Ambivalent

Precies, dat woord zocht ik. Toen ik terugfietste uit de stad waar de gekte al in volle hevigheid was losgebarsten en ik nog hele volksstammen gehuld in oranje kleding die het midden hield tussen carnaval en de hel tegenkwam op weg erheen. Naar het nationale volksfeest dat Koningsdag heet en verworden is tot een grote landelijke rommelmarkt. Ik had mij naar het centrum gehaast, niet naar de aubade, oh nee, dat nooit, maar om ze weer eens te zien, Jubal. Het showkorps met het trompetgeschal en de trommels met hun kippenvel veroorzakende onnavolgbare ritmes en de meisjes voorop met hun zwaaiende vlaggen die in de nauwe straten in de oude stad voor haast Fellini-achtige sfeerbeelden oproepen. Helaas, zo vertelde een oranje mevrouw me dat Jubal niet meer bestaat. Wat ik zag was een flauwe afspiegeling, Jong-Jubal. Een groepje jonge kinderen die hun best deden.

Mijn preciesgoed verschoten oranje broek die raadselachtig verdwenen is, zou ik toch niet aangedaan hebben, net zomin als de oranje polo. Even had ik nog getwijfeld of ik het geinige rood-wit-blauwe speldje op de pet zou prikken, maar ik kon het niet. Was ik al nooit iemand die de vlag zou hijsen aan zijn pand of op zijn perceel grond, die dat nou net weer te ver vond gaan. Koningsgezind, vaderlandsliefde, dat soort woorden, daar heb ik moeite mee. Moet ik mij nu conformeren aan het volk, de onderdanen, door mee te gaan in de voorgeschreven oranjedracht en onbedoeld mijn steun uit te dragen aan deze koning. Was het tot voor kort een vorm van verbroedering, ik kan het niet nu. Niet na het bezoek en de veelbesproken logeerpartij.

Het heeft nogal stof doen oplaaien, discussie alom. De meerderheid van het volk van Nederland was tegen, maar de door ons gekozenen veranderen, zodra ze een zetel bemachtigd hebben in een soort lakeien van het Oranje instituut. Ze moesten gaan, zo goed om de banden met dat land aan te houden. De timing was wat ongunstig, kort ervoor had hij gedreigd een hele beschaving te laten sterven. Moet ik het hier nog opnoemen, de Straat van Hormuz, IJsland, Cuba, Venezuela, Israël, Libanon, de riviera van Gaza. Hoeveel doden heeft hij al op zijn geweten. Onze koning en onze koningin hadden een goed gesprek, het was een gezellige avond geweest met de president.

Zijn we het al vergeten, de oproep om het Capitool te bestormen. Hoeveel Amerikanen die op hem gestemd zijn inmiddels ontslagen door zijn beleid. Hoeveel doden heeft het gekost toen hij hardnekkig Corona bleef ontkennen, adviseerde om bleekmiddel te injecteren. Een president die adviseert om vrouwen bij hun vagina te pakken. Die duizenden pagina’s in dossiers laat zwart lakken. Die het zorgstelsel om zeep helpt zodat miljoenen Amerikanen in armoe belanden en alles in het werk stelt om het klimaat nog verder te verpesten. Onze koning en onze koningin hadden een goed gesprek en hebben kennelijk een kort geheugen en geen geweten.

Dit jaar is de eer van het koekhappen aan Dokkum gegund, een welopgevoede Nederlander kan niet aan Dokkum denken zonder Bonifatius. Die vermoord is omdat hij de Friezen wilde bekeren. Nu gaan mijn ambivalente gevoelens niet zo ver dat ik hoop dat. De tweede aanslag gisteren op de president mislukte wederom. Bij het schrijven van dit stukje loopt buiten niemand langs die niet in oranje is geüniformeerd. Ik blijf binnen.

Wegkijken

Heb jij dat nou ook? Dat het je soms teveel wordt, dat de koude rillingen over je rug lopen, dat je s ’nachts niet in slaap kunt komen, wat als de dijken breken, wat als Poetin een bommetje gooit op een dijk, als al dat smeltwater uit de Alpen langskomt tegelijkertijd met springvloed en westerstorm, als er hier een keer zo’n niet te stoppen wolkbreuk blijft hangen, of een verdwaalde tornado schiet net even te ver door en al mijn zonnepanelen waaien weg, of die gekke Revolutionaire Garde lanceert hier vanuit een vrachtwagen een lading zelfmoorddrones, of ze droppen een bommetje op een fabriekje hier vlakbij en mijn schuifpui wordt eruit geslagen, ja nu kun je wel lachen of denken wat stelt hij zich nu weer aan, maar ik denk dat ik het zeker weet, dat wij allemaal weleens van die terrorgedachten hebben en dan maar snel wegkijken, niet te veel nadenken.

Of dat er zo’n schaduwvloot-schip niet alleen maar ‘in kaart brengt’, maar daadwerkelijk een kabeltje kapot trekt, kan niet schelen wat het is, gas, nou lekker dan, ik heb geen open haard, hoe dan, dat wordt kou lijden, stel dat het net tijdens die drie dagen per jaar dat het onder nul is in dit land, bevriezen mooi je leidingen, of een kabelstroom, doet je het cv het ook mooi niet en wat te denken van je inductieplaat, dat worden kouwe schotels, die paar campinggaz tankjes op zolder zijn zo leeg hoor, ik zweer het je of nog gekker, geen internet meer, kun je helemáál niks meer, nou doe ik mijn gordijnen en lampen nog handmatig open en dicht, dat is het punt niet, maar weet je wel hoe afhankelijk wij onszelf daarvan hebben gemaakt, dat je niet meer kunt pinnen bij de kassa of kunt kijken hoelaat ze open zijn of om de foto’s van je kleinkind een like-je geven, nee veel gekker, om maar wat te noemen, onze dijkbewaking, noem maar wat, de Maaslandkering, allemaal digitaal hé, open en dicht.

Soms denk ik, ik sla dat acht uur journaal maar even over, of in de krant, vandaag lees ik alleen de columns, gewoon wegkijken, doet onze regering ook, genocide in Gaza, dat noemen we ‘zorgelijk’, ik wil het allemaal niet meer weten, zolang dat oranje gevaar met die enge handlangers in die strakke blauwe pakken naast hem de hele wereld denkt te kunnen regeren, ik walg van die man, dat sujet, wil zijn naam hier niet opschrijven, ik kan die stem niet meer uitstaan, soms denk ik woonde ik maar ergens in een huisje in een dorpje waar geen bereik is, zijn er nog plekken op de wereld, misschien in de leegte van Western-Australia, of in de Kalahari woestijn of ook toch nog wel gewoon dichterbij huis in een dalletje omsloten door bergen in Zwitserland, maar ja daar heb je, zoals nu op dit moment weer de ene lawine na de andere, of met de verdwijnende permafrost afbrokkelende bergen en landverschuivingen en wat ik net zei over Australië en Afrika, daar is het nu al zo warm, dat wordt alleen maar warmer, hoewel aan de andere kant, als je daar zit, dan moet de zeespiegel wel heel hoog stijgen, daar hou je het wel droog.

Binnenkort de verkiezingen van de gemeenteraad, ook zoiets, de partij waar ik al mijn hele leven meestal op stem is nu voorstander van bouwen in de polder en daar ben ik faliekant op tegen, natuurlijk moeten er meer woningen komen en snel ook, maar dan gaan ze maar de lucht in, hoge wolkenkrabbers, gewoon langs de randen van het historische centrum, kan best, als ze maar van de polders afblijven, wij zitten hier met deze stad op een eiland, hadden ze de laatste jaren niet steeds al die wijkjes moeten bouwen met grote villa’s, daar waar hele rijen sociale huurwoningen hadden kunnen staan; handen af van de polder, geef de bevolking wat lucht, help! Geef me lucht!

Kijk daar heb je het alweer, ik kan straks weer niet in slaap komen, let maar op.

Boulder

Het was al weken droog maar uitgerekend de dag dat ik met m’n broers een dagje zou gaan wandelen (‘broederdag’) regende het. Diep in Zeeuws-Vlaanderen, op en over de Belgische grens. Tijdens het traditionele eieren-met-spek-bakmoment was het haast droog, maar eenmaal weer op pad begon het echt voluit te regenen. Mijn dure regenjack wat laatst toch weer niet waterdicht bleek en wat ik een speciale behandeling had gegeven bleek ook nu toch weer niet waterdicht. De vraag van de ene broer wat te doen, gewoon de wandeling af te maken of de afsnijder te nemen terug naar de auto was voor mij eenvoudig te beantwoorden; ik zag er de lol niet meer zo in. Met allerlei omwegen reed de andere broer ons terug. En ook even langs de nieuwste aanwinst van zijn stad, het boulderblok. En natuurlijk kostte het hen weinig moeite om mij erheen te sturen en mij nog natter te laten regenen terwijl ik enkele keren op en neer klom, heerlijk.

‘Ja maar, we hébben al zo’n klimblok, in het park, daar bij de speeltuin’, zo verzekerde mij de man van de gemeente. Ik was doorgedrongen tot het hoofd Sector Onderwijs en Welzijn Speeltuinen en Openbare Ruimte. Voor een goed begrip, het was in die tijd dat het begrip ‘boulderen’ onbekend was, bij de massa toen en nu bij de meerderheid der niet-sportieven nog steeds trouwens. Boulderen heeft echter een enorme vlucht genomen – zoals dat heet – en is een van de snelst groeiende sporten van Nederland. ‘Boulderhallen schieten als Paddenstoelen’, juist.

Niet dat ik zelf groot liefhebber ben van bouderen, ik zit liever aan een touw (leadklimmen / toprope), maar ik was op dat idee gekomen door het Vaanblok. Een groot boulderblok in het vaanpark in Rotterdam. Ik was er eens heen gefietst, m’n klimschoentjes in de fietstas. Het leek mij leuk om zoiets ook in mijn stad te hebben, gezellig op een zonnige zondagmiddag beetje rondhangen met de klimmaten, beetje klauteren en kletsen. En stiekem ook, stel dat het zou lukken, iets neer te zetten, iets goeds te doen, iets na te laten klinkt zo deftig.

Het viel niet mee om de goede man uit te leggen wat ik bedoelde. Er waren toen nog nauwelijks filmpjes op YouTube om een en ander te verduidelijken. Ik had al contact gelegd met de ontwerper van het Vaanblok en ik wist ook wat dat gekost had. Honderdduizend euro, toen. De fabricage ervan zou nog meevallen, maar het transport, de fundatie, de plaatsing en de verdere aanleg er omheen maakt het zo duur. Voor een ingezakte stoeprand komen immers drie man van de gemeente in actie, een graaft, een rookt een sjekkie en een houdt alles in de gaten.

‘En dat is toch veel te gevaarlijk’, zei het hoofd van de Sectie toen het hem begon te dagen; ‘Daar kunnen kinderen vanaf vallen’. Waarop ik uitlegde dat zo’n blok zo moeilijk beklimbaar is dat kinderen geen meter van de grond zouden kunnen komen. Nog meer onbegrip. Kortom, daar stopte het, ik had geen zin om mij er helemaal in te storten, naar de Rabobank en overal om subsidie en sponsoring te gaan bedelen. Een project van jaren. In het Stadionpark in Rotterdam zijn laatst twee boulderblokken geplaatst, inderdaad met steun van vele partijen.

Jammer, het had zo leuk kunnen zijn. ‘Het Toonderblok’. ‘Ben jij er ook morgen, wij gaan naar het Toonderblok’. Dat nooit, het zou echt anders moeten heten, bijvoorbeeld; ‘Galenstockblok’, of nee, nog beter: ‘Galenblock’. Naar die ene berg die ik nog steeds niet beklommen heb. De volgende keer als ik naar die broer ga, ik weet het zeker, dan neem ik mijn klimschoentjes mee.

witte zwanen

De Vertrouwen vaart vrijwel geruisloos voorbij, net als ik mijn koffie inschenk. Het is de eerste dag met voorjaarsgevoel en dat moet gevierd. Bakkie in de zon aan de Kil, waar de binnenvaartschepen in een file varen, vaak wappert er een rood-wit-blauwe vlag aan de achtersteven.  Veel bankjes staan er niet langs de dijk, dat wordt dringen straks. Ik fietste er juist langs, het AZC dat dit jaar in gebruik zal worden genomen.  En dat was mede mijn doel van vandaag, het eens met eigen ogen zien.

Overal waar zo’n centrum moet komen is er veel protest. Soms snap ik het, je woont lekker rustig, misschien met uitzicht op een van Goghiaans geel graanveld in de zomer. Of vlakbij gaat dat leegstaande kantoorgebouw opeens bevolkt door 327 mensen die je niet kent. En die gaan allemaal door jouw straat lopen, wat mot dat? Dit AZC nu staat ver buiten de stad, temidden van de zo verfoeide blokkendozen, de distributiecentra. Maar aan het eind van een smal dijkje, als je de nieuw aangelegde toevoerweg naar de bedrijventerreinen oversteekt, bevinden zich een stukje terug aan beide zijden een serie vrolijke dijkwoninkjes. Deze dijkbewoners waren niet blij, wel bang. Onze wijze burgermeester en wethouders beloofden geld. Duizend euro per huis, zodat het goed beveiligd konden worden met betere sloten, camera’s of wat men maar wilde. Voor asielzoekers moet je bang zijn, die gaan meteen na aankomst overal inbreken.

Het AZC is al een eind klaar zie ik. De gebouwen staan, het lijkt wel een klein wijkje, hypermodern, strak. Driehoog, veel glas aan de zonzijde. Er wordt nog hard gewerkt aan de grond eromheen, grote bergen moeten wegwerkt. Een strakke dijk eromheen ligt er al, dat wordt straks een en al groen. Een half verhard voetpad langs de weg, design lantaarnpalen en jonge boompjes staan er al.  De bewoners zullen worden begeleid, maatschappelijke organisaties, fiets- en taalcursussen, er komt openbaar vervoer en ook eigen busjes om in de stad te komen. En als ze de zwiepende schaduw van de vier torenhoge windmolens voor lief nemen kunnen ze heerlijk flaneren langs de Kil.

Het fantastische plan van duizend euro voor hang- en sluitwerk is omgezet in een nog beter idee, de zevenenzeventig huizen krijgen nu een bedrag van 77000 euro voor de bewonersvereniging. Ter vrije besteding….  Ik schroef de thermoskan dicht en fiets verder langs de rivier, die hier meer weg heeft van een kanaal. Zo hoog op de dijk is er goed zicht op de zogenaamde ‘verdozing’, de buitenproportioneel grote gebouwen.  Aan de randen is wat compensatienatuur gecreëerd, watertjes met eilandjes met struiken en ander onbestemd groen. De wilde eenden, kuifeenden en ander drijvend gevogelte vinden het prima.

Nadat het lawaai van de A16 die ik overstak is verstomd rij ik lekker met het voorjaarswindje mee de eindeloze polders in. Waar de stilte af en toe wordt onderbroken door de ruis van een met 140 kilometer per uur voortsnellend treintje in de verte. De akkers zijn nog kaal, behalve die van oneindig egaalgroen grasfalt. Ik tel er zestig witte zwanen op, ze eten gratis gras. Een stuk tien stijgen op en vliegen met piepende scharnieren recht over mij heen, vrij.

L ‘Étranger

Temidden van een zaal vol Cineville-volgers hoor je het verhaal over deze film. En over het boek dat, zo vertelt de enthousiaste bioscoopeigenaar, een van de meeste verkochte boeken in Frankrijk was. En wie had het niet op zijn leeslijstje staan, toen op school. Nou, jij niet, je had wel Franse les, in totaal zelfs zeven jaar maar om nu te zeggen dat je Frans spreekt, nou nee.

Ach die arme monsieur Louvain, de aardige leraar die jullie probeerde wat Frans bij te brengen, hij werd zo gepest en wat interesseerde Frans jou toen. Maar ja, als een leraar op een Solex naar school kwam stond hij meteen met één-nul achter. Terwijl je Frans nu een mooie taal vindt en Frankrijk zo’n fijn land, om over Parijs maar te zwijgen.

Het boek L’Étranger van Albert Camus is in 1967 al verfilmd met onder andere Marcello Mastroianni en nu dus opnieuw. Op de vage beelden die ik vond op YouTube is niet te zien of Mastroianni de rol net zo uitdrukkingsloos speelt als Benjamin Voisin nu. Want daar gaat het in feite om, de hoofdpersoon toont geen enkele emotie. Niet om de dood van zijn moeder, om de moord die hij pleegt, noch in de verhouding die hij heeft met zijn vriendin. Existentialisme, het thema van het verhaal in boek en film. Wat heeft het voor zin, het leven, leuk allemaal dat er hier een verhaaltje over geschreven wordt. Voor wie eigenlijk. Zo sta je weleens in de rij voor de kassa in de supermarkt en staar je naar buiten waar het motregent, achter je duwt een iets te gezette vrouw haar karretje tegen je aan, werktuigelijk leg je jouw boodschappen op de lopende band, strijk je met de pinpas, hoor je in de verte het ‘Fijne dag’ en denk je, ‘this could be anywhere’. Excuus, jouw Frans is niet best. In Parijs zei je laatst in vloeiend Frans: ‘Je ne parle pas Français’. Dat had je niet moeten doen.

Natuurlijk, toen je vorig jaar met je linkerpink aan die rotswand hing met het duizelingwekkend diep dal onder je, had je wel dat gevoel van ’Ik lééf!’ Net zoals je op een zonnige voorjaarsdag over een geheel verlaten strand dwaalt terwijl in de verre verte de zee ademhaalt of toen je letterlijk de overweldigende magnetische kracht van de Nuptse en de Lhotse en de Everest aan je lichaam voelde trekken, maar ach dat zijn momenten. Op een andere dag kun je denken, ach ja, dat is waar ook, dat was toen, maar had dat nu enige zin?

In de film gaat Mersault, de hoofdpersoon – ‘De Vreemdeling’ – met zijn vriendin Rebecca naar de bioscoop. Terwijl ze opgaan in hun hartstochtelijke kus verschijnt op het doek achter hen de onwaarschijnlijke lach van Fernandel, een vervreemdend beeld. Pas helemaal op het eind van de film blijkt de flegmatieke Mersault toch emoties te kunnen tonen. Een Franse film, zwart-wit, in het Algerije van de jaren dertig, hoe fotogeniek wil je het hebben? En dan ook nog een film met een open einde.

De telefoon blijft maar blieben; Duolingo herinnert je eraan het dagelijkse kwartiertje Franse les nog te doen. Je hebt het boekje van Albert Camus aangevraagd in de bieb, makkelijk, hoef je niet zoeken, staat het gereserveerd voor je klaar. Omdat het kan. Je gaat het lezen, denk je.

Gaafland

Nooit bij stilgestaan, totdat iemand je erop attendeerde. Verbaasd staarde je naar de datum op je rijbewijs. Verhip, die datum ken je, het is je verjaardag en kennelijk ook de dag dat de geldigheid ervan verstrijkt. Het schijnt maanden te gaan duren, de aanvraag voor een nieuw. Terugrekenend, over een half jaar is het zover, tijdig beginnen dus maar.
Niks ervan, Plof! Een brief van het CBR op de mat:
‘Geachte heer, uw rijbewijs verstrijkt…. Ga naar ….’

Online een rijtje medische vragen invullen met NEE en betalen. Ploeng! Een CBR-mailtje met de vraag om een medicijnverklaring van ‘UW’ apotheek. Het vriendelijk apothekersbaliemeisje reageert verbaasd:
’Maar meneer, u gebruikt helemaal geen medicijnen?’
Jij antwoordt dat jij dat ook heus wel weet maar het CBR niet. Ploink! Weer een CBR-mailtje, nu met de opdracht tot een medische keuring en betalen.

Wat een Gaaf Land zei onze appeltjesetende geinponum MP. (wel betalen) Je hoeft niets zelf te bedenken, het wordt voor je geregeld, nagedacht, ontzorgd door onze verzorgingsmaatschappij. Doe echter niets verkeerd, maak geen foutje want voor je het weet verword je tot slachtoffer.

Als je de te hoog gegroeide struiken in het Gemeentegroen naast jouw tuin zelf kortwiekt pleeg je een strafbaar feit. Maak dus een melding op de Gemeentelijke FIXI app. Ploeing! Melding: Uw melding is ontvangen. Na drie dagen word je gebeld en je legt het uit. Na een week wordt er aangebeld, de melding wordt geschouwd en er gaat overleg plaats vinden. Na een week word je gebeld: de prunus kan slecht tegen snoei. Na de bloeitijd kan het enigszins en je beloofd te melden wanneer de – overvloedige en roze – bloei voorbij is. Dan komen ze. Snoeien. Gaaf.

Na twee weken ben je aan de beurt, jouw eigen huisarts mag jou niet keuren. Vlak om de hoek blijkt een geblindeerd keuringskamertje. Daar mag je je plasje inleveren en wordt het gezichtsvermogen getest. Ook de bloeddruk wordt gemeten en die blijkt wat hoog, bij navraag. Die getallen zeggen jou overigens niets maar volgens de keuringsarts kan dat. Het is misschien een ietwat onwennige situatie én hij heeft je twintig minuten langer laten wachten voordat je aan de beurt was. Je schiet in de lach, dát was het, geduld…

Nog voordat je thuis bent, voel je in je jaszak Ploeingk! Een CBR-mailtje met goedgekeurd. Nu alleen nog lachen naar het vogeltje. Oh nee, geen gelach op de pasfoto. En betalen.

Buurmeisje

Natuurlijk, dit boek had evengoed een andere titel kunnen hebben. Bijvoorbeeld ‘Onthutsende Bekentenissen’ of ‘Mensenmens. Of ‘Eten jullie nog vlees’, naar een ogenschijnlijk willekeurig zinnetje uit een verhaal.

En wat heeft het Buurmeisje gemeen met die Maserati, hoezo Formidable, wat zijn dat voor Bekentenissen en is er al niet genoeg Nepnieuws tegenwoordig? In een bundeling van meer dan honderd ‘verse’ verhalen neemt den Toonder de lezer mee in zijn gedachtewereld. Op reis in zijn zoektocht naar ‘het alleen op de wereld gevoel’, de liefde voor het strand en passie voor de bergen. Maar ook in zijn kijk op het leven om hem heen, soms meedogenloos maar vaker liefdevol. Is het feit of is het fictie? Niet alles is waar; zoals een spreuk van zijn vader luidde: ‘Het is allemaal waar gebeurd en als het niet gebeurd is, kán het nog gebeuren.’

(tekst op de achterflap van mijn nieuwste ‘schrijfwerkje’)

online overal verkrijgbaar – maar vooral via bookmundo.com

Tegen heug en meug

Zoals gewoonlijk lag hij lang wakker, teveel gedachten malend door zijn hoofd. Sliep hij net of toch nog niet toen hij zijn Eega voelde stommelen. Geluiden die je liever niet hoort klonken uit de badkamer. Hij kreunde en voelde medelijden met zijn lief. Het was nog geen uur later toen ook hij dringend het bed moest verlaten. Het werd een horrornacht waarin de twee elkaar aflosten op de kille badkamer.

Zoals er van alles door zijn lijf raasde, zo kolkte het in zijn hoofd; ‘Ojee , het heerst weer.’ En oja, de griepgolf, de H3N2 stam van griep A. Nou lekker dan, coronaprik gehaald, welja, griepprik ook, kan er nog wel bij. Onee, wat een ellende, dacht hij wankelend op zijn benen tussen bed en toilet, de presentatie morgen, waar hij lang naar uitkeek, vergeet het maar en de afspraken in het weekend ook.Onvrijwillige opsluiting, terug naar ‘quarantaine’. Voorzichtige kopjes thee, wat blijft erin, een Maria-kaakje, nergens zin in. Met een ongewassen ongeschoren kop lodderig kijken. Naar niet eindigende voor- en nabeschouwingen op tv over schaatsen in Milaan. Olympische winterspelen met Conijn, Wanatabe, Beune, Lollobrigida, de Boo en Ghiotto. Het beeld toonde dikwijls veel oranje.

Half verdoofd kwam het allemaal niet echt binnen en de vreemde sporten als skeleton, biatlon en curling al helemaal niet. Daar bij Cortina d’ Ampezzo, hij was er ooit vlakbij, die stad achter het magische bergmassief, Tre Cime di Lavaredo. Waar hij de top van Monte Paterno beklom, nu slechts een vage herinnering. De bobsleebaan bij Cortina die speciaal voor dit evenement werd gebouwd, kostte 118 miljoen euro. Een deelnemer rodelt in nog geen minuut naar de finish. Hij wilde er niet over nadenken, alleen maar lusteloos, met influenza gierend door het lijf, staren naar de winnende race van een beroemde influencer met mascaratraan. Rillerig, warm en dan weer koud.

de droom

Kijk, ik ben er natuurlijk ook één, één van die honderdduizenden mensen die zich verstoppen achter hun laptopje en op een zondagmiddag of misschien midden in de nacht heerlijk hun gedachten toevertrouwen aan de geheime krochten van dat apparaat. Die verder zwoegen om een eind te breien aan dat verhaal, of de inspiratie uit hun tenen proberen te halen, of die niets vermoedend op straat lopend iets zien en plots een idee hebben om over te schrijven. En dat laatste overkwam mij zojuist.

Ik was er al eerder omheen gelopen, heel voorzichtig in het hoge gras, alle hondenpoep ontwijkend, om dat vreemde beeld dat er al heel lang staat. Daar op de Wantijdijk, plompverloren neergezet lijkt het. Hufterproef, dit haal je niet even weg, een groot liggend rotsblok en een dikke staalplaat met zware kettingen. Ik was op zoek naar iets van een naamplaatje, wie heeft dit gemaakt en hoe heet het. Niets te vinden, Google Lens komt niet verder dan dat wat ik net beschreef. De beeldbank van de gemeente, over kunst in de openbare ruimte kent het ook niet. Zojuist dus, toen ik er nogmaals heen liep, om te kijken of er echt geen naam op staat, zag ik het van een andere kant, ik loop normaal nooit zo. Over het van den Broek-erf richting het van Ravensteyn-erf.  Van heel ver piepte de wolk, want dat is het, die staalplaat, net boven de rand van de dijk uit.  Precies boven de donkergroene taxusheg van de rotonde, symmetrisch achter de waterpartij met de twee bruggetjes. Dat kan geen toeval zijn, daar is over nagedacht. Naarmate je de dijk nadert verdwijnt hij uit het zicht om met elke stap op de laatste treden van de trap omhoog weer zichtbaar te worden. Laat maar zitten ook, die titel. Zodat iedereen er zijn eigen naam of ideeën bij kan bedenken. Een wolk, vastgeketend met dikke kettingen aan dat rotsblok. Zodat die niet weg kan zweven, hier blijven! Een wolk, een droom, een idee. Kunst.

Toch niet, ik liet het er niet bij zitten, zocht contact met het gemeentearchief en kreeg direct antwoord, maar dan van het Dordrechts museum. Uitgebreid zelfs en wat ik nooit had gedacht, het beeld is van Marinus Boezem. Die van ‘De Groene Kathedraal’, landart bij Almere, 178 honderd populieren in het klassieke patroon van een kathedraal. Wat ik geweldig mooi vind, het idee dan, want populieren worden niet zo oud en het schijnt al wat in verval te zijn. Ik ken nog een ander beeld in Dordrecht dat ook van Boezem blijkt te zijn. ‘Schaduw’, de in zwart graniet gevatte schaduw van de boom ernaast op een bepaald tijdstip op een bepaalde dag, prachtig idee. De boom is omgezaagd en het beeld ligt nu op een andere plek, bij schouwburg Kunstmin, gewoon onder een andere boom, het maakt het verhaal alleen maar mooier. Nu terug naar ’de Droom’. Het blijkt ‘Lifting a cloud’ te heten. En ook dit beeld stond eerst ergens anders. Met meer beelden van andere kunstenaars stond het tien jaar lang op een braakliggend terrein, waar eerst de ‘Victoriafabriek’ stond, in afwachting van de bouw van een winkelcentrum. Voor mij persoonlijk ook weer leuk; ik maakte stiekem foto’s in die leegstaande fabriek, afbraak, verval en in zwart-wit.

Op de Wantijdijk, die enorm breed is voor zo’n klein watertje als het ‘Wantij’, valt het beeld niet erg op. Waarschijnlijk zijn er Dordtenaren die er regelmatig langsfietsen of wandelen die het niet eens kennen. Ik hoorde iemand zeggen; ‘als het weg is mist Dordrecht niets’. Uit de beschrijving van het Museum: ‘Boezem verbindt hier het vluchtige van de lucht met het blijvende van een miljoenen jaren oude gestolde steen’. ‘Lifting a cloud’, van mij mag het blijven, voor altijd.

De Werkgever, de Koopgoot en Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue

Kijk, beroemd zal ik nooit worden, simpelweg niet voldoende écht talent, schilder te weinig, ga niet voor de volle honderd procent er tegenaan, te lui, te gemakzuchtig en eigenlijk ben ik meer een illustrator. Dat er nu een aantal geëxposeerd hangen – en wel strak en compositorisch juist, dat verraadt dan nog de ex-etaleur in mij – is leuk, maar daar ga ik niet scoren, het is geen echte galerie tenslotte. En denk aan de drie regels voor succes, van bijvoorbeeld een winkel; 1 vestigingsplek, 2 vestigingsplek, 3 vestigingsplek. Er schuilt geen greintje Klybanski in mij; commercieel zijn in de eerste plaats. Tientallen schilderijen heb ik inmiddels weggegeven, nooit verkocht ik er een. Zoals Herman Brood, die heel veel weg gaf. (hij verzamelde alleen ‘mooie momenten’) Een schilderij of zeefdruk van hem is geld waard, maar wat mij vooral interesseert, heb je er één, (een echte) dan heb je een ‘Brood’ aan de muur.

Ik ga hier niet een serie titels opsommen van wereldberoemde werken, zoals ‘De Schreeuw’, ‘De Stier’, ‘De Kus’ en roept u maar. Zelfs de meest verstokte cultuurbarbaar heeft direct een beeld bij een titel.

‘En daar wil ik het vandaag met u over hebben’
De Koopgoot heet eigenlijk Beurstraverse, weet niemand meer. Minder bekend is de bijnaam van het beeld van Zadkine, ‘De Verwoeste Stad’. In de ‘volksmond’ wordt het ook wel ‘De Werkgever’ genoemd: ‘Kijk maar, hij heb een rotkop, heb geen hart en z’n klauwen staan verkeerd’. Wie kent hem niet; Kabouter Butplug’. Misschien is het bij sommigen onder u een beetje weggeëbd, de schande van de beschadiging van het schilderij ‘Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue’. Door Barnett Newman in 1966. Ten eerste de verontwaardiging over zo’n raar schilderij, een heel groot rood vlak met aan de uiteinden een kleine blauwe en een nog kleinere gele streep, en vervolgens over de hoge kosten van restauratie. Ik vond het juist geweldig, ten eerste alleen al die naam, prachtig, de boosheid van het publiek, voor mij had het gewoon zo moeten blijven, die sneden in het doek maken het alleen maar mooier, een verháál. Ooit bood ik een schilderij aan bij een openbare verkoop voor een goed doel, een meisje met een ernstige ziekte. Het is er niet verkocht, het bracht geen geld op, maar het is daar wel verdwenen. Ook mooi.

En nu kom ik waar heen wil, graag geef ik mijn schilderijen een naam, een ietwat vreemde titel soms zelfs. Dat kan het naar mijn mening net iets interessanter maken, zoals bijvoorbeeld ook een boekomslag vragen op kan roepen, niet te voor de hand liggend. Het schilderij hierboven is getiteld; ‘Don’t Speak’. Ik ga er niet naast staan om het uit leggen, zoals ik in mijn werkzame leven dikwijls vreemde etalages maakte. De bedrijfsleider vroeg mij dan om uitleg, mijn antwoord was; nee ik blijf er niet naast staan voor de ‘clientèle’. Welnu, dit is duidelijk een schilderij met een peak, logisch. ‘Don’t Speak’ verwijst naar een heerlijke song waar de band No Doubt mee doorbrak. En dan nog iets, ik kreeg het doek van een vriendin, het was een schilderij met een abstracte afbeelding van haar samen met haar ex. Het was nog heel, niet kapotgesneden maar ze wilde ervan af, weg ermee. Ik schilderde er overheen en bij een bepaalde lichtval zijn de contouren van hun gezichten nog waarneembaar. Of had ik dit niet moeten vertellen.