
Soms kom je er niet onderuit, moet je mee met Eega, voor de lieve vrede en omdat het je vrienden zijn. Sowieso al geen liefhebber van zit-verjaardagsfeestjes en al helemaal niet van barbecue, de geur alleen van dat zwartgeblakerd vlees. En nu nog iets minder zin, allemaal buren van de uitnodiging, wat moet je met die onbekende mensen, van middelbaren tot jong-bejaarden.
En jahoor, daar zit het gezelschap, aan een lange tafel, ik wurm er met lange tanden een stoel tussen en trek een neutraal gezicht. Ja, doe nu maar bier mét, nee geen nulpuntnul. Ik had gehoord dat ook de wielrenner waar ik vijfendertig jaar geleden onzacht tegenaan botste er zou zijn. Geen idee hoe hij er eigenlijk uit ziet. De zon schijnt nog, ik zit lekker in de schaduw, nip van m’n biertje en wacht af. Totdat. Ik hoor de vrouw naast mij iets zeggen over de videoclip die ze heeft opgenomen. Videoclip? Ja, ze blijkt songteksten te schrijven en die ook zelf te zingen. Op de muziek gecomponeerd door een vriend. Kijk, dat is interessant en wordt het opeens een stuk minder vervelend in dit gezelschap. Schrijvers en dichters onder elkaar. Ja doe nog maar een biertje en we kletsen honderduit.
En zoals het gaat op zulke festiviteiten, wanneer je terugkomt met je bordje liflafjes en een verbrand sateetje, is je stoel bezet. Ik neem mijn verlies en plof ergens neer op een stoel van iemand die waarschijnlijk net wat zwart vlees op een bord stapelt. Als ik het een en ander heb weggewerkt vraag ik aan mijn onbekende buurman met aan beide zijden twee grote gehoorapparaten:
‘Hebben wij ooit samen in een ambulance gelegen?’
De buurman ontkent en vertelt nog nooit in een ambulance te hebben gelegen, hij was altijd schipper. Ik vraag mij af of er dan misschien geen varende ambu’s zijn, maar verder kom ik niet want er ontwikkelt zich een leuk gesprek. De lage waterstanden, vervoer over water – de juiste weg. Hamburg, de Westerschelde, de gratis veerpont over het IJ en ja doe nog maar een biertje.
De gastheer kijkt reeds wat lodderig uit zijn ogen als ik me bij hem voeg aan de statafel. Onze moeizame conversatie wordt ruw onderbroken door een gebruinde, zwaar vervellende man, eveneens getooid met niet onzichtbare gehoorversterkers. Deze blijkt een caravan te hebben in Lermoos, Oostenrijk, vlakbij de Zugspitze die dan weer net in Duitsland ligt. Kijk, dat schept een band, hoewel hij zegt van gletsjers niets te weten en dat die zich snel terugtrekken ook niet. Over zijn moestuin, ik over mijn toenmalige moestuin, Pfas en wat dies meer zij.
Dan acht ik het tijd dat ik me kan terugtrekken, beleefdheidshalve lang genoeg geweest, dat ik de eerste ben die vertrekt, het zal wel. Vanuit de verte al meermaals Eega een bepaalde blik toegeworpen, ook zij maakt aanstalten. Ik zwaai de zangeres/ songwriter veel succes, wil er vandoor maar wordt teruggeroepen. De Lermoosman zit naast Eega en ze wijst naast zich:
‘Dit is Wim, die wielrenner van toen!’
‘Oooo, ben jij dat! Had je nooit herkend, jij was het en het was jouw schuld, haha!’
En ik zeg hem dat wij samen in één ambulance naar het ziekenhuis vervoerd werden, kreunend van de pijn. Maar hij weet er niks meer van, heeft als wielrenner zoveel ongelukken gehad.
‘Jij bent dus een brokkenpiloot, en eerlijk gezegd, neehoor, in dit geval, het was mijn schuld’
En dan zeggen ze dat klimmen zo gevaarlijk is.








