Nothing really matters

Je bevindt je weer in de dwingende schrijfmodus, de dwangbuis van het duiden, het moeten delen. ‘Writen’ –  zoals Peter Buwalda het noemt – het is net als poepen, je daily shit. Je moet het elke dag doen, je wilt het, maar soms lukt het niet. Dan opeens heb je een kapstokje, een woord, idee of een titel. Na de lateavondwandeling (meer dan voldoende social distance), waar je zachtjes neuriede:
“Ik wou dat ik immuun was, o, was ik maar immuun”,
hoorde je de zingende zusjes, waarvan de naam moest worden gegoogeld voor de juiste schrijfwijze: OG3NE. Het grijsgedraaide Bohemian Rapsody zongen zij in een fantastische Close Harmony.

Op het gevaar af, dat dit een column wordt met citaten, Bruce Springsteen was ‘A prisoner of Rock and Roll’ en Grace Jones, ‘Slave tot the Rhythm’, zo is de schrijver gevangen, in zijn hoofd zoekend naar, tja naar wat en waarom eigenlijk. Die Rapsodie bleek verassend veel goede tekst te bevatten;
‘Is this the real life, is this just fantasy’.
Inkoppertje, toepasbaar de huidige situatie. De sluimerende gedachte; wanneer zijn wij aan de beurt, wanneer gebeurt er in dit brave landje nou eens een ramp. Wie had dit kunnen bedenken, huh? Dit dus, de kus des doods. Is dit echt, en nu nóg een maand? En wat daarna, en dáárna, is dan iedereen failliet, weer arm en blut?

Nothing really matters. Zo dacht je er over toen je naar Nepal vertrok. Wat kan je gebeuren, het kan je niks schelen. Als je niet meer terug komt, als je doodvalt of erger. Het is prima zo, mooi geweest, eigenlijk wel lang genoeg geleefd. Een maand doorlopen, verder trekken, geen zorgen, niets aan je hoofd. Slapen, wakker worden, kopje thee, lopen, lopen en lopen. Rondkijken in dat waanzinnige landschap, vriendelijk glimlachen en buigen, Namasté. Sorry, je zit weer in Memory Lane. De Himalaya zien, Kathmandu, Solo Khumbu, Namche Bazar, Dudh Kosi, Gorak Shep, Ama Dablam, Mount Everest, het ultieme doel is dan bereikt. Je had gerust nog drie maanden door kunnen lopen. Je schreef zelfs een brief aan Eega, die je vriend Wim bewaarde, voor wanneer je niet terug zou keren. Tuurlijk, je wilde helemaal niet dood, maar dat onverschillige, dat was wel lekker. Toen.

Rapsody, Wikipedia het maar: gedicht of muziekstuk dat uit contrasterende gedeelten bestaat en toch een eenheid vormt. Zoals dus dit verhaal van een A-viertje lang. Waarin het voor nog meer contrast over je kleinkind J moet gaan. Wat een verschrikking, in de tuin werkend, voortdurend weglopend, anderhalve meterafstand houdend, voor een schattig, ”Opa, opa!” roepend meisje en dat niet even kunnen vasthouden, knuffelen en die heerlijke kleutergeur mogen opsnuiven.
‘Is this the real life?’

 Nu, alles ‘on hold’, in de wachtstand. Al die dingen die je wilde doen, al die plannen. Lionel Terray klimmen in Berdorf, de magische Cathédral, eindelijk de Galenstock, en natuurlijk terug naar Aiguille Rouge. Dan de septembertocht, Richterspitze Oostenrijk, of toch weer eens naar Zwitserland. Wallis, Binntal en dan over de Albrunpas Italië in. Mag je nog het land uit, dit jaar. Of wordt de wereld echt heel klein zoals je laatst ergens las. En misschien het ergste, de tijd, die verstrijkt. Die weinige tijd die je is vergeven, op dit veel geplaagde stukje aarde. Want nu, ik wil nog wel.

Alles is niet belangrijk toch, zolang je maar met elkaar kunt zijn en als het kan gezond. Failliet, weer arm en blut. It really does n’t matter much. David Bowie zong het zo mooi:
‘Let ’s dance, put on your red shoes and dance the blues.
Let ’s dance.’

The Lighthouse

De wereld is te klein geworden. Als in de Kalahari een witte kip een verkeerde scheet laat, ruiken wij hem ook. Een gluiperig griepje of een virusje hier en binnen de kortste keren hebben ze het daar. Functioneringsgesprekje? Even met de Cityhopper op en neer naar Londen. Weekendje weg? Even naar Marathokampos op Samos. Even elkaar eens in de ogen kijken, wie zijn die collega’s daar in Singapore, Dubai en in Delhi? Hop, de lucht in met the Emirates.

Gewoon stoppen ermee, kappen nu. ‘Het most verbode worde’. Al die airplanes naar de sloop, omsmelten maar. Klaar er mee. Geen vrolijke condensstrepen in de blauwe lucht. Vergaderen doe je maar digitaal. Tulpen uit het Westland naar de US, of waar dan ook? Jammer, kweken ze voortaan zelf maar. Of niet. De hemel boven mijn postcode is in dertig jaar nog nooit zo schoon geweest. Het is de winst van het virus. Gierend komen we tot stilstand, noodgedwongen. De lucht en de wegen zijn leeg. We blijven binnen, thuis. De dunne schijf die onze woonplaneet bewoonbaar houdt is te zeer vervuild met methaan of stikstof of CO2 of andere troep.
Er is geen redden meer aan, de broeikas die onhoudbaar warmer wordt. Binnen afzienbare tijd is het ijs op, zowel hoog in de Himalaya als op de Polen. En dat is jammer, misschien net niet voor mij, wellicht voor onze kinderen maar zeker voor die van hen. Nu, zonder verkeer wordt De Randstad weer zichtbaar vanuit de dampkring.

Doe liever niet mee aan ‘het zal mijn tijd wel duren’. Ik maak me zorgen en ben bang. Bang dat de scenario’s waar zullen zijn en ik denk het wel. Er is geen weg terug, tenzij een smerig virusje ons dwingt. Met de Bolsonaro’s, de Poetins en de Trumps gaan we de wereld niet redden. Een pandemie, ten koste van vele mensenlevens, een radicale verandering, is dat de redding van de planeet? Het leven kan zo mooi zijn, ik hou nu eenmaal van dit kleine aardbolletje en het leven, ik heb het leven lief. Liesbeth zong het, raadselachtig en mooi, met Ramses:

‘Ik scheur de rotsen met mijn stralen
Verhoog de meren in de dalen en
Onweersluchten doe ik vluchten, aah als de regen valt
Verberg je ogen in een hand
Voordat m’n glimlach ze verbrandt
M’n vuur, m’n liefde, mijn gouden ogen
’t Is beter als je nog wat wacht
Want even later komt de nacht en schijnt de koele maan’

Het leven is klein nu maar toch: de liguster kleurt weer groen, net als de syringa en de buddleja in mijn tuin en ik hoor de koolmees rommelen in zijn nestkastje hoog tegen de muur. De lage voorjaarszon schijnt tot achter in de kamer, het is de mooiste tijd van het jaar en we zitten binnen, maar het gaat gebeuren, de belofte, straks, de zomer komt er aan, kan ik al zaaien, sla in het kasje, even wachten nog met die tomatenkas. Ze zijn nog niet eens te koop, de kerstomatenplantjes, het vriest nog ’s nachts en zachtjes zing ik mee:

 ‘k hou van de warmte op mijn gezicht
Ik hou van de koperen kleur van je licht
Ik geef je water in mijn hand
En schelpen uit het zoute land
Ik heb je lief, zo lief’

Verassing

“Waar kan ik heen, ik kan niet naar China, daar is het te vol”,
zing ik in mijn hoofd terwijl ik me tegen de nu al dagenlang aanhoudende oostenwind in fiets richting leegte. Althans waar ik die vermoed. Niet in het aangeharkte natuurpark vlak bij de stad, niet aan de andere kant van het eiland bij het natuurpad. Waar kan ik heen, dan maar de polder in, lukraak de fiets ergens aan een boom en dan maar over de kale weggetjes lopen. Ik zal en moet mijn dagelijkse quotum aan beweging hebben. Hoe doen ze dat in Noord-Italië met die lockdown – waar ik vorig jaar nog was en in de Elzas en de Franse Alpen nog korter geleden.

Op ontdekkingsreis, een door mij nog onbetreden pad in een stukje ‘Nieuwe Natuur’. Waar ik eerst zo ‘anti’ was, nu toch wel prettig, het vergroot het wandelterritorium met kilometers. Die landbouwakkers waren mooi, maar je kon er niet in. Ach ja, het is klein vertier, proberen te genieten maar, met wat nog kan met dat Coronagedonder. In het tegenlicht is dit slootkantriet eigenlijk heel erg mooi. Daar, die boer met z’n rooie tractor, met z’n kunstmeststrooier, ook mooi met dit vroege lage licht. Jammer wel, op deze egaalgroene ‘grasfalt’ vlakte zal geen vogel nog een bloemetje of insectje vinden. Niemand in mijn omgeving is gegrepen door ‘C’. Toch, dit isolement is al vreselijk genoeg. Ik als ‘geen mensenmens’ mis iedereen die ik ken en allen die ik lief heb. Voel me eenzaam, heb behoefte aan contact, digitaal blijft toch maar surrogaat.

Achter een dijkje noteer ik; zwaan, wilde eend, smient, waterhoen en een fuut. Een aalscholver vliegt over en toont zijn fraaie profiel, strak afgetekend tegen een onschuldig blauwe lucht. Doorheen de strakke bomenrij, ver weg, het silhouet van de woontoren, vlakbij het huis waarin ik me straks in isolement weer terugtrek. Achter het wuivend riet een vrouw op een dik paard met bruine en witte vlekken als een koe. Ginds in de verte twee zwarte mensfiguren en iets wat heen en weer rent, de bijbehorende hond.

Telefoon: vriendin Lynn, waar ik uithang. Tja, lastig te zeggen, ergens in de natuur. Drie kwartier later liggen wij, Barry, Lynn en ik keurig op voorgeschreven afstand van elkaar in vers voorjaarsgras, kletsend, onderaan de dijk uit diezelfde kille voorjaarswind. Ze hebben wat te eten en drinken mee, ook voor mij. Wat een Fijne Verassing, blij met m’n vrienden.

“Kijk, daar, een fuut!”
En een politieauto die aan de andere kant van de dijk naar beneden rijdt. Nieuwsgierig gluren we over de kruin van de dijk, wat is er aan de hand. Er wordt gezwaaid, ik moet even scherpstellen en herken dan dochter Carol met haar Robin, ongelooflijk. Zitten daar te eten op het bankje. Toeval en Fijne Verrassing nummer twee. Denkbeeldige hugs, knuffels en zoenen later fiets ik weer naar mijn Eega, slalommend tussen alle wandelaars, fietsers, hardlopers en rollerskaters door naar huis. Onze datsja in Zeeland aan de kust is nu verboden terrein, terwijl daar zoveel ruimte is, uitgestrekte stranden vol met leegte en veiligheid.

Eenmaal thuis wordt op de tuinpoort geklopt, dochter Martine met haar Martin en kleinkind J. Dat kindje, nu vijftien maanden oud, draaft zo snel de kleine beentjes willen door de tuin. Ze lijkt te snappen dat de voorgeschreven afstand ook voor haar geldt. Hoe lang moet het nog het duren voordat ik het aantal, van naar schatting duizend kusjes en knuffels die ik haar al gaf, zal mogen uitbreiden? Hoe het ook zij en wat er ook eventueel te gebeuren staat, dit was Fijne Verassing nummer drie.

Occasion

Eigenlijk was hij toe aan een grote beurt, eigenlijk was een APK dringend gewenst. Net als bij een oude auto, een deukje hier, een krasje daar, de lak dof en wat verschoten en de bumper zat scheef. Echt oude auto’s zag je nauwelijks meer, oude mensen des te meer, de grijze golf. In zijn hoofd voelde hij zich daar niet bij behoren, geestelijk wilde hij zich daar niet onder scharen, maar dat lijf, dat gaf signalen. Codes op het dashboard.

Het loopvlak begon slijtage te vertonen, hardnekkige eeltpit, die ene nagel en soms wat hielspoor. De koplampen, links die met die floaters en die andere, daar zat overvloedig veel ruitensproeier  vloeistof. Hij moest nodig op de brug, doorsmeren en olie verversen. Uitbalanceren, dat kon beter, veel beter zelfs. Gelukkig , er waren nog onderdelen die perfect functioneerden, ook al was de garantie verstreken. Bougies nog goed, waterpomp, dynamo, inspuiting, koelvloeistof, oké. De vering, de souplesse, de lenigheid, koppelingsplaten, remschijven, alles aangevinkt, goed!

De trekkracht, soms knapte er iets in een vingerkootje. Ach ja, daar viel iets aan te doen, eerst goed laten warmdraaien. De lange afstand, hij leek steeds meer op een diesel, sprinten, snel optrekken, ging niet meer, duurvermogen dat was ruim voldoende. Lopend dan, fietsend niet. Tja, er zat sleet op, het was te merken, daar was flink mee gereden, niet van ‘een oud vrouwtje’ geweest zeker?

Tot zover het rapport Interne Keuring. Toen over naar de carrosserie. Niet om over naar huis te schrijven, meneertje. Al die butsen en deuken en zonneschade, niet ‘altijd binnen gestaan’ zeker?

Kale plekken op zijn dak. (Pas nog zei iemand: “Goed gelukt!” “Wat?” “Zijn haar, geverfd?”…….) en dan de grille, tja de smoelensmid deed haar best, maar ‘t was en bleef een kerkhof, de tand des tijds. Wist hij dat hij ook hielspoor in de elleboog kon hebben?

Aan de andere kant, zijn lijf moest niet klagen. Tijdens de trip met vijf man was dat lijf het enige waar geen pilletje in moest. En de zwaartekracht had er in tijden van GeenCorona weinig vat op, met de hellingproef. Verbruik, dat was wel een dingetje, hoewel, gezien de leeftijd, nog acceptabel. De kilometerstand, die was behoorlijk maar leek te kloppen. De navigatie, die liet wel eens een steekje vallen, maar dat was nog niet verontrustend, voldoende kilometers blijven draaien, dat was de boodschap. En af en toe flink toeren laten maken, dat motortje. Want ja, motortje, het was een lichte motor. Hoeveel brandstof er ook in ging, het zou wel altijd licht blijven.

Af en toe eens klagen, over alles dat versleet en over onbetrouwbare garages, dat hielp. Hij reed weer als een zonnetje, maar of het nu een oude of een nieuwe auto betrof, er kon altijd iets kapot gaan.

B.j. ’51, in g. st. – T. E. A. B.

In mijn cel

Op de binnenplaats baadt de zwarte merel vrijmoedig in een grote doopvontschelp. De ochtendzon schijnt ongehinderd door de hoge ramen van de refter. Ik hoef, nee, kán en wil nergens heen. ‘My home is my castle’ is nu verworden tot ‘my home is my monastary’.

Kennelijk mag de bezorger nog zijn ronde doen, de Volkskrant lag al vroeg op de kokosmat. Ik nestel me in de zetel, zo dat de zon mijn voeten kan verwarmen, die luxe veroorloof ik mij wel. Een mok met thee en de krant, van A tot Z, alle tijd in deze stilte. Ik ga er van genieten, perfect isolation. De huidige constitutie is nu eenmaal van dien aard dat binnen blijven is geboden. Volgens enkele van mijn dochters schijn ik altoos op zoek te zijn naar het alleen-op-de-wereld-gevoel. Welnu, binnen deze muren moet dat lukken. Wat te denken van Dominicus, lijkt mij wel een mooie naam. Mijn habijt, of pij bestaat slechts uit een afgeragde joggingbroek en een pillende hoody.

Onthechten en onthaasten. Ik ga iedereen vergeten, loslaten. Een tijdlang nadenken, kalmte in het hoofd en hart. Morgen, dan zal ik in mezelf afdalen, en zien wat daar te vinden is. Hoeveel liefde en zorg en woede en jaloezie en haat. Dat alles moet ik kwijt en oefenen in geduld. Ascese en onthouding, geen zondige gedachten, hoewel. Neen! Reinheid en een zuiver leven. Maar dat is morgen, vandaag nog ga ik reizen en dansen en zingen. Hier achter de abdij hoort niemand mij en het galmt zo lekker. Ik heb veel ideeën  voor deze tijd. Heerlijk reizen in mijn hoofd, dat wordt genieten. Ik wilde altijd al eens naar Damascus. En Casablanca en Odessa, Teheran en Dar es Salaam. En bovenal die imaginaire ontmoetingen met geliefden en onbekenden, de goede gesprekken die wij gaan hebben.

Het leven nu is klein en overzichtelijk. Misschien is het goed voor ons mensen, voor de aarde. Straks zal ik eenvoudig wachten, tot de klok vier keer slaat. Dan zal ik afdalen in de kelder en een gekoelde fles boven halen. Rustig zal ik hem ontkurken, een fijne Trappist en met engelengeduld kleine slokjes drinken. Alleen die vier uur klok, die zal ik aanhouden, verder niet het keurslijf van het kloosterleven. Ik hou niet van orde en regelmaat en ritme. Ja, wel van ritme, in muziek. Muziek, jaah, ook die zal dreunen hier in de arcade, waar de avondzon in mei al binnendringt. Ik heb nog boeken, een voorraad in de kasten, sommige nog ongelezen. Mijn oude vriend Harry stuurde een gedicht, van Herman Hesse:

‘Nun der Tag mich müd gemacht,
soll mein sehnliches Verlangen
freundlich die gestirnte Nacht
wie ein müdes Kind empfangen.

Hände, lasst von allen Tun,
Stirn, vergiss du alles Denken,
alle meine Sinne nun
wollen sich in Schlummer senken.

Und die Seele, unbeacht,
will in freien Flügen schweben,
und im Zauberkreis der Nacht
tief und tausendfach zu leben’.

De merel laat zijn vleugels drogen, uitgespreid in de zon. Aan de kale pruimenboom waar nu drie bloesempjes voorzichtig bloeien, hangt een koolmees. Ondersteboven. Onwillekeurig neurie ik:
“Om manipadmé hum”

de Echte Roman (2)

Berichtte ik onlangs al over mijn tv debuut, weliswaar op de lokale Vlaamse zender ROB-TV, ik kan u verklappen, er schijnt nu toch een vervolg aan te komen. Misschien heeft u het meegekregen, misschien niet. Het kan zijn dat u inmiddels, heel modern, geen tv meer kijkt, alleen Netflix of, heel ouwerwets, nu in quarantainetijden weer eens de oude videobanden van-toen-de-kinderen-klein-waren tracht afgespeeld te krijgen.

Maar, dus, DWDD gaat stoppen en heel DWDD eigen, ze gebruiken de eigen zendtijd om volop reclame te maken. Voor de zogeheten Troosttv. Het schijnt nu zo te zijn, ik heb uit betrouwbare bron, men zegt, als u het niet verder vertelt, dat de rechten zijn aangekocht. Inderdaad, juist dat deel waar mijn persoontje het vuur aan de schenen wordt gelegd door de welbespraakte goedlachse presentator Emile van den Steenbruggen, dat zal worden uitgezonden. Mij best.
Voor mijn part ook dat stukske, die twee sekontjes vooraf, wanneer de alerte kijker een blik wordt gegund op de achterkant van mijn zwarte coltrui. In het felle licht van de studiolampen zijn toch de drie of vier mottengaten op mijn rug duidelijk zichtbaar. Ja lieve lezers, schrijver zijn is eigenlijk geen professie, maar een onderbetaalde hobby. En wat doet een beetje schrijver, geheel geïsoleerd in zijn datsja, schrijven, drinken, zuipen, seks of denken aan seks, naar buiten kijken en weer verder schrijven.

Maar, dus, wie weet, heel langzaam zal ondergetekende doordringen op de bestsellerslijsten, gewoon onderaan beginnen. De Echte Roman, zoals ik reeds eerder beschreef, zie; https://wp.me/p4CCMR-Vm
Was in België goed verkocht. Uitverkocht NB. Die filmrechten waarover ik repte, welnu, daar zit nog altijd geen voortgang in. Maar nu komt het, ik kan een klein tipje van de sluier oplichten.
Matthijs (v. N.) heeft met zijn achtergrond als journalist en gesjeesd neerlandicus wel kijk op literatuur en is altijd in om iets onbekends te ontdekken. Welnu, de uitgever van de bewuste bestseller, is met de rechten alsmede inkomsten met de noorderzon vertrokken, zijn protegé in verwarring en armoede achterlatend. Herdruk onmogelijk. Zoals bekend, zo’n scoop kan juist de grote doorbraak betekenen. Schandalen,  intriges, beledigingen, alles mag, als het maar verkoopt, liegen, bedriegen, moord, sex (met een x), bloed, kots en stront, niet persé in deze volgorde, dan schiet je boek omhoog in de hitlijsten. Geen nood, er is voer genoeg, wat rechten- en publicatievrij is. Zoals daar is ‘De Waarheit’. Deze absurdistische romanthriller laat zich goed verfilmen, wellicht om te vormen naar een roadmovie, contacten zijn gelegd met enkele scenarioschrijvers, reeds!

Ik heb begrepen dat Troosttv tot diep in de nachtelijke uurtjes wordt uitgezonden, wat en wanneer een en ander voorbij schuift kan niet exact worden medegedeeld. Ik vrees dat mijn tv overuren gaat maken, ik wil mijn eigen debuut uiteraard live meemaken. Mocht ik, op het uur U toch net zijn weggezakt, en er is één (1) kijkende lieve lezer of lieve lezeres nog wakker én kijkend, bel me dan efkes, astanblaft!

Wel hoop ik dat toch gekozen zal worden, dat ook de welgevormde zwarte coltrui van mijn buurvrouw Goedele in beeld zal zijn, alsmede de scene van de afterparty, waar ik een duet zing met Eva de Roovere:
‘Slaap lekker ding
Want jij is lastig
Nog meer jij is fantastig toch’ 

Ophokken

“Aaah, mijn Creuzfeld Jacob speelt weer op!”,
gekscheerde mijn vriend Henri, destijds. Zelf had ik toen meer last van de Gekke Koeienziekte. Gelukkig ontsnapten wij, daarna weer, mijn twaalf witte en bruine kippen aan de Vogelgriep. Hun klaaglijk getok ging mij door merg en been, het kon niet anders, dagenlang zaten zij in lockdown, toen nog geheten; ‘opgehokt’. #

Is dit het dan, dat wat iedereen vreest en ik misschien het meest. Een grote ramp, wereldwijd, of iets sluipends, geheimzinnigs, waar we of in één klap, of tergend langzaam aan kapot gaan. Apocalyps now. Meteorietinslag, de aarde komt tot stilstand, de zwaartekracht verdwijnt – heb ik teveel stripboeken gelezen of slechte films gezien of ben ik gewoon behept met overtollig veel fantasie. De alles verwoestende tsunami, versnellend smeltende Groenlandijskap, niet te stuiten Ebola, maandenlange zonsverduistering door vulkaanuitbarstingen, need I say more? Het begint nu toch wel echt eng te worden.

Is dit een wake-up call? Is it nature itself? Zo van, de wereld gaat eraan, als we niets doen gaan we ten onder. De mensheid holt maar door, met onze dure elektrische auto, volgetankt met vervuilde kolencentraleenergie, scheuren we tot klokslag zeven, met 100 kilometer per uur in vol vertrouwen op de navigatie, volgas naar de afgrond. Zelf ben ik ook een zondaar, als een idioot 2000 kilometer gereden voor een dagje sneeuw. Een promiletje minder opwarming van deze woonplaneet kan geen kwaad. Dat gekke spul, Corona, slecht voor de gezondheid, goed voor het klimaat. De grootst zelfbenoemde Corona deskundige ter wereld mr. Trump himself is een hoopvol doelwit voor dit onderhavige virus, beter voor de wereld.

Mag het iets minder, is het goed om even in te houden. Tot stilstand komen. Letterlijk afstand houden voor het geval men het toch nodig acht te hamsteren en afstand van de ratrace. We wilden allemaal toch eens een weekje in een klooster. Nu even voor het ‘echie’. In een staat-van-zijn. Zoek jezelf, een beetje mediteren, inzicht, Zen en zo. Consuminderen maar! Met z’n allen, lalalala, met z’n allen in quarantaine. Wat mijzelf betreft, dat vertragen, de tijd nemen en onthaasten – voldoende synoniemen zo, die komen vanzelf wanneer je terugschakelt – dat is iets dat ik mezelf al zolang voorneem en mij zo slecht lukt. Aandacht voor elkaar, je lief en op afstand, de ander.

Tip: in het altijd gezellige Arnemuiden is een Yoga centrum gevestigd dat luistert naar de naam: ‘Corona Yoga’. Nog een weetje misschien? Corona is de buitenste laag van de zon, miljoenen kilometers groot en één miljoen graden heet, volgens mijn Wikipedia dan hé. Anderhalve meter afstand houden is het devies, geen twijfels meer over een, twee of toch drie zoenen en de mannenhug. Gemeengoed is de hindoegroet, die met de handpalmen tegen elkaar, lichte buiging, kleine glimlach, mompelen:
“Namasté’, (ik buig voor jou)
het mag.

# Dat hok was nogal groot, die scharrelaars hadden tweeënhalve vierkante meter p.k. (per kip), maar toch, ze wilden buiten spelen.
Bij de foto: opgehokt in vrijheid, op het virusvrije lege strand en bij de bacterieloze zee. Opvallend, de weinige tegenliggers hielden afstand en groetten ons vriendelijk.