Kwillemniet

Excuses, mijn excuses, ik wist het niet. Ik ben er weleens doorheen gereden, door de Coentunnel. Excuses ook voor Witte de With, vond dat ook zo’n leuke straat. Het waren boeven, natuurlijk, schande. Slavenhandel was iets verschrikkelijks. Het is pas vierhonderd jaar geleden en ik heb ook altijd weggekeken. Slavernij, mensonterend, voor slaaf en slavenhouder. (noem je dat zo?) Ook nu nog worden in sommige landen mensen dermate uitgebuit dat er in feite sprake is van moderne slavernij. In 2016 waren er nog meer dan veertig miljoen ‘slaven’.

Mijn excuses voor mijn onbedoeld etnischgeprofieleer, sorry, ik kwam tenslotte van rechts. Excuses dat ik niet deelnam aan de nieuwste trend, standbeeldjeomverwerpen. Excuses voor Bonifatius, het is wel ver van mijn bed, Dokkum, maar ik heb er gewoon geen goed gevoel bij. Excuses ook aan Sinterklaas, ook ik was ooit Zwarte Piet, notabene in Londen, waar het fenomeen ten tijde van Black Panther volledig onbekend was en van roetveegpiet, laat staan stroopwafelpiet totaal geen sprake was. Soms moet je afscheid nemen van een traditie.

Excuses over mijn verliefdheid op dat Molukse meisje, Maria Watinemo, ik bedoelde het niet kwaad, zat vol met goede bedoelingen. Excuses, voor dat mooie beeld van Michiel de Ruyter op de mooie boulevard van Vlissingen, dat nu bewaakt moet worden. Terwijl, hij had er helemaal niets mee te maken. Het is pas vierhonderd jaar geleden. Echt zó fijn dat ZKHK Willem Alexander excuses maakte voor het vreselijke Nederlandse geweld in Indonesië. Excuses aan de eigenaar van de fiets, het was een damesfiets, een opoemodel die ik ooit gestolen heb. Had dan ook van mijn fiets afgebleven. Excuses, die van Mark Rutte, heel goed hoor, over de rol van de regering bij de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog.

Slavernij is al zo oud als de mensheid, in het oude China en India. De Grieken en Romeinen konden er ook wat van. Maar dus ook aan Hollandse handen kleeft bloed. Zie de ‘Herenhuizen’ aan de Amsterdamse grachtengordel, bijvoorbeeld die in Middelburg en nog menig andere stad. Voornoemde heren Coen en De With verscheepten dus duizenden slaven, althans, mensen die tot slaaf gemaakt werden, excuses. Vierhonderd jaar geleden, maar toch. Standbeelden, ze moeten blijven. Bord erbij, klaar, geschiedenis. Opdat wij niet vergeten. Racisme bestaat, er zijn nog steeds racisten en ik ken er zelfs zelf ook. Excuses voor mijn excuses, maar ja, het is niet mijn schuld, of had ik dat al gezegd.
Beelden omhakken zal racisme niet doen verdwijnen, sorry. De beeldenstorm van 2020. Een beetje stad dient tenminste één beeld te hebben. Wat is Orléans zonder Jeanne d’ Arc en in Koblenz staat prominent, op de samenvloeiing van Rijn en Moezel het enorme beeld Keizer Willem 1, niet zo’n heel prettige figuur, maar vooruit. Hopelijk over enige tijd in Dordrecht op de kop van Stadswerven een prachtig beeld van de stedenmaagd Choëphore.

Dat de geboren Dordtenaren in Den Haag gelyncht werden is niet goed te praten, maar dat Johan nu al sinds 1918 als bronzen beeld op de Visbrug zit, terwijl zijn broer Cornelis er maar zo’n beetje bij staat, het lijkt mij erg vervelend, op den duur. Excuses ook aan de Dordtenaren, die sinds vorig jaar, ondanks protesten van de club ‘Ikwillemniet’, zijn opgescheept met een nieuw standbeeld van Willem van Oranje. Niet alleen is het een wat karikaturaal geval, maar mij viel het laatst op, de pofbroek die hij draagt is van exact eenzelfde snit als die van die zwarte knecht van Sinterklaas.

 

Tureluurs

Niks te doen, klimmen kan nog niet, alle klimgebieden zijn gesloten. Geen strandweer, grijs vandaag.  De zomer is begonnen, maar de lente wás de zomer. Niks te beleven. Op de fiets dan maar. Vogelen. Het is haast niet bevatten, ook voor mijzelf niet maar ik begin het steeds meer te doen. Vogelen. En niet zoals velen door de coronahausse; goh, kijk, er zit een vogel in de tuin, cq op het balkon. En ik word er ook niet overdreven gelukkig van zoals de heer H. Dorresteijn. Maar toch, ik doe moeite, auto, fiets en dan nog een stukje lopen, Plan Tureluur. Ook alweer natuurcompensatie.
Voor door de Deltawerken verloren gegaan buitendijks gebied. Een zogenaamd brakwater schorrengebied. Vanwege lagere stroomsnelheid in de Oosterschelde verdwijnen schorren en zandbanken. De vogels kunnen nu hier terecht.

Op naar het vogelparadijs. Rechts twee bergeenden, verder niets. Links twee bergeenden, erachter nog twee, geen tureluur te zien. Ik moet me tevreden stellen met het informatiebord waarop de vijfentwintig soorten die hier te verwachten zouden zijn.
Ik ken ze allemaal, ongeveer de helft zou ik ook moeten kennen en ‘in het veld’ moeten kunnen benoemen. De rest? Lukt me niet, het restant van mijn nog niet afgestorven hersencellen weigeren domweg alle medewerking. Ze verdommen het gewoonweg, de opnamecapaciteit is niet voldoende. Men zou er tureluurs van worden. Is het de leeftijd, zijn het de opgestapelde promillages.
Mijn alcoholopname laat niets te wensen over. Of is het toch een onderhuidse desinteresse. Want tja, laten we wel wezen, wat is het belang van vogelen. Of het nu een mantelmeeuw is die daar voorbij vliegt of een kokmeeuw, ze lusten allebei friet.

Dit is het dus en ik fiets terug. Vanaf de hoge dijk spot ik een witte vogel, hooggepoot met lange snavel. Wit met zwarte veren op z’n kleed, zal wel een kluut zijn. vogelen. Je zult versteld staan hoeveel vogelaars er zijn en, verbazingwekkend, ook normale weldenkende, zelfs intelligente mensen doen het. Ze staan weleens hinderlijk in de weg, net wanneer je je alleen waant. Aan de andere kant, een groot voordeel, ze hebben geen hond.

Ik boks me terug – need I say more – in de tegenwind op de Schelpweg. Aan de slootkant zit een bergeend met drie jongen. In tegenstelling tot de witte-met-kleurtjes moeder zijn de kleintjes grijs. Vijf meter verder bedenk ik dat dit dé foto kan worden voor het verhaaltje dat ik fietsend al in mijn hoofd aan het schrijven was. Met de camera paraat nader ik de plaats waar ze zaten. De jongen zijn verdwenen onder het riet. Moeders zit aan de overkant rare geluiden te maken. Dan vliegt ze over me heen en loopt vleugelklapperend op de weg. Het lukt, ze wil me weglokken en ik, ik doe mee.

Bij de foto: De Bergeend. (Uit mijn mapje Dode Dieren, Bergeend – Schelpweg, 2020)

Torino (La Tour 7)

Met grote snelheid vliegt hij over de kronkelende schelpenpaadjes, die knoerpen onder zijn wielen. Beetje roekeloos, licht slippend in de bochten. Hoe oud zou deze fiets zijn, de Batavus Torino, een rijwiel in de fraaie tint grijsgroen. Nog uit de vorige eeuw, zeker, misschien wel dertig jaar oud en nu nog grijzer van het schelpenstof.

Fijne oude fiets, zal niet gestolen worden, liggend tegen een duindoorn of schuinsweg in het zand bij een onbemande duinovergang. Toch rijdt hij als een tierelier. Iemand? Tierelier, wat dat is? Zeven versnellingen aan boord, de grootste krijgt men slechts rond met ernstig windje mee. Die zevende, allez, voor Merckstypes als Hinault, Indurain of een Jelle Nijdam.

Parijs – Nice was de laatste koers dit jaar, zelfs zonder slotetappe. Wat een gemis, geen nerveuze Prima Vera, geen verregende voorjaarskoersen. Dat gat vulde ik op met lezen, wielerverhalen, anekdotes, verslagen, alles over de koers. En ikzelf op de fiets. De ghostzwarte caféracer, waar volgens Strava een topsnelheid werd behaald van veertig kilometer. Heel even dan, mijn parkoersen zijn kort, de oude knieën dragen mij slechts nog een spreekwoordelijk rondje rond de kerk.

De Torino, hoe Italiaans ook, Nederlandser kan een fiets niet zijn. Batavus, oerdegelijk. Fietsenmaker sinds 1904, Magneet, Fongers, alles werd Batavus. Ik moet nog zien of mijn Italiaanse racertje zolang meegaat. En voort ging het met de ontwikkeling. De techniek stond niet stil, uitvindingen als de Ergo System stuurpen, de Savety Standaard, alles uitmuntend getest en gepatenteerd. Keer op keer wordt Batavus uitgeroepen tot fiets van het jaar. Het betreft hier geen gevalletje van ‘Wij, van WC-eend’. Menig coryfee, wij noemen hier geen namen, de voornaam is voldoende, Leontien, zij liep, nee fietste haha weg met de Batavus.

Mijn exemplaar is uitgerust met een kilometerteller. Bij de trapas bevinden zich stickers met de specificaties: High Definition. High Qualilty Control. Armor Gloss Frame Protection. Equiped with safety frame protection. Highstyle Lowweight. Op de stang: Torino – Liberté toujours.  En zó is het.

Het spartaanse lederen – met koperen nagels – Brooks zadel werd hardhandig door mij vervangen door een gerieflijker exemplaar, noodzakelijk voor mijn licht uitgevoerde zitbeentjes. Een drupje extra vierge olijfolie liet ik in de trapperas vloeien teneinde de daar aanwezige kogeltjes eens fijns te verwennen en de hinderlijke Tik! te stoppen. Sindsdien fietst onderhavige Batavus weer als een tierelier en geef ik genietend nu en dan volgas om een luie E-biker het nakijken te geven.

Van de Armhoeksweg met vol wind mee draai ik haaks links en ik weet, hier altijd tegenwind. Ginds in de verte lonkt het torentje van Noordwelle, het piept net boven het wuivend veld met gerst. Zolang mogelijk laat ik hem op de zes staan. Pompen, doorgaan, ergens anders aan denken, blijven zitten, puffen en blazen, hoe ver nog, niet kijken, nergens aan denken. Dan eindelijk beschutting, de luwte van het dorp. Uitbollen met die Torino tot de Dorpsring rond de kerk, hier mag het, haaks naar rechts, terug naar de vier. Quattro.

Pinksteren

Het is zo’n dag dat je voelt, het gaat warm worden vandaag. In de stad hangt een stilte, vroeg nog, die verstoord wordt door mijn fiets die over de kasseitjes dokkert. De zon straalt op mijn rug en op de oude gevels, kleurt de deuren glimmend rijtuiggroen en oxblood rood en hult de overzijde in het donker van de schaduw.
De klok van onze schuine toren slaat zijn luie bronzen slag, een keer, half negen, precies op het moment dat ik de Engelenburgerbrug op rijd. Het water van de Nieuwehaven glanst in grijsgroene tinten die ik op mijn muur wil smeren. Op de Merwedekade tuur ik naar de Noord, daar vaart langzaam een binnenvaarder, hoog op het water, leeg, met de naam Missouri. De Waterbus uit Rotterdam meert aan. Niemand gaat van boord, of ja toch, een scootmobiel met een man erop.

De caféterrassen worden schoon geschrobd, de rood-witte linten verwijderd, alles klaar om gasten te ontvangen, we mogen weer. Langzaam peddel ik verder, door de ontwakende stad. Het is heerlijk op-een-mooie-Pinksterdag-weer.
Precies zoals het moet zijn, de zon schijnt, er is geen wind, de mensheid slaapt uit, stapt op de fiets en slalomt om de wandelende, hardlopende of skatende medemens. Vriendelijk voldoende ruimte latend, hoewel de bewijzen zich opstapelen dat dat helemaal niet nodig is, buiten.

De gazonnetjes van het stijlvolle plantsoen bij het Wantijpark zijn bevolkt met mensen die halters en gewichten liften, lunges doen en squats, rondjes rennen of yoga en tai chi beoefenen. Het ziet er geweldig uit, de fontein bruist en verder is het stil en hoewel ik verder fiets voel ik me een met hen.
Het is dat op-een-mooie-Pinksterdag-gevoel. Een fietser met een karretje met daarop een lange oranje kano. Een handhaver in een geel hesje hangt relaxt tegen de leuning van de brug. Op de lange Wantijdijk gaat het verder, ook hier veel sportende mensen, het Wantij lijkt de Hudson, de dijk wordt de boulevard erlangs, de Hudson River Greenway, de troosteloze wijk De Staart aan de overkant is allesbehalve Manhattan en de Wantijbrug in de verte niet bepaald de George Washington Bridge, but who cares. In gedachten kan alles, als je maar wil, zei mijn Zeeuws-Vlaamse oma vroeger en dat ze gelijk had blijkt even later.

Thuisgekomen blijkt het huis verlaten, Eega is met onbekende bestemming vertrokken. Het is nog steeds vroeg en stil. Ik zit in mijn bebloemde tuin, bij de witte en blauwe akelei, de lila digitalis en ergens wordt een zonnescherm uitgedraaid, ik hoor het en iemand geeft zijn planten water. Twee families mussen kwetteren en spetteren in het bad. Ik hoor het wel maar luister niet.
De zon is heet en de lucht is hoog. Een bepaalde kleur blauw en er drijven een stuk wat bepaalde wolken en dat, deze combinatie verplaatst mij naar die ochtend toen, in de Alpen. Op de top van de Petzeck, of toch bijna. Datzelfde gevoel van geluk, ontstegen aan de werkelijkheid, een kijkje naar eeuwig, de cocon van tevredenheid, vrede in jezelf. Er blaft een hond, vlakbij en langzaam daal ik terug tot in de tuin en voel de pijn van heimwee. Het verlangen daar te zijn, ergens rond te zwerven, boven de boomgrens, op wolkhoogte.

Voor George Floyd in Minneapolis was geen mooie Pinksterdag.
Voor de zwarte gemeenschap van de staat Minnesota geen mooie Pinksterdag.
Voor alle zwarten en alle blanken in het land van onbegrensde mogelijkheden was het geen mooie Pinksterdag.

Niks om aan te trekken

Deze verzuchting hoort iedere man weleens voorbijkomen:
“(zucht) ik heb niks om aan te trekken (zucht)”
Nu heb ik een sterke neiging tot overdrijven maar deze vrouwelijke noodkreet is ook op mij van toepassing. Zo trok ik laatst een broek uit de kast en aan en sloeg aan het rekenen. Gezien het merk, het sterretje en de toevoeging ‘Premium’ kon ik het jaar van aanschaf vaststellen. Bij benadering. Een lichte zomerpantalon van uitmuntende kwaliteit. “Kan die nog?” vroeg ik Eega. Hij kon. Elf jaar oud.

Voornoemde kast is van het zogenaamde indoor closet type, waar menig Premier Leaque voetbalvrouw jaloers op zou zijn. Tot de nok toe gevuld met kleding. Ikzelf heb daar ook een plank tot mijn beschikking. Razendknap hoe vrouwen ( ik moet dit, voor de lieve vrede, even wat veralgemeniseren) steeds andere verklaringen weten af te leggen bij nieuwe aanschaf. ‘Ik wilde dit al zolang, voor op die rok, je weet toch, je was erbij toen, ik had nog een bon, normaal kost die’, en uiteraard; ‘een koopje dat ik niet kon laten hangen’.

Ik moet toegeven, heel clichématig, ik ben een man en als zodanig met een pesthekel aan winkelen. Komt nog bij dat ik m’n hele leven werkzaam was in de luxe herenkleding en dus grondig verpest en uiterst kritisch. Ik koop niets, liefhebber van mooie kleding die ik niet kan vinden. Wil niet beweren dat er sprake is van een midlifecrisis. Midlife grens reeds ruim gepasseerd en crisis, ach. Welke kant moet ik heen, aanpassen aan gevorderde leeftijdskleding. Volgens geldende regels der kleding etiquette. Moet ik iets aan trekken dat ‘je jong maakt’.
Ik hou van sport, maar niet van trainingspakken. Ik hou van de bergen, maar niet van outdoorkleding in dit laagland. Ik schreef al eens een pleidooi over de korte- en de afritsbroek. Moet ik het nog hebben over sandalen? Voor mannen dan hé. Ik bedoel niet de gouden sandaaltjes van die Egyptische prinses die ik ooit tegenkwam.

Ooit liep ik mij een kostuum aanmeten, een maatpak. Dat ik twee keer droeg, een keer met passen en later dat jaar met Kerst. Het is lastig, ik wil niet van verre herkend worden, wanneer de grenzen weer open gaan, als Hollander op vakantie in het buitenland. Niet de would-be ouderejongere uithangen, me niet conformeren aan grijzegolfgedrag. Nee, ik wil geen bruine corduroy pantoffels of paarse Crocs. Geen geinig bedoeld rieten strohoedje met kapotte rand. Ja dames, het zit hem in de details. Ik heb het niet makkelijk. Als je het niet verder vertelt, nu komt de aap uit de mouw: eigenlijk draag ik het liefst een T-shirt en een oude broek. Maar wel met goeie schoenen.

En toch wil ik even opscheppen, ik heb iets gekocht. Schoenen, hele mooie, kobaltblauw, heel licht, ja, ik heb ze net gewogen, ze wegen 290 gram. Per stuk. Met witte zool, het zijn sportschoenen, Asics, dan mag zo’n witte zool, om precies te zijn, het zijn hardloopschoenen. Nu nog iets er op, geen trainingspak, dat fraaie Nike setje dat ik ooit bezat, waar is dat gebleven. En dan nog hardlopen natuurlijk.

Bij het voorlezen van dit verhaaltje aan Eega bestudeerde ik haar gezicht en hoewel ze het probeerde te verbergen, zag ik dat er sprake van een lichte geamuseerdheid. Ze sprak: “Wees jij nou maar lekker shabby!”

Observaties vanuit het keukenraam

Lang aarzelde ik over deze titel. Buurvrouw zou korter zijn, maar ook makkelijker googelbaar. Nu ga ik er gemakshalve vanuit dat geen van de hieronder ten tonele gevoerde buurvrouwen dit zal lezen. Een van mijn allereerste verhaaltjes ooit; ‘Buurman’, leverde ook geen haatmail of bedreigingen op. Bovendien, het zijn slechts observaties. Vanuit willekeurig een keukenraam.

Laat ik maar meteen beginnen met zij die mij het meest intrigeert. Hoe zij lóópt. Diepzwart is ze en beeldschoon, waarschijnlijk vierendertig en liggen haar roots in Nigeria, Ghana of Senegal, mogelijk ook Dubbeldam. Zij loopt zo gracieus, traag en typisch Afrikaans kaarsrecht, alsof ze net terugkomt van de waterput verderop met een kruik water op haar hoofd, trots. Zij is altijd alleen, heel dun en haar haar, ik denk ontkroest, draagt zij in zo’n strak naar binnen vallende krul, zoals Diana Ross het had in de tijd dat ze nog bij The Supremes was.

Een geheel ander type is buurvrouw-met-het-hondje, pal naast me. Die zijn er trouwens veel hier, met een hondje. Deze is een onopvallend type, net als haar hondje, mocht ik haar in de stad tegenkomen, ik zou haar niet herkennen, net als dat hondje trouwens. Ze heeft, in de vier jaar dat ik hier woon, nog nooit iets tegen mij gezegd. De eerste drie jaar dat ik haar groette, keek ze me alleen maar aan, zei niets terug. Nu ben ik ermee gestopt, met dat groeten. Ze kijkt nog steeds. Een andere buurvrouw-met-het-hondje, tattoos, bruin en blond, shaggie links, danwel rechts in de mondhoek zegt gedag, kort. Ze is mager, net als haar hondje.

Er is er nog een, blond en-met-een-hondje, maar zij heeft het lang en hoogblond, dat haar. En wel zo dat men, haar op de rug gezien, nieuwsgierig wordt naar de voorzijde. Die dan toch wel ouder is dan verwacht. Het hondje is ook blond, met zwart. Ze zegt ook gedag, maar Dordts. Van een andere orde is er die buurvrouw-met-hondje met dat rare haar. Zwart en gothic. Ze kijkt wat nors en zegt niks, net als haar boxer.
De buurvrouw-met-twee-hondjes. Schattig tiepje, trippelt gebukt, aandachtig vol liefde kijkend naar de keffertjes, voorbij, zegt soms zachtjes hallo. Verassende combi met haar man, geblondeerde oorbelletjesdrager en bestuurder van een zwarte brullende Dodge pick-up.

Buurmeisje blijf ik haar noemen, hoewel ze die benaming inmiddels al is ontgroeit, sterker nog, binnenkort woont ze ergens anders. Als zij langsloopt met-het-hondje kijkt ze zelfs door het keukenraam om te zwaaien. De hond ook, kwispelend.

Heb ik het al over de buurmannen gehad? Die twee of drie hier pal achter. Ook met hondjes, soms een, soms twee. Aanwezig, altijd. Luidruchtig, praten kunnen ze niet, alles op schreeuwniveau. Altijd klussen, zagen en boren en schuren in de tuin of aan het huis. Als ze niet timmeren moet alles worden afgespoten met de gele Kärcher. Elke week weer, een halve dag lang. Als ze niet spuiten blaffen de hondjes, naar alles wat beweegt.

Ik zou haar weleens willen ontmoeten, buurvrouw Diana, daar twee kilometer verderop, als ze water komt halen bij de waterput.

Zinloos

Heb je nog even, ik heb er geen zin in namelijk, sterker nog, ik ga er niet aan beginnen. Ik. Doe. Niet. Mee. Van hogerhand opgelegde dwangmatigheden, ik voel er niets bij, ik heb er geen goed gevoel bij, om het eens modisch uit te drukken. Kijk! Als het zin zou hebben, oké, ik ben de beroerdste niet. Zoals mijn  goede vriend Wim T (ik mag T zeggen) Schippers al zei; ‘de zin van de onzin’, ik ben best in voor onzin.

Zoals ten tijde van de invoering van de verplichte reflector op het rijwiel. Goed, ik wilde daar nog wel in meegaan, zag, als notoir zonderlichtfietser, er wel de voordelen van in. Maar, er zijn grenzen, we moeten niet overdrijven. Toen ook de fietsbanden moesten gaan reflecteren, ja zég. De capriolen die men uithaalde om maar op te vallen in het donker. Hedentendage is het vrijwel onmogelijk een band zonder oplichtende streep bezijden het loopvlak te vinden. Zoveel jaar later heb ik de hand weten te leggen op een herenrijwiel met banden zonder. Jawel. Een geheel matzwart geheel, slechts de velgen zijn gaan glimmen, wegens bruusk hanteren der remblokjes. Trouwe lezers, ik dwaal ietwat af, bewust om er toch een Aviertje van te maken en tenslotte tot mijn punt te komen.
En wel hierom, wil ik leven op een planeet waar het niet alleen de gewoonte is om als mens je te bedekken met zaken als daar zijn, schoenen, broeken en allerhande diverse kledingstukken en vanaf nu dan ook het aangezicht te verbergen achter een mondkapje. Het vervloekte mondkampje.

Eens kijken, waar ben ik gebleven – zojuist over de drukste Brouwersdam ever, thuisgekomen en nu verder schrijvend in de te warme tuin zojuist een versgevulde koek, de zaterdag Volkskrant van zes dagen geleden en een koud Hertog Jantje, hoe gelukkig kan men zijn, weetjewat, ik doe eens gek, ik neem nog zo’n koek en zo’n biertje, ik heb zin om aangeschoten te worden, nou ja, niet té. En de eerste de beste BOA die mij driehonderdnegentig euro wil afpersen weiger ik drie keer mijn naam te geven en sla hem daarna keihard twee keer op zijn goedgekeurde mondkapje.

Laten wij wel wezen, lieve mensen, dat wil je toch niet. Door het leven gaan met zo’n ding op je hoofd. Ik denk terug aan mijn tijd in Nepal. Hoe ik daar hele hordes Japanners zag, hoog in de Himalaya, met hun hoedjes, handschoentjes en mondkapjes. Wat een idiote controverse, in dat waanzinnige oerlandschap, die trippelende krankzinnigen. Dat wil je toch niet, zo leven op deze aarde. Onze lieve mooie moederaarde. Als ik ga duiken, onder water, doe ik wel een zuurstoffles op mijn rug. Maar rondlopen in de Albert Heijn (nooit Appie zeggen) in bos en duin en stad en land met een wel of niet goedgekeurd (door wie dan) ding op je kop, dat wil je toch niet.

En als binnenkort de fietshelm verplicht wordt op de fiets, vanwege de verzekering, en kort daarna het lichtgevende hesje en dan kort daarna weer het zwaailicht bovenop de helm vanwege de betere zichtbaarheid voor de heilige automobilist – had ik het al gehad over zinloze mondkapjes – echt hoor, schiet mij dan maar naar Mars, ik doe niet meer mee.

 

La,la,la,lai

Het kan op de Koetenisseweg of de Weilandsweg zijn geweest of was het toch op de Lokkershofweg – ze bestaan echt – dat ik mezelf betrapte op het luidkeels zingen van deze tekst:
“Lalalalalalalailalalailala,
Lalalalailala”.
Een spontane uitbarsting van, ja van wat eigenlijk. En niemand die er gek van opkeek. Er was namelijk helemaal totaal niemand, zowel op voornoemde wegen als in de wijde omgeving. Iedereen was op uitdrukkelijk verzoek van onze MP Rutte thuis gebleven, zat braaf bij het geannuleerde Songfestival.

Zeeland is leeg. De almachtige Veiligheidsregio deed Zeeland op slot. De jaarlijkse twee miljoen toeristische overnachtingen gaan dit jaar niet gehaald worden. De dunstbevolkte provincie van het land moet leeg blijven.

Eens een Zeeuw, altiet een Zeeuw. Althans zo voelt Eega dat en ik ben het, zoals altiet, natuurlijk helemaal met haar eens. Aan willekeurig elke kust, of het nu de Middellandse -, Egeïsche -, Noordzee – of de Atlantische kust is, daar voelen wij ons thuis. Wij zijn kustmensen. Dag mag een dijk zijn aan de Ooster- of de Westerschelde, dondert niet, doch niets gaat boven het oneindig Zeeuwsche Strand. Over Frankrijk wordt gezegd dat het zo’n leuk land is maar dat het jammer is dat er Fransen wonen. Zeeland is ook leuk, maar ze moste d’r geen Zeeuws praete.

Op deze pagina’s maakte ik al eens gewag van mijn drang om een kilometer strand te kopen, helaas heeft nog niemand zich gemeld. Welnu, in deze dagen, neen! ik zal het C-woord hier niet gebruiken, lijkt het al zo. Ik héb mijn eigen strand. En toch, lieve badgasten, dat voelt raar. Het is ondeugend (=leuk) want ik blijf niet thuis. Maar hoe, stel dat ik het zou willen; besmetten, het kan hier niet, er is niemand, één groot Quarantainegebied. Nu hou ik van lege stranden, maar dit is eigenlijk een beetje spooky.

Spoor 1, van de trein naar Zandvoort op Amsterdam CS wordt geblokkeerd. De ene helft van de Amsterdammers wil naar de kust, de andere helft blijft thuis en gaat naar het park. Zeeland moet leeg blijven, prettig voor mij, maar griezelig leeg. Ik hoop dat het doemscenario hieronder, in de toekomst door mij ongeschreven zal blijven:
‘Een béétje duinovergang heeft zijn eigen teststraat (verplicht), alleen toegang voor negatief geteste badgasten.’
Gelukkig ken ik mijn eigen sluiproutes daar. En wat te denken van dat nieuwe bordje:
‘Naaktrecreatie toegestaan, mondmasker verplicht’.
Dit alles flitst in enkele seconden door mijn hoofd, terwijl ik met een lauw windje mee, geluidloos over de Verseputweg door de lege polders van het eiland fiets, met rechts de rechte voren van een kale aardappelakker en links iets groens, laag nog, dat wel graan zal worden en schaamteloos uitbarst in dat gelalalala.

NB, deze letters werden geschreven vóór Hemelsvaartdag 2020. Drukste dag op Brouwersdam ever!

Ik ben Juul (2)

Hallo, het is alweer even geleden, voor hen die mij niet kennen, ik ben Juul (17 maanden) en voor hen die mij niet kennen; ook. Ik weet niet hoe met jullie is, maar ik kan het niet meer volgen. Had ik net een beetje m’n draai gevonden in dat zaaltje met leeftijdgenootjes, houden ze me daar weg, mocht er niet meer heen, en nu, deze week word ik daar weer opeens een dag geparkeerd. Was ik net gewend om constant thuis te zijn, nou ja, went wel weer.
Misschien kan iemand mij zeggen, wanneer ik m’n opa’s en oma’s, er zijn er een stuk of vier, weer eens ouwerwets kan knuffelen, want ja, dat was ook afgelopen en waarom, niemand vertelt mij iets. Ik weet het niet zeker natuurlijk maar volgens mij missen ze mij. Snap het niet, zo leuk ben ik niet. Op de een of andere manier merken ze direct wanneer ik een natte luier heb, gaan ze onmiddellijk aan de slag, hup, een droge aan. Alsof dat prettig is, zo’n kouwe.

Ach ja, soms moet je even je best doen, meedoen, mee bewegen, dan gaan ze lachen. Een tijd geleden alweer, toen zetten ze een of ander muziekje op, kennelijk iets dat ze zelf mooi vinden. En dansen dat ze deden en lachen naar mij en roepen dat ik mee moest doen. Nou ja zeg, ik kon net stáán! Je had erbij moeten zijn, die koppen, ze kwamen niet meer bij! Toen ik eenmaal mijn moves ging doen, gillen! Er zijn zelfs filmbeelden van schijnt het.
Trouwens van meer dingen, alles wordt gefotografeerd, wat móet je ermee denk ik dan, en gefilmd. Leuk voor later hoor ik ze zeggen. Eendjes voeren, ook zoiets, zó traditioneel. Kijk eens, ik vind het best hoor, ik doe wel mee, als ze dat nu leuk vinden, als ik ook maar wat te eten krijg. Overigens, even tussendoor, waar ik de vorige keer over schreef, hot item toen, stikstofuitstoot, stikstofstikstofstikstof, dat leuke woordje, ik hoor er niks meer over.

Waar ik dan wel weer onwijs van geniet, de glijbaan. Beetje jammer dat ze dan steeds afremmen, sowieso maak ik niet veel snelheid, iets met zwaartekracht ofzo, ik ben te licht, maar dat lijkt me zo kick, keihard naar beneden….  Het ging wel een keer goed fout. Die ene opa vond het nodig mij steeds in dat blokkenkarretje te zetten en me dan een harde duw te geven zodat ik de hele kamer door zeilde. Toen papa en mama me ophaalden werd dat gedemonstreerd. Ik liet me toen er keihard uitvallen, zo met mijn hoofd op de vloer, schrikken dat ze deden!
Iets anders, kennen jullie dat ene liedje met dat refrein; ‘ga a a a a a a, pak alles wat je kan en ga a a a a a a.’ Vind ik wel geinig, zing ik zelf steeds: ‘a a a a a a ‘, alleen die zin: ‘Leef, alsof het je laatste dag is.’ Hallo, ik ben net begonnen, 17 maanden, ben je daar nog?  Ik neem me voor het niet binnen te laten komen, maar leuk is anders, constant uitgelachen te worden. Ik met een gek mutsje op, of ik, een beetje geknoeid met mijn ijsje, of ik met mama’s roze Tokkie badslippers aan, of ik, lurkend aan leeg flesje Jupiler. Het schijnt ook heel interessant te zijn om aan iedere willekeurige voorbijganger te zeggen dat ik nu vier tanden heb, twee boven, twee beneden, begrijp jij het?

Even voor de goede orde, niet alleen maar negatief doen nu, het is nu eenmaal zo, ik kan het gewoon nog niet zeggen, ik wil het wel, maar ik hou best wel van ze, mama en papa, het zijn lieverds, allebei! Eigenlijk best wel. MMMMsmak, kusje. Kusjezwaai, nieuwnormaal, toch?

En dan nog iets, wat zou dat zijn; huidhonger, geen idee, maar het komt op mij over als iets engs. Een opa en een oma met huidhonger, ik weet niet of ik daar op zit te wachten. Nou doei, als ik me verveel schrijf ik nog wel eens. Ik sluit af met mijn laatste nieuwe woordje, zegt mama altijd – wat ze er precies mee bedoelt weet ik niet – wanneer ze me, met zo’n voor mijn gevoel best linke zwaai, in dat fietsstoeltje parkeert: “OeoewaaH!”
Doeoeoeiii.

Free World

De eerste drie uur ging het goed, ze sliepen nog. Maar tanken in Luxemburg, daar gingen de oogjes open en een slaperig, doch dwingend stemmetje vroeg: ‘Bassie en Adriaan, Bassie en Adriaan’. Er zat niets anders op dan de vrolijk dreinende deuntjes af te spelen, om de lange reizen naar de Alpen voor hen enigszins draaglijk te maken. Het was nog de tijd van de cassettes, uren lang hetzelfde, voortdurend omdraaien, dus het bandje was op den duur gloeiend heet. Dat het magnetisme daar niet van in de war raakte.

Sorry folks, dit wordt vermoedelijk toch weer een columnpje over muziek, een issue van importantie in ‘my life’. Ik was dit alles eigenlijk vergeten, tot ik zojuist Neil Young hoorde; ‘Keep on rocking in a free world’. Zodra de kids weer in slaap sukkelden wisselde ik snel van muziekgenre. Kennelijk toch wat geïndoctrineerd hierdoor, kwam soms ook de vraag – na weer een lange sessie met ‘Hallo vriendjes’ – ‘Rokkie in een friewurd, rokkie in een friewurd!’ Minimaal twee keer, altijd, minstens. Het refrein werd net zo hard meegezongen als dat van dat toch iets minder prettige clownsduo, hetgeen weleens grappig was wanneer we door de smalle straatjes van een Zwitsers bergdorpje sukkelden. Twee schattigkleine meisjes keihard rockend achterin.

Van een andere orde, vergelijkbaar, maar dan andersom is het volgende verhaal. Dat van de leuke buren op de camping hoog in de bergen, die met het hippe VW busje en de vier kinderen. Bassie en Adriaan waren dat jaar bij ons al ingeruild voor ‘Baila, baila, baila’, van the Gipsy Kings. ‘Keep on rocking’ was vergeten, maar goed ook, zo’n vrolijke tekst is dat niet. De pa met het leuke busje ging op een vroege ochtend brood kopen in het dorpje in het dal en nam de kinderen mee. Kon mams een keer uitslapen. Toen de motor uitging bij terugkeer naast hun tent en tevens de muziek, die luidkeels uit de geopende raampjes schalde, rolden de kinderen uit het busje. Boos en beschaamd riepen ze, achterom kijkend naar pa: ‘Wil je dat nóóit meer doen?” De rest van de vakantie zongen of floten buurman en ik: “Ik héb hier een brief, van me moedér!”

Naar Carlos Santana, een lang gekoesterde wens, kreeg ik cadeau van dochter Martine. Samen zwierven we een dag door Antwerpen in afwachting van het concert in het Sportpaleis. Naar UB40 met dochter Carol en haar Robert in HMH, swingen op reggae. Of flyeren in Ahoy, in mijn Voodoo Lounge shirt, voor gratis toegang bij de Stones en dan op aanraakafstand met Jagger himself. Etmalen onderweg voor U2 en Rolling Stones, uitgeput en bemodderd.

Een van de mooiste herinneringen, wat betreft muziekmomenten is deze. Ook weer op weg naar de bergen, ‘s nachts vertrokken, de kinderen slapen achterin. Het is heel stil op de lange weg naar Metz, Nancy, Mulhouse, Basel en de volle maan staat er helder bij. Heel langzaam begint het in het oosten, waarheen wij rijden, licht te worden, de dageraad. Aan de verre horizon verschijnen ze, de contouren van de bergen. Zacht klinkt Neil Young (alweer) door de volgeladen, gehuurde en gloednieuwe zwarte Renault Laguna station. Het is een traag nummer, met echo er in. We praten niet, we rijden en luisteren en kijken, naar die kartelige vormen in de verte, die zwart afsteken tegen de lichter wordende hemel. En dan zegt Eega, die eigenlijk niet zoveel heeft met muziek; “Dit past wel heel mooi nu”. Dat moment, ik denk er soms aan terug, het trof me. De auto stond boordevol geluk, met z’n viertjes onderweg, vakantie, bergen en avontuur voor de boeg. Een kippenvel moment van puur geluk. Alle cassettes zijn weggegooid en hoe ik ook zoek, op Youtube en Spotify, dat nummer, ik ben het kwijt. Het was een magic moment.

Herkenbaar? Er moeten ontelbaar veel herinneringen zijn zoals deze, please, tell me!