Een gevaarlijke middag

Toen ik nog een papieren agenda met mij meedroeg om belangrijke vrije dagen in aan te kruisen alsmede theekransjes en enge recepties die vermeden dienden te worden, schreef ik daar ieder jaar opnieuw onderstaande tekst in. Gaandeweg kende ik het zelfs bijna uit het hoofd. Waarom ik dat deed? Notabene uit een boek uit 1932, nog steeds geen idee. Onlangs kwam de tekst opeens omhoog in mijn geheugen en met enig googelen waren de ontbrekende woorden zo gevonden. Ik denk dat ik weer een agenda ga kopen, ik vind het nog steeds mooi.
Uit: Death in the afternoon van Ernest Hemingway

The rest of us headed for Alicante,
then through date palms an the rich,
crowded flat fauning and fruit county
of Murcia, past Lorca, to break out
and up into the lovely valleys with the
white washed houses and the villages
and the heads of sheep and goats raising
the dust along the road until we came
down out of the hills in the dark at the
entry of the ravine where they had shot Federico
Garcia Lorca and saw the lights of Granada.

Na Remco Camperts dood werd opeens zijn gedicht Lamento opnieuw vaak beluisterd. Met passende muziek van Benjamin Herman. En Paulien Cornelisse blijkt dit gedicht jarenlang bij zich gehad te hebben, op een papiertje in haar portemonee. Bijna niemand kan zo mooi een gedicht voordragen als Joost Prinsen. Of kon het als mijn goede vriend Jules Deelder op zijn eigen onnavolgbare wijze. Na zijn dood werden twee gedichten onmiddellijk aangehaald:
‘Voor Ari’ en dat wat hij als elf jarige schreef: ‘Hoort, men werpt een atoombom’.

Mijn stemgeluid is haast onverstaanbaar, toch, als ik het maar durfde, zou ik graag enkele gedichten, met zorg gekozen uit mijn twee bundels, 84 Goedkope Gedichten en 3 gratis en Nu nog beter, 84 Nieuwe Gedichten, op een gepaste gelegenheid eens willen voordragen. Bij elk gedicht zocht ik lang naar muziek die de tekst als het ware optilt, welhaast naar literaire hoogten stuwt. Bent u in bezit van voornoemde bundels, zoek onderstaande gedichten eens op en lees hardop aan uzelven voor terwijl u op Spotify zacht de bijbehorende nummers afspeelt. Hopelijk bevalt het u.

1 Red me – Chet Baker – Lament for the living

2 Als de zon belooft te schijnen -Willem Breuker – Hapsap
Samenvatting van een leven                 ,,
Sinds                                                                    ,,

3 Zeemuziek – Wehre Direh  – Judah Earl, David Forlu

4 Laat mij eerbiedig zwijgen – Frank Zappa – Little umbrellas

5 Het is nacht – Lightning Hopkins – What ‘d I say

 

Boer

Als kind wilde ik boer worden – ik schreef het al eerder – naar het voorbeeld van mijn opa, die boer was. ‘Gemengd bedrijf’ zoals ik op school leerde. Boer zoals toen dus, geen John Deere tractor van pakweg een ton met airco en een halve computer aan boord. Geen melkquotum, luchtwasser, ammoniakvanger en zevenendertig vergunningen. Dus ook zonder eufemistisch: gewasbescherming – bijen en insecten uitroeimiddelen.
Boer zoals toen dus. Met een rijtje trekpaarden (Zeeuwschvlaamsche in dit geval), een groepje koeien in de kruidige wei, een stier in de stal, een paar gezellige varkens, echt scharrelende kippen op het erf, een klein geel hondje, een paar katten, zwaluwen onder de dakgoot en een kerkuil op de hooizolder. Met meidoorn omzoomde paardenweitjes, grote donkere schuren vol met geheimzinnige landbouwwerktuigen, de ploeg, de eg, de hooiomkeerder, de voederbietenmangel enzovoort. In het wagenhuis een aantal karren met rode wielen en een rijtuigje voor zondag.

Protest
Als er iets te protesteren valt sta ik niet vooraan. Wel ben ik het met zoveel dingen, de meeste in de politiek oneens, in principe vrijwel overal tegen zelfs. Toen ik het Rapport van de club van Rome las was ik op toppunt van mijn jeugdige oneindige wijsheid. En wat blijkt nu, een halve eeuw later, het is allemaal waar, het klopt precies wat daarin voorspeld was. Jammer wel dat ik het toen al wist en onze regering niet.
En nu, nu het te laat is doet onze regering nog steeds alsof ze het niet weet. Nu maakt het op wereldschaal natuurlijk vrij weinig uit, stel dat wij hier in dit kleine landje echt maatregelen zouden nemen om de wereld te redden. In Pakistan en Oeganda wil ook iedereen een auto en een koelkast, van milieu, stikstof nooit gehoord. Statiegeld op flesjes, hier na tientallen jaren uitstellen een groot succes – nu de blikjes nog, een van wereldreddende acties waarin onze regering heeft toegestemd, statiegeld, dat woord is in die landen onbekend.

Vlag
Heel erg vaderlandslievend ben ik niet, patriotisme is mij vreemd, van onze driekleur krijg ik geen warme gevoelens, hooguit moet ik iets wegslikken wanneer een sympathieke wielrenster op het ereschavot huilend het Wilhelmus zingend naar de ophijsende vlag kijkt.
Toch moet ik mij bedwingen om niet in lantaarnpalen te klimmen om de prostestvlaggen van de boeren eraf te scheuren. Logisch dat ze hun land niet kwijt willen, dikwijls al generaties in hun bezit.
Echter, je kunt je afvragen of je nog boer bent wanneer je in enorme schuren duizenden varkens of kippen opstapelt. Of dat je met de wetenschap van nu nog steeds je slootbermen of erger nog hele akkers oranje spuit. Het was vijftig jaar geleden al bekend dat ‘gewasbescherming’ onze bijenstand vermoord. Wat wordt hen eigenlijk bijgebracht op die landbouwschool? Is het dommigheid of gemakzucht, kan mij dat milieu nou schelen. Als mijn productie maar groot genoeg is, geld.

Boer
Het romantische beeld zoals dat in mijn herinnering voortleeft klopt uiteraard voor geen meter, het was ook toen gewoon hard werken, lichamelijk zeker zwaarder. Toch weet ik nog de heerlijke geur van de donkere stal met de warme paardenlijven waar we verstoppertje speelden. Hoe de yoghurt smaakte die oma zelf maakte en het water uit de pomp op het erf. En hoe zacht de neus van de bruine ruin Nelly was als ik haar daar een kusje gaf.

Ik ben Jens (3)

Alles flex? Hier ff een update:
‘Ow  kijk, de mooiste steen van de hééle wereld!’
dat roept mijn zus en ik moet daar een beetje om lachen, aanstelster.
Een klein pokkesteentje in het zand gevonden onder de schommel van de speeltuin en dan meteen weer dit! Wel even wennen trouwens, vies spul, dat zand aan mijn handen, niet prettig om door te kruipen, want dat kan ik inmiddels, kruipen, als de beste. Maar, nog altijd prettiger dan dat natte gras waar opa mij in parkeerde, het is nog vroeg, in de schaduw is dat nog nat, snap dat dan.

Die zus van mij en ik, sorry hoor maar ik moet het even kwijt, van me afschrijven als het ware, ze is me mattie echwel, maar volgens mij hebben wij soort haat-liefde verhouding. Een paar keer per dag, komt ze opeens, op een moment dat ik er totaal niet op bedacht ben, knuffelen en kusjes geven, nogal hardhandig dat wel maar ik ben geen softy.
En even later grijpt ze, de bitch!  – even hardhandig- alles uit m’n handen wat ik ook pak.  Aan de andere kant, ik leer veel van haar, zo weet ik al wat een pissebed is en een mier. Ze schijnt ook brandnetels te herkennen en daar is iets mee, wat, daar ben ik nog niet helemaal uit.

Kijk, ik begrijp goed, als jongste kijk je altijd wat afgunstig naar het oudere kind, in mijn geval mijn zus, maar leuk is anders, dat zij wel op die freakin’ trampoline mag en ik niet en laatst ook weer zoiets, bij opa en oma, ik moest naar bed en die meid mocht met opa de pony’s gaan voeren ‘bij het vroegere huis van opa en oma’, wat dat ook mag betekenen, maar ik moest naar bed en dat niet alleen maar ook die slaapzak aan en in dat dulle campingbedje – hoezo camping – ik snap niet hoe ze het allemaal verzinnen, zijn ze bang dat ik er uit klim ofzo, ik kan het heus wel.  

Voor diegenen die het ontgaan zijn, ik ben jarig geweest, yo!, alweer een heel jaar op deze aardbol en, mensen het was me het jaartje wel, al zeg ik het zelf. En dat het gevierd moest worden, ja, je kent me moeder toch? Bézig man, weken lang knippen en snijden en lijmen en plakken, ik dee maar net of ik niks in de gaten had, ik voelde naadloos aan dat het voor mijn traktatie was bij de ‘kindjes’, neehoor, gekke Henkie, ik zie niks haha. Volgens Juul: ‘stiekem’, wat dat woord betekent? Volgens haar: als je het niet gezien hebt.
En eindelijk, eindelijk, was het zover, je weet het, het hele huis vol mensen die ik niet ken maar die je allemaal willen feliciteren, of nou ja, mij niet maar meer papa en mama. Wel kreeg ik allemaal cadeautjes, en dan denk ik, mens hou toch je geld in je portemonaie, ik kom om in al dat spul, denk toch eens aan het milieu enzo. Vetcool wel dat je ongestoord tekeer kan gaan met die taart die helemaal voor jou is, minder fijn dat dat kennelijk grappig is en iedereen zit te kijken en te lachen. Niks van aantrekken, éten!

Eten, ik doe het graag, ik lust alles. Aardbeien, ook zoiets, schiet me nog even te binnen, Juul mag dan weer met opa meehelpen, aardbeien plukken, terwijl, ik lust ze ook graag. Hoor ik Juul zeggen: ‘We moeten nog wel aardbeien over laten voor papa en mama’. Slijmbal, ik was net begonnen! Nog een nieuw geintje, Juul propt zich in dat kleine duwkarretje en met dat hele gewicht van haar als ballast kan ik ze dan de hele kamer door douwen, de zwarte strepen op de vloer, daar doet oma niet moeilijk over.
Ik moet nu afbreken (hangen – zegt mama in de telefoon) want ik word zo ingeladen. In zo’n lullig stoeltje in de auto. Juul wordt weer helemaal hyper, we gaan naar Het Huisje aan de Zee, wat dat is: ’zee’, geen idee, kan iemand mij daarover bijpraten? Nou ja, misschien dat ik jullie daarover de volgende keer kan inlichten. Later!

La tour (9)

Het is kinderachtig en ik weet het en ik kan er niks aan doen maar wanneer er iemand voor me rijdt, in de verte, bij voorkeur een echtpaar op zo’n luie E-bike, dan moet dat ingehaald, d’r op en d’r over. En natuurlijk schijnbaar moeiteloos. Van te voren uiteraard inschatten of ik er dan ook voor kan blijven, of er niet opeens een viaduct opduikt of na een bocht de wind tegen is, want dan komen die luie E-bikers achterover leunend fluitend mij weer voorbij, dat nóóit.
‘Dan maar dood’,
zoals ik eens dacht tijdens de ‘Den Inkelloop’, tien kilometer hardlopen door het gelijknamige natuurgebied waar ik als eerste over de meet kwam. Op de ene fiets gaat het makkelijker dan de andere.
Ik schroef namelijk het gemiddelde rijwielbezit per Nederlander iets op met mijn vier rijwielen, te weten de mosgroene Batavus Torino, randonneur, Sachs 7 versnellingen, de kobaltblauwe Riva, citybike, Sturmy Archer 3 v., de hardblauwe Sparta Athena, hybride, Sharp 3 v. en de ghostzwarte Creme, caféracer, Shimano 7 v. Enkele zijn wegens hoge leeftijd nu te betitelen als duurzaam. (in dierbare herinnering de te vroeg heengegane grijsblauwe Gazelle Tour de l’ Avenir, retroracefiets Campagnolo 12 v.-)

Laatst nog, over de Rampweg op het eiland, terug van een vroege ochtendduik in het voor velen nog steeds te koude, licht Pfas vervuilde, o zo lekker smakende Noordzeewater, met aanvaringskans van een blauwe of witte kwal, een ontmoeting in de verte met de zeehond, terug dus op de Batavus met veel zin in een dampende koffie, windje in de rug, liet ik meerdere echtparen, sommigen Duits aan de helmen te oordelen,  mijn achterspatbord zien, waarop lichtsarcastisch de sticker ‘100’ prijkt.

Op het moment van schrijven wordt nog harder gefietst, het grootste fietsspektakel ter wereld waar ik mij lang tevoren op kan verheugen en wat ook de redding van mijn huid is, nog meer zonuren kan niet gezond zijn en ik dus vele vele uren in de schaduw schaamteloos tv kijk. En altijd weer motiveren die Tour de France beelden om ‘met de fiets te rijden’.

De kloof tussen de luie E-bikers en de echte fietsers wordt steeds groter. Normale fietsers worden zeldzaam, zij worden beschouwd als minderwaardige weggebruikers en als zodanig beschimpt – gediscrimineerd; ik wil excuses! – en de tijd is niet ver of zij worden van de fietspaden geweerd en waarschijnlijk – maar daar moet nog op worden gestudeerd door een commissie – worden zij verbannen naar de trottoirs.

Het zal niet verbazen, wij deden een degelijk veldonderzoek, wij zijn van hoor en wederhoor en pedaleerden op een luie E-bike. Een tomaatrode Norta luie E-bike, Bosch middenmotor. Een circuit van vijfenzestig kilometer, getest werden alle energielevels, van Eco tot Turbo, op de stille buitenweg, bebouwde kom, harde wind mee en tegen. Kort werd een topsnelheid bereikt van veertig kilometer. De benen voelden wel dat er bewogen was maar de hartslag was nergens noemenswaard gestegen. De uitstoot van deze rit was 390 gram CO2.
De stroom van dit rijwiel werd geleverd door een van de fijne kolencentrales die nog onlangs, zo’n zeven jaar geleden, door onze verstandige regering met hun vooruitziende bik gebouwd mochten worden, met hun CO2 uitstoot van 25 megaton. Voor de aanschafprijs van deze luie E-bike kan men er honderdvierenzeventig keer een huren, mocht men perse inspanningsloos een parcours van vijfenzestig kilometer willen afleggen. Voorlopig echter zal ik mij energieneutraal voortbewegen, bijvoorbeeld op mijn caféracer om luie E-bikers te passeren en mijn zwarte achterspatbord tonen waar hen de sticker toelacht met de tekst: ‘Nee’.