Yeliz

Met een klikje opende zijn mailbox. Meteen verstijfde hij van schrik, tussen de vele mails viel er één op, een bericht van Niekje, onderwerp
‘Yeliz’.
Het openen van de mail zelf ging traag, maar toen las hij haar bericht in één oogopslag. Een enkele zin:
‘Ferdi,
kun je me even uitleggen wie dit is?
Zie bijlage’.
 

Het openen van de bijlage duurde nog lager. De foto verscheen stukje voor stukje op het scherm. Bij de eerste strook wist hij al wat hij te zien zou krijgen. De foto van de opdringerige fotograaf op de boerenmarkt in Kusadasi. Yeliz om zijn nek hangend, lachend. Hoe ging hij dit uitleggen, hoe kwam Niekje aan die foto? Hij had hem zelf niet eens gezien. Had hij nog een telefoonnummer van Yeliz? Filty shit! Ook dat nog. Kon hij er net nog bij hebben. Had ze de foto opgestuurd? Expres had hij zich nergens over uit gelaten, vaag gebleven. Hoe kwam ze dan aan zijn adres. Natuurlijk, hij speelde met vuur. Een slippertje in Verweggistan, wat maakt dat nou. Een seconde dacht hij aan Jo-Ann, verdomme, had die vuile chick hem verraden? Maar hoe kon dat, zij wist ook van niets. Dan viel zijn oog op Facebook – nieuw bericht. Ooit had hij zich aangemeld bij Facebook. Twitteren, daar ging hij niet aan beginnen.

Ongeduldig wachtte hij tot hij door kon klikken op het bericht. Wachtwoord, klik, klik, Yeliz -Güzelcamli, Facebook, 327 vrienden, 82 foto’s voor vrienden, bericht, klik hier om te lezen. Oh, filty chicken shit! Bericht:
‘Hai lieve Ferdi,
ik zou je nog de foto sturen.
Dank voor de fijne tijd.
Is het goed gekomen met de fotoactie?
Kom je soms nog deze kant op?
XX Y’.

Uit: De Waarheit

De Waarheit

neE-Bike

Geen groter genoegen dan ogenschijnlijk moeiteloos zo’n achteroverzittende luilak op een E-bike voorbij te fietsen. Lang was ik op zoek naar een nieuwe fiets. Eens moest het gebeuren, nooit had ik een nieuwe. Hoe vaak fietste ik inmiddels de wereld rond, altijd secondhand?

Een jaarlang zoeken. Ik gunde het de Dordtse middenstand, struinde alle winkels af. Wipte even langs, nog iets nieuws binnen? De Drechtsteden, naar Rotterdam, dan digitaal maar verder. En wat moest het dan worden, een citybike? Een fiets met triatlonstuur, een hybride, met voor- en achterdragers en overal Ortliebtassen? Een nakedbike, zo’n doortrapper. Een zwarte Batavus of een Gazelle. Een nostalgisch heerenrijwiel met trommelremmen en Brookszadel. Of toch een racefiets, een mountainbike. Ooit verkocht ik mijn toen vierendertig jaar oude racefiets voor het symbolische bedrag van vierendertig euro. Nog voor de opkomst van de retrofiets en de omgebouwde retro fiets, de fixed bike. Nu zou die zilverblauwe Gazelle Tour de l’ Avenir goud waard zijn. Nog niet zo lang geleden waren er slechts brave gemiddelde rijwielen. Nu is het aanbod zeer divers. Heel even vond ik, alweer zo lang geleden, de Kronan zelfs leuk. Waarom?

Ik stapte binnen bij Crooze op de Kaap in Rotterdam, gelokt met aparte modellen. En stond alweer haast buiten: “U heeft het snel gezien?” “Ja, u heeft alleen elektrische fietsen.” “Dat is de toekomst, toch ook voor u”. “Ik dacht het niet.” ”O, u denkt dat het alleen voor oude mensen is?” Inderdaad, de modellen van Crooze zijn waanzinnig. Maar elektrisch. Dus niets voor mij. Ik fiets nu al hard, dan  bereik ik gevaarlijke snelheden.

Toen zag ik het licht. Fantastische fietsen op internet. Fantastische prijzen ook. Niet te verkrijgen in Europa, in de US, daar hadden ze ze. Lazy bikes, met fraaie sturen, prachtig vormgegeven. Soepel gelijnd, de breakes, de handles. Echter, af te reizen naar Hell’s Kitchen, Manhattan om mijn dreambike te laten invliegen, er zijn borders. In het altijd vooroplopende Sliedrecht vond ik de Gazelle van Stael. Stijlvol, eenvoud, wat weggelaten kan worden was weg. Ik maakte een proefrit, tevergeefs, ik kon er niet op zitten.

Op de laatste mooie herfstdag van het jaar drink ik mijn koffie bij het Gat van de Noorderklip, inderdaad Brabantse Bieschbos. Eindje fietsen en stukje wandelen. Toch maar niet op mijn nieuwe, en parkeer de oude modderfiets bij de slagboom. Het half verharde pad begint al wat omzoomd te worden, dat gaat snel met opschietend wilgengeboomte. Over een paar jaar is dit een donker pad in een tunnel van groen. De bladeren verkleuren, ruisen en vallen dansend als confettistrooisel om me heen. De vogelkijkhut laat ik rechts, negeer de hoogspanningsmast, richt de blik in de verte. Driehonderdzeventwintig wilde eenden stuiven weg als ze mijn pet boven het riet zien schuiven. Het vervallen huis aan het eind van het pad heeft zich verborgen achter een enorme omgevallen esdoorn. Koffie op de meerbolder bij het haventje, dat leeg is vandaag. Geen Staatsbosbeheer of rattenvangers. Langzaam komt de dag op gang, het breekt, de zon schijnt in de stilte.

Al even op weg, valt het me op. De fietstas, weg. De tas die bijna uiteen viel, half vergaan, verteerd, is kennelijk gestolen. Dat moet ik  verwerken. In een klap is mijn herftsweemoedvredegevoel weggevaagd. Je verwacht het niet. In dit niemandsland. Waar je alleen gelijkgestemden ontmoet. Stiltezoekers, Vrinden der natuur en uiteraard de onvermijdelijke Vogelaars. Voortaan moet ik dus ook hier op m’n qui-vive zijn, achteromkijken. Het is niet eens zozeer die tas. Die tas kon me gestolen worden. Als je het niet verder vertelt, ik heb weleens een fiets gestolen, maar op de een of andere manier komt dit harder binnen.

Het is duidelijk. Mijn nieuwe, de dreambike, de ghost-zwarte Creme Caferacer Solo gaat hier niet geparkeerd worden. En ik moet een Abus Iven kettingslot aanschaffen.

les Autrichiens

 

Waarom rij ik eigenlijk niet gewoon nu meteen weg? En zo voegde ik daad bij het woord. Ik stapte in mijn zwarte wagen en na gestart te hebben reed ik de straat uit, rechtsaf, naar het zuiden. Diverse files moest ik zien te overleven maar kon tenslotte na Bouges, bij afslag 14, de N311 verlaten. Ingeklemd tussen de kronkelende rivier en de suburbs van Namur zocht ik mijn weg. Kort en goed, ter hoogte van het oorlogsmonument in Wepion, ontwaarde ik het beoogde klimgebied. De rotsen van Dave, aan de overkant van de Maas. Ik kon een goede inschatting maken van de steilte en moeilijkheidsgraat. Het meest linkse massief, dat zou het worden, morgen.

Dan snel door naar Dinant, waar ik in recordtempo de boulevard afmarcheerde in beide richtingen. Ik moest namelijk enigszins nodig plassen. Dan maar weer een café binnen. Stootte aan de Rue Adolphe Sax een willekeurige deur open, denderde doorheen de doorrookte ruimte, tot ik weer buiten stond. Nu op het balkonterras aan de Maas, die onverschillig doorging met stromen. Ik bleek mij te bevinden aan exact hetzelfde tafeltje als een jaar geleden, toen met mijn goede vriend Kees. De binnenvallende, lekker vals spelende Dixielandband ontbrak, evenals Kees. En ik zat daar stillekes te denken aan alle routes die ik morgen niet zou beklimmen. En aan de tijd dat ik hier kampeerde met mijn jonge Eega. Aan die boom, die toen in zijn volle lengte naast ons tentje was neergevallen in het nachtelijk onweer. En weer jaren later, hoe ik hier met mijn kind had gekampeerd en ik, met onze rugzakken terug op weg naar het station, knalhard tegen een Belgisch verkeersbord aanliep. Het staat er nog, dat bord, hier vlakbij. Dit soort overpeinzingen had ik en die ik nu, op gevaar af mijn imago geweld aan te doen, aan het digitale toevertrouw.

Eenmaal terug bij de zwarte wagen, met een goede bak Rombouts koffie in de mik, bemerkte ik wat ik glad vergeten was. Noodgedwongen doorkruiste ik, nu met spoed, nogmaals Dinant en reed in een ruk door naar Freyr. Parkeerde bruusk op de P-plaats boven de Merinos. Enerzijds opgelucht koerste ik even later richting Maillen. Anderzijds gespannen, zou ik in de snel vallende schemering de Chaveehut kunnen traceren? Om te voorkomen dat dit avontuur te gedetailleerd gaat worden, ga ik nu verder met wat zich de volgende dag afspeelde.

De kobaltblauwe Pantzerwagen van de Jeugdleiding leverde mij gedecideerd af bij het massief. En meteen daar, toen, op dat ogenblik, merkte ik, voelde dit. De tinteling, de kriebel, de wil, het heilig moeten, zo van: ik wil omhoog, nu naar boven, klimmen. Die ontbrak! En dat heeft dan niets te maken met mogelijke inname van enige drank in de altijd gezellige, die vorige avond. Of met de lange wachttijd voor de nog in duisternis gehulde en gesloten hut, het langdurig rondwandelen door het donkere Maillen, me gadegeslagen wetend door het buiten rokende en om de hoek piesende biljartvolk van het Café Biljard en het nogmaals-wachten-tot-de-waard-er-is. Neen! Ik, die eerder het verhaal Ex-klimmer * publiceerde, ik klom / klim niet meer. Kort geleden was ik nog een week in Oostenrijk, in het Stubaital en maakte sneeuwval, dooi en storm elke toppoging onmogelijk.

Jan en ik stelden uit, klommen (lees = wandelden) omhoog tot we bovenop het massief, in het herfstige bos waren. Jan en ik, de oudsten van de groep, maar ik, toch wel de opa. Die aan de Stammtisch moest bekennen ’nog geen kleintjes te hebben gezien’. En er eigenlijk wel klaar voor was. Zelfs last bleek te hebben van opspelende, ja zelfs gillende ‘Opahormonen’.

Op de onmogelijke routes iets verderop dansten twaalf klimmers hun verticale dans. Op ons massiefje hing Jeugdleiding Stefan tenslotte een touw uit. De rijkelijk groen begroeide route luisterde toepasselijk naar de naam ‘Les Autrichiens’. De Oostenrijkers. In het Stubaital zag ik die week geen gras. Nu klom ik in één vloeiende beweging en met hoge snelheid naar de eerste en door tot de tweede standplaats. En of dat dan weer te maken had met het ontbijt van die ochtend, een boterham rijkelijk bestrooid met van citronella doordrenkte hagelslag? Geen mug meer gezien.

https://gerarddentoonder.com/?s=ex+klimmer

 

Verwoesting

Naar Nijmegen, daar moet ik heen. Vooruit, laat ik eens klimaatneutraal doen, met de trein. Ondanks de fiks langere reisduur, met de auto zou veel sneller zijn. Dank aan de NS voor de nieuwe dienstregeling, ik mag met de Sprinter (lees = stoptrein) naar Den Bosch. Daar overstappen op, jawel, een Sprinter. Toch zal ik deze reis glimlachend ondergaan, kwestie van instellen. Jezelf afstellen op traagheid. Een goed boek mee, ‘Vertrouwd Voordelig’ van Peter Middendorp, het cynische verhaal van een middenstandszoon in een doorsnee provinciestadje. De zon schijnt gezellig door de ramen van het bovendek. Ooit zwoer ik nooit plaats te zullen nemen in deze dubbeldekkers, veevervoer. Maar ach, alles went. Soms kijk ik even op uit het boek om naar het voorbijschuivende land te kijken. Het land wat snel verschiet nu, in herfstkleuren. Haast bewegingloos glijdt de trein over de rails. Niks geen kedeng – kedeng hier in Brabant. Het rijtuig, wat een ouderwets woord eigenlijk, voor dit luxueuze in smaakvolle tinten als kobaltblauw, zwart en diverse grijzen uitgevoerde vervoermiddel, loopt bij elke stop langzaam voller. Er is geen passagier die niet onmiddellijk zijn telefoon checkt.

Mijn hele leven al reis ik veel per trein. Ben een goede klant van NS, toch krijg ik geen kwantumkorting. Zo van, hoe meer treinkilometers afgelegd, hoe goedkoper het wordt. Tien- , nee, honderdduizenden kilometers spoor vlogen onder mij door. Overtuigd voorstander van openbaar vervoer. Ooit verkocht ik mijn auto, een Fiat 850 met schuifdak, voor vijf gulden. En ik ging lopen, ik had ook geen fiets, ik liep alles. Toch is er die haat-liefde verhouding met de trein, teveel ellende meegemaakt. (lees: https://gerarddentoonder.com/schrijfwerk/trein-spotten/)

Volgende tussenstop: Breda. NS bouwt in veel steden spraakmakende stations. Gebouwen voor de komende honderd jaar. Hier in Breda, ook zo’n plek waar ik elke stoeptegel ken, is een gebouw verrezen, het lijkt een vergissing. De schaal, het formaat, zo wanstaltig groot. Megalomaan is nu het goede woord. Naar mijn smaak heeft het een fascistische uitstraling. Alleen de kioskjes met het mozaïektegelwerk van Peter Struycken zijn bewaard gebleven. Hoeveel wachttijd heb ik doorgebracht, deze geheimzinnige patronen bestuderend.

Af en toe check ik mijn NSapp en het informatiescherm verderop in de coupé. Daar wordt de snelheid weergegeven en de buitentemperatuur, de verwachte aankomsttijd. En die tijd, gaat die gehaald worden? In Den Bosch heb ik vier minuten overstaptijd. Dat weet ik nu al, dankzij de app en ook dat ik op spoor 3a moet zijn. Dat zal krap zijn, aan de andere kant, ik ben niet dol op wachten.

Zojuist heb ik een grijze lichtmetalen vuilnisbak vernietigd, twee ruiten van het wachthuisje verpulverd en een rail licht beschadigd. De perronmedewerker kon ik niet te pakken krijgen, was me net te snel af. Woest! Kennelijk lijd ik ook nog aan een milde vorm van Gilles de la Tourette, binnensmonds. Namelijk: steeds trager naderde de trein Den Bosch, overstaptijd werd kort. Eenmaal tot stilstand gekomen bedroeg de afstand van de kop van de trein tot de roltrap nog zeventig meter. Na een korte aarzeling besloot ik dan ook maar te gaan rennen. Op spoor 3a aangekomen kon ik het rustig aandoen, geen trein te bekennen. Of toch wel, honderd (100!) meter verder. Die trein dus, die toen de eerste renners in de buurt kwamen, langzaam doch definitief steeds sneller begon te vertrekken. Van die dingen! (over een half uur komt er gewoon weer een trein hoor)

#Toch maar weer de auto. #NS spoort niet. #Zo word je de auto ingejaagd.

De Bank

Zoals in de bergen is dat ook met de kust. Wat is daar achter, verder. Stranden kunnen mij niet breed genoeg zijn, niet leeg genoeg. Ook hier geldt, met minder mooi weer zijn ze leger, zijn er minder mensen. Op die enkele man met hond na, hardloper in de verte of toch weer zo’n verrekte vogelaar. Er is dat strand in, laat ik het Zuidwest Nederland noemen, ik wil niemand op verkeerde gedachten brengen, waar het breed is. Loop je aan de duinzijde, zie je de zee niet. Nou ja, je weet dat ze er is, maar waar ze begint niet.

De omstandigheden zijn perfect, naseizoen. Vroeg weg, het is zo’n dag die begint met ochtendmist, het zal lang ‘heiig’ blijven. En eb, het zal al laag zijn, maar het ebt nog door. Veilig gevoel. Voorzichtig vlei ik de oude fiets tegen een duindoornstruik. Het strand op, dat leeg is. Op enkele van die eerder genoemden na. Ver weg, slechts silhouetten die donker aftekenen in de grijzige nevel. Het mulle zand is koud en verder is het grote stuk waar het nooit droog lijkt te zijn, altijd wat modderig. Dan komen de nieuwe duintjes. Laag, spontaan groeiend met wit dun zand en voorzichtig helm. In de verte licht zo’n groepje fel op in zonlicht dat door een mistgaatje straalt. Dan volgt weer een strook grijs zand. Wittig wier is achtergebleven na een hoge vloed. Een schelpenstrook die hard kraakt in de stilte. Want stil is het, niets is er te horen, zelfs de zee niet. Nog niet, nog te ver. Of is het het ontbreken van branding. Ook de wind is er niet. Hier is niemand, de silhouetten zijn te klein geworden, of opgelost in de mistvocht. Schuin voor me staat een gezelschap witte meeuwen verspreid op een lichte verheffing. Ze kijken naar me met meedraaiende kopjes.

Het eind van de wereld. Zo voelt het. Bijna, er is nog een strook land, zand voor me, aan de andere kant van een brede kreek. Een mul waardoorheen met grote snelheid het laatste water wegebt. Meerdere van deze mullen stak ik over. Die droog stonden, of bijna. Sommige breed met een harde ribbelbodem die haast pijn deed. Dan weer omhoog een steile oever op, een bult met zachtmodderige substantie waarin ik diep wegzak. Nu hier, verdergaan is onmogelijk. Het water is helder en doorzichtig, het lijkt helemaal niet op zeewater en ik zie dat de geul diep is. Gooi de rugzak af en zit. Die zwarte stippen op de zandbank, ver weg, dat zullen zeehonden zijn. Achter me, wazig de duinenrij, klein als een bergenlandschap aan de horizon. De lege vlakte licht hier en daar op in zonnevlekken. Langzaam wordt het lichter.

De zwaardschede schelp die ik plaatste staat nu droog. Het water zakt nog. Ik wil, moet oversteken. Verder. Op die zandbank. Ik waad een stukje de stroom in. Het trekt aan mijn benen. Steil loopt het af. Opeens een diepe stap en word bijna omgetrokken. Snel, terug. Daar links, daar drijft iets. Dichterbij gekomen blijkt het een boei te zijn, met een waarschuwingsbordje erop. Een wanhopige zwemmer.

Nog dwaal ik rond over deze vlakte, met zijn voortdurend leegstromende mullen en geultjes die blikkeren in het magere zonlicht. Over een aantal uren staat hier weer een paar meter water. Nu worden de stroompjes aangevuld met opwellend water uit het leeglopend zand. Er ligt een monsterachtige kwal uitgespreid, kobaltblauw. Dat zand in alle kleuren grijs en geelgrijs, bespikkeld met schelpengruis. Wat is dit waanzinnig mooi. Wat is de wereld, het leven, dit moment toch zo ontzettend mooi. In de poeltjes waar het water lauw is, vliegen minivisjes in paniek heen en weer, opgesloten. De poging ze te redden, een geultje te graven naar de mul vlakbij lukt niet. Het zand is zacht, slibt te snel weer dicht. Een meeuw komt laag over, zweeft voor me uit. Vlakbij landt hij en peutert ergens aan, onderwijl mij steeds aandachtig bekijkend. Geen gevaar te duchten van mij. De enige mens op dit stukje aarde.

Papagayo Beach light

Neen, verwacht niet van mij dat ik zeg waar. Het was niet in Cannes of in Nice. Het was niet in Monaco, gewoon in Nederland. Wel moest je er wat voor doen, het was een stukje rijden. En lopen, maar dan had je ook wat: je stapt zo binnen in de mondaine wereld van spiegelende zonnebrillen en ze zijn groot dit jaar. De deur zwaait open en een deken van geluid valt om je heen. Bassen en ritmes. Alles in een kleur die zweemt naar taupe maar dan net wat meer vergrijsd. Fraai met het duinzand en die speciale helmgrassoort. Stoelen, waarin eenmaal neergedaald, je volkomen vanzelf een relaxte houding aanneemt. Je doet je bestelling per app of je wacht geduldig tot er een beachboy, of- girl: “Hay! “ even langswipt. Jetset. Show-off. Alles is te koop.

Aan het eind van de lange vlonder die strak een eind het water insteekt, een zwarte steiger waaraan een zwart jacht de horizon invult. Een wit zeiljacht meert juist aan. Is dit Miami? De zon speelt met het licht in je glas met juwelen ijsblokjes, de zon die je nek verschroeit, hier achter de glazen wand. Aan de andere kant van dat glas gaat het door, loungebedden, duurbevolkt. Privatbeach. Daar een gouden bikini, hier een gebotoxt duckface. De house, de trance, de geluidswal dreunt verder. De DJ schuift wat met de volumeknoppen en onwillekeurig bewegen je handen, voeten en hoofd mee in het dwingende ritme. De gouden bikini wentelt op de buik, bladert in een glossy, de voetjes in de lucht. Daar stuift een jetski weg, bemand door gebruinde lijven. De golven zijn niet fijn voor de stand-up peddelaars. Op dit terras staar je op je IPhone of naar het water. Je hangt lui achterover of, als je loopt, beweeg je zelfbewust. Als je iets aan hebt is dat meestal wit of verschoten pastel.

Er schuiven ruwhouten planken voorbij met merkwaardig schaaldiervlees, de onvermijdelijke sushi en Italiaanse scharrelvleeswaren. Hier geen kroketten, zelfs geen vette Kwekkeboom. Ik vis de groente uit mijn mojito, die alcohol vrij is, volgens mij ook geen pillen erbij en toch zweef ik verder. Is dit Ibiza of toch Curaçao? In ieder geval zijn het dezelfde vriendelijke witte wolkjes in het blauw. Ben ik high of slaap ik. De DJ knoopt de nummers naadloos aan elkaar. De gouden bikini schuift langs en die bikini blijkt verrassend klein. De duckface gaat verzitten en blijkt ouder dan gedacht. Ginds krijgt een sportschoolbody een smeerbeurt. Een koele zucht strijkt mijn rug. Buiten buitelt een parasol en bedekt de zonnebaadsters. Het tafelt kantelt met medeneming van drankjes, telefoons, tasjes, sunmilk, alles. Beachboys herstellen lachend de chaos. Iedereen = een celeb.

Ach, laat ik er maar mee stoppen, met dit verder te beschrijven. U kent het ook, deze beelden van het verveelde volkje. Gisteren, in een totaal andere wereld, die van ‘amongst friends’, vroeg een vrouw, overigens ook betoverend mooi – maar dit terzijde – aan mij:
“Maar waaróver schrijf je dan?”
Ik zei het niet maar wilde antwoorden;
“Morgen, dan ga ik over jou schrijven.”
Nou, A, als je dit leest, hierover schreef ik.
#Decadentzijn kan zo fijnzijn.

Honds

Één hond is niks, je moet er 2 hebben. Minstens. Nog niet achter iedere voordeur blaft een hond tegenwoordig. Veel scheelt het niet. Op zeer jonge leeftijd ontving ik het Diploma Dierenbescherming. Waar het vandaan kwam of waaraan ik het te danken had weet ik tot op de dag van vandaag niet. Toch, toen, op dat moment besloot ik: ik ben een dierenliefhebber. En ben dat gebleven. Toegegeven, de stoepen liggen minder vol. Je hoeft niet meer zo waaks te zijn, voortdurend enkele meters voor je het plaveisel af te speuren. Ligt er geen bruine verassing dampend te wachten. Maar, kan zo’n dier ook niet blaffen, geen lawaai maken? Zelf produceer ik geen overlast veroorzakende geluiden. Van mij heeft niemand last. Denk ik. Prima dat mensen er voor kiezen een huisdier te willen hebben. Dat buren verplicht meeluisteren naar zinloos geblaf. Dat is normaal. Dat vinden we gewoonl.

There ‘s to many dogs in this country.

Aan de andere kant geeft een hond veel plezier, juist voor de niet hondenbezitter. Zittend op een terras trekt een toneelstuk langs. Een man met een enorm dier, dat enthousiast alle kanten op wil. Dwars door het kuierend winkelpubliek. Hij worstelt, rukt en trekt voortdurend. Spierpijn ’s avonds. Trippelhondjes met trippeldames. Een hond met brede nek, in bedwang gehouden door een mager nekkie in een trainingspak. Honden die ruzie krijgen in een volle winkelstraat, das lachen. Honden aan een lange lijn. Een lijn die niet wordt ingehaald, voetgangers die opzij moeten. Meehollende blafhonden met hardlopers: “Hij doet niks hoor!” ‘s Morgens vroeg, op weg naar het werk besprongen worden door een losloper. De nette broek besmeurd, ach wat geeft het. “Hij doet niks”. Het ligt allemaal aan mij, het komt door mijn gedrag. Zitten in je tuin, genieten van je bloemenborder. En het zinloze geblaf aan de overkant. Zelf maak ik geen lawaai.

We hadden paarden in ons weiland, zwarte en gevlekte Shetlanders, een grijze pony en Friese paarden, groot en statig. Op zachte zomeravonden fluisterde ik lieve woordjes in hun fluwelen oren. Op vroege zondagmorgens renden Chris en ik vijftien of twintig kilometer door de polder. Duitse herder Kimba liep ook mee. In de stilte was de Dubbeldamse kerkklok te horen, evenals de nagels van Kimba op het asfalt. Graag zou ik een hond willen hebben. Een hond die niet blaft. Een die niet stinkt en niet uitgelaten hoeft te worden.  Een hond die niet verhaart en niet voortdurend met zijn staart de volle wijnglazen van de salontafel veegt. Niet ‘s nachts stiekem op de bank gaat liggen of aan de deurposten knaagt. Als je even niet oplet de kaas van je boterham sleurt. Een hond die niet de hele dag aan je gezicht wil likken. Ik ben een dierenliefhebber, heb vier katten verzorgd, ik heb ze oud zien worden. Dertig jaar lang had ik kippen, vele tientallen, in alle soorten en maten. Twee winters lang stonden twintig schapen in mijn schuur. Daar kwamen 20 x 2 lammetjes bij. Het was er warm en gezellig. Ik heb duiven gehad, sierduifjes, zo lief en zo mooi. Ik, als dierenliefhebber, ik hou van honden. Zo’n hond, die niet blaft, die wil ik wel.

Dit verhaal was ik niet van plan te plaatsen. Te gevoelig tegen hondenbaasjes zere schenen. Maar zojuist maakte ik een noodstop. Moest vol (vol, vol, vol, zou een Belgische wielercommentator zeggen) in de remmen om een hond die tegen een paaltje piste en onverhoeds overstak, niet midshonds aan te rijden. De baas liep, met zijn tweede hond, uiteraard, dertig meter verderop. Hij hoorde mijn remmen kraken. Het gebaar wat hij maakte kon uitgelegd worden als: sorry of als: doet-tie-anders-nooit, maar waarschijnlijk was het: kijk toch uit man, je ziet toch dat mijn hond daar loopt.
# There’stoomanyofthem.

Zwemles

‘En wie niet wil verzuipen moet zien dat tie zwemt, want er komen andere tijden’

De Nederlandse versie van Bob Dylan’s ‘The times, they are a changing’, komt automatisch bij me op als het over zwemmen gaat. En bij de commotie over het onlangs verdronken Syrische jongetje. En  vooral bij de ophef over zwemles. In een land onder de zeespiegel heeft iedereen, op enkele vergeten binnenvaartschippers na, een zwemdiploma. Ik ook, ik ben in bezit van zwemdiploma A. Op zeer jonge leeftijd behaald, ik leerde het in een kanaal met koud donker water waarin ook garnalen zwommen en vissen en waar binnenvaarders langsstoomden. Toen er later een zwembad werd gemaakt in onze stad waren wij daar heel blij mee. Al voordat er water in stond bezochten wij het. De politie keurde dat echter af.

Er verbrandden 20.000 varkens in een slecht ingerichte stal. Dat was erg, dat vonden we vreselijk. Daar maakten we ons heel erg druk om. Heel vervelend allemaal. Het dierenwelzijn staat hoog in ons vaandel. (Er worden per dag, in Nederland, meer dan 1 miljoen dieren gedood.)

Dikwijls bij het oversteken van Het Kanaal, Ooster- of Westerschelde, de Maas en de Waal vraag ik me af hoe dat zou zijn, dat ‘schipbreuk lijden’. Vorig jaar verdronken minstens 5000 mensen bij hun poging te ontsnappen aan honger of armoede of oorlogsgeweld of alle denkbare combinaties van deze ellende. In die heerlijke Middellandse zee, waar wij van dromen, waar wij massaal heen trekken op vakantie. Méditerranée, zo blauw, zo blauw. Die natuurlijke barrière, de zee die scheidt tussen weelde en rijkdom en uitzichtloosheid. Dat een zwemdiploma geen enkele garantie biedt op grotere overlevingskans bij de zeer waarschijnlijke schipbreuk op weg naar het dichtstbijzijnde AZC zal duidelijk zijn. Prettige bijkomstigheid is wel dat een uitje naar het zwembad niet hoeft uit te monden in een vervelend dagje voor de andere badgasten.

Over de Egeïsche zee heb ik een week gevaren met de Kaptan Yarkin, hard werkend en lui relaxend. Vanuit Turkije overgestoken met de kleine Afrodite tot dicht onder de kust van Samos. Overboord gegaan bij het eiland Bayrak Adasi. Alles in dat heerlijk lauwwarme water. Zonder angst voor de Kustwacht. Al die mensen die op de vlucht zijn, ze steken over en ze zullen blijven oversteken, wat wij daar, met onze zwemdiploma’s ook van vinden.

Mijn beheersing van de Schoolslag had mij vermoedelijk wel naar de oever gebracht, was ik daadwerkelijk omgeslagen tijdens mijn laatste kanotocht.

Lees: ‘Hollands Diep’ https://gerarddentoonder.com/2017/06/15/hollands-diep/
Weliswaar zwaar onderkoeld en met achterlating van de kano en diverse kampeerartikelen en op van de zenuwen. Ik heb zwemdiploma A. Ergens. Ik heb het wel.

Hotelnacht

Er hangt een vreemd licht in de kamer, het is donker en toch is de stoel en het bureau aan de overkant goed te zien. Het lijkt of de kleur is verdwenen, alles in zwartwit. Ik laat mijn ogen door de kamer dwalen, kan niet slapen en lig maar wat te staren. De dikke fluwelen gordijnen zijn niet echt dicht en er valt een streep licht naar binnen. Maanlicht. In de grote spiegel die bijna de hele muur bedekt naast het bed, kan ik hem zien, de maan. Het is volle maan, of bijna. De gouden sterretjes op het behang glanzen dof. De deur naar het balkon is opengelaten en de koele nachtwind blaast zijn lauwe adem naar binnen. Ik huiver en bestudeer het kippenvel op mijn arm van dichtbij, kijk door de kleine haartjes heen. Buiten klinkt een zacht geruis, geluiden van het bos. Een onbekende vogel laat een vogelgeluid horen, er kraakt een tak en er is nog een krekel wakker.

Hier binnen is het stil, het dikke tapijt zuigt alle geluid. Op het bankje naast het bureau, in de schaduw, weet ik mijn koffer. Die daar geopend ligt met kleding die naar verre stranden ruikt, schoon en vies door elkaar. Met de wirwar van snoertjes en opladers. Zwaai mijn benen uit bed, zoek op gevoel een T shirt uit de koffer en trek het aan. Ik loop naar de deur en het zachte tapijt voelt weldadig aan mijn blote voeten. Ik kijk voorzichtig om een hoekje van het gordijn in de donkere nacht. Er hangt dat vreemde licht. De hoge bomen zijn zwart en geheimzinnig. De lucht erboven is licht en de toppen worden beschenen door de maan. Beneden slaat met een dreun de zware voordeur dicht. Ik wikkel me in het gordijn, het is donkergroen zie ik nu en mijn tenen graven zich in het tapijt dat kietelt. Beneden me glinstert het gras vochtig in het zilveren licht. Het lijkt of er spoor doorheen gaat, iets of iemand heeft daar gelopen.

Op de gang hoor ik voetstappen, ze klinken hol en gaan voorbij. Duidelijk is te horen hoe verderop een sleutel in het slot wordt omgedraaid en hoe een deur zachtjes dichtgaat. Buiten doet een windvlaag de blaadren ruisen. In de muur van donkere stammen lijkt iets te bewegen, zweeft daar iets? Een schim of een schaduw. Plotseling krijg ik het gevoel dat ik niet alleen ben in de kamer. Hoor ik ademhalen? Ik krijg het ijskoud en mijn hart slaat snel. Langzaam begint het zwartgroene fluwelen gordijn te draaien. Steeds strakker om me heen. Het tapijt is verdwenen en onder me het grote niets. Langzaam eerst en steeds sneller stort ik in een peilloze diepte. Oorverdovend windgeruis en dan opeens is het stil. Heel ver weg is de aarde nog te zien, die magische blauwgroene bol, klein en nietig. Als een zwemmer draai ik om mijn as. Even wordt het donker, the dark side of the moon. Daar, een vallende ster.

Naar de Italiaan

Lief dagboek,

Soms weet ik niet goed wat ik je moet schrijven, zo weinig gebeurt er in mijn leventje. En elke dag is zo hetzelfde, opstaan, douche, make up en hup, naar de trein. Vechten voor een plekje is niet zo mijn ding, ik blijf wel zitten, of meestal staan op het balkon. Dan onderweg naar het werk een ontbijtje kopen, eten in de trein vind ik vies. Haasten voor de klok, dat kan net dat kwartiertje schelen. En dan, tja, dan begint het weer, het lieve leventje van kantoormuis spelen. Wat moet ik erover schrijven, het is zo’n beetje elke dag hetzelfde. De grote baas speelt de grote baas, probeert indruk te maken, terwijl hij alleen onze afdeling moet besturen. En dan nog niet eens echt, enfin, wat zal ik je ermee vermoeien, je kent het toch. Natuurlijk kissebissen de meiden onder elkaar. Je hebt de vleiers, de slijmers en de verleiders. Ik doe mijn werk en ben onzichtbaar achter mijn scherm. Of moet ik zeggen, voel me onzichtbaar.

En dan, eindelijk, na vijf lange dagen is het weekend. Iedereen is blij, iedereen gaat zeilen, eten, naar de bios, kleren kopen. Ik ook hoor, ik ben ook opgelucht. Even een paar dagen voor mezelf. Gewoon. Maar zo bijzonder is het niet, er valt niet veel te vertellen. Zaterdag is mijn uitslaapdag. ’s Middags is het tijd voor boodschappen. Doe meestal hetzelfde rondje, lekker in m’n joggingbroek. ’s Avonds uitgebreid in bad, glaasje wijn en altijd heel lang zoeken naar een goeie film op Netflix. Dikwijls kan ik het niet vinden, kijk dan weer dezelfde van een tijdje terug. Zondag is mijn poetsdag, daar kan ik niets aan doen. Ik ben nu eenmaal nogal erg gesteld op schoon. En als ze tijd heeft, kan ik uren bellen met mijn zus. Ze heeft die drukke baan en over de hond. En wat de geit nu weer heeft kapot gemaakt. Laatst was haar pony uitgebroken, zo de snelweg overgestoken. Het was net goed gegaan.

Had ik je al verteld van die nieuwe aan de overkant? Ik kan hem net zien zitten, voorbij het atrium, achter de plantentuin. Hij leek me wel leuk, zo vanuit de verte. Nu, laatst hadden we overleg en hij was er ook. Sterker nog, hij hield een presentatie. Over de inhoud kan ik niet veel zeggen. Ik was eeeeh, nogal afgeleid. Zoals hij beweegt, met z’n blauwe jasje. Ik hoop alleen dat ik niet al te nadrukkelijk heb gekeken. Probeerde bestudeerd intelligent over te komen. Niet dat ik wat heb gezegd ofzo. O nee, ik zou niet durven, je kent me toch. O ja, hij heet Nathan, is in Amerika geboren.

Woensdag is mijn sportavond. Omdat het moet. Wat kan ik er nu over vertellen. Ik ga, omdat het moet. Je weet, ik hou niet van die herrie. En van drukte al helemaal niet. Als ik vroeg ga is het soms nog rustig, hoef je niet wachten bij de crosstrainer of de roeitrainer. Ik wil graag die ene in de hoek, heb geen zin om de zaal in te kijken. Meestal maak ik mijn programma toch niet af. Ben weer terug bij Fitness Avenue, wel duurder maar bij mij om de hoek. Nu het weer vroeger donker wordt vind ik dat wel zo prettig.

Donderdag, nog twee daagjes, is het weekend. Hoop dat het stuk waaraan ik werkte is goedgekeurd. Dan slaap ik beter in het weekend. Hoef ik even niet aan het werk te denken. Ik kon Nathan precies zien zitten, achter de plantentuin. Het is een saai stuk, er valt niet veel over te vertellen. Risicoanalyse van het niet uitvoeren van tussentijdse controle bij mediareflexie en timemanagement. Ik moet er toch een naam aangeven. Nathan hangt zijn jasjes altijd aan de deurkruk, zo grappig.

Vrijdag. Weekend. Maar dat is het ergste niet. Ik ga zo direct, om vijf uur niet naar huis. Ik ga naar de Italiaan. Hij vroeg of ik meeging, hij zei: “Vorkje prikken?”