
Het was al weken droog maar uitgerekend de dag dat ik met m’n broers een dagje zou gaan wandelen (‘broederdag’) regende het. Diep in Zeeuws-Vlaanderen, op en over de Belgische grens. Tijdens het traditionele eieren-met-spek-bakmoment was het haast droog, maar eenmaal weer op pad begon het echt voluit te regenen. Mijn dure regenjack wat laatst toch weer niet waterdicht bleek en wat ik een speciale behandeling had gegeven bleek ook nu toch weer niet waterdicht. De vraag van de ene broer wat te doen, gewoon de wandeling af te maken of de afsnijder te nemen terug naar de auto was voor mij eenvoudig te beantwoorden; ik zag er de lol niet meer zo in. Met allerlei omwegen reed de andere broer ons terug. En ook even langs de nieuwste aanwinst van zijn stad, het boulderblok. En natuurlijk kostte het hen weinig moeite om mij erheen te sturen en mij nog natter te laten regenen terwijl ik enkele keren op en neer klom, heerlijk.
‘Ja maar, we hébben al zo’n klimblok, in het park, daar bij de speeltuin’, zo verzekerde mij de man van de gemeente. Ik was doorgedrongen tot het hoofd Sector Onderwijs en Welzijn Speeltuinen en Openbare Ruimte. Voor een goed begrip, het was in die tijd dat het begrip ‘boulderen’ onbekend was, bij de massa toen en nu bij de meerderheid der niet-sportieven nog steeds trouwens. Boulderen heeft echter een enorme vlucht genomen – zoals dat heet – en is een van de snelst groeiende sporten van Nederland. ‘Boulderhallen schieten als Paddenstoelen’, juist.
Niet dat ik zelf groot liefhebber ben van bouderen, ik zit liever aan een touw (leadklimmen / toprope), maar ik was op dat idee gekomen door het Vaanblok. Een groot boulderblok in het vaanpark in Rotterdam. Ik was er eens heen gefietst, m’n klimschoentjes in de fietstas. Het leek mij leuk om zoiets ook in mijn stad te hebben, gezellig op een zonnige zondagmiddag beetje rondhangen met de klimmaten, beetje klauteren en kletsen. En stiekem ook, stel dat het zou lukken, iets neer te zetten, iets goeds te doen, iets na te laten klinkt zo deftig.
Het viel niet mee om de goede man uit te leggen wat ik bedoelde. Er waren toen nog nauwelijks filmpjes op YouTube om een en ander te verduidelijken. Ik had al contact gelegd met de ontwerper van het Vaanblok en ik wist ook wat dat gekost had. Honderdduizend euro, toen. De fabricage ervan zou nog meevallen, maar het transport, de fundatie, de plaatsing en de verdere aanleg er omheen maakt het zo duur. Voor een ingezakte stoeprand komen immers drie man van de gemeente in actie, een graaft, een rookt een sjekkie en een houdt alles in de gaten.
‘En dat is toch veel te gevaarlijk’, zei het hoofd van de Sectie toen het hem begon te dagen; ‘Daar kunnen kinderen vanaf vallen’. Waarop ik uitlegde dat zo’n blok zo moeilijk beklimbaar is dat kinderen geen meter van de grond zouden kunnen komen. Nog meer onbegrip. Kortom, daar stopte het, ik had geen zin om mij er helemaal in te storten, naar de Rabobank en overal om subsidie en sponsoring te gaan bedelen. Een project van jaren. In het Stadionpark in Rotterdam zijn laatst twee boulderblokken geplaatst, inderdaad met steun van vele partijen.
Jammer, het had zo leuk kunnen zijn. ‘Het Toonderblok’. ‘Ben jij er ook morgen, wij gaan naar het Toonderblok’. Dat nooit, het zou echt anders moeten heten, bijvoorbeeld; ‘Galenstockblok’, of nee, nog beter: ‘Galenblock’. Naar die ene berg die ik nog steeds niet beklommen heb. De volgende keer als ik naar die broer ga, ik weet het zeker, dan neem ik mijn klimschoentjes mee.








