De Vooruitgang

Vooruit, laten we weer eens modern doen, we gaan niet met de auto, dat onding dat het milieu verpest, we nemen de trein. En dat komt nog goed uit ook, we wonen vlak bij een station en onze bestemming, de LocHal, schijnt ook dichtbij het station te liggen. Bovendien berichtte NS mij, dat ik weer over een ‘vrij-reizen’ kaartje kon beschikken. Voor een goed begrip, dat is allesbehalve gratis, om zoiets te bemachtigen dient men een Dalurenkaart aan te schaffen en daarbij nog de zogenaamde Keuzedagen te betalen. Alles bij elkaar voor een bedrag van een keer je auto helemaal vol te tanken.

‘Het zal mij benieuwen’, mompelde ik terwijl ik de voordeur dichttrok. Hoe herkent men de forens / reiziger / jarenlang NSklant? Aan de cynische verbeten blik die onhoudbaar op het gelaat verschijnt in de onmiddellijke nabijheid van een NS station.
En inderdaad, sinds Arriva is weggeconcessied ten gunste van het goedkoper opererende Rnet, blijkt de blauwgele NS automaat verdwenen bij ons station. De gemeenrode Rnet automaat weigert mijn NS Dalurenkaart te herkennen.
Anno 2019, zelfs in het achterlijke China rijden de treinen nu met 450 kilometer per uur, in Nederland, één van de welvarendste landen ter wereld snapt een apparaat het niet. Van de klant wordt nu verwacht dat hij incheckt, op het volgende NS station in een vliegende sprint het station verlaat, uitcheckt en in de blauwgele NS automaat zijn ‘Keuzedag’ opwaardeert, vervolgens incheckt en met ware doodsverwachting zich de tunnel instort om zijn ‘overstapje’ alsnog te halen. Wat een Vooruitgang.

Haalden wij dit overstapje niet, dan dienden wij een vol uur te wachten op de volgende ‘Sprinter’. NS, in al haar wijsheid, besloot dat vier keer per uur een trein naar Brabant wat teveel was, twee Intercity’s en twee Stoptreinen, let wel; een ‘Sprinter’ is gewoon een Stoptrein. Dit alles omdat er een nieuwe verbinding is, een snelle trein van Rotterdam rechtstreeks naar Breda, en die ‘Intercity Direct’ komt niet langs onze woonplaats. Alweer een grote Vooruitgang dus.
Hoe jagen we de forens de trein uit, de weg op, dat onding van de auto in, de toch al zo drukke Moerdijkbrug over. Toegegeven, de nieuwe ‘Sprinter’ is strak modern, bijna luxueus.

Aan het einde van de bijzonder prettige dag in de Brabantse stad met schitterend museum, heerlijk park, lekkere Turk en de waanzinnige bibliotheek LocHal, brak bij mij de pleuris uit. Terug naar huis, die ene ‘Sprinter’ per uur, bleek volgens het digitale bord: ‘Cancelled’. Gewoon, cancelled. Rijdt niet. Bekijk het maar klant, zoek het maar uit. NS kan er ook niks aan doen, wisselstoring. Misschien dat er over een uur weer een rijdt, of over twee uur. Misschien.
Op het punt van vertrekken stond wel de ‘Intercity Direct’ naar Rotterdam, roltrap af, roltrap op, de NS kaarten langs een ‘Toeslag’ paaltje geswiped en in het gereedstaande ‘rijtuig’, dat onmiddellijk met een zucht haar deuren achter ons sloot. En zo zoefden wij met iets verhoogde snelheid noordwaarts, niet langs onze woonplaats naar Rotterdam, om daar weer over te stappen, terug zuidwaarts. En dan, oeps, op het perron van Rnet niet vergeten uit te checken van NS en in te checken bij Rnet. Dit alles in 2019, terwijl in Zwitserland een hoeveelheid van verschillende treinmaatschappijen de reiziger vervoeren, die daar in het geheel en totaal niets van merkt.

In de enquête, het tevredenheidsonderzoek, dat ik binnenkort in de mailbox verwacht, zal ik kunnen antwoorden op vragen of er voldoende prullenbakjes waren, de geluidsinstallatie verstaanbaar was, hoe het met mijn gevoel van veiligheid gesteld was en dan met ja/nee/weet niet. Om dan weer te kunnen pronken met een zeer hoge klanttevredenheidscore. Zo jammer, dat die Abri’s, prullenbakken, rookpalen en geelblauwe automaten zo hufterproof zijn.

 

Patiënt

Een dag uit het leven van een patiënt. Zo ben je kerngezond – geen klachten? geen klachten – mankeer je niks, althans dat denk je, voor zover je weet. En zo begint er iets aan te lopen, te haperen, te stotteren, en verword je tot patiënt. Val je in de handen ( niet klauwen zeggen, je hebt hen nog nodig) van de medische industrie.

‘Wat zit daar toch’, dacht ik en wreef voor de zoveelste keer die denkbeeldige haar uit mijn oog. Was het weer een eigenwijze wenkbrauwhaar, zo’n grijze die in één nacht uitgroeit tot een irritant voor het oog hangend gordijn. IJdel als ik ben zal ik mijn wenkbrauwen nooit laten verslonzen, een wildgroei van Ruud Lubberiaanse proporties. Tot ik ontdekte, nee, het was niet ervoor, maar in het oog. Rechts, daar zweefden, nee, dreven vreemde substanties door het beeld. Sterker nog, nu ook op links en troebel werd het zicht. Juist wanneer ik veinsde ze niet te zien, zaten ze hardnekkig in de weg. Google stelde niet geheel gerust. Lichtflitsen, die zag ik niet, hoewel, was dat er nu net een? Ik kreeg het er warm van, netvliesloslating, dan was acuut handelen noodzakelijk, heel warm, ik was patiënt.

Wat ik altijd doe, het wachten, de meeste dingen gaan vanzelf weer over, beperkte zich nu tot drie dagen, mijn ogen zijn mij dierbaar, ben hysterisch visueel ingesteld. Ik overwon de weerzin om naar de dokter te gaan. De afhankelijkheidspositie waarin je je dan begeeft, net als bij de kapper, de tandarts, de pedicure, ik kan dat niet, patiënt.
“Ziet u ook lichtflitsen? Want dan is het acuut.”
Die zag ik niet, hoewel, dat leek net wel een flits. Zes dagen wachttijd voor de oogarts, zes, waarin ik verhalen hoorde over mensen waarbij het netvlies losliet – zag ik daar nu een lichtflits – iemand die binnen drie dagen totaal blind was en meer van dit engs. Over vijftien dagen zou ik vertrekken naar de Italiaanse Dolomieten. Een week wandelen en klimmen tussen twee- en drieduizend meter, vele uren gaans verwijderd van behandelkamers, hoe veilig was dat? Kon ik wel weg, hoe snel kon ik nu geopereerd?

Zo langzaam mogelijk wandelde ik naar de stad, om daar de pont te nemen. De kliniek was vlak aan de overkant van de rivier. Volledig ontspannen, het overlevingsinstinct draaide op volle toeren, nergens aan denken. Geen gedoemdenk, niks slachtbankgedachten. Uiteraard was ik te vroeg en las op een rivieroeverbankje nog een heerlijk hoofdstuk in een boek over wielrennen.

Tenslotte, het wachten op het afroepen van de naam, het binnengeroepen worden, op naar de behandelkamerdeur. Onwillekeurig schoot ik in de lach, herinnerde me een column van Simon Carmiggelt; ‘Mevrouw t Mannetje’. Deze naam werd herhaaldelijk, steeds dwingender metalig omgeroepen door de intercom; “Mevrouw t Mannetje, Mevrouw t Mannetje!” Terwijl een zwaarlijvige vrouw zich moeizaam ophees en moeilijk lopend  door de wachtkamer bewoog.

De werkelijk bijzonder vriendelijke, vermoedelijk met zuidelijke ouders, aangenaam ogende assistente druppelt van alles in mijn ogen. Dan weer wachten, terwijl het zicht wonderlijk vertroebelt, bladeren in, niet zo glossy meer, magazines.

De buitengewoon innemende, eveneens zuidelijk georiënteerde, aantrekkelijke oogarts, kijkt indringend met felle lampen bij mij naar binnen. Links, rechts, dan weer links en nu lang, zeer lang. Plots draait zij het apparaat opzij en beent de kamer uit;
“Even mijn collega raadplegen”
“O nee, shit, dat is foute boel”, denk ik: “Dit gaat niet goed, dat wordt opereren”.
Deze patiënt krijgt het heel warm, Italië kan hij vergeten, dat wordt laseren of iets anders griezeligs. Vrolijk lachend komt ze terug, ze wilde even bij haar collega kijken, die is aan het opereren in de kamer hiernaast. Met die netvliezen van mij blijkt alles goed, slechts wat floaters in de oogbalgelei. Oef, zo ontsnap ik aan de grijpgrage klauwen van alles wat mijn broze lijfje bedreigd en ontvlucht zo snel ik kan de kliniek. De zon schijnt heel fel, en ik moet mijn bedruppelde ogen dichtknijpen. In de kastanjebomen aan de Veerweg hoor ik vrolijke vogeltjes kwetteren, het is zomer, en heerlijk warm. Van een afstand ruik ik de zoete geur van de rivier al, alle zintuigen doen het nog. De weg terug naar de pont leg ik dansend af, in mijn hoofd, bevrijd.

Easy Riding

Peter Fonda is dood, de foto over twee hele krantenpagina’s afgedrukt, schiet mij onmiddellijk in de ‘herinneringsmodus.’ De fantastische chopper uit de film Easy Rider, die ik in mijn dromen zovaak bereed, drie weken rechtdoor over de rechte golvende wegen in Utah, Route 66, Flagstaff Arizona, from coast to coast, you name it. Aan de binnenkant van mijn kastdeur hing jarenlang een foto van die twee op hun motoren, Fonda en Hopper. Toeval of niet, de cultfilm uit hetzelfde jaar als Woodstock, beide troffen in mijn toen achttienjaar oude mind een goede voedingsbodem.

Zoals veel van mijn generatiegenoten was ook ik in de ban van deze film, was ‘born to be wild’. Die fantastische motor met extreem lange voorvork, het kleine tankje, de relaxte zit. Alleen die stars en stripes op de tank en op Fonda’s helm, daar was ik, ook toen al, geen fan van. Zijn bril wel, die bril, nu nog steeds prachtig, wil ik zo hebben. De film stond voor het gevoel van vrijheid, weg met de heersende klasse. De vervreemdende scenes, in de commune en de hallucinerende drugstrip, daar schrok mijn nog onbedorven geest wel van, toen. En het tragische einde, dat ze in elkaar werden geslagen en tenslotte neergeschoten door de ellendige rednecks, dat deed pijn maar droeg wel bij tot een nog grotere adoratie en drang om je af te zetten tegen, tja waartegen eigenlijk.

Men hoorde toen een Puch of een Tomos te bezitten. Noodgewongen wegens geldgebrek reed ik op een ‘buikschuiver’. Een zeer onhippe Magneet, een groene met grote spatschermen. Een aantal daarvan had ik verwijderd, dat maakte hem nog lelijker en ter vervolmaking van mijn ‘anders zijn’ image zaten er paar wapperende oude fietstassen achterop. De helmplicht bestond nog niet zodat ook de haren vrijelijk konden meewapperen.
De Magneet trok niet snel op, maar eenmaal op snelheid passeerde ik alle vrienden op hun Puchjes en Tomosjes, dankzij mijn twee jongere broertjes, die stiekem, als ik niet thuis was, op de brommer reden en hem steeds sneller maakten. Wanneer mijn moeder me op zaterdag vroeg Chinees of frites te halen, had ik een goede reden om nog harder, als een volslagen gek, met de bestelling tussen mijn benen balancerend op de tank, volgas door de stad te rijden; het eten moest warm blijven. Het grote voordeel van een buikschuivermodel, hij was uitgerust met een zogeheten buddyseat, hierop heb ik diverse schone jonkvrouwen weten te ontvoeren.

De film had niet echt een heel duidelijke verhaallijn, veel werd aan de kijker zelf ter invulling overgelaten. Meerdere keren zag ik de film, maar zo magisch als toen werd hij niet meer. Vermoedelijk is hij binnenkort weer ergens te zien, eerbetoon aan Fonda en ik denk niet dat ik kijk. Soms is het beter herinneringen te koesteren, zoals sommige dingen beter niet gezegd kunnen worden. ‘Some things are better left unsaid’. Op Youtube rijden ze in lange shots, zoals het hoort in een roadmovie, door eindeloze vlaktes, lachend, vrij en onbekommerd, op hun schitterende blinkende motoren, dat is genieten. You know, I really dig it, you know!
Voor het echte scheurwerk waren de Easy Rider choppers niet geschikt, ongemakkelijk met het té hoge stuur, ongeveerde achtervork. Beter voor relaxt cruisen, zoals ik nu ook zou doen. Eigenlijk, en dat komt opeens sterk opborrelen, zou ik dat eens moeten doen. Op de motor, hoeft niet persé een chopper, over Red Rock Bridge, die uit de film, over Colorado River.

Misschien hangt de foto van de motorhelden nog achterop die kastdeur – ik ben inmiddels verhuisd – onder de foto van de mooiste kerktoren van Nederland, mijn geboortedorp, maar dat is weer een geheel ander verhaal. Toen de groene Magneet definitief de geest had gegeven, kocht ik na een weekje vakantiewerk opnieuw een brommer. Tweedehands, een Magneet, een blauwe nu.

Dilemma

Gelukkig maar, dat dilemma heb ik in ieder geval niet. Sommige dingen moeten zo blijven, je moet iets te dagdromen hebben. Het dilemma van, wil ik nu een hutje – en nee, dan geen Tiny house – een hutje op de hei, hutje aan zee of toch maar weer ergens, iets hoog in de bergen. Op de hei valt meteen af, ik ben niet zo’n heideman. Hoewel ik me soms wel eens te romantisch over een onbekende hei voel struinen. De driehonderdzevenentwintig schapen her en der tevreden grazend. Ik leun op m’n stok, Hector kijkt me vragend, hijgend aan en ik zie het niet. Ik droom van een hutje aan zee, of toch ergens hoog. Eega stookt het kacheltje nog eens goed op, in het hutje, ginds aan de bosrand, ik zie een rookpluimpje opstijgen, ze kookt de aardappeltjes, straks zal ze ze bakken.

De zee is vanmorgen zo vlak als een spiegel. Is onhoorbaar weer dichterbij gekomen, rimpelloos, zonder geweld, zonder brandinggolven. Precies tot aan de vloedlijn die ze gisteravond achterliet, met kleine hoopjes zwartgroen wier, gewikkeld in hardblauw visdraad, schelpen en schelpengruis, een versleten fles en een slipper, een linker. Het is niet heel warm, de zon verschuilt zich achter het dunne wolkendek, een lichte plek, laag nog, verraadt haar. Ik doe wat ik altijd doe, lopen, doelloos lopen. Langs die vloedlijn, langs de randen van de zee. Het strand is breed hier, de lage duinenrij, links, lijkt nog lager door de hoogte van het strand. Het zand voelt koel aan mijn voeten, soms prikt een scherpe schelp nauwelijks voelbaar door het eelt.
Rechts, daar begint de zee, de oneindige zee. Soms tuur ik naar de horizon, zie daar een schip voorbij varen. Alleen de brug en de laadmasten, de rest onzichtbaar door de bolling van het oppervlak. Visdiefjes storten zich in het water en stijgen met lege snavels weer op en een groepje drieteen strandlopers trippelt voor me uit, steeds voldoende afstand houdend op het natte zand dat glimt in het licht van de zon die moeite heeft met opstijgen deze morgen.
Schuine zonnestralen verlichten een stukje zee die lichtgroen, met kleine witte glinsteringetjes opblinkt. Het wolkengordijn schuift langzaam open, de schaduw lost op en weldadig verwarmt de zon mijn rug. Tijd om om te keren, ik ga koffie maken. En thee voor Eega. Er is weinig wat zo heerlijk is, koffie drinken met je zanderige voeten op de zanderige vlonder van je hut. Aan een groengrijze zee met een beetje blauw wanneer de zon eindlijk doorkomt en die leeg is, en helemaal voor jou.

Een heel smal zonnestraaltje piept schuin door de luikjes en laat stofdeeltjes dansen. Tijd om op staan, doe wat ik altijd doe, eerst de beide luikjes openen, laat het zonlicht het donkere hutje binnenstromen. De deur nog dicht, huiverend het fornuisje aangestoken. Het blijft lang fris op deze hoogte. Ik kom pas uit bed wanneer de zon boven de berg uitpiept. De naamloze berg aan de overkant, ik kan zijn gehoekte profiel uittekenen.
Geen haast vandaag. Gisteren heb ik hard gewerkt, hout gezaagd voor de hele week. Wanneer het kacheltje goed brandt doe ik het schuifje dicht, trek een dikke fleece aan en ga water halen. Eén ding is jammer, dat water halen lijkt best leuk, de beek is tien minuten lopen hier vandaan, maar soms heb je even minder zin. Twee jerrycans van vijftien liter, dat is wel even sjouwen. Het hoge gras hangt over het pad dat smal is en het maakt m’n schoenen nat. Even verder wordt het breder en kronkelt steil omlaag. Honderden krekels tjirpen boven het gefluister van het bos.

Dat pied-à-terre was ook een goeie plek, aan het eind van Avenue Général Leclerc, nog net binnen de Périphérique. Het was een mooi appartement, waar het altijd zomer of lente leek, niet al te groot maar hoog en licht met de hoge plafonds en ramen en het uitzicht op de kruinen van de platanen en wanneer ze hun blad lieten vallen op café Daquerre beneden en de sushishop ernaast.
Ook fijn, op loopafstand van Jardin de Luxembourg. Waar we, voor mijn gevoel, elke dag champagne dronken, met ijs in kristallen glazen en we aten moules, of hoe heten die ook alweer en verder niets. De liefde, aan de liefde hadden we genoeg. Aan het voeteneind van het bed waaiden de gordijnen voor het grote raam en ze streelden onze voeten, die van jou en die van mij.

Beautiful people

‘Jij leeft in dezelfde wereld als ik
Maar op de een of andere manier
Zag ik je nooit, tot vandaag
Ik schaam me om dat te zeggen’
Melanie, de allereerste LP die ik kocht, nog voordat ik de film Woodstock zag. Met haar lieve liedjes, met teksten die nog steeds zo van toepassing zijn, in de harde wereld van nu. In een documentaire ging (lieve) Dieuwertje Blok op zoek naar de organisatoren van het festival. Goedbedoelende, mensen, een beetje naïef, niet wetende dat ze geschiedenis zouden schrijven. Dat er 400.000 mensen zouden komen, dat werkelijk alles fout zou gaan. Te weinig van alles, eten, drinken, wc’s. Onweer en uiteenvallende podiums. Hoe konden ze weten dat dit een livechangend event zou worden, het leven van miljoenen mensen wereldwijd zou vormen. Including mine.

Toen ik vijfentwintig jaar geleden, aan de collega’s – toen werkte ik nog – vroeg wie gisteren de film Woodstock had gezien, bleef het ijzig stil in de kantine. Nooit van gehoord. Binnenkort is het dan dus vijftig jaar geleden en de film wordt eenmalig, nu nog langer, vertoond. Even voelde ik sterk de aandrang, evangelist als ik ben, om iedereen in mijn omgeving aan te sporen te kijken. In de ijdele hoop, alsnog de wereld te verbeteren. Want dat was de boodschap, van de flowerpower toen, de hippies. Wat zich in Nederland vertaalde in Provo, het witte fietsenplan, de Kabouterpartij en tuintjes op het dak.

Fotomuseum Rotterdam, de tentoonstelling ’Eye love you’ van Ed van der Elsken ademt precies die sfeer. Heel herkenbaar, niet alleen de foto’s, ook zoals het gepresenteerd is. En het ronddwalend publiek. Mijn generatie, allen met een glimlach vol weemoed.

‘Beautiful people
You ride the same subway
As I do ev’ry morning
That’s got to tell you something
We’ve got so much in common
I go the same direction you do
so if you take care of me
maybe I’ll take care of you’

Het moment dat Dieuwertje, in hippiefladder kleren, het festival terrein bezoekt, aan het eind van de documentaire. Niet dus in het plaatsje Woodstock waar het eerst gepland was, maar bij het piepkleine Bethel. De camera zwenkt weg van haar en toont het terrein. In zijn volle pracht, groene velden zacht glooiend omhoog. The holy grounds. Het voelt ook nu, net als aan het eind van de film, een vreemd soort ontroering. Chickenskin! Hoewel het veld er toen totaal anders uitzag, zoals het hoort na een festival, een modderige vuilnisbelt. Met de klagendzingende gitaar van Jimi Hendrix er overheen.

Eigenlijk is dat droeve einde van de film een voorspelling. Wat is er terecht gekomen, van die idealen. De mensen van toen, mijn generatie, we hebben er weinig van gebakken. Love and peace is ver te zoeken, intolerantie voert de boventoon. Zei Bob Dylan het al niet: “The times they are a changing”. Het is een andere tijd met andere problemen, niet zozeer oorlog nu, het milieu. Het is aan de jeugd, op te komen voor een betere wereld. Voor mooie mensen.

Lily was here

Van die momenten, die nieuwsberichten, van die rare besluiten, dat onbegrijpelijke, dat je denkt, wie verzint dit, ik wil het niet meer weten. Ik zeg mijn krant op, ik stop met het acht uur journaal te kijken. Ben ik het enige normaal denkende wezen in dit land.

Het zal toch niet waar zijn, de grote blonde lijder krijgt dan toch zijn zin. Het boerkaverbod is er door. Na tien jaar, z’n kopvoddentaks. Tjongejonge, een tsunami van honderdvijftig tot wel driehonderd vrouwen, die weleens een boerka draagt, overspoelt ons land. Toegegeven, onmiddellijk, ik zie ook liever een onbedekt vrouwengezicht dan een weggestopt, gesluierd. Liefst ook een beetje aardig, hoeft niet aan de gebruikelijke maatstaven van schoonheid te voldoen. Liever niet zelfs, dat gemiddelde, het mag best een beetje bijzonder, heb een brede smaak. Ik ben een natuurliefhebber. Aan de andere kant, ik hou wel van een beetje mysterie, iets geheimzinnigs. We weten het allemaal, datgene wat je net niet kunt zien, dat wil je.

Rare besluiten, de politiek is niet te volgen. In Amsterdam wordt op alle mogelijke manieren gepoogd de luchtvervuiling terug te dringen. Even verderop, in Zandvoort strijkt de Formule 1 neer. Omgeving Schiphol ernstig vervuld met fijnstof. Minister van Nieuwenhuizen laat Onze Luchthaven weer verder groeien, 40.000 vluchten per jaar er bij, toe maar.

Die boerka’s en die nikab’s, laat iedereen dat toch zelf weten, wat een betutteling van overheidswege – zoals binnenkort de helmplicht op de fiets. En dan nog het ergste, dat iedere burger dan mag ingrijpen. Een -draagster mag aanspreken, een burgerarrest uitvoeren, in een krant werd zelfs gesproken van ’tegen de grond werken’. Ik heb het gelukkig niet meegemaakt, maar dit doet denken aan de Kristallnacht. In Duitsland werd in 1938 opgeroepen Joden en hun bezittingen aan te vallen. De naam werd later bedacht, wegens de grote aantallen gesneuvelde winkelruiten. Helemaal vergeten in 2019, eng, dit verbod. Waar is het gebleven, het ‘normen en waarden’ gedoe ten tijde van JP* Hoewel ik ook daar zo moe van werd, dat ik eens binnensmonds mompelde:
”De eerste de beste die nu nog eenmaal ‘Normen en Waarden’ in zijn bek durft te nemen, die sla ik op z’n smoel”.

Laatst hoorde ik zeggen, of denken, of was ik het zelf, het zal toch niet gebeuren dat ik het meemaak, dat in de tram of supermarkt, een PVV-er, FVD-er of anderszins zwakzinnige, een boerkadraagster ‘staande houdt’. Ik vrees dan het ergste, ik sta niet voor de gevolgen in. Dat dan mijn pacifistische masker geheel vanzelf verdwijnt en ik tot actie over ga. Harde actie. Waarschijnlijk komt deze het-recht-in-eigen-hand-nemer niet onbeschadigd uit de strijd. En wel dusdanig dat het dragen van een boerka voortaan dringend aan te raden valt.

Wat is er toch geworden van dit land, mijn land. Waar is het woord tolerantie gebleven. Is mijn generatie, van luf en piece, make luf, no war, dan al uitgestorven?

Tot slot dan nog ‘Lily was here’. Het onvolprezen muziekstuk van Dave Stewart en Candy Dulfer, (When I want sax, I call Candy – Prince) staat op moment van schrijven op repeat, iets te hard. De extended live version. Met net zo belangrijk als Candy overigens, de waanzinnige gitarist Ulco Bed. Het is een volledig instrumentaal nummer. Verwarring zaaiende titels, zowel in muziek als in columnpjes. En toch is ook hier een verband, voor wie het nog niet ontdekte, wie is, of was toch Lily?  Misschien was zij het, achter die sluier.

*Jan Peter Balkenende.

Rendez-vous (2)

In het bos, het oude bos was het schemerig en koel. Het was er stil, er was geen wind en geen bladgeruis. Kleine paadjes slingerden zich tussen de bomen naar beneden, stoffig en zanderig. Steile rotswanden kronkelden omhoog, grillig, dof oranje, oker en zwartbruin. Hier en daar brak een straaltje zonlicht door het bladerdak, toverde met schaduw op een rots, de ribbels en de scheuren, ontelbaar de kleine gaatjes, honinggraatverweerd. Idyllisch, bijna net niet echt. De zon vonkte op een Petzlhaak. De man die niet graag te laat kwam en dus vaak te vroeg was, was ook nu op tijd, nogal vroeg dus. Zeker gezien de vrouw met wie hij afsprak, die er, naar eigen zeggen, juist wat moeite mee had, met dat op tijd komen.

Het koelvochtige woud was in feite een vallei, beter nog een ravijn. Duizend jaar en nog wat geleden, uitgeschuurd door de Sûre en andere beekjes en rivieren, tot deze bizarre kliffen overbleven. Begroeid met mossen en varens, verstopt achter struikgewas en de naar de hemel, licht en lucht oprijzende bomen leek het een romantisch sprookje. Zoals ze getekend werden in stripboeken van Marten Toonder, of bibberig in de stijl van Anton Pieck. Die rotsen, ze lijken wel van purschuim of net als in de Efteling. De man had lang geaarzeld, moest hij dat nu doen, ingaan op die uitnodiging. Heel lang, terwijl hij, niet eens zo heel diep van binnen, in een split second wist dat hij zou gaan. Hij moest wel, zoniet, het zou hem spijten. Stond hij dan te stofzuigen, te boodschappen of te ramenlappen, hij had ook dáár kunnen zijn. Het was maar net goed gegaan, het Belgische wegennet is vaak onlogisch, onbegrijpelijk en raar. Het gevaarlijkste, dodelijkste ‘verkeerswisselpunt’ van België, Cheratte, drie keer in- en uitvoegen, zijn navigatie kon het amper bijhouden. Zijn verstand en rijvaardigheid ook maar net, verbijsterde Belgische bestuurders achterlatend.

Omringd door schaduw, in een eilandje van zon, zaten ze, de man die op tijd was en de vrouw die, zoals verwacht, een ietsiepietsie laat was. Ergens boven hen rinkelden karabiners aan een gordel. Zacht gepraat in Duits en Engels en het Vlaams, rondom hen en ook het Frans: “Attention, corde!” Gevolgd door de zwiep van een vallend touw. Druk in gesprek waren ze, de twee, waarnaar enkele klimmers verwonderd omkeken. Was die mooie jonge vrouw zijn dochter? En waarover spraken zij, met koffie, stroopwafel en banaan, over koetjes en kalfjes, de toestand in de wereld? Over Silbergeier, Piz Badile of toch weer Aiguille Rouge?

Het massief Lionel Terray torende boven hen uit. Een rots die opgebouwd leek uit lagen, steeds iets verder uitstekend,  rondlopend en gelig. Een klein dakje stak uit en even daarboven een nog groter dak. Rond, versleten. Hooghartig keek de oude steen naar beneden, afwijzend haast. Lionel, er was een zekere relatie vindbaar in de naam. Lionel Terray was een Franse klimmer die als tweede de Eiger Noordwand beklom. En die op de top van de Makalu, 8485 m. stond en de Aconcagua. De route met dezelfde naam op dit massief was een klassieker, de makkelijkste overhangende route van het hele gebied. Als je ervaren was, creatief en lang, dan zou je door de eerste meters kunnen komen. Iets verderop wisten ze een overhangende wand, die ook vernoemd was. Naar een misschien nog bekendere klimmer. Hermann Buhl, Oostenrijker, die de eerste solobeklimming van Piz Badile voltooide. En de Nanga Parbat, 8125 m. ook deze solo. Buhl en Terray, beiden overleden in de bergen, in volle overgave aan hun sport. De routes op dit massief, Hermann Buhl, zouden extreem moeilijk beklimbaar zijn, ook deze naam was goed gekozen.

In het oude bos werd het iets eerder donker, diep verscholen, wanneer de zon niet meer naar binnen scheen. Steeds stiller ook, geen rinkelend klimgereedschap of geroep van klimmers: “Allez, allez!” Nauwelijks merkbaar nog, een heel licht windje begon de blaadjes te bewegen. Er steeg wat mist op, een dunne nevel die om de bomen zwierde. Bewoog daar iets, in dat grotje, achter die boom? Nog even en dan zou blijken of het waar was, of sprookjes echt bestaan.

Desperado

Langzaam wordt de stofwolk kleiner, verdwijnt, lost op in de verte, waar de horizon de heuvels verblauwt. In dit landschap zijn de wegen lang en recht. De zon hangt laag en de hete lucht staat stil, zet alles in een lichte trilling. Het kan een oude Ford Mustang zijn geweest, in verschoten rood met zwarte kap, of ook een zwarte Transam Corvette, reutelende zes cilinder, beide bedekt met een laag van datzelfde woestijnstof. Rustig deinend over het grove asfalt wat snijdt doorheen dit filmdecor. Met regelmatige afstanden torenen de rode zandsteenformaties omhoog, als relikwieën uit vervlogen tijden. Refererend aan een lonesome cowboy met een Apache deken over de schouder, rijdend op zijn quarterhorse, traag in diezelfde oneindigheid als waarheen de Corvette of de Mustang op weg is.

Met een ruime bocht draait de Corvette de weg af, hobbelt over de harde zand- en rotsbodem en komt tot stilstand daar aan de voet van the Mace. De stofwolk haalt de wagen in en onttrekt hem aan het zicht. Het portier zwaait open en vertraagt tuimelt er een gele rugzak uit, gevolgd door een klimtouw, hardgroen met oranje. De bestuurder stapt uit, strekt de rug en tuurt omhoog, de ogen toegeknepen. Hij bestudeert het massief, dat pas een stuk verder echt verticaal wordt, hier aan de voet is het wandelterrein, de puinkegel. Zoekt naar zwakke plekken, de toegang tot de top. The Mace, een rotstoren behorende bij de iconische formatie Cathedral Rock, drie pinnacles van driehonderd feet. Behalve het zachte ruisen van de wind, het ritselende zand en heel voorspelbaar hier, voorbij waaiend tumbelweed, is geen geluid te horen dan dat van bestuurder, die ogenschijnlijk gedachteloos een gouden karabiner open en weer dichtklikt. Hij wacht en denkt terug.

“Mangiare”
De schelle kreet van z’n moeder schalt over het lege plein. Piazza di popoli. Gele, oranje en zachtroze gevels omringen het plein. De ramen gesloten met luiken, verveloos, gebarsten en gebladderd. De fratelli, de broertjes komen aangehold, net op tijd. Kloppen snel het ergste stof van hun kleding, tevergeefs. Mama raadt het meteen: “Toch niet weer op Gran Sasso geweest éh!”

Het schorre krassen van een black common raven wekt bestuurder uit zijn mijmering. Met een doffe klap plet hij het blikje gingerbeer, non alcoholic en gooit het achteloos bij de berg achter de voorbank. Hij tuurt aandachtig naar de horizon, daar waar de weg lijkt te verdwijnen en opent de achterklep die vertraagt omhoogveert. Even later verstoort het brommen van een benzinebrander de stilte. Hij vult een gebutste percolator tot de max met koffie en water. In het kleine beetje schaduw dat de Corvette te bieden heeft zit hij op de zanderige grond en wacht. Voorzichtig, met een blinkend Buckknife snijdt hij stukjes Billtong.

Langzaam ontstaat een kleine stofwolk boven de blauwige heuvels, en heel klein en heel ver weg. Enige tijd verdwijnt de wolk, er is nog die ondiepe inzinking voor het plateau. Dan opeens duikt hij op, het kan een vaalrode Mustang zijn, steeds vlak voor de stofwolk rijdend. Razendsnel, hotsend en deinend op het slechte asfalt. Schuddend met z’n kont zoals oude ‘Amerikanen’ doen. Met onverminderde snelheid nadert hij en even lijkt het of hij de geparkeerde Corvette voorbij gaat rijden, slaat dan onverhoeds rechtsaf en komt, een diepe remvoor trekkend, tot stilstand. Het portier zwaait open en een gordel zwaar behangen met karabiners, nuts en cams in alle soorten en maten, daalt vertraagd neer in het zand. Op het moment dat de Mustangrijder uitstapt worden twee mokken, die dof opblinken in de lage Arizonazon, volgeschonken.
“Caffé, broertje?”

Caruso

Toen de eerste klanken van de machtige stem van Luciano Pavarotti klonken, waren wij met de doodskist waarin mijn moeder, Jos, al haast de kerk uit. ‘Caruso’ heeft een nogal lang intro, het ging te snel, de mededragers liepen te vlug, hoewel, dragen, het is rijden. Ik wilde het plechtiger en waardiger en probeerde het tempo te vertragen. Ik trok hard aan de kist, wilde remmen, lukte niet, het was een tegen vijf. Nu pas, meer dan een jaar later durf ik het lied, in dezelfde uitvoering als toen, weer eens af te spelen. Het schalt door mijn huis op volle kracht. En ik kan het hebben, nu.‘Qui dove il mare luccica, e tira forte il vento
su una vecchia terrazza davanti al golfo di Surriento
un uomo abbraccia una ragazza, dopo che aveva pianto
poi si schiarisce la voce, e ricomincia il canto.’

Het was mijn idee, mijn moeder, Jos was nogal gek geweest op ‘The Three Tenors’, alweer lang geleden, toen ze opeens populair werden. Wat theatraal misschien, maar na al die psalmen en gezangen, ook als eerbetoon aan haar, leek mij dit zeer welkom. Wat mij betreft, een kippenvel moment, en uiteraard te veel emotie oproepend, ook weer wat mij betreft. Dat moest dan maar. Uiteraard had ik onderzocht of het toch niet een te vreemde tekst zou zijn op een begrafenis, ook al verstaat waarschijnlijk niemand van de aanwezigen Italiaans. Letterlijk vertaald komt er een ietwat gekke tekst uit. Vrij vertaald is het wel toepasselijk te ‘omdenken’ naar mijn moeder, Jos. Terugkomend thema tijdens de plechtigheid was immers ‘de Overkant’, van de Westerschelde, waar zij vandaan kwam. Caruso gaat over de zee, de liefde en het leven dat eindigt. En over ogen, zeegroen. En die had ze ook, mijn moeder, Jos.

‘Hier waar de zee schittert en de wind hard blaast
Op een oud terras voor de Golf van Sorriento
Kust een man een meisje nadat hij heeft gehuild
Vervolgens schraapt hij zijn keel en herbegint hij zijn gezang’

Het terugkerende couplet bevat een zin die niet te vertalen, niet te begrijpen is….
Ik geef te veel om jou
Maar zoveel, zoveel, dat weet je
Nu is het een ketting
Die het bloed in de aderen oplost, weet je’

De in mijn ogen, tijdens zijn leven onderschatte André Hazes schreef op de melodie van ‘Caruso’ een geheel eigen versie, getiteld: ‘Nu jij niet meer hier bent.’ Mooie tekst ook, maar minder van toepassing, het gaat over een verloren liefde.
‘Nu jij hier niet meer bent, terecht zegt dat je mij niet kent
Mijn hart huilt en doet zeer
Sluit ik mijn ogen, zie ik jou steeds weer’

 Caruso, wie dat is, of wat het betekent: het lied is opgedragen aan een van de beroemdste Italiaanse tenoren, Enrico Caruso. De twee coupletten combinerend wordt het wel wat, terugdenkend aan mijn moeder, Jos.
Ik geef teveel om jou, dat weet je
Nu jij hier niet meer bent, zie ik jou steeds weer.

Gorak Shep

Toen hij, exact vijftien jaar geleden, 31 oktober 2004, voet zette op de onderste flanken van de uitlopers van de Everest, kon hij niet vermoeden dat dit het begin was van de rest van zijn nieuwe leven. Ofwel in ieder geval het einde van de periode, zoals hij voor dat moment, die ene stap, zijn dagen vulde, het leven dat hij tot dan toe had geleid. De ban was gebroken, ‘a wish has come true’, zo dacht hij erbij, stiekem in het Engels, het cockney Engels wat hij leerde van zijn niet onaantrekkelijke penfriend, Elisabeth, Lizz, met wie het in het lieflijke ‘countryside’ niet alleen bij schriftelijke correspondentie was gebleven.
“De teerling is geworpen!”,
had hij geroepen naar zijn kameraden, beïnvloed, gevormd door de vele Kuifjes en andere stripbladen waarmee hij was opgegroeid.

Letterlijk had hij het aan den lijve gevoeld, de magische aantrekkingskracht, het magnetisme van de hoogste berg op aarde. Mount Everest, Sagarmatha zoals hij de Sherpa’s hoorde zeggen. Hemelsbreed nog slechts, in een rechte lijn gerekend, negen kilometer van de top verwijderd. Oh, als hij eenmaal die Khumbu ijsval maar eens gepasseerd was. De ladders over bodemloze ijsravijnen, gletsjerspleten breed als de A16. Onder overhellende, op scherp staande, ieder moment omvallende of zelfs voortdurend omvallende seracs, muren en torens van ijs. Dat werd genieten straks, in de eindeloze Western Cwm, het Dal der Stilte. Talloze malen was hij daar reeds geweest, het zich voorgesteld, zich ingelezen. Recht voor zich de machtige Lhotse, over de steile basis van de Nuptse hoogte winnend. Dat keteldal waar ondanks de ijzige omstandigheden de temperatuur krankzinnige waarden kon krijgen. Hier was voor het eerst een glimp te ontwaren van de slopes naar de heilige top. Zoals er leven was voor de marathon, zo is er leven na de voltooiing, na de ultieme afstand, alles zou anders zijn en zo was het. Zo zou het zijn en niet zoals de Bos (René), de eerste Nederlandse Everest beklimmer hem eens zei: ‘Dat hij zijn koffie gewoon nog steeds zwart dronk’, neen! Een Nieuw Leven.

Hij zou afdalen, rustig en beheerst, enkele dagen rusten, bij eten, bijtanken, zuurstof in Basecamp.  Waar de bodem soms bewoog en kraakte, wanneer de permafrost even ontwaakte.
“Sapristi!”
zou hij uitroepen wanneer hij aankwam in Camp four, dat nam hij zich voor, terwijl hij traag maar zeker hoogte won. Hoever schoof hij zijn jumar verder langs het fixed line, was het eerst een halve meter, nu nog twintig centimeter hooguit. Southcol kwam er aan, ‘Zoveel moge duidelijk zijn’, zou professor Zonnebloem zeggen. Hij verlangde ernaar om daar te zijn, zoals hij nog nooit had verlangd. Om daar te zijn, die plek waar het altijd waait, waar het een bende is van achtergelaten tenten, donsverwaaiende slaapzakken, zuurstofflessen en wat al niet meer, de hoogste vuilnisbelt op aarde. Vanaf hier lag Tibet aan zijn voeten en links nog duizend meter hoger, Chomolungma, de echte top nog steeds niet zichtbaar.

Die nacht op 7950 meter zou er amper geslapen kunnen worden, zijn lichaam kon geen voedsel meer opnemen, hooguit water. De geest zou geen rust kennen, gespannen wachten tot het tijd was. Beelden streden om voorrang in zijn hoofd, the Balcony, zijn geliefden, the Hillary Step, zij die hem zou missen, the pinnacles. Hoe diep kon hij gaan, hoeveel pijn te lijden. Had het zin; ‘because it’s there’. Kreunend draaide hij zich om, de harde stenen ondergrond van Gorak Shep, hier op 5164 meter, stak door zijn slaapmat. Boemmm! De hoeveelste lawine was dit, hij was de tel kwijtgeraakt. Of het nooit licht werd, met moeite kreeg hij zijn horloge uit de slaapzak, dik ingepakt als hij was. Nog geen vier uur, en vijfentwintig graden onder nul, zag hij oplichten in het donker van de tent. Hij trok zijn muts verder over de oren en dook terug in de capuchon van zijn mummie. Toch weer te snel bewogen, don’t panic!, don’t panic!, uit alle macht probeerde hij niet te gaan hyperventileren. Rustig blijven, niet kotsen, niet kotsen nu. Morgen, een paar uur nog, hou vol, dan zou hij afdalen.