beeld stond eerst ergens anders. Met meer beelden van andere kunstenaars stond het tien jaar lang op een braakliggend terrein, waar eerst de ‘Victoriafabriek’ stond, in afwachting van de bouw van een winkelcentrum. Voor mij persoonlijk ook weer leuk; ik maakte stiekem foto’s in die leegstaande fabriek, afbraak, verval en in zwart-wit.

Op de Wantijdijk, die enorm breed is voor zo’n klein watertje als het ‘Wantij’, valt het beeld niet erg op. Waarschijnlijk zijn er Dordtenaren die er regelmatig langsfietsen of wandelen die het niet eens kennen. Ik hoorde iemand zeggen; ‘als het weg is mist Dordrecht niets’. Uit de beschrijving van het Museum: ‘Boezem verbindt hier het vluchtige van de lucht met het blijvende van een miljoenen jaren oude gestolde steen’. ‘Lifting a cloud’, van mij mag het blijven, voor altijd.

De Werkgever, de Koopgoot en Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue

Kijk, beroemd zal ik nooit worden, simpelweg niet voldoende écht talent, schilder te weinig, ga niet voor de volle honderd procent er tegenaan, te lui, te gemakzuchtig en eigenlijk ben ik meer een illustrator. Dat er nu een aantal geëxposeerd hangen – en wel strak en compositorisch juist, dat verraadt dan nog de ex-etaleur in mij – is leuk, maar daar ga ik niet scoren, het is geen echte galerie tenslotte. En denk aan de drie regels voor succes, van bijvoorbeeld een winkel; 1 vestigingsplek, 2 vestigingsplek, 3 vestigingsplek. Er schuilt geen greintje Klybanski in mij; commercieel zijn in de eerste plaats. Tientallen schilderijen heb ik inmiddels weggegeven, nooit verkocht ik er een. Zoals Herman Brood, die heel veel weg gaf. (hij verzamelde alleen ‘mooie momenten’) Een schilderij of zeefdruk van hem is geld waard, maar wat mij vooral interesseert, heb je er één, (een echte) dan heb je een ‘Brood’ aan de muur.

Ik ga hier niet een serie titels opsommen van wereldberoemde werken, zoals ‘De Schreeuw’, ‘De Stier’, ‘De Kus’ en roept u maar. Zelfs de meest verstokte cultuurbarbaar heeft direct een beeld bij een titel.

‘En daar wil ik het vandaag met u over hebben’
De Koopgoot heet eigenlijk Beurstraverse, weet niemand meer. Minder bekend is de bijnaam van het beeld van Zadkine, ‘De Verwoeste Stad’. In de ‘volksmond’ wordt het ook wel ‘De Werkgever’ genoemd: ‘Kijk maar, hij heb een rotkop, heb geen hart en z’n klauwen staan verkeerd’. Wie kent hem niet; Kabouter Butplug’. Misschien is het bij sommigen onder u een beetje weggeëbd, de schande van de beschadiging van het schilderij ‘Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue’. Door Barnett Newman in 1966. Ten eerste de verontwaardiging over zo’n raar schilderij, een heel groot rood vlak met aan de uiteinden een kleine blauwe en een nog kleinere gele streep, en vervolgens over de hoge kosten van restauratie. Ik vond het juist geweldig, ten eerste alleen al die naam, prachtig, de boosheid van het publiek, voor mij had het gewoon zo moeten blijven, die sneden in het doek maken het alleen maar mooier, een verháál. Ooit bood ik een schilderij aan bij een openbare verkoop voor een goed doel, een meisje met een ernstige ziekte. Het is er niet verkocht, het bracht geen geld op, maar het is daar wel verdwenen. Ook mooi.

En nu kom ik waar heen wil, graag geef ik mijn schilderijen een naam, een ietwat vreemde titel soms zelfs. Dat kan het naar mijn mening net iets interessanter maken, zoals bijvoorbeeld ook een boekomslag vragen op kan roepen, niet te voor de hand liggend. Het schilderij hierboven is getiteld; ‘Don’t Speak’. Ik ga er niet naast staan om het uit leggen, zoals ik in mijn werkzame leven dikwijls vreemde etalages maakte. De bedrijfsleider vroeg mij dan om uitleg, mijn antwoord was; nee ik blijf er niet naast staan voor de ‘clientèle’. Welnu, dit is duidelijk een schilderij met een peak, logisch. ‘Don’t Speak’ verwijst naar een heerlijke song waar de band No Doubt mee doorbrak. En dan nog iets, ik kreeg het doek van een vriendin, het was een schilderij met een abstracte afbeelding van haar samen met haar ex. Het was nog heel, niet kapotgesneden maar ze wilde ervan af, weg ermee. Ik schilderde er overheen en bij een bepaalde lichtval zijn de contouren van hun gezichten nog waarneembaar. Of had ik dit niet moeten vertellen.

wijzijnmetmeer

Deze titel heb ik met toestemming geleend van OxfamNovib en stamt nog uit de tijd van de Rode Lijn demonstraties. Toen we nog discussieerden op gezellige verjaardagsavonden, wie voor of tegen Gaza of Israël was. Een onderwerp dat nu totaal vergeten lijkt, oud nieuws, daar hebben we het niet meer over, de stellingen zijn ingenomen.

Komt er dan toch een Elfstedentocht, de treinen rijden niet, antireclame voor onze nationale trots Schiphol, het zout raakt op, Joy Beune wel/ niet naar de Olympische spelen en kan mijn platte dak die gigantische laag van 25 hele centimeter sneeuw wel aan. Tot zover het kleine nieuws.  Dan over naar het lokale nieuws, er hangt weer een serie schilderijen van mijn eenvoudige schildershand in de gang bij het verzorgingshuis. Het kleinste kleinkind kruipt! Weliswaar nog alleen achteruit, maar er is beweging. Het oudste speelde maar liefst twee korfbalwedstijden in twee verschillende steden op één dag en de middelste herkent de Opel Corsa en de Skoda Octavia uit duizenden. Wanneer er een of meerdere schilderijen op een kwade dag uit die onderhavige gang ontvreemd zijn leest u dat onmiddellijk op deze pagina’s. Of de maker dat heel erg vindt, is de vraag, het zou immers betekenen dat er weer ruimte komt in ‘Het Atelier’.

‘One day you will wake up and Donald Trump is not here anymore’
Deze regel kwam ergens tot mij via de socials. Want laten we wel wezen, die naam beheerst toch heel ons leven, je staat er mee op en je gaat ermee, nou liever niet. Deze levensgevaarlijke gek, zes jaar geleden waarschuwde ik al. Deze figuur dient zo spoedig mogelijk gedood te worden. Als u het niet doet, doe ik het. Het is toch onbegrijpelijk dat zo’n klootzak nog steeds leeft, is er nou niemand die een keer raak schiet, die iets in zijn drankje doet, een beetje rattengif op smaak mengt tussen zijn cordon blue. Met veel plezier schiet ik hem voor zijn raap. Ik heb weleens, met pijn in het hart een zieke kip uit haar lijden verlost, echt dat deed me meer dan dat ik van dichtbij een kogel, eerst in zijn rechterknie en dan onder die blonde lok doel laat treffen. De zonnekoning van deze eeuw, volgens mensen die er meer van weten, deze blaaskaak en vriend van Epstein heeft een micropenis. Je zal maar de Koning der Nederlanden zijn en dan deze smerige hufter te logeren hebben gehad in de smetteloze rechtervleugel van je paleis. En nu we het er toch over hebben, waar is Mark toch gebleven, onze NavoMark, de appeltjes etende stripfiguur die deze massamoordenaar Papa noemde. Op Groenland de rode loper aan het stofzuigen?

Nu we toch bezig zijn, zet ze maar naast elkaar, Donald, Vladimir, Benjamin, en voor mijn part, met of zonder zijn enkelband, Jair mag er ook bij. Wie wil er eerst zal ik ze vragen, wie wil het eerst naar hel en verdoemenis, die ze zelf her en der hebben veroorzaakt. Degene die als eerste zijn miezerige vingertje opsteekt schiet ik het laatst. Met een glimlach van oor tot oor. ‘Pak aan, you basterd!’ zoals Lucky Luke zou zeggen.

Dit alles bedacht ik, in willekeurige volgorde, terwijl ik, volgens de laatste mode, gehuld in bergsportoutfit, mijn tienduizend stappen aflegde, noodgedwongen over de fietspaden, vanwege de beijzelde spiegelgladde stoepen die de Nederlandse burgers verrekten schoon te maken.

Cervino

De wereld is wit, althans mijn tuintje, nu ik de gordijnen opendoe, en de auto en de stoep ook. De cv draait en de gerepareerde vloerverwarming doet het ook weer. Ik laat Mathilde Santing haar heerlijke ‘Wonderful life’ zingen want dat past wonderwel bij mijn gevoel. De tweede dag van een nieuw jaar, de kerstboom eruit gewerkt, ligt buiten te wachten op een jongen die hem ergens inlevert. Is het hagel of toch sneeuw wat er valt. Zet de kachel nog wat hoger, kan mij wat schelen, tap me nog een bakje koffie in, bestaat dat woord nog; cocooning? It’s the time of the year, of nou ja, it was. Beetje mijmeren over het afgelopen jaar, over de wereld, over je leven. Verdwalen in je herinneringen, wat was fijn, waar ging het fout.

Dat was vanmorgen, toen ik die titel typte en nog niet precies wist hoe ik daarheen ging schrijven. Het zou moeten gaan over terugkijken, op het afgelopen jaar, op het leven, waar kun je met blijdschap op terugkijken, of misschien ook met trots. En waar heb je spijt van, dingen die je beter niet had gedaan of ook juist niet deed. Niet durfde, kon, of er gewoon maar vanaf zag. Tot dat appje dat ik kreeg, snel, de laptop dicht, de klimbroek aan en hup naar de klimhal. Of opa zin had om met het kleinkind te gaan. Toen zij zeven jaar geleden geboren werd had ik er al zin in. Lang geleden klom ik met haar moeder, wat zou het leuk zijn om haar dochter kennis te laten maken met die mooie sport. En, zoals ik het deed met mijn kids, niet opdringen, ze moeten het zelf willen.

Juul is eindelijk groot genoeg, het klimgordeltje past. Maar voordat ze die aanheeft; lang aarzelen en kijken en met de hand van d’r papa op haar rug eerst een metertje proberen. Dan steeds opnieuw in dezelfde route, die witte toch opa? En iedere keer klimt ze hoger. Dan wil ze naar de benedenhal, daar zijn de routes hoger, veertien meter. En ook hier duurt het even, maar uiteindelijk klimt ze een route helemaal uit, tot het plafond. Ze durft.
‘Kijk maar door dat raam daar Juul, dat deed ik met mama vroeger ook’.
Haar moeder riep dan naar mij – ons huis toen was zichtbaar in de verte – dat mama eraan kwam. Onnodig te zeggen dat dit, zo op de tweede dag van het jaar al meteen een hoogtepuntje was.

En ben ik weer terug waar ik eigenlijk over dacht te gaan schrijven. De vele mooie momenten die een mens in zijn leven meemaakt. En dus ook die, die je aan je voorbij liet gaan. Spijt. Hadden we toch niet even dat uurtje verder moeten gaan, stukje afdalen nog tot het basiskamp van Mount Everest. Ook al had ik hoogteziekte. Of hadden de sherpa’s toch, daar op die grauwe puingletsjer, onze tentjes wel op moeten zetten. Toen ik nog geen vliegschaamte had, waarom kiepte ik mijn spaarpot niet om, zodat ik over Brooklyn Bridge kon lopen, of nog iets gekker, vloog ik niet nog net íets verder, om te liggen op het hagelwitte strand van Bora Bora in de Stille Zuidzee. Waarom bleef het bij die ene marathon, die tijd kon best verbeterd, wél onder de drie uur. Waarom kocht ik toch geen busje, spijt, dat kan eigenlijk nog steeds wel, maak er een onopvallend campertje van. Had ik toch niet mee moeten doen met die 2e Rode Lijn, die keer in Den Haag gaf wel een goed gevoel. Of toen ik nog conditioneel goed genoeg was, jammer wel, gewoon een paar duizend euro opgenomen, hup naar Zermatt, met die gids even de Breithorn op, acclimatiseren maar en dan, zachtjes neuriënd; ‘I see skies so blue, and clouds of white’, terwijl de zonlangzaam opkwam, die ene, die fantastische mooie, zwarte berg op, de Matterhorn.

Hmm, de kerstboom ligt er nog.

Birmingham

En nee ik ga het hier niet hebben over Randy Newman*, maar over The Fine Young Cannibals. Soms moet je als schrijver gewoon ergens tegenaan lopen, wordt het je zo in de schoot geworpen. En dat gebeurde nu en ik ging dat, zoals het hoort, meteen eruit rammen, kannie schelen hoe laat het wordt vannacht. Een Affligem Triple erbij en gáán. Elke avond in de laatste week van het jaar zit ik aan de buis geplakt om dat allemaal op te slurpen, de vergeten nummers, leuke feitjes, de quiz en iemand die een bijzonder verhaal heeft over muziek, in de Top 2000 á go-go.
*’Got a wife got a family, Earn my livin’ with my hand, I’m a roller in a steel mill, In downtown Birmingham

The Fine Young Cannibals, wat een heerlijke naam voor een band, ik zou het zelf verzonnen willen hebben. Een kleine docu over hen. Het ging niet over hun hit, ‘She drives me crazy’, maar over het minder bekende ‘Johnny come home’. De driemansband ging uit elkaar maar de zanger Ronald Gift ging solo verder en treedt nog steeds op en over hem gaat deze minidocu. Opgegroeid in Birmingham reisde hij al jong heen en weer naar Londen, met de trein en kwam dan aan op Euston Station. En daar sloeg ik meteen op aan, dat Euston Station, die naam is mij heel goed bijgebleven. Ronald Gift vertelt dat hij in 1975 een aangrijpende documentaire zag, er kwamen per dag zo’n twintig weggelopen kinderen aan op dat station. Die brachten daar de nacht door en werden de volgende dag ondervraagd en meegenomen naar een opvangplek. Tien jaar later schreef Gift er de song ‘Johnny come home’ over.

Razendsnel tijdens de terugkijk-tv krabbel ik lukraak op de krant van vandaag deze namen, feiten en jaartallen, dwars over de foto van Brigitte Bardot, die gisteren overleed. B.B., zo mooi, stijlicoon, sekssymbool, die afgleed tot een verachtelijk racistisch kreng. Ze werd 91. In mijn jeugd belandde ook ik in Euston station, weliswaar niet weggelopen van huis, maar voor de lol liftend rondzwervend. Terug uit Edinburg, met een heel lange lift in een Ford Transit busje dat stopte voor elke lifter en waar een zware lijflucht hing van ongewassen lifterslijven, het mijne incluis. Van dagen en nachtenlang doorliften, in parkjes en bushokjes slapen word je enorm smerig, ook ik was een fine young cannibal. Ik bracht de nacht door op de vloer van dat grote station, mijn rugzak bewakend tegen het rondhangend gespuis.

In de documentaire loopt Gift door de buurt in Birmingham waar hij woonde en het regent er pijpenstelen. Het is tijdens de beruchte storm Claudia in de UK van een paar maanden geleden. Grappig, of regent het altijd in die stad? Na de ijskoude nacht in een deckchair buiten op het sloependek op de Ferry naar Dover, het liften naar Londen en verder noordwaarts, half slapend in een grote truck met oplegger werd ik eruit gegooid in de stad Birmingham, waar het juist droog werd na een wolkbreuk. Ik zette mijn tentje op, op een klein bultje in een weiland het enige plekje dat niet onder water stond. Ook die naam Birmingham kleeft dus in mijn geheugen. Gift woonde een tijd in de stad Hull, ook daar bewaar ik zekere herinneringen aan, maar dat is een ander verhaal. Onlangs zong Ronald Gift in The Birmingham Symphony Hall:
‘Nobody knows
The trouble you feel
Nobody cares
The feelin’ is real Johnny
We’re sorry, won’t you come on home
We worry, won’t you come on
What is wrong in my life
That I must get drunk every night
Johnny, we’re sorry’

Maserati

Tuurlijk, ik was ook zo, had net m’n rijbewijs, huurde een VW-kever, haalde mijn broers op en dan gingen we scheuren. Volgas over de bolle weggetjes door de polder, haarscherp langs steile slootkanten en dan slippend met de achterwielaandrijving onze straat in. Of later, met mijn eerste autootje, een Fiat 850 (geen opgevoerde Abarth) steeds hetzelfde parcours afleggen, of het nóg sneller kon. Je bent jong en je ziet geen gevaar en het besef dat je voor zoveel overlast zorgde zou pas veel later komen.

Drie broers, alledrie een brommer, alle vrienden ook een brommer, die allemaal gas gaven en te hard de straat uitscheurden voor een rondje door het centrum. Het begrip voetgangersgebied was nog onbekend. Achteraf, wat waren wij een plaag voor de buurt. En nu maar klagen over de fatbike. De fatbike? Een zegen, geen lawaai, geen stank, want oja, die brommers stonken als de hel. Irritant weggedrag, die fatbikesjochies, tuurlijk, maar dat hoort bij de leeftijd. Aan de andere kant, ze zijn buiten, zitten niet lui binnen achter hun IPhone of gamecomputer. Opgevoerd fatbikeje? Tja je bent jong.

En dat kan ik niet zeggen van dat witte monster, dat nu mijn buurtje terroriseert. Kijk, als hij vertrekt, een straatje verder en hij komt voorbij, hoor ik een zacht donker gerommel, de rijen cilinders zijn nog koud, eerst warmdraaien voordat het gaspedaal kan worden ingedrukt. Maar o wee, als de witte Maserati thuiskomt, al op de ring hoor ik hem. Alsof ik naast Zandvoort woon. Steeds dichter komt de witte Maserati, na elk bochtje en na elke rotonde wordt er opgetrokken alsof hij uit de Tarzanbocht komt, om na dertig meter weer terug te schakelen voor de Slotemakerbocht om dan op te trekken tot het Scheivlak en onmiddellijk sterk te remmen. Dan bij mijn voordeur, brullend haast stilstaand schuin het iets verhoogde fietspad over stekend, dat kan de lage spoiler van de witte Maserati niet hebben. Om dan weer volgas te gaan, tot de bocht naar het woonerf als ware het de Arie Luyendijkbocht, twintig meter verder.  

Nog één jaar de oudejaarsavond en de weken ervoor uitzitten, voordat de ‘traditie’ langzaam zal uitsterven. Nog pakweg enkele tientallen vingers en hele of halve handen sneuvelen en dan eindelijk terug naar normaal, een rotje of een sterretje, allez, vooruit nog een enkele gillende keukenmeid. (of bestaat of mag dat niet meer) Overlast, ach ja, je bent jong.

Waar de witte Maserati vervolgens wordt gestald is mij niet duidelijk, vermoedelijk aan het zicht onttrokken achter een waarschijnlijk automatisch openende garagedeur. En dat is jammer, ik zou in staat zijn om bijvoorbeeld met mijn groene of grijze container net te dicht langs de witte Maserati te lopen. Ik zou dat willen, maar ik doe dat natuurlijk niet. En als die bestuurder nu nog jong was, maar nee, dat ook niet. Het is gewoon een witte volwassen man, met waarschijnlijk net iets te veel geld en iets te veel testosteron. Sterker nog, als ik zijn nummerbord mag geloven is het nog een Belg ook. Ik zou hem willen toeroepen;
‘Crapuul dat ge daor staot!’