Alle berichten door dentoonder

De geparfumeerde bergbeklimmer

Il cammino é il dialogo con se stessi

Dat de weg het doel is, jezelf ontdekken, tegenkomen en meer van dit soort wijsheden, dat ken ik en  ontdek ik ook nu al vrij spoedig. Na tien minuten denk ik nattigheid te voelen. Bij de bushalte in Pozza di Fassa, waar we in de stromende regen lang wachten op de bus, is het echt waar; mijn jack lekt. Lekker begin van een tocht in de Sella Dolomieten, met niet al te beste weersvoorspelling. Tijdens de wandeling in Campitello naar de gondel duik ik een winkel in en koop in vijf minuten een tamelijk lelijk regenjack dat me ongetwijfeld een hoop ontberingen zal besparen. Nooit in mijn leven deed ik zo’n snelle aankoop – qua kleding dan, ben ietwat kritisch. Mijn oude jack laat ik achter, voor mijn part verkopen ze het daar.

Verbazingwekkend handig schenkt de waard van rifugio Vincenza, met een hand waaraan drie vingers ontbreken, ons, Rienk, Aad en mij, drie Grappa’s in. Blij dat er toch nog gasten zijn die niet afbellen of gewoon niet op komen dagen. Nu was het inderdaad niet makkelijk. Naarmate de grote gondel ons duizend meter hoger tilde, naar Col Rodella 2387 m., nam de regen af en veranderde in sneeuw. We stapten we uit in een andere wereld; wit. De harde klappen die we hoorden onderweg, dat was ijs wat van de kabel op het dak viel. In de nevels op de kale vlakte gingen we op zoek naar de volgende funivia, hoger, naar Rifugio Tony Demetz. De vele wegwijzers naar alle rifugio’s, restaurants en kabelbanen die aan alle kanten opdoemden maakten het er niet makkelijker op.
Bij rifugio Passo do Sella werden we tot spoed aangemaand, de kabelbaan ging sluiten, met dit slechte weer was er inderdaad niemand. Met enig geweld werden Aad en Rienk in het piepkleine gondelbakje geperst, in de haast vielen de Nepalese handschoenen van Rienk op de grond. Ik kon ze nog meegrissen  voordat ik een cabinetje werd geduwd. Dat ik er eentje voor mezelf had vond ik niet erg.
Op de Langkofelscharte 2681 m. lag een echt pak sneeuw en na enige aarzeling begonnen wij aan de worsteling er doorheen, naar de vierhonderd meter lager gelegen hut, rifugio Vincenza 2253m. Hoge staken met rode markering wezen ons de weg. Nu, na de Grappa en de heerlijke maaltijd heeft de waard ook nog een tip. Morgen willen wij de Via Ferrata Oscar Schustersteig nemen, volgens hem zal vanaf negen uur de zon in de kloof schijnen en de sneeuw snel doen verdwijnen. En wij zijn zo naïef dat te geloven, zo’n waard kent immers zijn gebied.

Negentien jaar geleden deden wij deze zelfde route. Toen nog geheel onervaren op het gebied van Via Ferrata en met zeven man, waarvan er twee geen Klettersteigset hadden, we dachten, die brengen we dan wel even heen en weer. Zo werkte dat dus niet. Mede daarom leek het ons nu, doorgewinterde Klettersteigers als we inmiddels zijn, leuk om deze ‘Steigs’ nog eens te doen. Hoeveel sneller zijn we nu? Niet al te vroeg, om de sneeuw wat smeltkans te geven, gaan we op pad. Het kost moeite de route te vinden, de markeringen zijn ondergesneeuwd. Lichte inzinkingen in het sneeuwdek en onze ervaring wijzen ons de weg.
Toch sluipt er bij mij al wat twijfel binnen, het is niet heel slim dit te doen. Een aantal jaren geleden deden we de VF Bolver Luigi, het kleine beetje sneeuw van toen veranderde in een ijspantser bovenin en het werd het moeilijkste wat ik ooit deed. Nu ligt er hier al een pak, hoe wordt dat hoger? Diep onder ons zien we vier stipjes, dat is het andere groepje wat later nog de hut binnen viel. Zij kunnen eenvoudig ons spoor volgen. We beginnen eerst met honderd meter ongezekerd klauteren, de vorige keer, met heerlijk weer, was dat genieten, nu op z’n minst lastig te noemen. Gelukkig, daar begint de kabel, het is hijsen en op goed geluk de voeten plaatsen, zoeken naar steun. Van de beloofde zon is totaal geen sprake, in september staat die te laag, komt niet meer in de kloof. Er ligt steeds meer sneeuw, m’n handen zijn totaal gevoelloos en na enige tijd vraag ik Rienk eens voorop te gaan.
We komen bij een dikbesneeuwd zadel tussen twee rotstorens in en aan de overkant gaat de route kennelijk verder, stalen treden in de gele wand. Behoedzaam steek ik als eerste de maagdelijke ronding over, het voelt alsof ik over een grote Wächte loop, blijft dit liggen? Heel even in de zon prikken en steken mijn vingers.

lees het hele verhaal hier verder: https://wp.me/P4CCMR-Tj

Summertime

Kan zomaar gebeuren, niets vermoedend loop je over de Buiten Walevest, de Veerhaven III perst drie duwbakken onder de brug door, erover dendert juist een gele dubbeldekstrein, wazig in het tegenlicht en opeens is daar die wolk. Onzichtbaar, maar giftig, dat wel, dodelijk. Niemand had dat zien aankomen, kunnen voorspellen. Zevenhonderdduizend doden in Zuid-Holland, zou kunnen, toch?
‘and the living is easy, summertime

Misschien een iets te ver gezocht voorbeeld, iets. Heeft niet iedereen weleens zo’n gedachte? Je overwint je vliegschaamte en vliegt toch even naar je vakantiebestemming. Het doosje van het broodje ei, het koffiebekertje, het servetje en de dingetjes zijn opgehaald, het eiland is in zicht, de daling al ingezet en de turbulentie is heftig en jawel: doorstart. Your captain is speaking en zegt ‘dat jullie het wel gemerkt zullen hebben en dat we het nog eens gaan proberen’. En dat dan drie keer. Je klampt je vast aan de gedachte, iedere seconde landen overal ter wereld honderd vliegtuigen en het gaat altijd goed. Ook hier, op Samos, vandaag?
‘and you ‘ll spread your wings and you ‘ll take to he sky’

Over een paar dagen wandel, klauter en klim je op grote hoogte in de massieven van de Dolomieten, waar de zon de rots verwarmt en geel kleurt en je het stof ruikt en het gruis en die geur van het Dolomiet. Sta je op een roestig stuk betonijzer wat uit de wand steekt, onder je honderd meter lucht en houd je een kabel vast waar je van uit gaat dat die ergens hoog, goed vastzit. Je denkt daar geen seconde bij na, wel kijk je omhoog en vraag je af hoelang die brokkelrotsen daarboven nog blijven zitten en hoe het hier is gesteld met de permafrost.
‘there ain ’t nothing that can harm you’

Doemscenario’s, ik ben er goed in, jawel! Tegen wil en dank, zorgeloos zwerven, onbezorgd leven, dat is wat ik wil. “Pa, je bent een flierefluiter”, zei m’n dochter eens. Ik wist het niet maar ik hoop het wel. Hoe kun je weten dat drieduizend kilometer hier vandaan, heel langzaam, diep in het inwendige van de berg, Cumbre Vieja op Las Palmas het ineenstortingsproces is begonnen, dat dat het begin is van de enorme catastrofe die grote delen van de wereld zal treffen, dat de zee, hier achthonderd meter verderop zich plotseling terugtrekt, de nooit geziene bodem van de kom blootlegt in slechts enkele seconden tijd, wachtend op een tsunami die onhoorbaar nog, zich op gaat bouwen, hoger, steeds hoger tot honderden meters hoog, tot er tenslotte een drukgolf van wind ontstaat die voorafgaand aan het verwoestende water, alles wegblaast, de bomen, huizen, mensen, alles en iedereen.
‘so hush, little baby, don ’t you cry’

Minder exotisch; met harde westenwind, a perfect storm, springtij en hoge waterafvoer in de rivier, vind het juist nu plaats; de risicoanalyse van die overstromingskans van eens in de vijfduizend jaar: in 2021. Op de site van Overstroomik staat het bij mijn postcode tot de dakgoot. Moet ik het hier nog hebben over dat gekke plekje op je arm, de zeespiegelstijging of die zeurende pijn linksonder.
‘summertime, and the living is easy’

(uit: Summertime, uit Porgy and Bess, door DuBose Heyward)

Een Strand

Sommige dingen zijn geheim en dienen geheim te blijven. Zoals daar zijn, gedichten, gedachten, liefdes en sommige stranden. Gedichten kunnen te persoonlijk zijn, gedachten te intiem, liefdes onmogelijk. Heimelijk, zo zijn er ook stranden die je het liefst voor jezelf wilt houden.

Een strand kan zilver zijn, ‘s ochtends in de vroegte, de zon nog laag gefilterd, het zand nat van de vloed die het zo achterliet.

Een strand kan goud zijn –  maar dat weten meer mensen wel – goud, dat is het ’s avonds, goudoranje als de zon nog even hangt en men de adem inhoudt, dat moment van vrede en hoop en ook die zekerheid, morgen komt de zon weer op.

Een strand, het begint op te vallen, ik schrijf er weleens over, ik hou ervan. Een citytrip is leuk, de bergen in ook, maar het is geen strand. Synoniem aan zon en vermaak, terrasjes en mensenvlees, bakkend en smerend. Voor mij geldt, een strand moet leeg zijn – als het druk is blijf ik thuis. Mooi weer hoeft niet persé, het mag koud zijn of met harde wind; wind mee.

Een strand, dat je soms na maanden of na een winter voor het eerst weer ziet, die eerste aanblik, nog ver, achter de duinen. Het gevoel, langs de rand te lopen, daar waar jouw land, het continent Europa ophoudt, duidelijker kan een grens niet worden gemarkeerd.

Een strand, waar je je, net als in de bergen, mens kunt voelen, klein in de uitgestrektheid, Dat in een nacht kan veranderen, van vorm en van oppervlak, twee maal daags schoongewassen, de voetstappen, de geschiedenis uitgeveegd. Van Noordzee tot Golf van Biskaje, van Tweede Maasvlakte tot Côte d’Opale en Les Landes, hier en daar vond ik mijn secret beach.

Een strand bestaat niet zonder de andere componenten, noodzakelijk daar die zee, die elke dag een andere is. Nadrukkelijker nog de aanwezigheid van de al omringende hemel, met botsende, of dan weer vredige luchtlagen in een nooit vervelend spel voor een intense kijker zoals ik.

Iemand stuurde een gedicht, geschreven toen ze nog heel jong was. Nu was ik aan de beurt, ook ik ‘dichtte’ in mijn jeugd; laat eens wat lezen? Toen ik mijn boekje, ‘Nachtgedichten’, na lang zoeken tenslotte vond, was het duidelijk, dit was geheim. Te privé voor publicatie. Schrijven is jezelf blootgeven, schrijven is schrappen, zo wordt gezegd. Wat mij betreft, schrijven = breien, maar er zijn grenzen aan dat wat je prijsgeeft. Ik ken een schilderes, niemand mag haar schilderijen zien, noch haar atelier. Ik zeg; schrijvers willen gelézen worden. Na enig aarzelen kwam alleen dit gedicht door mijn censuur, met het verzoek: ‘Na lezing onmiddellijk deleten’.

Een stuivend stukje strand
bij windkracht 7
een dondrend opkomende zee
een schreeuwende meeuw
een meisje in je hand
over krakend knerpend’ mosselschelpen
aan dat eenzaam stukje strand
haar wuivend lange haar
uit haar gezicht gestreken
met trillend tedre vingers
overlopend
vol verliefdheid
dan plotsling
breekt die zon dan door
watrig miserabel
bij windkracht 7
je neemt haar in je armen
aarzlend
die eerste zoen
stom schreeuwende meeuwen.

En dan die uitschietende uitloper
doet je weer beseffen
dat het hier nog aarde is,
bij een opkomende zee
op een stuivend stukje strand.

Het is geschreven, zo’n vijftig jaar geleden, maar evengoed had het gisteren kunnen zijn, of morgen. Ook toen al had ik liefde voor het strand, voor wie ik het schreef, ik weet het echt niet meer. Of nee: dat moet geheim blijven.

De Vooruitgang

Vooruit, laten we weer eens modern doen, we gaan niet met de auto, dat onding dat het milieu verpest, we nemen de trein. En dat komt nog goed uit ook, we wonen vlak bij een station en onze bestemming, de LocHal, schijnt ook dichtbij het station te liggen. Bovendien berichtte NS mij, dat ik weer over een ‘vrij-reizen’ kaartje kon beschikken. Voor een goed begrip, dat is allesbehalve gratis, om zoiets te bemachtigen dient men een Dalurenkaart aan te schaffen en daarbij nog de zogenaamde Keuzedagen te betalen. Alles bij elkaar voor een bedrag van een keer je auto helemaal vol te tanken.

‘Het zal mij benieuwen’, mompelde ik terwijl ik de voordeur dichttrok. Hoe herkent men de forens / reiziger / jarenlang NSklant? Aan de cynische verbeten blik die onhoudbaar op het gelaat verschijnt in de onmiddellijke nabijheid van een NS station.
En inderdaad, sinds Arriva is weggeconcessied ten gunste van het goedkoper opererende Rnet, blijkt de blauwgele NS automaat verdwenen bij ons station. De gemeenrode Rnet automaat weigert mijn NS Dalurenkaart te herkennen.
Anno 2019, zelfs in het achterlijke China rijden de treinen nu met 450 kilometer per uur, in Nederland, één van de welvarendste landen ter wereld snapt een apparaat het niet. Van de klant wordt nu verwacht dat hij incheckt, op het volgende NS station in een vliegende sprint het station verlaat, uitcheckt en in de blauwgele NS automaat zijn ‘Keuzedag’ opwaardeert, vervolgens incheckt en met ware doodsverwachting zich de tunnel instort om zijn ‘overstapje’ alsnog te halen. Wat een Vooruitgang.

Haalden wij dit overstapje niet, dan dienden wij een vol uur te wachten op de volgende ‘Sprinter’. NS, in al haar wijsheid, besloot dat vier keer per uur een trein naar Brabant wat teveel was, twee Intercity’s en twee Stoptreinen, let wel; een ‘Sprinter’ is gewoon een Stoptrein. Dit alles omdat er een nieuwe verbinding is, een snelle trein van Rotterdam rechtstreeks naar Breda, en die ‘Intercity Direct’ komt niet langs onze woonplaats. Alweer een grote Vooruitgang dus.
Hoe jagen we de forens de trein uit, de weg op, dat onding van de auto in, de toch al zo drukke Moerdijkbrug over. Toegegeven, de nieuwe ‘Sprinter’ is strak modern, bijna luxueus.

Aan het einde van de bijzonder prettige dag in de Brabantse stad met schitterend museum, heerlijk park, lekkere Turk en de waanzinnige bibliotheek LocHal, brak bij mij de pleuris uit. Terug naar huis, die ene ‘Sprinter’ per uur, bleek volgens het digitale bord: ‘Cancelled’. Gewoon, cancelled. Rijdt niet. Bekijk het maar klant, zoek het maar uit. NS kan er ook niks aan doen, wisselstoring. Misschien dat er over een uur weer een rijdt, of over twee uur. Misschien.
Op het punt van vertrekken stond wel de ‘Intercity Direct’ naar Rotterdam, roltrap af, roltrap op, de NS kaarten langs een ‘Toeslag’ paaltje geswiped en in het gereedstaande ‘rijtuig’, dat onmiddellijk met een zucht haar deuren achter ons sloot. En zo zoefden wij met iets verhoogde snelheid noordwaarts, niet langs onze woonplaats naar Rotterdam, om daar weer over te stappen, terug zuidwaarts. En dan, oeps, op het perron van Rnet niet vergeten uit te checken van NS en in te checken bij Rnet. Dit alles in 2019, terwijl in Zwitserland een hoeveelheid van verschillende treinmaatschappijen de reiziger vervoeren, die daar in het geheel en totaal niets van merkt.

In de enquête, het tevredenheidsonderzoek, dat ik binnenkort in de mailbox verwacht, zal ik kunnen antwoorden op vragen of er voldoende prullenbakjes waren, de geluidsinstallatie verstaanbaar was, hoe het met mijn gevoel van veiligheid gesteld was en dan met ja/nee/weet niet. Om dan weer te kunnen pronken met een zeer hoge klanttevredenheidscore. Zo jammer, dat die Abri’s, prullenbakken, rookpalen en geelblauwe automaten zo hufterproof zijn.

 

Patiënt

Een dag uit het leven van een patiënt. Zo ben je kerngezond – geen klachten? geen klachten – mankeer je niks, althans dat denk je, voor zover je weet. En zo begint er iets aan te lopen, te haperen, te stotteren, en verword je tot patiënt. Val je in de handen ( niet klauwen zeggen, je hebt hen nog nodig) van de medische industrie.

‘Wat zit daar toch’, dacht ik en wreef voor de zoveelste keer die denkbeeldige haar uit mijn oog. Was het weer een eigenwijze wenkbrauwhaar, zo’n grijze die in één nacht uitgroeit tot een irritant voor het oog hangend gordijn. IJdel als ik ben zal ik mijn wenkbrauwen nooit laten verslonzen, een wildgroei van Ruud Lubberiaanse proporties. Tot ik ontdekte, nee, het was niet ervoor, maar in het oog. Rechts, daar zweefden, nee, dreven vreemde substanties door het beeld. Sterker nog, nu ook op links en troebel werd het zicht. Juist wanneer ik veinsde ze niet te zien, zaten ze hardnekkig in de weg. Google stelde niet geheel gerust. Lichtflitsen, die zag ik niet, hoewel, was dat er nu net een? Ik kreeg het er warm van, netvliesloslating, dan was acuut handelen noodzakelijk, heel warm, ik was patiënt.

Wat ik altijd doe, het wachten, de meeste dingen gaan vanzelf weer over, beperkte zich nu tot drie dagen, mijn ogen zijn mij dierbaar, ben hysterisch visueel ingesteld. Ik overwon de weerzin om naar de dokter te gaan. De afhankelijkheidspositie waarin je je dan begeeft, net als bij de kapper, de tandarts, de pedicure, ik kan dat niet, patiënt.
“Ziet u ook lichtflitsen? Want dan is het acuut.”
Die zag ik niet, hoewel, dat leek net wel een flits. Zes dagen wachttijd voor de oogarts, zes, waarin ik verhalen hoorde over mensen waarbij het netvlies losliet – zag ik daar nu een lichtflits – iemand die binnen drie dagen totaal blind was en meer van dit engs. Over vijftien dagen zou ik vertrekken naar de Italiaanse Dolomieten. Een week wandelen en klimmen tussen twee- en drieduizend meter, vele uren gaans verwijderd van behandelkamers, hoe veilig was dat? Kon ik wel weg, hoe snel kon ik nu geopereerd?

Zo langzaam mogelijk wandelde ik naar de stad, om daar de pont te nemen. De kliniek was vlak aan de overkant van de rivier. Volledig ontspannen, het overlevingsinstinct draaide op volle toeren, nergens aan denken. Geen gedoemdenk, niks slachtbankgedachten. Uiteraard was ik te vroeg en las op een rivieroeverbankje nog een heerlijk hoofdstuk in een boek over wielrennen.

Tenslotte, het wachten op het afroepen van de naam, het binnengeroepen worden, op naar de behandelkamerdeur. Onwillekeurig schoot ik in de lach, herinnerde me een column van Simon Carmiggelt; ‘Mevrouw t Mannetje’. Deze naam werd herhaaldelijk, steeds dwingender metalig omgeroepen door de intercom; “Mevrouw t Mannetje, Mevrouw t Mannetje!” Terwijl een zwaarlijvige vrouw zich moeizaam ophees en moeilijk lopend  door de wachtkamer bewoog.

De werkelijk bijzonder vriendelijke, vermoedelijk met zuidelijke ouders, aangenaam ogende assistente druppelt van alles in mijn ogen. Dan weer wachten, terwijl het zicht wonderlijk vertroebelt, bladeren in, niet zo glossy meer, magazines.

De buitengewoon innemende, eveneens zuidelijk georiënteerde, aantrekkelijke oogarts, kijkt indringend met felle lampen bij mij naar binnen. Links, rechts, dan weer links en nu lang, zeer lang. Plots draait zij het apparaat opzij en beent de kamer uit;
“Even mijn collega raadplegen”
“O nee, shit, dat is foute boel”, denk ik: “Dit gaat niet goed, dat wordt opereren”.
Deze patiënt krijgt het heel warm, Italië kan hij vergeten, dat wordt laseren of iets anders griezeligs. Vrolijk lachend komt ze terug, ze wilde even bij haar collega kijken, die is aan het opereren in de kamer hiernaast. Met die netvliezen van mij blijkt alles goed, slechts wat floaters in de oogbalgelei. Oef, zo ontsnap ik aan de grijpgrage klauwen van alles wat mijn broze lijfje bedreigd en ontvlucht zo snel ik kan de kliniek. De zon schijnt heel fel, en ik moet mijn bedruppelde ogen dichtknijpen. In de kastanjebomen aan de Veerweg hoor ik vrolijke vogeltjes kwetteren, het is zomer, en heerlijk warm. Van een afstand ruik ik de zoete geur van de rivier al, alle zintuigen doen het nog. De weg terug naar de pont leg ik dansend af, in mijn hoofd, bevrijd.

Easy Riding

Peter Fonda is dood, de foto over twee hele krantenpagina’s afgedrukt, schiet mij onmiddellijk in de ‘herinneringsmodus.’ De fantastische chopper uit de film Easy Rider, die ik in mijn dromen zovaak bereed, drie weken rechtdoor over de rechte golvende wegen in Utah, Route 66, Flagstaff Arizona, from coast to coast, you name it. Aan de binnenkant van mijn kastdeur hing jarenlang een foto van die twee op hun motoren, Fonda en Hopper. Toeval of niet, de cultfilm uit hetzelfde jaar als Woodstock, beide troffen in mijn toen achttienjaar oude mind een goede voedingsbodem.

Zoals veel van mijn generatiegenoten was ook ik in de ban van deze film, was ‘born to be wild’. Die fantastische motor met extreem lange voorvork, het kleine tankje, de relaxte zit. Alleen die stars en stripes op de tank en op Fonda’s helm, daar was ik, ook toen al, geen fan van. Zijn bril wel, die bril, nu nog steeds prachtig, wil ik zo hebben. De film stond voor het gevoel van vrijheid, weg met de heersende klasse. De vervreemdende scenes, in de commune en de hallucinerende drugstrip, daar schrok mijn nog onbedorven geest wel van, toen. En het tragische einde, dat ze in elkaar werden geslagen en tenslotte neergeschoten door de ellendige rednecks, dat deed pijn maar droeg wel bij tot een nog grotere adoratie en drang om je af te zetten tegen, tja waartegen eigenlijk.

Men hoorde toen een Puch of een Tomos te bezitten. Noodgewongen wegens geldgebrek reed ik op een ‘buikschuiver’. Een zeer onhippe Magneet, een groene met grote spatschermen. Een aantal daarvan had ik verwijderd, dat maakte hem nog lelijker en ter vervolmaking van mijn ‘anders zijn’ image zaten er paar wapperende oude fietstassen achterop. De helmplicht bestond nog niet zodat ook de haren vrijelijk konden meewapperen.
De Magneet trok niet snel op, maar eenmaal op snelheid passeerde ik alle vrienden op hun Puchjes en Tomosjes, dankzij mijn twee jongere broertjes, die stiekem, als ik niet thuis was, op de brommer reden en hem steeds sneller maakten. Wanneer mijn moeder me op zaterdag vroeg Chinees of frites te halen, had ik een goede reden om nog harder, als een volslagen gek, met de bestelling tussen mijn benen balancerend op de tank, volgas door de stad te rijden; het eten moest warm blijven. Het grote voordeel van een buikschuivermodel, hij was uitgerust met een zogeheten buddyseat, hierop heb ik diverse schone jonkvrouwen weten te ontvoeren.

De film had niet echt een heel duidelijke verhaallijn, veel werd aan de kijker zelf ter invulling overgelaten. Meerdere keren zag ik de film, maar zo magisch als toen werd hij niet meer. Vermoedelijk is hij binnenkort weer ergens te zien, eerbetoon aan Fonda en ik denk niet dat ik kijk. Soms is het beter herinneringen te koesteren, zoals sommige dingen beter niet gezegd kunnen worden. ‘Some things are better left unsaid’. Op Youtube rijden ze in lange shots, zoals het hoort in een roadmovie, door eindeloze vlaktes, lachend, vrij en onbekommerd, op hun schitterende blinkende motoren, dat is genieten. You know, I really dig it, you know!
Voor het echte scheurwerk waren de Easy Rider choppers niet geschikt, ongemakkelijk met het té hoge stuur, ongeveerde achtervork. Beter voor relaxt cruisen, zoals ik nu ook zou doen. Eigenlijk, en dat komt opeens sterk opborrelen, zou ik dat eens moeten doen. Op de motor, hoeft niet persé een chopper, over Red Rock Bridge, die uit de film, over Colorado River.

Misschien hangt de foto van de motorhelden nog achterop die kastdeur – ik ben inmiddels verhuisd – onder de foto van de mooiste kerktoren van Nederland, mijn geboortedorp, maar dat is weer een geheel ander verhaal. Toen de groene Magneet definitief de geest had gegeven, kocht ik na een weekje vakantiewerk opnieuw een brommer. Tweedehands, een Magneet, een blauwe nu.

Dilemma

Gelukkig maar, dat dilemma heb ik in ieder geval niet. Sommige dingen moeten zo blijven, je moet iets te dagdromen hebben. Het dilemma van, wil ik nu een hutje – en nee, dan geen Tiny house – een hutje op de hei, hutje aan zee of toch maar weer ergens, iets hoog in de bergen. Op de hei valt meteen af, ik ben niet zo’n heideman. Hoewel ik me soms wel eens te romantisch over een onbekende hei voel struinen. De driehonderdzevenentwintig schapen her en der tevreden grazend. Ik leun op m’n stok, Hector kijkt me vragend, hijgend aan en ik zie het niet. Ik droom van een hutje aan zee, of toch ergens hoog. Eega stookt het kacheltje nog eens goed op, in het hutje, ginds aan de bosrand, ik zie een rookpluimpje opstijgen, ze kookt de aardappeltjes, straks zal ze ze bakken.

De zee is vanmorgen zo vlak als een spiegel. Is onhoorbaar weer dichterbij gekomen, rimpelloos, zonder geweld, zonder brandinggolven. Precies tot aan de vloedlijn die ze gisteravond achterliet, met kleine hoopjes zwartgroen wier, gewikkeld in hardblauw visdraad, schelpen en schelpengruis, een versleten fles en een slipper, een linker. Het is niet heel warm, de zon verschuilt zich achter het dunne wolkendek, een lichte plek, laag nog, verraadt haar. Ik doe wat ik altijd doe, lopen, doelloos lopen. Langs die vloedlijn, langs de randen van de zee. Het strand is breed hier, de lage duinenrij, links, lijkt nog lager door de hoogte van het strand. Het zand voelt koel aan mijn voeten, soms prikt een scherpe schelp nauwelijks voelbaar door het eelt.
Rechts, daar begint de zee, de oneindige zee. Soms tuur ik naar de horizon, zie daar een schip voorbij varen. Alleen de brug en de laadmasten, de rest onzichtbaar door de bolling van het oppervlak. Visdiefjes storten zich in het water en stijgen met lege snavels weer op en een groepje drieteen strandlopers trippelt voor me uit, steeds voldoende afstand houdend op het natte zand dat glimt in het licht van de zon die moeite heeft met opstijgen deze morgen.
Schuine zonnestralen verlichten een stukje zee die lichtgroen, met kleine witte glinsteringetjes opblinkt. Het wolkengordijn schuift langzaam open, de schaduw lost op en weldadig verwarmt de zon mijn rug. Tijd om om te keren, ik ga koffie maken. En thee voor Eega. Er is weinig wat zo heerlijk is, koffie drinken met je zanderige voeten op de zanderige vlonder van je hut. Aan een groengrijze zee met een beetje blauw wanneer de zon eindlijk doorkomt en die leeg is, en helemaal voor jou.

Een heel smal zonnestraaltje piept schuin door de luikjes en laat stofdeeltjes dansen. Tijd om op staan, doe wat ik altijd doe, eerst de beide luikjes openen, laat het zonlicht het donkere hutje binnenstromen. De deur nog dicht, huiverend het fornuisje aangestoken. Het blijft lang fris op deze hoogte. Ik kom pas uit bed wanneer de zon boven de berg uitpiept. De naamloze berg aan de overkant, ik kan zijn gehoekte profiel uittekenen.
Geen haast vandaag. Gisteren heb ik hard gewerkt, hout gezaagd voor de hele week. Wanneer het kacheltje goed brandt doe ik het schuifje dicht, trek een dikke fleece aan en ga water halen. Eén ding is jammer, dat water halen lijkt best leuk, de beek is tien minuten lopen hier vandaan, maar soms heb je even minder zin. Twee jerrycans van vijftien liter, dat is wel even sjouwen. Het hoge gras hangt over het pad dat smal is en het maakt m’n schoenen nat. Even verder wordt het breder en kronkelt steil omlaag. Honderden krekels tjirpen boven het gefluister van het bos.

Dat pied-à-terre was ook een goeie plek, aan het eind van Avenue Général Leclerc, nog net binnen de Périphérique. Het was een mooi appartement, waar het altijd zomer of lente leek, niet al te groot maar hoog en licht met de hoge plafonds en ramen en het uitzicht op de kruinen van de platanen en wanneer ze hun blad lieten vallen op café Daquerre beneden en de sushishop ernaast.
Ook fijn, op loopafstand van Jardin de Luxembourg. Waar we, voor mijn gevoel, elke dag champagne dronken, met ijs in kristallen glazen en we aten moules, of hoe heten die ook alweer en verder niets. De liefde, aan de liefde hadden we genoeg. Aan het voeteneind van het bed waaiden de gordijnen voor het grote raam en ze streelden onze voeten, die van jou en die van mij.

Beautiful people

‘Jij leeft in dezelfde wereld als ik
Maar op de een of andere manier
Zag ik je nooit, tot vandaag
Ik schaam me om dat te zeggen’
Melanie, de allereerste LP die ik kocht, nog voordat ik de film Woodstock zag. Met haar lieve liedjes, met teksten die nog steeds zo van toepassing zijn, in de harde wereld van nu. In een documentaire ging (lieve) Dieuwertje Blok op zoek naar de organisatoren van het festival. Goedbedoelende, mensen, een beetje naïef, niet wetende dat ze geschiedenis zouden schrijven. Dat er 400.000 mensen zouden komen, dat werkelijk alles fout zou gaan. Te weinig van alles, eten, drinken, wc’s. Onweer en uiteenvallende podiums. Hoe konden ze weten dat dit een livechangend event zou worden, het leven van miljoenen mensen wereldwijd zou vormen. Including mine.

Toen ik vijfentwintig jaar geleden, aan de collega’s – toen werkte ik nog – vroeg wie gisteren de film Woodstock had gezien, bleef het ijzig stil in de kantine. Nooit van gehoord. Binnenkort is het dan dus vijftig jaar geleden en de film wordt eenmalig, nu nog langer, vertoond. Even voelde ik sterk de aandrang, evangelist als ik ben, om iedereen in mijn omgeving aan te sporen te kijken. In de ijdele hoop, alsnog de wereld te verbeteren. Want dat was de boodschap, van de flowerpower toen, de hippies. Wat zich in Nederland vertaalde in Provo, het witte fietsenplan, de Kabouterpartij en tuintjes op het dak.

Fotomuseum Rotterdam, de tentoonstelling ’Eye love you’ van Ed van der Elsken ademt precies die sfeer. Heel herkenbaar, niet alleen de foto’s, ook zoals het gepresenteerd is. En het ronddwalend publiek. Mijn generatie, allen met een glimlach vol weemoed.

‘Beautiful people
You ride the same subway
As I do ev’ry morning
That’s got to tell you something
We’ve got so much in common
I go the same direction you do
so if you take care of me
maybe I’ll take care of you’

Het moment dat Dieuwertje, in hippiefladder kleren, het festival terrein bezoekt, aan het eind van de documentaire. Niet dus in het plaatsje Woodstock waar het eerst gepland was, maar bij het piepkleine Bethel. De camera zwenkt weg van haar en toont het terrein. In zijn volle pracht, groene velden zacht glooiend omhoog. The holy grounds. Het voelt ook nu, net als aan het eind van de film, een vreemd soort ontroering. Chickenskin! Hoewel het veld er toen totaal anders uitzag, zoals het hoort na een festival, een modderige vuilnisbelt. Met de klagendzingende gitaar van Jimi Hendrix er overheen.

Eigenlijk is dat droeve einde van de film een voorspelling. Wat is er terecht gekomen, van die idealen. De mensen van toen, mijn generatie, we hebben er weinig van gebakken. Love and peace is ver te zoeken, intolerantie voert de boventoon. Zei Bob Dylan het al niet: “The times they are a changing”. Het is een andere tijd met andere problemen, niet zozeer oorlog nu, het milieu. Het is aan de jeugd, op te komen voor een betere wereld. Voor mooie mensen.

Lily was here

Van die momenten, die nieuwsberichten, van die rare besluiten, dat onbegrijpelijke, dat je denkt, wie verzint dit, ik wil het niet meer weten. Ik zeg mijn krant op, ik stop met het acht uur journaal te kijken. Ben ik het enige normaal denkende wezen in dit land.

Het zal toch niet waar zijn, de grote blonde lijder krijgt dan toch zijn zin. Het boerkaverbod is er door. Na tien jaar, z’n kopvoddentaks. Tjongejonge, een tsunami van honderdvijftig tot wel driehonderd vrouwen, die weleens een boerka draagt, overspoelt ons land. Toegegeven, onmiddellijk, ik zie ook liever een onbedekt vrouwengezicht dan een weggestopt, gesluierd. Liefst ook een beetje aardig, hoeft niet aan de gebruikelijke maatstaven van schoonheid te voldoen. Liever niet zelfs, dat gemiddelde, het mag best een beetje bijzonder, heb een brede smaak. Ik ben een natuurliefhebber. Aan de andere kant, ik hou wel van een beetje mysterie, iets geheimzinnigs. We weten het allemaal, datgene wat je net niet kunt zien, dat wil je.

Rare besluiten, de politiek is niet te volgen. In Amsterdam wordt op alle mogelijke manieren gepoogd de luchtvervuiling terug te dringen. Even verderop, in Zandvoort strijkt de Formule 1 neer. Omgeving Schiphol ernstig vervuld met fijnstof. Minister van Nieuwenhuizen laat Onze Luchthaven weer verder groeien, 40.000 vluchten per jaar er bij, toe maar.

Die boerka’s en die nikab’s, laat iedereen dat toch zelf weten, wat een betutteling van overheidswege – zoals binnenkort de helmplicht op de fiets. En dan nog het ergste, dat iedere burger dan mag ingrijpen. Een -draagster mag aanspreken, een burgerarrest uitvoeren, in een krant werd zelfs gesproken van ’tegen de grond werken’. Ik heb het gelukkig niet meegemaakt, maar dit doet denken aan de Kristallnacht. In Duitsland werd in 1938 opgeroepen Joden en hun bezittingen aan te vallen. De naam werd later bedacht, wegens de grote aantallen gesneuvelde winkelruiten. Helemaal vergeten in 2019, eng, dit verbod. Waar is het gebleven, het ‘normen en waarden’ gedoe ten tijde van JP* Hoewel ik ook daar zo moe van werd, dat ik eens binnensmonds mompelde:
”De eerste de beste die nu nog eenmaal ‘Normen en Waarden’ in zijn bek durft te nemen, die sla ik op z’n smoel”.

Laatst hoorde ik zeggen, of denken, of was ik het zelf, het zal toch niet gebeuren dat ik het meemaak, dat in de tram of supermarkt, een PVV-er, FVD-er of anderszins zwakzinnige, een boerkadraagster ‘staande houdt’. Ik vrees dan het ergste, ik sta niet voor de gevolgen in. Dat dan mijn pacifistische masker geheel vanzelf verdwijnt en ik tot actie over ga. Harde actie. Waarschijnlijk komt deze het-recht-in-eigen-hand-nemer niet onbeschadigd uit de strijd. En wel dusdanig dat het dragen van een boerka voortaan dringend aan te raden valt.

Wat is er toch geworden van dit land, mijn land. Waar is het woord tolerantie gebleven. Is mijn generatie, van luf en piece, make luf, no war, dan al uitgestorven?

Tot slot dan nog ‘Lily was here’. Het onvolprezen muziekstuk van Dave Stewart en Candy Dulfer, (When I want sax, I call Candy – Prince) staat op moment van schrijven op repeat, iets te hard. De extended live version. Met net zo belangrijk als Candy overigens, de waanzinnige gitarist Ulco Bed. Het is een volledig instrumentaal nummer. Verwarring zaaiende titels, zowel in muziek als in columnpjes. En toch is ook hier een verband, voor wie het nog niet ontdekte, wie is, of was toch Lily?  Misschien was zij het, achter die sluier.

*Jan Peter Balkenende.

Rendez-vous (2)

In het bos, het oude bos was het schemerig en koel. Het was er stil, er was geen wind en geen bladgeruis. Kleine paadjes slingerden zich tussen de bomen naar beneden, stoffig en zanderig. Steile rotswanden kronkelden omhoog, grillig, dof oranje, oker en zwartbruin. Hier en daar brak een straaltje zonlicht door het bladerdak, toverde met schaduw op een rots, de ribbels en de scheuren, ontelbaar de kleine gaatjes, honinggraatverweerd. Idyllisch, bijna net niet echt. De zon vonkte op een Petzlhaak. De man die niet graag te laat kwam en dus vaak te vroeg was, was ook nu op tijd, nogal vroeg dus. Zeker gezien de vrouw met wie hij afsprak, die er, naar eigen zeggen, juist wat moeite mee had, met dat op tijd komen.

Het koelvochtige woud was in feite een vallei, beter nog een ravijn. Duizend jaar en nog wat geleden, uitgeschuurd door de Sûre en andere beekjes en rivieren, tot deze bizarre kliffen overbleven. Begroeid met mossen en varens, verstopt achter struikgewas en de naar de hemel, licht en lucht oprijzende bomen leek het een romantisch sprookje. Zoals ze getekend werden in stripboeken van Marten Toonder, of bibberig in de stijl van Anton Pieck. Die rotsen, ze lijken wel van purschuim of net als in de Efteling. De man had lang geaarzeld, moest hij dat nu doen, ingaan op die uitnodiging. Heel lang, terwijl hij, niet eens zo heel diep van binnen, in een split second wist dat hij zou gaan. Hij moest wel, zoniet, het zou hem spijten. Stond hij dan te stofzuigen, te boodschappen of te ramenlappen, hij had ook dáár kunnen zijn. Het was maar net goed gegaan, het Belgische wegennet is vaak onlogisch, onbegrijpelijk en raar. Het gevaarlijkste, dodelijkste ‘verkeerswisselpunt’ van België, Cheratte, drie keer in- en uitvoegen, zijn navigatie kon het amper bijhouden. Zijn verstand en rijvaardigheid ook maar net, verbijsterde Belgische bestuurders achterlatend.

Omringd door schaduw, in een eilandje van zon, zaten ze, de man die op tijd was en de vrouw die, zoals verwacht, een ietsiepietsie laat was. Ergens boven hen rinkelden karabiners aan een gordel. Zacht gepraat in Duits en Engels en het Vlaams, rondom hen en ook het Frans: “Attention, corde!” Gevolgd door de zwiep van een vallend touw. Druk in gesprek waren ze, de twee, waarnaar enkele klimmers verwonderd omkeken. Was die mooie jonge vrouw zijn dochter? En waarover spraken zij, met koffie, stroopwafel en banaan, over koetjes en kalfjes, de toestand in de wereld? Over Silbergeier, Piz Badile of toch weer Aiguille Rouge?

Het massief Lionel Terray torende boven hen uit. Een rots die opgebouwd leek uit lagen, steeds iets verder uitstekend,  rondlopend en gelig. Een klein dakje stak uit en even daarboven een nog groter dak. Rond, versleten. Hooghartig keek de oude steen naar beneden, afwijzend haast. Lionel, er was een zekere relatie vindbaar in de naam. Lionel Terray was een Franse klimmer die als tweede de Eiger Noordwand beklom. En die op de top van de Makalu, 8485 m. stond en de Aconcagua. De route met dezelfde naam op dit massief was een klassieker, de makkelijkste overhangende route van het hele gebied. Als je ervaren was, creatief en lang, dan zou je door de eerste meters kunnen komen. Iets verderop wisten ze een overhangende wand, die ook vernoemd was. Naar een misschien nog bekendere klimmer. Hermann Buhl, Oostenrijker, die de eerste solobeklimming van Piz Badile voltooide. En de Nanga Parbat, 8125 m. ook deze solo. Buhl en Terray, beiden overleden in de bergen, in volle overgave aan hun sport. De routes op dit massief, Hermann Buhl, zouden extreem moeilijk beklimbaar zijn, ook deze naam was goed gekozen.

In het oude bos werd het iets eerder donker, diep verscholen, wanneer de zon niet meer naar binnen scheen. Steeds stiller ook, geen rinkelend klimgereedschap of geroep van klimmers: “Allez, allez!” Nauwelijks merkbaar nog, een heel licht windje begon de blaadjes te bewegen. Er steeg wat mist op, een dunne nevel die om de bomen zwierde. Bewoog daar iets, in dat grotje, achter die boom? Nog even en dan zou blijken of het waar was, of sprookjes echt bestaan.