piazza

Het was al herfst en hij zag het niet
gloeiend gouden graan op heuvelland
zwart stonden de cipressen
volgas over kronkelwegen
Als de zomer herfst wordt

Het was nog zomer maar al bijna herfst
fonteinen ruisten door de stilte
hitte hing in de piazza
haastten door de kronkelstegen
Als de vriendschap liefde wordt

Herfstfase van het leven
tekent littekens op de ziel
zoektocht naar erkenning en bescherming
ontkenning en ontdekking
het point of no return
het gouden graan geoogst
de akkers kaal en leeg
Als de schaduwen dan langer worden
zwart de avond valt
Als het leven trager wordt

Het was al herfst en hij wist het niet
vertrokken, weg van zijn verleden
leeg is zijn piazza
slippend over glad plaveisel
Als de herfst winter wordt

Hij was al in zijn herfst en hij wilde ’t niet
doodlopend naar de horizon
het doolhof van de liefde
tastend aan gesloten deuren
Als de liefde winter wordt

Gevangen

Want zij telt de uren
en ze lacht erbij
haar ziel zal gereed zijn
en zo wacht ze alle dagen
achter de gesloten muren
van haar kloppend hart
en ze lacht, van binnen

Want hij weet het
en het doet hem beven
zijn angst doet hem talmen
en hij zal zwak zijn
alles is vergeven
door zijn kloppend hart
en hij weet, van binnen

Want zij ademt licht
en ze is een vreemdeling
vertwijfeling sluipt binnen
haar geest staat stil
en het wordt warm in haar
bij het kloppend hart
en haar adem doet wat raar

Want hij rijdt verder
en hij belt of klopt niet aan
zijn twijf’ling en de aarzeling
en hij is beetje dom
kan geen woorden vinden
in zijn kloppend hart
en keert dan toch maar om

Want zij weet het al
en ze dooft het licht
genade zal haar wapen zijn
en strijkt haar haren glad
alles gaat ze hem vergeven
opent haar kloppend hart
en ze is het wachten zat

Want hij is terug
en hij is vol overgave
zonde van verspilde tijd
en maakt zijn lippen nat
haar slaaf en gevangene
bonkend nu zijn kloppend hart
en hij weet: gehangene

peptalk

Kom op nou, als het ware
Laat je niet op je kop zitten, hé
Je kán het, oké
Je gaat niet voor een zeventje, weetjewel
Niet het koppie laten hangen, ja toch

Ik wist niet dat ik het in me had, niewaar
Laat mij m’n ding maar doen, als het ware

Never give up, hé
Altijd maar doorgaan, oké
Doe het dan voor mij, weetjewel
Je gaat me niet teleurstellen, ja toch
Ik weet dat je het kan, niewaar

Ik weet zeker dat ik het kan, bijna, als het ware
Laat mij m’n gang maar gaan, hé

En nu volgas geven, oké
Ik wist het, ik zag het in je, weetjewel
Vooral doorgaan, ja toch
Je hebt genoeg niveau, niewaar
Dit is je geluksdag, ik voel het, als het ware

Ik weet dat ik het kan, oké
Laat mij nu maar, heb er vertrouwen in, hé

Waar je het vandaan haalt haal je het vandaan, weetjewel
Sowieso, sowieso, echt wel, ja toch
Jij gaat het maken, niewaar
Zég het, zég het, yes I can, als het ware
Wat goed is komt snel, hé

Ik ga voor goud, oké
Laat mij maar, ik maak het af, weetjewel

Alles geven, álles, ja toch
Geloof in jezelf, niewaar
Je gaat tot het uiterste, kop op, als het ware
En nu doorpakken, hé
Het is een go, oké

Hebben we een deal?
We hebben een deal, als het ware

Het is Nacht

Het is nacht
Uiteraard is het nacht
Wat zou het anders zijn
Dag
Het is de nacht die je normaal alleen in films ziet
Het is een zwarte nacht
Een nacht zonder maan
Maanverlichte nacht
Een nacht zonder maan is een nacht niet geleefd

Het is nacht
Omdat het geen dag is
Is het nacht
Nacht
Het is de nacht die je zou willen overslaan
Het is een lange nacht
Een nacht met regen
Zeikendnatte nacht
Een nacht zonder regen is geen natte nacht

Het is nacht
Altijd is er weer een nacht
Na een hele lange dag
Dag
Het is de nacht die je niet gauw vergeten zal
Het is een droeve nacht
Een nacht met pijn
Verscheurde nacht
Een nacht zonder tranen is een droge nacht

Het is altijd nacht
En dat dan elke dag
Na de korte nacht
Nacht
Het is de nacht die je nieuw inzicht bracht
Het is een vrije nacht
Een nacht met eenzaamheid
Ontheemde nacht
Een nacht alleen is een vergeten nacht

Het is toch nacht
Een verdomde nacht
Na een zwarte dag
Zwart
Het is de nacht dat je niet verder dacht
Het is een bezopen nacht
Een nacht van alcohol
Katernacht
Een nacht gedronken is een verloren nacht

Het is nacht
Na een dag zonder haar
Niet nog een nacht
Alleen
Het is de dag dat je verder moest, alleen
Het is een kille nacht
Een nacht verdwenen
Solonacht
Een nacht zonder haar dat is geen nacht

In de regen

En ik wil lopen in de regen
terwijl de populieren ruisen
en de maan vriend’lijk toekijkt
niemand houdt me tegen
in de nacht of in de zon
met jou

En ik wil lopen in de regen
terwijl het bos al donker wordt
en de aarde onverschillig verder draait
of huiverend door enge stegen
in de nacht en in de zon

Ja ik wil lopen in de regen
terwijl de afgrond op mij wacht
en de tijd steeds korter duurt
over eind’loos lege wegen
in de nacht of in de zon

Heb nu lang genoeg gezwegen
ik wil lopen voor jouw zegen
de worsteling verzwegen
echt, alle zonden zijn vergeven
de schaduw van het verleden
‘wat zulle we nou beleve’
nachtenlang aaneen gezwegen

En ik wil lopen terwijl het regent
en het koud wordt rond mijn hart
mijn hoofd steeds leger
onnadenkend voortbewegend
in de nacht of in de zon

Ik wil lopen door de regen
niemand houdt me tegen

Out of time

‘ik wil kopen’
Met een klap, of eigenlijk was het een zachte klik, sloeg Irina het kofferdeksel van haar Mercedes E 300 D dicht die een eind verderop in de straat geparkeerd stond, nadat ik mijn schilderij, voorzichtig, liefdevol en met lichte smart daarin had neergevlijd. En het was in diezelfde vijf seconden, of hoelang het ook geduurd had, het geruisloos mechanisch omhooggaan van de klep, het neerleggen op de met zwarte stof bedekte bodem en het duwtje van haar dichtberingde hand, met de nagels in een bevreemd roze, in die veertien seconden besefte ik dat ik niet alleen afscheid nam van mijn werkstuk, het schilderij van die Himalayaanse nachtelijke bergketen, maar dus ook van haar, dat het een afscheid was ook van haar en nu definitief.

Met dat: ‘ik wil kopen’ had ze mij weer teruggevonden, na meer dan tien jaar en ik had onmiddellijk gereageerd, blij want hoewel we elkaar niet echt goed hadden leren kennen was ik haar nooit vergeten. En waarom dan juist dit schilderij, deed het haar herinneren aan haar vaderland, ook zij hield van de bergen, zoveel wist ik wel, ze reageerde soms cynisch op mijn Alpen avonturen, leken deze bergketens op die van de Oeral en was die ene, hoogste en verste top op het dramatische schilderij voor haar de Elbroes en die in feite, anders dan de meeste mensen denken van de Mont Blanc, met zijn 5642 meter de hoogste top is van Europa.
En zoals altijd, je laatste schilderij is je mooiste, daar ben je van gaan houden en dat wil je niet kwijt maar in dit geval, voor Irina, het was te leuk, en vooral, om haar weer te zien met dat asblonde haar en die ogen in dezelfde tint waarin zoveel te zien was van Siberische steppes met driftig galopperende paardjes waarop bebontmutste baardkozakken zaten, Byzantijnse liederen zingend over de Wolga, kon ook zijn over Olga of Kalina, over de liefde in ieder geval voor een vrouw, een rivier in de Kaukasus of het lieve vaderland, tot een eindeloos geheim gehouden verdriet en ijskoude Wit Russische poesta’s maar evengoed konden die ogen verlangen naar heftig flakkerende kampvuren in de Oeral met oorverdovend spelende balalaika’s, want, zo vertelde ze me, overal in dat gigantische land had ze gewoond, vrijwillig of was het gestuurd, dat zei ze dan weer niet.
Dagelijks of in ieder geval wekelijks praatten wij, langzaam pratend in die voor haar zo moeilijke taal en we moesten daarom voortdurend heel vaak en hard lachen, als ik haar dan wilde helpen, zoekend naar het juiste woord en altijd weer wilde ze mij omhelzen en knuffelen en fijnknijpen tegen haar machtige Russische boezem.

En zo bleef veel voor mij geheim of in ieder geval onduidelijk, even snel als ze gekomen was, na een kop koffie in de warme tuin waar ze vroeg: “Geen kippetje, hier?” vertrok ze weer, ruim tien jaar was verstreken, waarin ze geen dag ouder leek te zijn geworden met het schilderij ‘Out of time’ in haar Mercedeskoffer, hoe had ik die titel toch gekozen, zelden was een naam beter op zijn plaats geweest, beschikte ik dan toch over telepathische gaven en vandaag had haar lach luid door mijn tuin geschald en had ze me nog net de kans gegeven naar haar dochter te vragen, Anya, die moeder geworden was en ook nu weer wilde ze innig afscheid nemen want ze zei totaal niet bang te zijn voor ‘dat Corona, die griepje’ en ze stapte in, kushandjes zwaaiend en roepend: “Dag sgattt.”
Nadat ze de straat uitgereden en om de hoek verdwenen was vond ik op de tafel een rode enveloppe, daarin zaten geen roebels maar euro’s.

de oude man en de oude zee

Het was op een late zondagavond aan het eind van de zomer en het was een dag geweest waarin de tijd leek stil te staan net als de hitte van de zon die maar niet kon zakken, die bleef hangen aan een hemel die in brand stond. Het kan ook een zaterdag geweest zijn, ja misschien was het toch een zaterdag, de oude man lette niet meer zo op welke dag of hoe laat het was, hij leefde van dag tot dag.
Het was ook niet belangrijk. Hij keerde terug op die avond en weer viel het hem op hoe stil het was bij zijn huis, in de luwte uit de wind. Terug van een lange dag in de zeewind, er was altijd wind aan de kust en het was goed dat de wind er was, het maakte de hitte draaglijk. Zoals altijd had hij die ochtend gekozen te vertrekken met tegenwind, westwaarts dus en de tegenwind was nauwelijks voelbaar nog, maar hij wist, het zou harder waaien straks, zoals altijd. En hij nam het voor lief dat hij het niet zou zien, dat de zon traag en onherroepelijk zou opstijgen, vanuit zee, zo leek het en de hemel ging kleuren in een lieflijke en beloftevolle roze tint, dat dat alles achter zijn rug zou plaatsvinden. Hij liep en hij liep, een eenzaam spoor in het maagdelijke zand achter zich latend.

De man had een gegroefd gezicht maar het was op een prettige en vriendelijke manier gegroefd. Het was niet door zorgen dat zijn gezicht eruit zag zoals het er uit zag, maar zo was het geworden door het vele turen en de zonuren en het turen in tegenlicht en wind en zon. Het was een vriendelijk en gelukkig gezicht maar als je goed keek en wat langer met hem zou spreken zou je merken dat het een gelukkige man was die toch, diep weggestopt een geheim met zich meedroeg, iets dat hem droevig zou kunnen maken, een verdriet dat hij verborg in het diepste van zijn ziel.

Toen de man met het gegroefde gezicht zeker wist dat het vuur goed brandde en dat zou blijven doen zodat de onderste eierkolen in zijn oude verroeste barbecue lang zouden gloeien schuurde hij met de staalborstel het ijzeren rooster schoon, automatisch en met rustige krachtige halen en als je goed keek was te zien dat hij met zijn gedachten elders was.
Nadat het schoongemaakte rooster in de kleiner wordende vlammen was teruggelegd, ontdeed hij met een snelle haal de vis van kop en ingewanden en sneed met het grote platte mes de vis horizontaal door en bestrooide de sappige witte stukken vlees royaal met zout en olijfolie en wikkelde ze in aluminiumfolie dat hij zo vouwde dat het bootjes leken met een puntje aan de bovenkant.

Terwijl hij zo bezig was vloog een schaduw over hem heen en zonder op te kijken wist de man met het gegroefde gezicht dat het Jonathan was. De mantelmeeuw, een gewone meeuw, zonder bijzondere kenmerken, zoals alle andere meeuwen die zo sprekend op elkaar lijken, maar toch, onmiskenbaar, hij wist, dit was zijn meeuw, zijn Jonathan. Vriendelijk keken de kraaloogjes naar hem, geduldig wachtend tot de restjes vis hem zouden worden toegeworpen.
Zoals hij daar zat, de kleine mantelmeeuw, met zijn witte buik onder de lichtgrijze mantel en zijn gele pootjes en gele snavel, zo rimpelloos en gladgestreken, het was een groot contrast met de oude man in zijn kreukelige verschoten kleren en zijn gegroefde gezicht.

Met het rode Opinelmes wrikte hij de kurk uit een fles witte wijn, schonk een klein mooi gevormd glaasje vol tot het bijna overliep, legde de zilveren pakjes op het rooster en trok een stoel in de schaduw. Voorzichtig nam hij een slokje wijn en op dat moment keken Jonathan en hij elkaar aan, heel even.

once upon

Need I say more, deze twee woorden zeggen genoeg, net als de eerste paar noten van die heerlijke slepende muziek. En ik kon het niet laten toen deze en andere westerns op een zender die ik normaal refuse voorbij kwamen voor de zoveelste keer te bekijken. En ze konden mij niet traag genoeg zijn.
De vele langdurige reclameblokken gaven de kijker steeds ruim voldoende tijd voor een refill van zijn glas met Jack Daniels of anders gestookte havermout. Ennio Morricone, il Maestro voor vrienden, is onlangs overleden op de leeftijd van eenennegentig, die voor een doorsnee cowboy in een spaghettiwestern onhaalbaar was, allang een keer doorzeefd in een vuurgevecht met bandieten of roodhuiden zoals ze toen genoemd werden, met Colts en Winchesters, ter aarde gestort en eenzaam achtergelaten in een gortdroog oranje landschap waar door erosie slechts eenzame zandsteenformaties overeind zijn blijven staan.

Als kind op een leeftijd waar ik van het bestaan van spaghetti nog geen weet had speelde ik al cowboy en indiaantje. Nooit, zoals ik laatst zelfs van een vooraanstaand politicus hoorde, ‘coyboy’ zeggen, het is cow, van koe, dit ten overvloede. En die kende ik al wel, koeien, toen ik als kleine jongen mijn opa hielp de koeien drijven, met een wilgentwijgje, als ze moesten drinken in de Otheense kreek in Zuid Zeeuws Vlaanderen. In die periode dat ik de theelepeltjes snel bij elkaar legde in het doosje, zodat ze zich niet zo alleen zouden voelen droomde ik nog niet van Claudia Cardinale.
Dat kwam pas later, nog na de boeken van Arendsoog en Witte Veder en daarna die van Karl May over mannen met onvergetelijke namen als Old Shatterhand en de man wiens oren werden afgesneden door de Apachen; Sans Ears. In die jaren van mijn roerige leventje dat ik mijn wekelijkse snoepdubbeltje vrijelijk kon besteden en daar tenslotte een bazooka kauwgom voor aanschafte en die nog drie dagen bewaarde, koesterde ik warme gevoelens voor het kleine schattig Indianen stripfigurenmeisje Hiawatha.

In een beetje man schuilt toch een cowboy. Dat symbool voor vrijheid, onaangepast, only the lonely op zijn paard traag verdwijnend aan de horizon, niks geen mondkapje of overdreven handengewas, iedere drie dagen schone sokken, laat staan onderbroek, een vuurtje stokend in de prairie onder je zwartgeblakerde pannetje en een slok Jack Daniels uit je drinkbottle  in de sadlebag. Die je wanneer je de woorden Anderhalve Meter durfde uit te spreken zo vanuit de heup met een enkel schot neerknalden. Van die heerlijke ongeschoren zongestoofde koppen als van Clint Eastwood, Charles Bronson en Henri Fonda. Toen mannen nog man mochten zijn. Zonder Deo.
Met paarden had ik zeker iets, op voornoemde boerderij de grote bruine ruin Nelly, die mij hinnikend begroette wanneer ik kwam logeren en ik haar zachte neus mocht kussen. En later, in ons eigen weiland de gitzwarte Friese hengst Zorro met zijn prachtige lichaam die eens dwars door de omheining brak en dochter Carol in galop achtervolgde door de hele tuin.

Liever wilde ik als kind Witte Veder zijn dan Arendsoog, ook toen al had ik mijn principes, al kende ik dat woord nog niet, ik was voor de underdog, was ook liever Sjimmie dan Sjors.  En nu moet ik aan dit stukje  een eind gaan breien, hoort u ook die langzaamslepende muziek, typerend voor Westerns met zo’n mondharmonica. Heb ik u al verteld dat ook ik diverse van deze mouthharps in mijn bezit had maar daarover next time. To be continued. Er was eens, a time in the west.

* In 2009 verscheen mijn boek ‘Cowboy in Nepal’: https://bit.ly/3eAoSsz

red me

Laat de schilder schild’ren, laat de zanger zingen,
Laat de kapper knippen, laat de rijder rijden
Laat de dichter dichten en de drinker drinken
Red me, red mij
Red me de van duisternis, de slechte nacht
Red me van de afgrond, onpeilbaar diep

Laat de drinker drinken, laat de snijder snijden
Laat de schrijver schrijven, laat de fietser fietsen
Laat die behanger met z’n Franse zanger
Red me, red mij
Red me van de ondergang, de vergetelheid
Red me van de eeuwigheid, doe het snel

Laat de klimmer klimmen, laat de lezer lezen
Laat de zwemmer zwemmen, laat de denker denken
Laat de schipper schippen, de golven golven en de wind toch waaien
Red me, red mij
Red me voor de liefde van mijn hart
Red me van de Franse kust

Laat de loper lopen, laat de drinker drinken
Laat de dromer dromen en red hem niet
Laat de vrijer vrijen tot de zon de maan inhaalt
Red me, red mij
Red me van de schaduw, de kou
Red me van de angst en het verdriet

En laat de dromer dromen en laat hem fantaseren
En laat de lacher lachen en laat de liefde leven
En red me, red mij
En laat me lopen op het strand
En vergeet mij niet, of toch ja, vergeet me maar

Tell me

Natuurlijk, hij zou naar het strand kunnen gaan. Dat zou hij kunnen doen, het was vlakbij, als  de wind goed stond kon je de zee zachtjes horen ruisen, ruiken zelfs. Die zee met het strand erlangs, waar het smal begon maar zich snel verbreedde tot een vlakte die soms lag te zinderen in de hete zon maar waar het ook kon spoken met verstuivend zand in een storm.
Nu niet, de wind lispelde hoog in de bomen langs de witte weg die naar het strand leidde en hier bij het huis was het stil en door een opening  in de bomenrij viel een schuine baan zon in de tuin die de roze rozen deed geuren en warm kleurde. Nee, hij bleef hier nu, naar zee kon altijd en hij aarzelde lang, meer bier of toch weer wijn. De bierfles blonk met grote koude druppels in het licht van de koelkast. Als hij nu de stoel naar voren schoof kon hij nog lang genieten van de zon en bij het koude bier at hij koude en zoute vis en oud stokbrood dat eigenlijk te droog was maar besprenkeld met olie precies goed. En zo zat hij hier en dacht aan haar die hij had liefgehad.
Natuurlijk, hij zou naar haar toe gegaan zijn en alles zou gewoon geweest zijn en rustig en goed en helemaal vanzelf neuriede hij met zijn mond vol vis en zout en bier:
“Tell me how you feel…”

Het strand dat hij kende met zijn steeds veranderende vorm, de lage zandbanken en de ondieptes, de duinen en de nieuwe duintjes op de grote vlakte en de muien waar met eb water in stond dat langzaam zeewaarts stroomde en dat steeds bleef doen tot het weer vloed werd. Hij wist waar de fazanten woonden en de reeën en hij kende de vogels, de visdiefjes, de strandpleviertjes en de scholeksters en de meeuwen. Soms was de vloedlijn blauw, kwallentijd.
In de boom, hoog in zijn tuin, de oude abeel waar soms een tak afbrak, koerde de woudduif die er woonde en de rode steentjes eronder besmeurde met zijn witte poep. Dat hoorde hij, onbewust, tegelijk met de harde en melodieuze zang van de fitis in de kromme hazelaar. Hoorde hij het of was hij op het strand met haar, waar de zon langzaam zakte en haar die hij had liefgehad warm verlichtte, terwijl de zee het strand kuste en waar hij haar in zijn armen had genomen en fluisterend boven het geruis van de golf die uitliep over het natte zand vroeg:
”Tell me how you feel…”

De donkere rode wijn die haar werk deed en de zon die steeds harder leek te gloeien vanonder de bladeren van de abeel op zijn voeten en zijn hoofd en verbrande borst en hij wist het, dat het pijn zou doen in zijn hoofd en overal, maar ook dat hij niet meer zou gaan, naar het strand. Want hij dacht aan haar met haar stem en haar ogen. Hij had haar goed gekend, hij wist hoe ze liep en in gedachten rook hij haar geur en streelde hij haar voeten.
Hij wist hoe ze was als ze wakker werd en uit bed kwam en met haar handen die smal waren een kop hete thee omklemde en naar buiten staarde. En als ze liep hoe haar tenen neerwaaierden in het zand zoals zeeanemonen meebewogen in de ebstroom. Hij dacht aan haar silhouet in het maanlicht tegen het raam en snel verzette hij zijn gedachten. Het strand, de zon, de zee en haar die hij had liefgehad, het was er allemaal, want hij ging nergens meer heen, achter zijn gesloten ogen zag hij alles, de transparantblauwe hemel waar witte wolkjes stilletjes verschoven maar ook het zout en het zand, blinkend op haar huid.

Hij wist dat de zee zich nu langzaam terugtrok van het strand en het zand nat achterliet en glimmend met de sneltrippelende vogels op zoek naar voedsel. Hij wist het precies, de steeds verschuivende getijden zaten in zijn hoofd als een inwendige klok en al sloeg hij weleens een dag over, of het vloed of eb zou zijn, opkomend of afgaand tij. Het zwarte hout van het oude huis was opengescheurd en straalde de opgespaarde warmte van de dag uit in zijn rug.
Op het strand schoof de schaduw van een wolk die toverde met licht en donker en oplichtende fel beschenen vlekken zand en schelpenstroken en ook op de zee, die rustig lag te golven en te blikkeren, ook daar waren donkere schaduwen.