Zomaar een plein

Zoals je vroeger, zodra je ergens ging zitten een sjekkie draaide, zo check je tegenwoordig je telefoon. Dringende oproepen negerend haal ik het apparaat niet boven. Het leegste deel van de lange pleinbank is voor mij. De fontein ruist en legt een gordijn over geluiden, de sonore stem van de stad, waaruit zo nu en dan iets helder opklinkt, een kinderstem, een hondenkef. Enkele meters verder voert een mompelende buurman met opgeschoren nek de duiven, kruimelend uit zijn Delifrance zak. Een ronde man met een Stetson op het hoofd rolt voorbij in zijn scootmobiel. Een jonge Duitse herder hapt in de straal van de fontein. Het plaveisel van het plein vertoont een lichte bolling en het is een open plek, een gat in de stad. Daarboven een rechthoek van blauw en links doemen voortdurend witte wolken op die over drijven. Om kort daarna weer te verdwijnen achter de  fantasieloze gevels aan de andere kant. Veel lager zweeft een sliertje nicotine voorbij.

Twee oude Turkse mannen schudden handen op de bank links. Rechts wordt Oosters getelefoneerd. Een vierkante man steekt schuin over, ballonkuiten steken uit zijn korte broek, Pumashirt, rokend. In tegenovergestelde richting gaat een hybride fiets, zwarte Ortliebtassen overal, op doortocht. Een pitbullachtige licht zijn poot op tegen een van de veel bekritiseerde lantaarnpalen. De bloembakken met uitpuilende gereunia horizontalis hielpen niet. Een Hollands echtpaar kuiert, hij in een dwarsgestreepte polo van vijftien jaar oud, die kon nog best. Zij, in een groene zomerjurk, draagt een papieren tas met kleding uit Bangladesh. Een ouwe hippie met blauw haar en een evenoude wandelwagen passeert. Een macho mannetjesduif koerend en buigend op de versiertoer. Ik ruik frites.

Twee Japanse kleutertjes achtervolgen wegrennende duiven, gadegeslagen door een hoogbejaarde man met sinterklaasbaard en – haar. Twee dames met wandelwagens in Sliedrechtlook. Bij de Speelgoedwinkel aan de overkant klettert een display met hoepels om. Alle duiven stijgen massaal op. De opgeschoren nek vertrekt ook. Zijn plaats wordt snel ingenomen door een vrouw in het zwart en veel bloot been. De zon kruipt weg achter een wolk. Er wordt een rolkoffer gesignaleerd. Zijn wielen roffelen over de keitjes. Elke zijde van dit plein heeft een gevelrij uit een andere bouwtijd, andere eeuw zelfs. Dat wordt niet mooi gevonden, ik kan er de lol wel van inzien. Het maakt een stad charmant. Een Paulus de Boskabouterachtige figuur stapt voorbij op stevige schoenen. Nog zo’n zelfde vrouw in zwart en been voegt zich bij de andere. Ik ruik Douglas, Ici Paris of is het Rituals.

De ouwe hippie is terug en knoopt een gesprek met de zwarte jurken. Ze blijkt nog een stuk ouder dan ik dacht. Een flard vang ik op, het kind in de, met verschoten bloemen behangen, wandelwagen is een van haar vijf kleinkinderen. Al doorpratend vervangt ze de poepluier van de baby voor een schone. De vuile beland onder in de wagen. Juist als ik toegeef aan de drang om mijn telefoon te checken en even opkijk stormt de jonge Duitse herder recht op me af. De duif aan mijn voeten stuift weg onder de bank en de hond wordt in het Marokkaans tevergeefs tot de orde geroepen. Zijn baas die ook jong is komt naast me zitten en begint een gesprek met de oude Turken, die dus wel Marokkanen zullen zijn. De opdringerige hond en de gele joint onder mijn neus dwingen me snel op te staan. Verder maar weer, pleinen genoeg.

En dan nog iets, die stinkluier werkte ook niet mee om langer te blijven zitten. Ik rook hem.

Geen GenX in mijn genen

Een eeuwigheid geleden kwam ik Dordt wonen. Die stad zei mij niks, behalve dat de toren vanuit de trein gezien wel erg scheef stond en dat er blijkens een lichtreclame op het station Lips sloten zouden worden gemaakt. Op dat moment van mijn vestiging hier was er veel ophef over een gifwijk. Collega’s deden smalend over mijn verhuizing: naar die vieze stad?

Nu krijg ik digitaal in de gaten dat er een protest optocht vertrekt. Op naar Chemours. Het moet toch eens klaar zijn met die lozingen. Die ochtend in de Volkskrant: omgeving Chemours sterk vervuild. 147 nanogram per millimeter is gevonden in het bloed van omwonenden. De veilig geachte grens voor deze kankerverwekkende stof is 89 nanogram.

Het is kennelijk niet mogelijk Teflon te produceren zonder daarbij GenX te lozen. De gemeente vindt dit al jaren prima, laat het gewoon toe. De petitie tekende ik pas nog, nu wil ik ook zo gauw mogelijk naar de demonstratie. Wel moet ik eerst nog mijn hardwerkende Eega van voedsel voorzien. Een lekker stukje vis met, heel traditioneel; worteltjes erbij. En verse sla, uit eigen tuin. Nu ben ik geen doorgewinterde protesteerder. Mijn laatste mars was die hele grote, meer dan een half miljoen deelnemers op het Mailieveld in Den Haag. Tegen plaatsing van kernwapens in Nederland.

Lang geloofde ook ik dat er niets aan de hand was. Ging ik maar rustig slapen. Sprak wel eens iemand die bij Dupont werkte, hoe hij heilig geloofde in de veiligheid. Echter uit betrouwbare bron, mijn oudste vriend, een hooggeplaatste bij Evides, wist ik al dat er GenX in het drinkwater zat. Maar, volgens hem, dat was slechts zo weinig, niet te meten. Zoals Contador al zei:
“Cero, cero, cero, cero, cero, cero, cero, cero”.

Gelukkig woon ik bovenwinds, weliswaar hemelsbreed op nog geen twee kilometer van dat helse gebeuren. Dan doe je je hele leven moeite om je eigen groente onbespoten te kweken. Zit er voor alle zekerheid toch een laagje GenX op. Nu ben ik op een moment in mijn leven dat opahormonen beginnen op te spelen. Niet dat ik kleinkinderen heb, maar wel twee dochters en twee schone zonen. Plus mijn lieftallige Eega. Ik ben dus boos. Wat is dat voor een idioot bedrijf, dat speelt met onze gezondheid. Steeds maar beterschap beloven en lekker doorgaan met lozen. Wat is dat voor idioot gemeentebestuur, dat zich laat ringeloren door een fabriek die al zoveel jaar verdacht is. Het groot kapitaal, de fabrieken en projectontwikkelaars zijn hier kennelijk de baas

En, meestal ben ik te vroeg, nu kom ik te laat. Zijn de demonstranten ingerekend door de ME, zijn ze doorgedrongen tot bij de giftig dampende kookketels? Niemand te zien. Er is niets te beleven bij de gestaag doorrokende fabriek. Nou ja, er staat een rode locomotief te dieselen. Hij trekt zeven tankwagons, daar zit vast geen drinkwater in.

Ex Klimmer

Langs de kust zocht en vond hij het. Bijna. Volstrekte eenzaamheid. Leegte en horizon. Ver weg liep iets, man met hond? Of was het toch een paal? De hitte deed de lucht boven het strand zinderen. Hij lag in het zand, plat op zijn rug onder een hemel die zich strak spande in lichtblauwe transparantie. Daarachter vermoedde hij oneindigheid. Niets was er te horen, de zachte ruis van de zee was een constante. Toch, nu en dan de schorre schreeuw van een meeuw. De wind stoof zand over het strand, tot het botste. Het tikkelde over zijn lijf, langzaam liet hij zich onder stuiven. Een schaduw kwam aanrollen over zee, trok over het strand en over de ex klimmer. Hij opende zijn ogen en keek recht in het gezicht van een wolk. Een wolk in de vorm van een wolk. Of een beer, een eiland of was het toch een berg. Even waande hij zich in de bergen. Daar zat hij op een top en zag de wolken aanstormen. Die zich razendsnel vervormden, vervluchtigden of hem en de hele omgeving in allesverhullende mist omarmden.

Plotseling prikte de zon opnieuw te voorschijn en maakte het zand weer geel en warm. Hij rolde zich op een arm en tuurde naar de zee. Hij zag niets, hij was ver weg. Met open ogen droomde hij dat klom. Hij bevond zich in de Stubaier Alpen, had net de Sulzenau Hütte verlaten en was op weg naar de Aperer Freiger. Het begon licht te worden en het was er net als hier. Stilte, sereen haast. Niemand in de wijde omtrek. Duizend meter stijgen vandaag. Meer werd er niet gevraagd, gewoon rustig doorgaan. Beetje opletten, klauteren, markeringen volgen. Niet teveel rondkijken, zien waar je je voeten zet. Het pad kronkelde en ging nog even de schaduw in. Daar op de graat werd het zweten, vol in de zon. Zo stelde hij het zich voor, nog een paar maanden, dan zou hij het zien. Hij verlangde er naar. Een donker dreunen zwol langzaam aan. Een blik opzij, het was de zandzuiger, Argo 1, die traag voorbijschoof. Een witte snor voor de blauwe boeg.

Hij lag op zijn buik in het kokende zand, zijn rug verbrandde en hij wist het. In een toestand van half slapen was hij in de hal. Het klonk er hol, de muziek overstemde de kreten, het gepraat van de klimmers. Door zijn doofheid voelde hij zich buitengesloten, hij deed geen moeite meer om te luisteren. Hij bestudeerde de route van zijn klimmaat. Te moeilijk voor hem. Telkens weer liet hij zich verleiden, deed hij te moeilijke routes. Dat moest hij bezuren, de volgende dag liep hij krom, pijn in een heup of een knie. Hij pakte met rechts een greep, trok een voet bij en reikte ver naar links. Raakte uit balans en liet zich vallen. Zijn oude gordel kraakte. Gebaarde naar beneden: zakken! Zijn klimmaat die hem vragend aankeek. Voelde ogen van andere klimmers in zijn rug, jonkies, die dachten:  “Kijk, die ouwe, die moet ook nog zo nodig gaan klimmen”.

Nu droomde hij van routes, in gedachten maakte hij de gracieuze bewegingen, soepel klom hij naar boven, genoot van het aanspannen van de spieren. Dat het mogelijk was, vasthouden aan en staan op de minuscule greepjes.

De ex klimmer zocht de stilte en de eenzaamheid. Hij zocht de spanning en het beetje avontuur. Hij zocht lege plekken, dicht bij huis. Met smerig weer was dat te vinden in de grienden bij de rivier. Of de  lege vlaktes van de polder, in de verte ploegde een boer. Of aan de overkant, die vreemde ‘ruimte voor de rivier’. Hij ging te voet, per fiets of over het water. Het klimmen had hem veel gebracht. Prachtige plekken bezocht, mooie mensen ontmoet, gewone klimmers en topklimmers. Nu moest hij zich tevreden stellen, lagere doelen. Hoewel, die Aperer Freiger was nog wel een dingetje. Nou ja, een paar maanden nog. Een meeuw krijste recht boven zijn hoofd. Hij dwong zich wakker te worden en draaide om, zijn rug gloeide. Toch weer te lang in de zon geweest.

Hollands Diep

Aarzelend waren we weggevaren van de steiger. Best wat kano ervaring, maar zo’n Canadees, hoe werkte dat? Je peddel had maar een blad en je moest samenwerken met je medepeddelaar. En dan, hoe gingen we nu? Volgens de verhuurder was de route door polder Jantjesplaat niet te doen. Te hoog water, je kon niet onder de bruggetjes door. We waren al een stukje het Gat van de Hardenhoek op, toen we toch terugdraaiden, we zagen wel, kon het echt niet, dan draaiden we om. De eerste brug was het wat bukken, de volgende ook nog. Toen kwamen er een paar die echt laag waren. We moesten van de stoeltjes maar gleden er soepel onderdoor. Wat minder makkelijk ging, dat was op koers blijven. Op deze winderige maandagmorgen was er niemand, geen boot en op de wal geen voetganger of fietser te zien. Dat was maar goed ook, want we zigzagden werkelijk als een dronken tor op een spiegel.

Eindelijk ging het dan gebeuren, overnachten midden in de Biesbosch. Ergens op een eilandje, in een stukje wildernis van riet, wilgen en modder. Je kon de Moerdijkbrug horen en ook de koeltoren van de Amercentrale herinnerde er aan, dat je nooit echt ver weg bent van in dit volle landje. Gelukkig was onze kano groen, op de boeg stond de naam ‘Discovery’. Onze bagage, vijf waterdichte tassen en een ton zat stevig vastgebonden aan de boot. Toen we een smalle, door groen overkoepelde kreek invoeren riep Riem:
“Oké, we gaan nu de Amazone op!”Alle tinten groen, het was nog geen zomer, de springbalsemien stond al hoog maar bloeide nog niet. Grijsgroene wilgen, het riet was vers met een karekiet er in. Een buizerd boven ons, kwikstaartjes en een bonte specht.

De wind nam langzaam toe in kracht en we hadden hem steeds recht op de kop. Zodra de kano een kleine afwijking vertoonde kreeg de wind er vat op en waaiden we verder opzij. We probeerden zoveel mogelijk in de luwte van het riet of een wal te varen. Zodra we het windstille Franse Gat indraaiden voelde dat weldadig. Daar vloog een kiekendief. We zochten de Zwarte Keet, de griendwerkerskeet. Rienk was er nooit binnen geweest en ik had nog steeds de sleutel in bezit. Een korte blik binnen en snel weer terug. Onze Canadees, lag tenslotte onbeheerd enkele honderden meters verderop. De beroete open haard, een hele wand met stookhout, allerlei griendwerkers gereedschap, lekker rommelig allemaal. Dit gedeelte is nog steeds in gebruik, echter alleen als lunchplek. Nu zagen we hoe we er varend hadden kunnen komen. Na nog een korte bezichtiging per kano zetten we koers naar het Gat van den Kleinen Hil. Dat beloofde een winderig stuk te worden. We draaiden de bocht door en zagen de brede stroom voor ons liggen. Daar aan de overkant zou onze beoogde bivakplek zijn. Er stond een flinke golfslag.

Het leek ons het beste eerst maar recht er tegen in te varen. Makkelijk gezegd. Voortdurend werden we dwars geblazen. We peddelden op volle kracht. Daar kwam een grote golf en we stuiterden er over heen. De golven werden opeens veel groter hier. Plotseling lagen we weer dwars en een nijdige golf gooide ons bijna om en een volgende wilde aan boord komen. We schepten hem net niet binnen. De golven uit het Noordergat van de Visschen stormden als hongerige wolven op ons af. De wind blies ongehinderd rechtstreeks vanuit het Hollands Diep. Van achter de koffie op het bovendek van rondvaartboot De Rustende Bever zou het er waarschijnlijk uitzien als gezellig kabbelend. Echter, vanuit mijn lage standpunt en nu als achterste peddelaar, in een open kano zonder luchtkasten, beoordeelde ik deze situatie geheel anders. Ik brul boven het windgehuil uit, naar Riem de titel van de bestseller van Saskia Noort: “Terug naar de kust!”

We slaakten een zucht van verlichting toen we de oever van De Paardekop opschoven. Er lag een strekdam van stenen die een kleine inham vormde met kalm water. Het was kantje boord geweest, we waren met veel moeite teruggevaren en hadden een stuk dieper pas de oversteek gemaakt. Om De Paardekop te ronden was ook nog een wild stuk, maar net te doen. De rode Fjällräven tent van Riem stond binnen enkele minuten, met z’n kont naar de wind die heel gemeen precies op de kop van dit eiland stond. Volgens het bord van Staatsbosbeheer mocht je hier werkelijk niets. Behalve overnachten. En om de mogelijkheid daartoe te verkleinen, was rondom de plek van onze tent alles omgewoeld en waren diepe kuilen gegraven.

Volgens de getijdentabel zou het om 19.30 u. HW, hoog water zijn. het was inmiddels negen uur en het water steeg nog steeds. De tent stond pal aan de oever, hoe lang bleef het stijgen? We plaatsten stokjes op het modderstrandje en steeds weer kwam het hoger. Het was prachtig om te zien hoe wind het getij beïnvloedt. Moesten we tent verplaatsen? De wind was inmiddels aangewakkerd tot echt hard. De golven hadden witte koppen. Ook al hadden we gewild, we konden echt niet weg nu, dit was wildwater kanoën. Vlak voor het donker was verplaatsten we razendsnel de tent. Dat sliep wat lekkerder.

Met moeite bevrijdde ik een stijve kano arm uit de slaapzak en zag dat het zes uur was. En er was iets. Er was iets veranderd. Het was doodstil, geen wind, geen golvengeklots tegen de strekdam. Er uit! Een heel dun zonnetje waagde zich in het wilgenbos. De woedende golven waren weggespoeld en de lucht toonde zich blauw en heel dun. Geluidloos landde een reiger op de strekdam. Niet veel later gleed de Discovery langs die rij stenen. Nu hadden we het tij mee en een strelend briesje. Het tegenlicht toverde met kleur. Moeiteloos ging nu het peddelen, we voeren een kaarsrechte koers over het Gat van de Buisjes.

Twee zwanen met twee jonge zwanen, nijlganzen, grauwe ganzen, beide met heel veel jonkies. Duikende aalscholvers en futen. Agressieve waterhoentjes, wilde eenden en kuifeenden. Een zilverreiger en een lepelaar. Daar gleden we het zandstrand van de Rietplaat op. Koffie! En hier zagen we, aan de overkant een paar motorjachtjes. Vanaf het moment dat we gisteren vertrokken nu pas de eerste mensen. Alweer een stukje gevorderd in de richting van de Sloot beneden Petrus zag ik hem! De zeearend, dat was hem, volgens Riem. Geen twijfel mogelijk. Hij kwam steeds dichterbij en vloog zelfs precies over ons heen.
“Zo, die kan je bijschrijven Riem!”
Ongemerkt waren we, omhoog kijkend, teruggedreven tot op het Gat van Van Kampen.

We namen weer de lage bruggen route terug. Die nu nog lager waren, het was vloed. Sommige namen we door een voor een uit de kano de brug op te klauteren. De voorste peddelaar eruit, de brug over en weer de kano in, die wat door gevaren was en dan deed de achterste datzelfde. Bij de laatste bug werd het nog even spannend. We trokken de Canadees de oever op. Aan de andere kant bleek het nogal steil en met een akelige klap plonsden we het troebele water van de Polder Jantjesplaat in.

De volgende dag had ik een vreemd gevoel, in schouders, armen , knieën en zelfs de buikspieren deden mee, een spierpijn, Hollands Diep van binnen.

Toeval bestaat

De kunstmanifestatie wordt opgelekkerd met knettergoeie blues. De zangergitarist van de band blijkt de man van je overbuurvrouw op de cursus. Een cursus die wordt gegeven door de beeldend kunstenaar die ooit een workshop gaf op het werk van jouw vrouw. Die beeldend kunstenaar blijkt oud studiegenoot van jouw oude vriend Hank. Toevallig. De overbuurvrouw op die cursus blijkt oud collega van de beste vriendin van jouw vrouw.

Iedereen kent het, van die kleine dingetjes.
’Goh, das ook toevallig, ik liep net aan je te denken’.
Opeens denk je aan iemand, hoe zou het eigenlijk zijn met hem of haar. Drieëntwintig seconden later gaat de telefoon. “Hé, nou ja zeg, dat is sterk, ik zet net aan je te denken”. Tijdens de Giro stuur je een Appje naar je broer, ook wielerliefhebber: ‘Vandaag wordt het een dag voor Mollema”. Op het moment dat je de M van Mollema typt, rinkelt je telefoon: je broer belt.

Je fietst hard naar de stad en denkt per ongeluk opeens aan je vriend Frenk. Komt zomaar in je gedachten, waarom weet je niet. Je slaat haaks de hoek om en kan Frenk nog net ontwijken – Hoi!

Je gaat sportklimmen met een vage kennis van lang geleden. Vroeg je altijd af waar ze vandaan kwam, ze is vast niet Nederlands van origine, met die naam en dat lichte accent. Nu, op weg naar het sportcomplex, de klimhal, kan je het aan haar vragen. Klopt, ze komt uit Oost Berlijn. En dat is interessant, vertel! Hoe heeft ze de val van de muur toen ervaren? Je parkeert de auto bij de hal en echt waar, echt waar, daar staan zeven Trabantjes op een rij.

Er zijn mensen die denken dat toeval niet bestaat, dat alles precies gaat, zoals het uitgestippeld is. Die toevallige ontmoetingen, dat is geen toeval, dat heeft zo moeten zijn. Er zijn mensen die volgen hun hart en luisteren naar hun lichaam. Die krijgen ergens energie van. En van andere dingen worden ze niet vrolijk of juist wel. Sommige dingen zijn geen toeval, die zijn voorbestemd, horen bij de legende van jouw leven, dat denken sommige mensen. Alle bedrijven waar je ooit solliciteerde en werd afgewezen of er zelf vanaf zag, gingen daarna failliet. Toeval of geluk. Een goede keus maken, rechts of links. Het is gokken in het leven. Is het kansberekening of is het het lot.

Je gaat met die ex Berlijnse op visite bij een beroemdheid, een grote naam in de sport. Een klimmer met wereldfaam. Vele beklimmingen en bergen komen voorbij. Welke berg was het die de beroemdheid als eerste beklom? Dat was de Galenstock. Naar welke berg je twintig jaar later je eigen bergenclubje noemde. De Grosse Galenstock Express. Dat is toeval. En op welke camping in Zwitserland kampeerde de klimmer met wereldfaam? Het was dezelfde camping waar je verbleef, vijfentwintig jaar geleden, met dat uitzicht op die ene berg.

Je vertelt over je militaire diensttijd, een half mensenleven geleden. Je herinnert je nog slechts één naam. Van de korporaal en die naam noem je. Twee dagen later krijg je een mail, met de vraag of jij diegene bent die daar, toen in dat jaar, je dienstplicht vervulde. Die mail is van, jawel, de korporaal. Een half mensenleven nooit iets van gehoord.

(Die korporaal kocht toen een tekening van je. En hij heeft hem nog steeds)

Elke gelijkenis van de beschreven gebeurtenissen met de schrijvers dezes berust op toeval. Louter toeval.

Small Talk

“Zo zie je het altijd in de film, zo’n lange tafel in de tuin, lekker eten met vrienden, glaasje wijn, zon”. “Ja”, zeg ik: ”Nog wat olijfbomen erbij en kijk, je kunt net de zee zien”. “Waar, o ja ik zie het”. En ze lacht haar tanden bloot. We zijn wat te laat, opgehouden door een vriendin met hele verhalen over mensen die wij niet kennen. Willen meteen aanschuiven aan het buffet. “Hola, dat gaat zomaar niet”. Ik maak me los uit de omhelzing van Rita, met haar zwarte ogen en rode mond, die mij feliciteert met de verjaardag van haar zus. “Vele laatsten zullen de eersten zijn”, breng ik in en schep iets Javaans en vegetarisch op. Daar is Bertie, de jarige en drie zoenen. En haar collega wiens naam ik niet versta maar wel noteer ik dat ze heel licht haar heeft, dito bril en sproetjes. Krijg een groot glas ijskoude Bordalino rosé. “Lekker zeg, die kuning, zelf gemaakt?” ”Neehoor, alles van de Toko, we hadden zo’n drukke dag vandaag.” “Morgen komt de tuinman.” “Wij gaan volgende week naar Sicilië.” “Zie je die seringen?” “Dat hybride belastingvoordeel is toch één grote farce.” “Wij zijn net terug uit Malta, daar hebben zulke goede wijnen.” “Ik ben helemaal into Murakami nu.” “Trump, nee die heeft zijn langste tijd gehad.” “Is er nog van die rosé?”

Verderop aan tafel werpt de zongebruinde blondine me een serie kushandjes toe. Naast me steekt zwarte Rita een heel dunne sigaret op. Op weg naar de keuken ga ik op m’n hurken. Blitz, de zwarte kater wil aandacht, hij lijkt me te herkennen. De satésaus staat aan te branden en ik probeer de warmtebron eronder uit te krijgen. Terug aan tafel roept Christiaan van een afstand wat ik van Kyblanski vind. En of dat niet de nieuwe van Gogh is. De rosé is op, maar er is koude rode wijn. Ik heb opeens een gebakken banaan op mijn bord en Eduard staat er op dat ik de laatste saté op eet. Het is typisch Hollands weer, de warmte van de dag verdwijnt snel in de avond. “Brrr, die Herman Koch, ik weet niet, ik vind het een engerd.” “Mooi jasje heb je aan” “Heb je Django al gezien, over die muzikant? Echt een aanrader.” “Is dat kippenlippenleer of tuinslangen?” “Ik rij nu Volvo, scheelt weer in de bijtelling.” “Hahahaha” “Ik vind van wel, teruggeven aan de natuur.” “Skyhigh, die prijzen nu in Amsterdam”. Een plotselinge windvlaag veegt de servetjes van tafel. Er valt een glas en er klinkt een gil. Met enige moeite krijg ik de saté van het stokje, kijk op en rechtstreeks in de ogen van de collega. Ze zijn grijs en kleuren mooi met de sproetjes.

“Hey, listen, I don’t even wanna have this conversation.” “ I’m just from Philadelphia, you know. I mean, we believe in God so… OK?” “What the hell does that mean?” “What do you mean?” “Well, that…” “I’m from Philadelphia. I believe in God.” “Does this make any sense to you.” “What a creep. Could you believe her?”

In de verte praat men verder aan de tafel met het witte kleed, waarboven de bomen ritselen in de wind. Ik ben even onder Queensborough bridge. Waar de nacht langzaam overgaat in dag, mistig nog de brug in lichte grijzen. De contouren van Woody Allen en Dianne Keaton als zwarte silhouetten daarvoor. En Merel Streep, nog heerlijk jong. En dat ze in een taxi zitten en dat hij Dianne zo mooi vind dat hij niet eens de taximeter in de gaten kan houden. De prachtige filmbeelden van Manhattan, enigszins gedateerd maar nog steeds boeiend en de voortdurend doorratelende conversatie, ik kan er zo in verdwijnen.

“I mean, she was really…, she seemed nervous” “Nervous? She was overbearing. She was, you know, terrible! She was all cerebral.” “Where the hell does a little Radcliffe, tootsie come off rating Scott Fitzgerald.” “Gustav Mahler and Heinrich Bohl? Why are you getting so mad?” “Because I don’t like that pseudo-intellectual garbage.” “Van Goch!” Did you hear that? She said Van Goch.  Like an Arab she spoke.” “One more remark about Bergman, and I’d have knocked her other contact lens out”

Er schuiven stoelen. Er wordt gezwaaid en gelachen. Eduard roept keihard: “Iemand koffie?”
“Yeah, for me, please”, hoor ik mezelf zeggen.

Rothko blauw

”Een frietje met, ga maar zitten, m’neer, breng ’t zo bij u, colaatje kan u daar zelluf pakken”
Na een korte aarzeling besloot ik binnen, in het frietkot te blijven. De glazen windschermen buiten, langs het terras, trilden in de wind.

Op het strand was ik al gezandstraald, nu even in de luwte was wel lekker. Het was zo’n dag die weermannen mooi vinden. Zon, wind en wolken. Zware buien landinwaarts. En wat ik al vermoedde, zon aan de kust, klopte. Het was precies zoals ik hoopte. Leeg. De donkere streep van de zee boven het geel en daarboven het blauw, vloeiend van licht naar donker. Het strand dat door de harde wind strak was geveegd. Het gevoel van ruimte en oneindigheid. Tegelijkertijd was het een schilderij van Mark Rothko. Achter een steil duintje, waar enkele helmgrasjes probeerden te settelen, zat ik uit de wind, bleef kijken. Ritselend zand stoof over m’n schoenen en in m’n nek en kijken deed ik. Ik keek naar die horizon.

Een vrouw in blauw spijkerpak doet de uitgebreide bestelling in het Duits. De jonge vrouw achter de toonbank lust zichtbaar zelf ook wel een frietje. Druk is het niet en voortdurend checkt ze haar telefoon. Ik wacht en kijk naar de verschoten ansichtkaarten in de molen voor me. Met haastige letters staat op een kartonnen snackschaaltje geschreven: Kaarten € 1,-. Met een: “Bitte!” krijg ik mijn portie frites bezorgd. Hollandser kan een kust niet zijn en dan is het goed om in het Duits te worden aangesproken. Een windstoot geeft het houten kot een optater. Onwillekeurig kijk ik naar buiten en zie juist een zwarte vogel, een kauw, in een diepe afvalbak verdwijnen. Even later duikt hij op met gele friet in z’n zwarte snavel. Een jongen, de zoon van de uitbaatster denk ik, brengt een vol dienblad naar buiten. Typisch zo’n jongen die groot is voor zijn leeftijd. En die te zwaar zal worden. Hij heeft een zwart trainingspak aan, met oranje. Op de rug staat Adidas. Aan de lange tafel buiten zit een groep verstandelijk gehandicapten. Ze hebben duidelijk zin in een portie frites. De begeleidsters zijn druk met tissues, handen en tafels poetsen.

Er komt een echtpaar binnen waaien. Wat ze bestellen weet ik niet, maar het zal in het Duits zijn: ik hoor Adidas zeggen:
“Mitnehmen”, oder hier essen?”
Een volgend kauwtje landt op de afvalbak. Een schuchterder exemplaar, steeds wil hij de donkerte van de afvalbak inspringen, maar kijkt dan om en bedenkt zich.

“Hallo! Ich möchte einen Cappuccino bestellen.”
Een omvangrijke vrouw met waaihaar is de volgende klant die binnen stapt. Nu roept Adidas om zijn moeder, dat is hem te moeilijk.

Vanuit de beschermende cocon van het frietkot stap ik zo de ruime leegte in. Met wind mee nu, evenwijdig aan de horizon. Ver weg, landinwaarts hangt een zwarte wolkenband. Hier brandt de zon en stuift het zand. De boot van de reddingsbrigade bokst hevig op en neer met tegenwind. Oranje stuiterbal, dan is de zee weer leeg. Er is niets en niemand, precies zoals ik hoopte. De harde kleuren maken het schouwspel tot een plat vlak. Een schilderij. Een voorstelling met diepte.

Een buizerd vliegt laag en langzaam over het duin. Plots valt met een duikvlucht een kievit op hem neer, rakelings en nog eens en nog eens. De kievit maakt verticale strepen in het rechte lijnenspel van het geel, de reep van de zee en het hoge blauw.

Discovery

Berichtte ik laatst over de Beulstoren in Dordt, de toren in de stadsmuur waar de beul woonde, nu over een ‘hangplek’. Minder gezellig dan dit woord doet vermoeden. In de tijd dat onthoofden nog mode was in onze beschaafde contreien, deed men tevens aan ophangen. En dan liefst in het openbaar, zodat er een preventieve werking van kon uitgaan, hoewel dat woord nog moest worden uitgevonden. Staand op het Groothoofd met dat machtig rivierenknooppunt, is midscheeps een groene oever zichtbaar. Ik ging er van uit dat het Zwijndrecht was. Alleen de oplettende passagier van de Fast Ferry kon er een eiland in ontdekken. Daar, waar de galgen stonden, is nu een uniek zoetwatergetijdengebied. (tip: onthoud dit woord indien u Scrabbelt)

Twee gezellige pensionado’s varen mij naar het Sophia eiland. De service van Natuurmonumenten gaat ver. Aan boord bevindt zich een Vogelaar met standaarduitrusting, camera, statief en een telelens van raketwerperachtig formaat. De natuurmannen vragen of wij het erg vinden even wat verder te varen: ginds zit vaak een ijsvogel. Daar heb ik nu werkelijk helemaal totaal geen bezwaar tegen. Jammer is wel de vogelaar:
“Ik vaar zelf ook, kijk een kwikstaartje, ben gepensioneerd, hier een foto van het nest van de visarend, de zeearend heb ik ook, die is groter, ik ga er 2 x per week op uit, heb je al lepelaars gezien, kijk, dit zijn foto’s van zangvogels, maak ik een filmpje van, de bever heb ik ook”

Vogelaar blijkt linksaf te gaan, dus ga ik rechts een smal dijkje op, waar 327 miljoen muggen wonen. Het is in alle opzichten een vreemde plek. In feite een omdijkte modderplaat die niet toegankelijk is, drijfzand. En daarop scharrelt allerlei gevogelte. Interessant ongetwijfeld, mij gaat het meer om deze onontdekte plek. Jammer dat Vogelaar er is, anders had ik dit eiland voor mezelf. Op de uiterste punt is een verhoging, dat zal de plek van de galg geweest zijn. Eronder, achter de muur staan bankjes waar uitbundige brandnetels doorheen groeien. Als ik stil zit, gaat het net. Lekker uit de wind, recht voor me de contouren van Dordt. Een constante rij van binnenvaartschepen vlak langs. Perfecte hangplek.

Verder, het eiland rond. Dat gaat niet helemaal, halverwege moet je dwars doorsteken. Over honderden meters lange houten loopbruggen. Ik fotografeer een bergeend, een broedende zwaan laat me dichtbij komen, een kievit en de onvermijdelijke ganzen. Tja, ik heb wel eens eerder een vogel gezien. Wat het bijzonder maakt, is de combinatie. Verstilde natuurplaatjes ogenschijnlijk. Er is de constante grom van de binnenvaarders, de Fast Ferry heeft zijn eigen geluid en die heimachine in Papendrecht. Groene slikvlakte, de lage dijk en daarboven fabriekjes, hijskranen. Een koppel Canadese ganzen met een sleep van dertien jongen achter hen aan. Achter hen schuift een rij containers voorbij, Hapag Lloyd en Maersk. Op de smalle vlonder kan ik niet ontsnappen, Vogelaar komt er aan:
“Heb je die lepelaars gezien?”

Terug op de boot dank ik de schippers hartelijk dat ze me weer ophalen hier:
“Wat is er nog gratis tegenwoordig?”
Het antwoord is, dat daar de fooienpot staat.
“O, kijk, bedankt, we hebben weer gebak vanavond!”

Op de wal zie ik, te laat, op het onvermijdelijke informatiebord hoe ik Vogelaar had kunnen aftroeven:
‘Die groenpootruiter, die heeft hij toch zeker wel gezien?’

Geel en Groen

Nee, ik ga hier geen namen noemen. We waren druk in gesprek, het gele huis in de Houttuinen viel ons op en mijn vriend zei, terloops:
“Verschrikkelijk”en: “Dat kan toch niet”.
Toch jammer. Die opmerking, van die vriend. Het gele huis wordt aangeklaagd, het moet worden aangepast, het geel moet weg. De volgende dag maak ik een foto van het huis. Het is netjes geschilderd, alles geel en de onderste verdieping groen. De foto plaats ik op Facebook en dat het moet blijven. Ik krijg heel weinig Likes.

Het is zaterdagavond en het is te doen in het Trefpunt. Het is de Indische Avond. Met elf vrienden en jawel, er zijn twee Indo’s bij, op weg naar het Zalencentrum in Oud Alblas. Alle parkeerplaatsen in de doorzonwoonwijk zijn bezet. Bij de brandweer is nog plek. Je komt niet binnen zonder je bordje vol te laden met Indisch lekkers. De zaal die, met klimtouwen langs de wand en ringen aan het plafond, kennelijk ook voor andere doeleinden wordt gebruikt, is fel verlicht. Op het podium in de verte speelt de band voor mij onbekende Indische klassiekers. Het publiek varieert van Indische families tot rasechte Alblasserwaarders en alles wat uit deze mengelmoes voortvloeit. Een groepje vrouwen en kinderen voert een schuifelend dansje uit, wat ik rubriceer in de categorie line dance. Het eerste biertje is eten en drinken tegelijk, het troebele restje uit het vat. Voor de eerste keer in mijn leven kras ik cijfertjes op een bingokaart.

Het licht wordt gedimd en de band speelt disco. Steeds meer vrienden gaan de dansvloer op. Ik wil ook. (altijd, maar het beste dans ik thuis, met de gordijnen dicht) Weer geen nummer dat me aanspreekt. Ik ken het niet eens. Waar was ik, toen deze muziek zolang geleden in was? Grace, de goedgeconserveerde, oudste zus van Frans gaat ook de dansvloer op. Nu moet ik wel, ik kan hier niet alleen aan tafel blijven zitten. Ik schuif wat stoelen opzij, heb ruimte nodig en dans en zweet! Grace, wellicht de oudste op de dansvloer krijgt een handkus van de zanger: Indo’s onder elkaar. Uithijgend roep ik in haar welgevormde oor, boven de muziek uit:
“En dat of all places, hier in Oud Alblas”
De volgende morgen vliegt ze weer terug naar huis, Scottsdale, Arizona, USA. Dat is een aanknopingspunt: Utah, Arizona, ik wil het graag zien. Die oranje landschappen met de lege vlaktes en de verspreid staande rode zandsteen rotsformaties. Daar doorheen rijden over een kaarsrechte weg. In een oude Pick-up of een lange Buick Skylark met een stofwolk achter je aan. Of op een merrie met zwarte manen en lichtbruine buik, terwijl de zon niet ondergaat, dagen lang. Grace nodigt me uit, ik ben welkom, in haar ‘place’, altijd.

Een meisje van dertien jaar zingt ‘All of me’ van John Legend. Dat kan wat worden: een talentenjachtkandidaatje. De band speelt ‘No woman, no cry’, lekkere reggae, het is mij net niet puntig genoeg. Het is een goeie band, het repertoire is breed. Daar ligt het niet aan. Ik wil graag dansen, heb zelfs mijn blauwe suède schoenen aan. Mijn nummers komen niet, ik zou los willen gaan.

In een piepklein dorp in de Alblasserwaard denkt men grensverleggend. Omarmt men exotische culturen, eten en dans. In de grote stad, de Evenementenstad, de oudste stad, de Monumentenstad, daar denken we klein. Verf je huis net wat anders, moet je het overdoen. Ik wil meer geel en groen in de stad en ik wil meer giraffes.

Boter

Wie van Nieuwe Natuur houdt moet maar niet verder lezen. Anders: lees meer:

Het is zover, de eerste waterpartijen zijn gegraven in de Noorderdiepzone. In de moeizaam, in de loop der eeuwen tot stand gekomen polder. Natuurlijk, de Dordtenaar wil de stad uit, frisse lucht. Recreëren maar! Kom, vooruit, in dit gebied kán het en mág het: recreëert u maar! Terecht dat er iets gecreëerd wordt, maar voor mij blijft het iets gekunstelds houden, een creatie. Net zoals de Merwelanden en De Elzen. Noem dat geen natuur of Nieuwe Natuur. Het is een park. De rij bomen die al zestig jaar aan de doodlopende landweg staat moet gekapt. De deskundigen hebben precies daar een stukje nieuwe natuur bedacht. Daar passen oude bomen niet in natuurlijk. En een groot deel van het eiland van Dordt is al natuur, oude natuur, polder. Niet toegankelijk voor de Dordtenaar, maar toch, het is er al.

Een klein groepje koeien, is dat dan een kuddetje? Goed, het was zomer en een kuddetje koeien stond bij elkaar in een weilandje. In hun midden stond een jongen in een blauw overalletje. Die koeien waren niet zwart-wit maar beige, Limousin vee, van dat goeie ambachtelijke vlees. De jongen sproeide er lustig op los. Om zijn as draaiend spoot hij een goedje op de brandnetels en de zuring. De wind verdeelde het spul royaal over het weiland. Ongeveer een kwart ervan ademde de jongen zelf in, griep zou hij niet snel krijgen. En dat vlees, dat was niet bepaald onbespoten. Ik kreeg er prompt jeugdherinneringen van, ik proefde de zurige lucht wanneer de boer, waar wij kampeerden, zijn boomgaard weer eens bespoot. Nog langer geleden gingen we zwemmen in de Schelde. Onze kleren en fietsen lagen aan de dijk. Bij terugkomst was alles lichtgroen bespikkeld. Het sproeivliegtuigje nam na de akker de dijk ook even mee.

Wie niet van de jacht houdt moet vanaf hier niet verder lezen. Niet dat ik er nu zo voor ben, maar ook zeker niet tegen. Kijk, het gaat mij te ver om eerst zorgvuldig fazanten te kweken, die dan los te laten in bos, polder, duingebied, nou ja, laten we het natuur noemen en ze dan vervolgens een week later dood te schieten. Elders heinen we een groot gebied af. We zetten er herten in, of paarden. Die zich vermenigvuldigen en na enige jaren zo talrijk zijn dat er in de winter onvoldoende voedsel voor hen is. Normaal gesproken verspreiden ze zich dan, trekken verder op zoek naar voedsel. Dat gaat hier niet, het gebied is omheind. (dierentuin) Dan ontstaat de discussie, bijvoederen of afschieten? Dat laatste mag niet van de Partij, geen gejaag, geen doodgeschiet. En van die zelfde Partij moeten op de melkboerderij nu weer de kalfjes langer bij de moeder blijven. Hele hordes reeën die in Zandvoort door de winkelstraten lopen, afschieten mag niet. Talkin’ Heads. Met boter erop.

Wij wilden naar een vooraf nauwkeurig bepaald punt in de Hooge Venen, België. Parkeerden, liepen het bos in en wilden linksaf. Dat gebied waarin onze plek zich bevond was onbereikbaar. Aujour’dui chasse. Ai, wat nu. Dan maar rechtsaf het bos in. Na een lange zoektocht werd daar een geschikte plek gevonden. De coördinaten werden bepaald en opgeslagen. We maakten koffie en bakten een ei. Met spek. In de verte klonk een geweerschot. We zochten ons een weg terug naar de auto. In een hoogzit zat een jager, geweer in de aanslag. Op de splitsing aangekomen stond daar weer het bordje Aujour’dui chasse. Alleen, het was verplaatst, het gebied waar wij net uit kwamen was nu tot jachtterrein verklaard.

Het is zo wonderlijk, vooral wanneer je terug komt uit de Alpen, je struikelt over de bordjes in dit land. Daar zie je er werkelijk geen een, in die enorme uitgestrekte natuurgebieden, de bergweiden, de bossen, de heuvels en de bergen. Die bordjes van artikel 461, wetboek van Strafrecht, Verboden Toegang.