Alle berichten door dentoonder

Trocadéro

Toch weer even naar Parijs geweest, kon nog net, voor de winter invalt. Je weet toch, dan moet je er niet zijn, ’s winters, in dat tochtgat. Die boulevards, de pleinen, gure trekgaten. Bij voorkeur ga je in le printemps. Of in augustus, ook goed, dan zijn alle Parijzenaars de stad uit en de Parisiennes ook, naar de kust of de campagne, hoewel de afwezigheid van die Parisiennes wel weer jammer is.
Nu trof ik het, er zat nog blad aan de bomen, fraai verkleurd en aangelicht door laag zonlicht en ook de straten waren er mee geplaveid. En je weet toch, hoeveel die er staan in Parijs, bomen.
Het was niet al te koud, het regende niet en ik was niet alleen.

Toch weer even, Parijs, je weet, de stad van de liefde, toch. Waar je steeds naar teruggaat, terug verlangd, dat je zomaar opeens de Thalys wilt nemen. Die stad, zeker wanneer je er gewoond hebt, die in je genen is gaan zitten. Dat ene jaar in het kleine appartement, helemaal aan het eind van de Rue de Rivoli, nou ja een straatje erachter, was voldoende om mij voorgoed te besmetten.
Die tijd aan Rue de Rivoli, toevallig ook de straat waar ik, heel jong nog, liftend werd afgeleverd. Opgepikt aan de Ring van Antwerpen door een Parijzenaar die met zijn zwaarbekraste Renault mij met Thalys snelheid naar Parijs reed.

Altijd weer ga ik even naar die buurt, loop door de nauwe straat en kijk omhoog, naar het balkonnetje. Denk terug aan die tijd, zo gelukkig begonnen en in mineur geëindigd. Soms lukt het zelfs voordelig een hotelkamer te vinden in de omgeving.
Hotel Chapentier, de Beauvais of het Henault. Rue de Rivoli, een straat van drie kilometer lang, bepaald geen straf om te lopen, parallel aan de Seine, eindigend langs het Louvre, de Tuileries en natuurlijk Place de La Concorde.
Ook deze keer was ik onbedoeld weer in mijn oude buurtje terecht gekomen, op zo’n eindeloos lange zwerftocht. Was, zoals vaak, gewoon de Métro ingestapt en ergens er weer uit. Dwalen over avenues, lukraak linksaf en kijken wat je tegenkomt, welk verrassend pleintje, geheim park of verstopt museum er te ontdekken valt. Via de Pont de Sully de Seine over en toen richting de ondergaande zon slenterend. Je weet, een ondergaande zon kan haar zo mooi belichten en haar ogen doen flonkeren.

Jardin de Luxembourg, ik hou ervan. Ik word er altijd heel gelukkig, het is een vredige plek middenin de hectische stad. Kon er uren zitten op een groen ijzeren stoeltje, tijdens een van de spaarzame momenten dat ik vrij was, toen. Met de oude bomen, ruime grasvelden gevuld met de lezende, pratende of spelende medemens, in alle kleuren, vormen en maten. In het gelijknamige museum was ik nooit, dus waarom niet.
Een van de allereerste museums van Europa en het bleek vol te hangen met weelderige Rubens schilderijen. Wat later, in de schemer, lonkte het warmverlichte restaurant Le Table de Luxembourg ons, waar we zaten, op de hoge barstoeltjes met dunne pootjes, naar elkaar toegebogen, witte wijn dronken en heerlijk aten en elkaar lieten proeven van de Filet de canette française à la plancha en alweer, in het kaarslicht kleine vlammetjes in haar ogen opblonken.

We zochten ons een weg terug, in de smalle straat torende ver weg de Eiffeltoren boven de huizen, met fel gekleurde lampen die aan en uit floepten, wat we jammer vonden, zo werd dat statige stalen monument een kermisding.
“Wattisser, wat zeg je?” vroeg ze. Hmmm, had ik het weer gedaan, mompelzingen. “Niks”, zei ik, “Ik zong, dat liedje van Rihanna”. Zachtjes zong ik, – je weet toch, ik kan het niet, zingen – dat ene zinnetje:
‘We‘re beautiful, like diamonds in the sky’
Ze lachte, sloeg haar arm om me heen en stopte haar hand in m’n jaszak en ik omklemde die hand en gaf er kleine kneepjes in.

blue monday

 

Komt een man bij de caissière. Het was maandag, denk ik en die man was ik. Alweer tijden geleden en ik staarde met een uitgebluste blik naar buiten. Waar het zo’n dag was dat het niet echt licht zou worden en er een haast onzichtbaar regentje hing maar waar je toch nogal erg echt nat van werd.

Onlangs was het de dag van de Mantelzorg, zoals daar wel elke dag een dag is van bijvoorbeeld de dag van de ouderen, dierendag, secretaressedag of de dag van de vrijwilliger of de arbeid.
Maar die mantelzorgdag, raar woord, toch, die deed me denken aan al die jaren dat ik met een lichte vorm van mantelzorg belast was. Licht, omdat de mantelverzorgenden, twee stuks, beiden op verschillende adressen op honderd kilometer afstand woonden. Allebei nog zelfstandig, hoewel bij een van hen, elke boodschap moest worden gekocht en binnen gedragen. Zorg, die vanwege de afstand, de regelmaat, dat het niet alleen bij die boodschappen bleef en dat dan vele jaren achtereen toch best zwaar werd.

En verder terug dacht ik, als kleine jongen werd ik er al op uit gestuurd. Boodschappen doen, voor de hele week, voor het hele gezin, op maandag. Bij de kleine middenstander een paar straten verderop, een Spar of een Coöp of zoiets. Met de fiets, zwaarbeladen, volle fietstassen en van die groene tassen met lederen hengsels aan het stuur.
Zo veel dat ik er naast moest lopen en de hele handel amper in bedwang kon houden. Dat ik, de wanhoop nabij, voorbijgangers aankeek, op mijn tong bijtend om niet om hulp te smeken. Op school, bij geschiedenisles leerde ik over de hongerwinter, hoe mensen op klompen uren door de sneeuw liepen met handkarren en fietsen met lekke of houten banden. Zo ongeveer voelde ik mij ook. Help mij toch, zien jullie niet hoe zwaar ik het heb.

Nu is er geen dag van de caissière en toch werd er aandacht gevraagd. Voor hen, gewoon met een kleine glimlach of vriendelijk woord. Die aansporing had ik niet nodig, plooide altijd al mijn ietwat chagrijnige plooien in een wat vriendelijker stand. Liet mij niet leiden door de kortste rij, ondanks mijn eeuwige haast, maar welke caissière er zat.
De mevrouw, vroeger, waar ik als kind afrekende, schreef alle bedragen op een briefje en telde die dan met bovenmenselijke snelheid op. Sinds die tijd kies ik ze bewust, mijn caissières en een van mijn favorieten was die ene, wat ouder, ietwat onknap, zwaar beringd die zuchtend mijn spruitjes scande, om zodoende de honger van haar vermoedelijk drie bloedjes van kinderen te stillen. Ze loenste ook een beetje. Met een lichte gene weliswaar toonde ik haar mijn spruitjes, dacht er dan wel bij, o gosh nu weet zij wat ik vandaag ga eten, hecht nogal aan mijn privacy, ja onze lieve heer heeft vreemde kostgangers en ik groette haar altijd vriendelijk.

Lang geleden dus werd mij ook opgedragen bij de groenteboer te vragen naar ‘mooie-gele-andijvie-om-rauw-te-eten’. Bij thuiskomst werd ik overhoord of ik de boodschap inderdaad zo had gevraagd. Van die dingen dus. Die geven je leven kleur, of juist niet.
Was het daarom dat ik op die grijze dag met de dunne regen, een half leven verder, bij de kassa staande en buiten de saaie gevels zag op het nietszeggende plein waar onbekende figuren haastig passeerden en natte kranten in de hoek waaiden, ik inwendig kreunend bedacht: “This could be anywhere”. En ik me dus, heel even kon voorstellen hoe het voelt om depri te zijn, dat eufemisme voor depressief. En dat, terwijl het nog lang geen Blue Monday was, depriday, die grauwe sombere, neerslachtige maandag in de laatste week van januari.

Kom ik die caissière, mijn favo caissière tegen, gewoon op een zomerse dag in de stad. Ik wist, ze is met pensioen. Ik wist het, in de supermarkt had een postertje gehangen dat ze, na zoveel jaar trouwe dienst, nu aan het genieten was van haar pensioen.
Even was ik in verwarring, moest ik haar groeten, wist ze wel dat ik het was, haar vaste klant. En ook, ze was niet meer in dienst, misschien wilde ze niet meer herinnerd worden aan. Voor de zekerheid trok ik mijn chagoplooien vriendelijk omhoog, wist niet zeker of ze me, met dat beetje loensen, wel zag.

baila

Baila mi hermana
Baila para mi
Baila mi hermana
Baila para mi

Ergens had hij het al geweten –  hij hoopte er op –  de kans zou klein zijn, nihil eigenlijk zelfs, dat zijn muziek, die sound, de ritmes, die vibrerende vibe er zou zijn en inderdaad toen de volumeknop werd opgedraaid voelde hij, dit ging hem niet worden, dat hij zich geweld zou moeten aandoen om in de groove te komen, intern die juiste maat te vinden.

En hij kende zichzelf, het was altijd wachten, lang wachten, tot er voldoende moed was verzameld, genoeg gedronken, de juiste muziek langskwam, tot hij bijna op ontploffen stond, wilde zo graag, hield er zo van, dansen, dansen, dansen, alle schroom opzij en zich verliezen. Opgaan in, zich zuiver laten leiden door muziek. En waarmee kon dat beter dan met Latin, Samba of Merenque en probeerde dat duidelijk te maken, schreeuwend van dichtbij in haar oor.

Dance sister dance, I love the way you move, I love to watch you. Dance sister dance, feel the rhythm flow into your soul. Dance sister dance, feel the rhythm flow, feel the rhythm flow through you. Dance sister dance, I love to watch you move, I love the way you dance.

Zachtjes duwde ze hem naar voren, tussen mensen door, die vastbesloten waren niet te dansen, naar het lege deel van het zaaltje, daar waar de dj vanachter zijn tafeltje verwoed poogde diezelfde beat constant vast te houden. Waar vijftien mensen dansten, er kennelijk wel op konden bewegen, hoekig, hakkend en zagend. Het geluid was hard, hier nog harder, toch net niet genoeg voor hem. Vlak voor de muur resoneerde het terug, de techno butterfly disco lights maakten het nog iets gekker en plotseling kreeg het hem te pakken, bijna, en merkte hij dat hij bewoog.
Hij zou willen losgaan, in trance, doorweekt van het zweet raken. Heel even soms, wanneer een nieuw nummer werd ingezet leek het dansbaar, tot meteen na het intro de beat eronder werd gezet en de betovering verdween. ‘Ik ga om Reggae vragen’, dacht hij, ‘Of voor mijn part om een Bossa Nova’. Dwong zich verder te dansen, helemaal geen partner nodig, improviserend maar kwam niet echt in een flow. Zocht wanhopig naar zijn imaginaire danspatronen, raakte voor zijn gevoel niet verder dan een regendans. Waar was de vrije expressie – om dat afgerangeerde woord eens te gebruiken.

Viene de la luz. Con calma se baila esta danza. Y con amor canto yo esta canción África bamba hace a un lado a la tristeza. Y otra más dulce no la podrás encontrar. Oye eso te va sentir feliz

Het spel van de dans werd gespeeld, het reageren op de ander, gekkigheid, het verleiden en het afstoten. Een ultrakorte foxtrot of was het toch een quickstep of een tangofantasie, maar dan een parodie op dat stijldanskeurslijf. Een polonaise kwam voorbij, een Hollandse meezinger, waarna de beatmixer opgeschroefd werd naar ijle hoogten van BPM. Stof steeg op uit de planken vloer en zweefde door het flashlight, rood en groen. Zijn shirt in midnightblue plakte aan zijn rug, buiten in de zwarte nacht scheen een volle maan en daalde de temperatuur tot net boven nul. Het mooie, het fijne van muziek waarin je kunt verdwijnen dat zich automatisch vertaalt in bewegingen van je lichaam, het was er niet, maar ach, het was lol, het was feest.

We go dancing in the moonlight, with the starlight in your eyes, we go dancing till the sunrise, you and me we’re gonne dance dance dance.

de Schelde en de beuk

Het geluid van de Schelde, de zuigende plekkende drooggevallen slik waaronder zich zwaardschedes, zagers en kokkels verstoppen, het is typerend voor mijn lievelingsplekje – een van de, er zijn er meer – de ‘hebroken diek’. Tussen Goese Sas en Kattendijke liggen ze er nog steeds, de restanten van de zogeheten Muraltmuurtjes, die bovenop de dijken waren geplaatst als extra bescherming. Tijdens de Watersnoodramp van 1953 brak deze dijk door en lagen de stukken muur schots en scheef op de slikken. Voor jongetjes zoals ik toen, ideaal speelterrein, mijn ‘roots’.

Begraven is niet mijn hobby, noch mijn sterkste kant. Ik hou er niet van, dus doe aan uitstellen. Wel ga ik te vroeg op pad; eerst naar die gebroken dijk. En vooruit, ik moet straks toch op deze zelfde begraafplaats zijn, ik neem rozen mee, voor mijn moeder, sinds een jaar ligt zij daar ook. Ik gooi de auto vol benzine, kan weer 660 kilometer vooruit en rij zo langzaam mogelijk zuidwaarts. Pakweg honderd kilometer verder, ik zie de kerktoren en de witte molen al, informeert het dashboard me nog voor 688 kilometer brandstof te hebben.

Onder de eeuwenoude bomen die hun purperen bladeren strooien en waar het grind kraakt speur ik naar de zwarte steen van pa en ma. Leg het bosje rozen neer, veeg wat blad van de oude beuk van het graf en sta me toe heel even aan haar te denken. En dan niet aan haar gruwelijke laatste dagen. Niet wat er nog zal resten van haar uitgemergelde lichaampje. Hier achter zag ik al de lugubere hopen grond van het open graf. Op dit moment begint de uitvaartdienst, een paar kerken verderop. Die laat ik aan mij voorbij gaan, ben liever alleen met mijn eigen gedachten. Niet te diep graven in dicht aan de oppervlakte liggende emoties. Trek een uitgebloeid plantje uit de bak voor het graf en staar naar de ingegraveerde tekst op de steen, de namen en de datums. Er ligt vogelpoep op de bovenkant.

Aan de Oosterschelde, even later, waait het en de zon schijnt dunnetjes. Jammer, de romantische dijk is er niet meer. Geen rommelige oude glooiing, ‘beschoeiing’, met verweerde stenen en wegrottende paaltjes. Strak en modern dichtgelegd, zodat hoog water geen kans krijgt zich in te vreten. Ik daal af en steek over vastgezogen steentjes in het slijk door naar de chaos van Muralt. Fotogeniek in dit lage licht. Groen begroeid met alg en wier en mossel, alikruik en pokken. Stilte, op de monotone dreun van een schip na en de kwetter van een scholekster. Verderop, achter de grijze modder, waarin mannen graven en wroeten op zoek naar zagers, het blauw van de Schelde. Op de grens van water en lucht de contouren van de Zeelandbrug, slank en wit. Hier ben ik geboren, opgegroeid, leerde er zwemmen, dit is mijn plek. Vierde er m’n veertigste verjaardag, dwaalde weleens rond tijdens het langdurig ziekbed van m’n moeder. Kreeg hier het verlossende telefoontje dat schoonpapa was overleden.

De Geerteskerk in Kloetinge stamt al uit 1300 lees ik, weer later, op een bordje. Ook hier is het stil, doe al fotograferend een rondje rond de kerk en door de kleine straatjes. Hier woonde oma, heel klein en heel doof, nog in klederdracht. Daar een oom en tante, met dat nichtje wat ik, een kind nog, toch al zo mooi vond. De dorpskern is heel fotogeniek, met de statige huizen en het marktveld en de oude ‘bewaerschole’. In die straat erachter woonde zij, niet wetend, mijn lieve Eega, wij kenden elkaar niet, toen. Mijn geboortehuis is gesloopt, ik fotografeer de overkant, de slagerij waar de varkens gilden voordat ze geslacht werden. Juist als ik foto’s maak onder de leilinden rond de kerk, slaat de klok in de toren boven me een koperen slag. Het is tijd, uitstellen kan niet meer, terug nu, naar het kerkhof. Begraven, ik kan er niet tegen, maar ik zal er zijn en wachten, tot de stoet komt, onder de oude beuk.

de raad van de waard

Kwam je vroeger (dat woord, ‘vroeger’, liever niet teveel gebruiken, wanneer je een zekere leeftijd hebt bereikt, in dit geval kan het niet anders) in een berghut aan, dan vroeg je de huttenwaard naar het weer van de volgende dag. Zo’n waard kent zijn gebied, ziet bepaalde weer – en wolkenpatronen en heeft wellicht informatiemogelijkheden vanuit het dal. Nu kijk je op je telefoon, er zijn voldoende momenten tijdens de tocht dat er bereik is en informatie voorhanden en stel je andere vragen. Hoe is de route die je wilt doen de volgende dag. Is de helling instabiel geworden, de gletsjer verdwenen, is er steenslaggevaar of is de route zelfs gesloten? De verdwijnende permafrost maakt bergsport er niet veiliger op.

In rifugio Tony Demetz, op de Langkofelscharte waar wij vrijwel rechtstreeks vanuit de gondel binnenstapten vanuit de gondel, vertelde de vriendelijke waard dat onze beoogde hut, Rifugio Vicenza goed bereikbaar zou zijn. We wisten dat we vierhonderd meter moesten afdalen, deden deze route al eens eerder, niet echter in veertig centimeter sneeuw. Het eerste stuk was gemarkeerd met hoge staken en lager zou het zich vanzelf wel wijzen. Dat klopte. Het was goed te doen en lager was er een vaag zichtbaar spoor te volgen. Toch was men in de Vizencahut blij verrast dat wij er waren, niet verwacht dat er met dit weer, een vette sneeuwbui, nog gasten kwamen. Sympathieke waard, type ruwe bolster, staartje, Frank Zappa sikje, drie vingers te weinig, schonk meteen drie Grappa’s in, dronk zelf een heel klein biertje mee.

De volgende dag stond de Oskar Schustersteig op het programma. Zevenhonderd meter stijgen, tot de top van de Sasso Platto 2964m., waarvan vierhonderd beveiligd met de kabel. De overige driehonderd vrij klimmen, ik herinnerde me dat van de vorige keer, al was dat inmiddels negentien jaar geleden, als heerlijk vrij klauteren. De zon scheen en voor mijn gevoel zweefde ik omhoog, het risico om te vallen was klein in mijn optiek. Behoorlijk verticaal maar steeds met kleine plateautjes van waaruit het volgende klauterstukje startte. Maar, nu lag er sneeuw, wat dacht onze waard ervan? We konden ook een lager gelegen route nemen, de Friedrich Augustweg, om het massief heen. We hadden best een lange dag voor de boeg, de volgende hut was Rifugio Antermoia.

Niet te vroeg vertrekken, oordeelde de waard. Uitslapen en dan om negen uur zou de zon in de wand schijnen, het werd mooi weer, en dan zou de sneeuw snel verdwenen zijn. Dat uitslapen, daar zijn wij niet zo van, liever vroeg vertrekken en dan op tijd arriveren op de volgende bestemming. We zaten al lang in de kille eetzaal en moesten lang wachten tot het ontbijtluik werd geopend. Eenmaal op pad scheen er inderdaad een mager zonnetje. De route was vrijwel onvindbaar en kaartlezend en puur op gevoel vonden we de instap. Klauterend in de sneeuw tot we de kabel tegenkwamen, 150 meter hoger. Al snel was duidelijk dat de laagstaande septemberzon niet meer in de kloof kon schijnen. Zelfs al had het wel gekund, zo’n pak sneeuw smelt niet zomaar even weg.

Op dat moment zaten we er al te ver in. We hadden ons laten leiden door de Raad van de Waard. De zon, voor zover die al scheen, was te laag en te zwak. Er lag teveel sneeuw en het ongezekerde stuk was te gevaarlijk. Hoe hoger we kwamen, hoe meer sneeuw er lag. We hadden verstandig moeten zijn en om moeten keren op het punt dat omhoog lopen klauteren, klimmen werd. Nu was omkeren, ongezekerd afklimmen in de sneeuw niet meer mogelijk. Het bovenste stuk, pakweg honderdvijftig meter zonder kabel was echt lastig, enkele keren haast onmogelijk om hoger te komen. In de smalle en steile kloof was de sneeuw soms heupdiep. In de dunne poeder zoeken naar iets van houvast.

We hadden beter moeten weten. De Bolver Luigi Klettersteig in de Pala Dolomieten van enkele jaren geleden begon met een dun laagje sneeuw. Hoger werd het meer sneeuw en later zelfs verijsd. Gelukkig liep de kabel daar tot de top, als dat niet het geval was geweest, zou uitklimmen onmogelijk geworden zijn.

De moraal van dit verhaal; laat je niet misleiden door een wijze waard, die de situatie kennelijk toch niet echt kent. Je blijft tenslotte altijd zelf verantwoordelijk voor wat je doet.

merci la vie

Als je mij vraagt, ‘wat neem je mee naar een onbewoond eiland’, is mijn antwoord, naast een paar onontbeerlijke zaken, in ieder geval het boek ‘De Witte Spin, de geschiedenis van de Eiger Noordwand.’ En dan liefst een nieuw exemplaar, dat wat nu in de kast staat is letterlijk stuk gelezen. Nu ook weer, er is nieuws over de Eiger. Een nieuwe route, nog moeilijker, nog extremer en dan ga ik weer zoeken, bladeren in dat boek.

De noordwand van de Eiger, ook wel moordwand genoemd, wegens de vele klimmers die dodelijk verongelukten. Spreekt mij nogal aan. Voor geen goud zou ik hem willen – durven / kunnen – beklimmen. Wel zou ik hem heel graag beklommen willen hebben. Op de zogenaamde Geneefse Pijler is een nieuwe route geopend, ‘Merci la vie’. Door Nina Caprez met twee klimpartners. Nina volg ik, sinds ze mijn hart stal met de docu ‘Silbergeier’. Een al bijna even moeilijke route in het Rätikongebied. En de presentatie over haar klimleven die ik bijwoonde. Bovendien klimt ze af en toe met Lynn Hill, nog zo’n icoon binnen de klimsport. Ook Lynn’s boek ‘Steeds hoger’,  staat zwaar beduimeld in mijn boekenkast.

De Geneefse Pijler werd in 1979 voor het eerst beklommen in een lijn die de naam kreeg ‘Le Porte du Chaos’. Veertig jaar later kozen Nina en partners een andere variant, nog te openen en zoals ze zelf achteraf inschatten als waarschijnlijke de moeilijkste op de Eiger. Voeg daarbij de condities zoals die gelden op de donkere, kille noordwand met haar eigen klimatologische omstandigheden en dikwijls rotte rots. Enkele jaren geleden beklom ik solo de Rotstock, de Klettersteig op het massief van de Eiger. Slechts een ‘walk in the park’, die ik in mijn (dag)dromen nog vaak herbeleefde. Ik voelde de magische kracht van de wand vlak naast en boven me, hetzelfde gesteente, grijs en vuil, nattig en verrot en ook het weer werkte mee, perfect, echt Eigerweer.

Ronald Naar en Bas Gresnigt beklommen de wand al in 1977. Steeds opnieuw is er Eiger nieuws, in 2014 deden Marianne van der Steen en haar partner Dennis van Hoek een geslaagde poging.

Ueli Steck, ‘the Swiss Machine’ stelde in 2008 het snelheidsrecord op de Eiger onwaarschijnlijk scherp. Ik was bij zijn presentatie hierover, korte tijd later viel hij dood bij zijn beklimming van de Nuptse. Evenals Hans Jörg Auer, kort na de presentatie over zijn solobeklimming van de Marmolada sneuvelde ook hij, bij een beklimming in Canada.

Het is werkelijk absoluut geen vergelijk, de Oskar Schustersteig die wij dit jaar deden, in voor ons extreme omstandigheden. Veel sneeuw, vrij klimmen, dan een stuk beveiligd met een Klettersteigkabel in de sneeuw en dan door naar de top van de Sasso Platto, weer vrij klimmen, nu in teveel sneeuw. Het was slechts een zondagmiddag in het park, eendjes voeren, vergeleken met elke willekeurige route op de Eiger.

In de korte docu zegt Nina, met dat speciale Zwitsers accent dat in haar Engels en Duits doorklinkt, dat het zeker een serieuze beklimming was. Een kostbaar cadeau. Dat ze dankbaar is weer veilig op de grond te zijn en dat de naam ‘Merci la vie’ meerdere betekenissen heeft. Van alledrie zijn vrienden verongelukt op de Eiger. Dat laatste shot van hen drieën is een ontroerend moment, Herkenbaar ook. Merci.

 

onbeschrijflijk

Het onbeschrijflijke beschrijven, ik weet, het is onmogelijk. Wanneer een schrijver niets te schrijven heeft, zit er maar een ding op: beginnen. Met schrijven. Drie mogelijkheden, men klikke de pc aan, de laptop of simpel met de pen (nee, bij voorkeur niet het spreekwoordelijke bierviltje) en papier. Er was een tijd dat ik kon schrijven in het hoofd, maar dat – zal wel weer de leeftijd zijn – lukt niet meer.

Ik staar tussen LG beeldscherm en groene bureaulamp, langs de stenen-uit-de-Alpen-in-de-vensterbank, onder de Japanse esdoorn door, wiens blad, het valt me nu pas op, al danig aan het verkleuren is. Buurvrouw, althans, die van enkele huizen verder, ik weet nooit niet precies welk, loopt voorbij en ze rookt nog steeds. Flauw dringt het zoemen van de oude elektrische bakkerskar binnen, hij hobbelt juist over de verkeersdrempel bij het fietspad. Tot zover is het alles nog wel beschrijfbaar. Ik wil ergens heen maar waarheen, dat is me niet duidelijk.

Out of space, het geluid van de stilte was gevuld met holte, suizend, resonerend, in je hoofd, een van ver weg pompend ritme, het was je eigen heartbeat tegen het schedeldak, een ruisend klotsen. Gemiddeld drieënhalf keer per jaar jezelf toestaan negentwintig minuten in een heet bad te weken met je hoofd onder water, dat mag toch wel, van Groen Links? En dan met alle macht proberen je gedachten te killen, uit te schakelen, even niks, echt niks. Niet denken aan zeespiegels, je pijnlijke vingers, aan je kinderen die op onbewoonde eilanden bivakkeren, zoals Wim de Bie ooit zei dat hij nog een lepelrekkie most ophangen in de keuken, waarom je gisteren die ene route in de klimhal nou echt niet kon uitklimmen. Gedachten uitbannen. Geen gepieker over dat steeds harder lekkende dak van je schuurtje, niet zeuren dat het alweer bijna Kerst is, die onbeschrijfelijke gevoelens voor

Er zijn dingen, die moet je niet opschrijven, niet willen beschrijven, ten eerste is het onmogelijk, ten tweede onbegrijpelijk. Je begrijpt het zelf niet, dat wat zich afspeelt in je hoofd of in je lijf of in je hart. Hooguit fluisteren, het voor je zelf houden in je hoofd en het toestaan in je hart. Doorgaan met leven, niet stilstaan met de beperkte tijd die je nog gegeven is op deze aardbol. De dosis geluk die je als mens bent toebedeeld in het leven, hoe zit dat, is die op een bepaald moment op? Wie en wat kom je tegen, is dat toeval of het lot, wordt je gestuurd of stuur jezelf? Ongemerkt was het badwater afgekoeld, het ruisende schuim verdwenen, tijd! De geest leegmaken was weer niet echt gelukt. De stop eruit, back to reality, out of space.

De groene bureaulamp kan wel uit, het is licht genoeg. Er zit een koolmeesje in de esdoorn, buurvrouw komt terug, ze kijkt naar binnen, ziet ze me niet, reageert niet op m’n vriendelijke zwaai. Toch peins ik nog verder. What ’s still in it for me? Nieuwe horizonten, adventures of toch maar tevreden klein leven in mijn inner circle. Is er geen tijd meer, is het de moeite niet, a fresh new start, hoe lang heb ik nog. Ik kan er niet meer tegen, ga koffie zetten.

Beter idee, even later zit ik, afkoelend na het gebadder, aan de rivier, het ministrandje waar de kinderen speelden en de klimboom waarin de kinderen klommen. Golfjes knabbelen en schuiven de schelpjes heen en weer. Het beetje wind dat dartelt door vergrijsde wilgen en in de verte, daar bromt een schip. Het kleurloze water dat naar zee stroomt om daar gedeeltelijk te verdampen en op te stijgen en in de bergen neer te regenen en opnieuw hier langs te stromen. Steeds opnieuw. Nietsziend staar ik naar de overzijde, werktuiglijk vermaal ik mijn zevenentwintig-granen bruinbrood met boerenkaas. Inwendig moet ik lachen om mezelf, zie me hier nu zitten, de would-be filosoof. Niet alles is onmogelijk. Denker van de koude grond. De koffie dampt in de leightweight aluminium mok.

 

Luchtboer

Henk wilde boer worden, melkboer, schillenboer, koeienboer, groenteboer, kon niet schelen, als het maar boer was. Boerboer. Een tijdje deed hij alsof hij het was, boer, in het klein. Rechtte zijn rug wanneer hij het veld, met de blik op oneindig, omspitte. Overzag zijn werk, keek niet om hoever hij nog moest, maar naar z’n kippen die achter het gaas naast hem, met lange nekken loerden naar de wormen die uit de vers omgespitte plaggen kropen. Daarachter de appelbomen en de perenbomen en de pruim, die in het voorjaar keurig om de beurt bloesemden. En de braamstruiken die zomers niet ophielden met groeien. Dat was genieten. Dat er, als je even niet keek, overal brandnetel en zevenblad de grond uitspoot, dat was minder.

Een beetje tractor, een John Deere, tot 450 PK, compleet met de nieuwste snufjes, kost toch gauw een ton ofzo. Hoeveel ton aardappels moet je daarvoor verbouwen, in hoeveel jaar verdien je zo’n groene tractor met airco terug? Hoeveel methaangas moet een veestapel daarvoor de lucht inblazen?

Henk z’n opa was boer. Met een rijtje trekpaarden in de stal, van die zware jongens. Eén PK per paard. Ploegen ging met twee of drie paarden die, om het vol te kunnen houden, één ploegschaar trokken. Een veld omploegen duurde dagen, alleen al het in en uitspannen van die beesten, Herta, Fleur en Daan, ze verzorgen, dat kostte veel tijd. Een beetje tractor met vijf of zes scharen erachter doet zo’n akkertje van toen in een paar uur nu. Groter dus dan maar, die akkers. En daar heb je het, het woord; schaalvergroting, ander woord voor stikstof.

Henk bestudeert van achter een te dure koffie bij Crossroads in ‘Arrivals’, Schiphol, onze ‘Nationale Luchthaven’, de zojuist gelanden. Uit alle delen van de wereld zijn ze uit de lucht komen vallen. Gehaaste mannen in pak, verwarde Aziaten, relaxte backpackers, bezonnebrilde lui met Louis Vuitton tas, verliefden, kinderen met ballonnen, afhalers en zij die hun afhalers zoeken, Egyptische prinsessen, getatoeëerden met korte broek, rolkoffers, roze koffers met stickers en niemand zonder telefoon. Per dag stijgen er meer dan zeshonderd vliegtuigen op en landen er evenveel. De hoeveelheid CO2 die Transavia, KLM, Lufthansa en Aeroflot uitstoot, is volgens onze minister Cora van Nieuwenhuizen dusdanig verminderd dat de Nationale Trots moet groeien, 40.000 vluchten per jaar erbij, moet makkelijk kunnen. “Geweldig”, denkt Henk, “wat een land”.

Henk heeft er geen benul van, denkt met z’n boerenverstand aan de hoeveelheid CO2 of stikstof, die al de John Deeres hebben uitgestoten op hun reis naar het Malieveld. Aan het totale bedrag aan waarde wat daar geparkeerd stond. Toch knap dat de regering in al haar wijsheid nu besluit om op sommige wegen de snelheid te verlagen van 130 naar 120 km. Ergens is het ook wel prettig dat je niet meer constant die horren voor ramen en deuren hoeft, die hinderlijke insecten, zijn er niet meer, vogels, waar zijn ze. En zo hier en daar een oranje veld in de polder, doodgespoten, oké, maar het geeft wat afwisseling toch. Het zal wel weer overwaaien, van die zure regen hoor je ook niks meer.

Varkensboer, kolenboer, kippenboer, beter één boer in de lucht dan tien op het land. Een van de kleinste landen ter wereld, Holland, een van de grootste exporteurs van voedsel, mooi toch, zo zit Henk te denken. Logisch dat je dan wat uitstoot. Melkplassen die groter moeten en dan weer kleiner. Asbest dat van het dak moet en dan toch maar niet. Mestvergunning, het is altijd wat.

Henk z’n te dure koffie is op en Henk gaat nog maar eens op het bord ‘Arrivals’ met de voortdurend verspringende namen kijken. Jahoor, zijn dochter, ze is geland. Vliegschaamte, ook zoiets, nieuwerwetserigheid.

‘De Echte Roman’

Beste lezers, lieve lezeressen, ik kan het jullie nu wel vertellen, misschien is het nog terug te kijken, ik was contractueel verplicht het stil te houden: mijn tv debuut was daar. Weliswaar niet op prime time op NPO1, slechts bij een regionale Belgische zender, ROB-TV, maar alla. Zoals meer Nederlandse schrijvers, is ook ondergetekende meer geliefd over de grens, of zoals de Belgen zeggen, over de krop. Dus zodra mij werd gevraagd of ik soms goesting had, welja!

Eerst wat uitleggen, waarschijnlijk onbekend bij u, mijn boek ‘De Echte Roman’ was vorig jaar in België een bestseller. De verkorte versie heeft u wellicht gevonden op de website onder het pseudoniem gerarddentoonder, getiteld ‘De Zandman’. Welnu, of ik eens wilde komen klappen over dat boek, wat heeft dat succes mij gebracht en vooral wat betekent het, op zoek naar de diepere lagen. Subiet meer over dat laatste. Spoorslags geraakte ik dus bij de studio in Wijgmaal, een dorp bij Leuven. Mij was reiskosten en een goede fles beloofd. Ietwat zenuwachtig was ik wel. Eerlijk gezegd, mijn Vlaams is niet zo goed.
Maar toen ik eenmaal in de make-up zat en Goedele Liekens binnen stapte viel alles van mij af. Toeval of niet, ook zij had net als ik, een zwarte coltrui aan. Ik zat goed, want hierover had ik zo mijn twijfels gehad. Hoe positioneer ik mij als Nederlandse schrijver, het plaatje moet kloppen. Neen, geen ambetante hoodie zoals Giphart, geen fel colbertje als Siebelink en zeker geen uitgezakt corduroy jasje met roos op de schouder, ’t Hart.

Toch sloeg de schrik mij nog om het hart, beste lezers, het was niet, zoals ik dacht een intiem één op één gesprek, van Dis-achtige setting, kamertje met boekenkast, wat zal het zijn, rood, wit, of water? Neen, op een ongemakkelijk lage bank naast Goedele en aan de andere kant een mij, nu nog steeds onbekende Belg, die kennelijk onweerstaanbaar grappig was en Eva de Roovere, die voor de uitzending begon het publiek, jaja, rondom ons zaten enkele rijtjes publiek, met haar hitje ‘Fantastig toch’ de stemming al danig oppompte. Vooral het publiek dat achter me zat baarde me zorgen. Ik was er vanuit gegaan dat alleen mijn voorkant in beeld zou zijn en de mottengaten op de rug van mijn coltrui niet zichtbaar.
Was het daarom dat ik slecht uit mijn woorden kwam, nadat ik goed begon met de quote dat ik mij, met mijn Zeeuws-Vlaamse roots, vaneigens altijd al een kwart Belg voelde. Of was het door de bruine ogen van Goedele die ik nu van wel heel dichtbij op mijn rechterwang voelde staren. Of toch gewoon toen de zeer rap van de tongriem gesneden Emile van den Steenbruggen bleef doorvragen naar de ware toedracht van ‘De Echte Roman’.

Awel, hield ik mij op de vlakte, er moet altijd iets te raden over blijven, dat noopt de lezer verder te lezen, om te slaan, hij wil het weten, de ware toedracht, de waarheid. En zo kon ik meteen, jawel, zo commercieel ben ik dan wel weer, reclame maken voor mijn roman ‘De Waarheit’. Wat bleek, Emile had het gelezen en ontdekt dat ook hier de hoofdpersoon op tragische wijze om het leven komt. Ik kon er mee weg komen dat nu eenmaal alles in het leven deels fictie, deels autobiografisch is en dat het misschien iets is voor literaire psychologen onder ons en dat ik hou van open eindes. Goedele redde me met te zeggen dat een rijke fantasie een zegen is, zoals zij dat kan zeggen met die Vlaamse zachte G: ”Een Zégen….” Mijn zwarte coltrui was inmiddels doorweekt en het werd tijd voor het laatste item, Eva de Roovere die haar nieuwste hit kwam pluggen.

In de tv – en filmwereld is het goede gewoonte om te eindigen met een cliffhanger. Zo wil ik besluiten met de scoop, dat de filmrechten van ‘De Echte Roman’ bijna zijn verkocht. En dat het na de uitzending nog lang lawaaierig bleef in het dorp ten noorden van de oude universiteitsstad Leuven. En ook dat Eva nogmaals, nu heel zacht, bijna fluisterend zong:
‘Slaap lekker ding
Want jij is lastig
Nog meer jij is fantastig toch’

Knuffelkunst

 

Soms moeten er keuzes gemaakt in het leven, geldt die met jezelf gemaakte afspraak even niet: wat het eerst in de agenda staat, dat staat. Komen er kansen voorbij, zijn er nog interessantere zaken. Plots viel daar de uitnodiging op de digitale mat, klimmen in Duitsland. Op een bijzondere plek, Landschaftspark Meiderich. Dit was er zo een, dan moet alles wijken, dan ook een prijsuitreiking.

Schreef ik laatst over het nieuwe beeld van Willem van Oranje in Dordrecht, toegegeven, hij staat daar niet slecht, nog wat patina erop neerdalend en over een paar jaar is alsof het er al jaren staat, van mij mag het wel iets moderner. Vervreemdende kunst in de openbare ruimte, ik hou ervan. De vraag mee te doen met de wedstrijd ‘Beelden Verbeeld’ beschouwde ik meteen als een opdracht, een die ik mezelf graag gaf. ‘Maak een eigen versie van het beeld van jouw keuze, een van de vele beelden in Papendrecht, alles kan, foto, schilderij, verhaal of gedicht.
In een split second wist ik welk beeld dat zou worden. Altijd, wanneer ik er langs vaar met de Waterbus, gebeurt het weer. Het beeld verandert van vorm. Zo eenvoudig is het beeld, in feite niets meer dan een grote cirkelvormige dikke staalplaat, doorgezaagd, een helft in een hoek van negentig graden gedraaid, rood gespoten, klaar, maar zo geraffineerd. Beetje jammer dat het niet helemaal vrij staat, gemeentewerken begrijpt het niet, storende bankjes, lantaarnpaal en de onvermijdelijke prullenbak.

In Duisburg was iemand die goed kon nadenken. Wat doen we met het enorme hoogovenscomplex. Die in 1985 al gesloten, in de oorlog zwaar beschadigde, maar weer herstelde oude fabriek uit 1902, gaat we niet slopen. Industrieel erfgoed, bewaren, park er omheen en openstellen. Zie daar Landschaftspark Meiderich. Tevens festivalterrein en Klettergarten.
Wij rijden door het donkere Ruhrgebied, naderen de suburbs, in dit geval die Vororte van Duisburg en vrijwel meteen doemen hoge torens op met cirkels van licht en in neonletters; Europa. Met een sleuteltje krijgen we de slagboom open, rijden het terrein op en parkeren voor de Nordparkhütte, eigendom van de DAV, Deutsche Alpen Verrein.

En dan, later die avond leef ik in een surrealistische droom. Het Bl’ Héros ensemble, wat in de Franse Alpen klom, gaat op avontuur. We dwalen over het fabrieksterrein waar het stil is en in het donker de staalconstructies spookachtig staan te zijn, hier en daar kleurig verlicht. Verweerde betonnen muren, onverwachte open ruimtes, gietijzeren kolommen met klinknagels. Ketels, weer een plein, omsloten door torens van ingewikkelde staalconstructies en een hoge schoorsteen met de volle maan ernaast en wat is dit mooi. Honderden foto’s zou ik willen maken.
In de verte zweeft geluidloos, de stilte nog benadrukkend,  een groep mensen met fakkels, spooky. Is dit echt, ben ik dronken, het lijkt een film, onwerkelijk, ben ik stoned. We gaan een paar trappen op omhoog, tot een hek dat verdergaan belet, het afsluit. Wij, klimmers, klauteren er gemakkelijk buitenlangs. Hoger gaan we, over griezelige open trappen langs roestende ketels en buizen en stangen, ze lijken van fluweel in het maanlicht. Op iedere etage is het uitzicht anders en valt mijn mond letterlijk open. Ik kan mijn gevoel, mijn enthousiasme niet onder woorden brengen en mijn vrienden schieten in de lach, wat is dit waanzinnig mooi. Stiekem klimmen we nog twee keer over een afsluitend hek tot we boven zijn, hoger nog dan de Europaletters die gigantisch zijn. Magisch.

Knuffelkunst
Het ‘rode ding’
dat komt als eerste bij je op
stil staan de beelden langs de oever
aandacht vragend
stil staan ze daar, in weer en wind
maar vooral dat rode, dat rode daar

 Wat het eerst te binnen schiet
dat  is dat ‘rode ding’
dat intrigerend beeld
hoe vaak je langs voer met de Waterbus
– nooit meer Fast Ferry zeggen –
hoe verzwikte je je oog

 Even was je afgeleid
je keek terug, plots stond daar een ander beeld
dat is het mooie van dat ding
je vaart er langs, de vorm verandert
dat is het mooie
van het ‘rode ding’

Lucien den Arend maakte het beeld, het stond er al, vóór alle andere op de boulevard. Al even vreemd als de sculptuur zelf is de titel: 2.2.3d.2 staal

De volgende dag beklimmen we de ruwe betonnen muren en torens tot onze vingers en tenen teveel pijn doen. Mijn inzending zal dan niet gewonnen hebben, maar mijn keus voor Meiderich wel.