Tell me

Natuurlijk, hij zou naar het strand kunnen gaan. Dat zou hij kunnen doen, het was vlakbij, als  de wind goed stond kon je de zee zachtjes horen ruisen, ruiken zelfs. Die zee met het strand erlangs, waar het smal begon maar zich snel verbreedde tot een vlakte die soms lag te zinderen in de hete zon maar waar het ook kon spoken met verstuivend zand in een storm.
Nu niet, de wind lispelde hoog in de bomen langs de witte weg die naar het strand leidde en hier bij het huis was het stil en door een opening  in de bomenrij viel een schuine baan zon in de tuin die de roze rozen deed geuren en warm kleurde. Nee, hij bleef hier nu, naar zee kon altijd en hij aarzelde lang, meer bier of toch weer wijn. De bierfles blonk met grote koude druppels in het licht van de koelkast. Als hij nu de stoel naar voren schoof kon hij nog lang genieten van de zon en bij het koude bier at hij koude en zoute vis en oud stokbrood dat eigenlijk te droog was maar besprenkeld met olie precies goed. En zo zat hij hier en dacht aan haar die hij had liefgehad.
Natuurlijk, hij zou naar haar toe gegaan zijn en alles zou gewoon geweest zijn en rustig en goed en helemaal vanzelf neuriede hij met zijn mond vol vis en zout en bier:
“Tell me how you feel…”

Het strand dat hij kende met zijn steeds veranderende vorm, de lage zandbanken en de ondieptes, de duinen en de nieuwe duintjes op de grote vlakte en de muien waar met eb water in stond dat langzaam zeewaarts stroomde en dat steeds bleef doen tot het weer vloed werd. Hij wist waar de fazanten woonden en de reeën en hij kende de vogels, de visdiefjes, de strandpleviertjes en de scholeksters en de meeuwen. Soms was de vloedlijn blauw, kwallentijd.
In de boom, hoog in zijn tuin, de oude abeel waar soms een tak afbrak, koerde de woudduif die er woonde en de rode steentjes eronder besmeurde met zijn witte poep. Dat hoorde hij, onbewust, tegelijk met de harde en melodieuze zang van de fitis in de kromme hazelaar. Hoorde hij het of was hij op het strand met haar, waar de zon langzaam zakte en haar die hij had liefgehad warm verlichtte, terwijl de zee het strand kuste en waar hij haar in zijn armen had genomen en fluisterend boven het geruis van de golf die uitliep over het natte zand vroeg:
”Tell me how you feel…”

De donkere rode wijn die haar werk deed en de zon die steeds harder leek te gloeien vanonder de bladeren van de abeel op zijn voeten en zijn hoofd en verbrande borst en hij wist het, dat het pijn zou doen in zijn hoofd en overal, maar ook dat hij niet meer zou gaan, naar het strand. Want hij dacht aan haar met haar stem en haar ogen. Hij had haar goed gekend, hij wist hoe ze liep en in gedachten rook hij haar geur en streelde hij haar voeten.
Hij wist hoe ze was als ze wakker werd en uit bed kwam en met haar handen die smal waren een kop hete thee omklemde en naar buiten staarde. En als ze liep hoe haar tenen neerwaaierden in het zand zoals zeeanemonen meebewogen in de ebstroom. Hij dacht aan haar silhouet in het maanlicht tegen het raam en snel verzette hij zijn gedachten. Het strand, de zon, de zee en haar die hij had liefgehad, het was er allemaal, want hij ging nergens meer heen, achter zijn gesloten ogen zag hij alles, de transparantblauwe hemel waar witte wolkjes stilletjes verschoven maar ook het zout en het zand, blinkend op haar huid.

Hij wist dat de zee zich nu langzaam terugtrok van het strand en het zand nat achterliet en glimmend met de sneltrippelende vogels op zoek naar voedsel. Hij wist het precies, de steeds verschuivende getijden zaten in zijn hoofd als een inwendige klok en al sloeg hij weleens een dag over, of het vloed of eb zou zijn, opkomend of afgaand tij. Het zwarte hout van het oude huis was opengescheurd en straalde de opgespaarde warmte van de dag uit in zijn rug.
Op het strand schoof de schaduw van een wolk die toverde met licht en donker en oplichtende fel beschenen vlekken zand en schelpenstroken en ook op de zee, die rustig lag te golven en te blikkeren, ook daar waren donkere schaduwen.

Waltzing Mathilda

‘Waisted and wounded, it ain’t what the moon did
Got what I paid for now’
Kent u dat, soms zomaar uitbarsten in gezang, een of twee zinnetjes, onverstaanbaar, fonetisch gezongen omdat je de tekst niet echt kent. Of zoals Tom Waitz met zijn doorrookte drankstem. Gewoon op een doordeweekse dinsdag, je bent aan het stofzuigen, het mot toch een kéér gedaan niewaar, of bij het wachten tot die pc eindelijk is opgestart en je je hebt voorgenomen je absoluut niet druk te maken. Of bij het zinloos wachten binnen in de veilige omgeving van je zwarte auto bij een stoplicht (nooit verkeerslicht zeggen) dat kennelijk kapot is en nooit meer op groen lijkt te kunnen springen.

Tot hier was ik met dit verhaaltje terwijl in een donkere nacht op het eiland de regen neergutste op het metalen dak van mijn trailer en de wind hem heen en weer schudde en aan de takken van de bomen erboven rukte toen de telefoon oplichtte en ik een appje van mijn broer las:
‘Tante is zojuist overleden’.
Ik was van plan een ingewikkelde column te schrijven over het verschil tussen de versie van Tom Waitz, waar ‘Waltzing Mathilda’ overigens eigenlijk ‘Tom Trauberts blues’ heet en de echte ‘Waltzing Mathilda’, dat een Australische folksong is, met een hoop billabong, jumbuck , swagman en meer van dit soort down under slang.

Een paar dagen geleden was ik nog even bij haar, mijn oude tantetje, een stervend klein breekbaar mensje, negentig jaar oud en vanachter een verdomd –verplicht- mondkapje wisten we niet heel veel te zeggen. Geen kinderen, alle broers en zussen al dood, lag ze daar, eenzaam in dat hoog-laagbed in het tehuis. Een vruchteloze poging haar wat comfortabeler te laten liggen, de eerste doorligplekken verschenen al, voorzichtig gesjor aan dekbed, kussens en haar broze lijfje.
Een laatste groet, een streel over haar intens magere arm en hand, een blik van haar, ‘het is goed zo’ en een mislukte zwaai. Toen ik in een mist van tranen door de lange gangen naar de uitgang vluchtte schreeuwde het in mij, waarom moet dit, zo lijden, wat kan het leven wreed zijn, hoe lang moet dit nog duren, waarom moet een mens zo uitgemergeld dood gaan, kan ze niet gewoon een spuit krijgen, het is toch genoeg geweest.
‘Now I lost my Saint Christofer now that I ‘ve kissed her
And the one-armed bandid knows’

Toen het licht werd kletterde de regen nog steeds op het dak en ik dacht aan mijn dode tante en aan mijn broer die alles moest gaan regelen vandaag en aan mijn moeder die twee jaar geleden stierf en dat ik dat toen ook hoorde van mijn broer en dat ik toen ook hier was op het eiland in de trailer en dat het toen droog was en warm. Over een maand zou ze eenennegentig geworden zijn en ik hoop dat ze in dat lange leven gelukkig is geweest en het gemis en het verdriet wordt nog versterkt door de vreemde tekst die ik beluister en niet te begrijpen is maar dat hoeft ook niet en het is ook niet de bedoeling maar het gevoel is zo precies wat ik voel.
‘I ‘m an innocent victim of a blinded alley
And tired of all these soldiers here
No one speaks English and everything’s broken
And my Stacys are soking wet

To go waltzing Mathilda, waltzing Mathilda
You ‘ll go a-waltzing Mathilda with me’

Blue Asics

Hoe zou het zijn met Jesper Skibby. Altijd leuk om op een verjaardagszit (wie wil er nog koffie of al iets anders?) wanneer het een beetje inkakt, deze vraag op te gooien. Mag ook een andere naam zijn, bijvoorbeeld Claude Qriquielion. Beide oud-wielrenners, Claude is overleden, overigens. Of Derek. Hoe is het toch met Derek Chauvin? Leeft hij nog? Zit hij  nog in de bak of is hij alweer op vrije voeten? Ter opfrissing; hij was die man die, geüniformeerd, beëdigd, als bevoegd gezag, een hand in de zak, doodgemoedereerd, achten halve minuut met zijn knie op de nek zat van George Floyd.

Dit soort verheffende gedachten heb je wanneer je een stukje gaat hardlopen. Wanneer het lekker gaat, je niet met hardlopen bezig bent in het hoofd, je op de automatische piloot loopt. Voor alle duidelijkheid, zover ben ik nog niet. Doorschakelen naar de automatische stand gaat nog niet. Net weer begonnen na, ik durf het niet hardop te zeggen, hoeveel jaar. En nee, ik hoef niks te bewijzen, om enkele vragenstellers te beantwoorden.
En nee, te oud ben ik ook niet. En waarom? Daarom, ik heb er zin in. Klimhallen, grenzen en klimgebieden, alles is gesloten. Om toch te bewegen dan maar fietsen, met Strava. Dat blijkt leuk en met Strava kun je ook lopen. Alle rondjes die je liep kun je nu precies checken, klopt de afstand die je toen schatte? En jahoor, ik ben weer eens niet uniek. Iedereen doet het, Coronagekte. Er is sprake van een nieuwe hausse.  Nog meer mensen bekeren zich tot het heilige hardlopen. Kuddegedrag.

Tot die boom, nog even volhouden, dan ga ik wandelen. En dan weer lopen, tot de bocht. Een herintreder moet doseren, voorzichtig opbouwen. Stukjes lopen, wandelen, lopen. Hartslag en ademhaling, niks aan de hand, blijven laag en rustig. Alleen die kuiten, die spelen op, worden hard, alsof ze op ontploffen staan. Kuddegedrag, ik wil het niet. Ik loop weer en ik denk. Zette mijn instagram niet op zwart voor Black Lives Matter en was niet Je Suis Charlie toen met Hebdo. Toch heb ook ik schoenen gekocht. Runningshoes, Asics, kobaltblauw. Hoeveel kilometers vraten ze, zacht dempend, mijn Asics, altijd wit, toen.
Asics staat voor: Anima Sana In Corpora Sano – gezonde geest in een gezond lichaam. Dat gezonde lichaam, (met hartslag in rust, volgens weer een andere nieuwe app, 45 BPM) ik heb er mijn twijfels over, gezonde geest, dat zeker niet!

Tot die boom, dan ga ik weer wandelen. Mijn kuiten gaan straks openscheuren. Pijn is fijn en bloed moet. DAWA; de aanhouder wint altijd en meer van dit soort clichés flitsen door mijn hoofd en inwendig glimlach ik. Want dit, dit is niet echt afzien. Dit, dit is de pijn van het opnieuw beginnen.
En ik bedenk alvast de laatste zin van het stukje dat ik in mijn hoofd aan het schrijven ben. Hoe zou het zijn met Thierry Baudet? Leeft hij nog? Of is hij al vermoord door Carola? Minister Carola Schouten, volgens hem de sluipmoordenaar van de agrarische sector. En nu ik dit schrijf lees ik dat die Chauvin bewaakt wordt door uitsluitend witte penitentiair bewaarders.

 

streetart

Het was er tochtig en stil. Vreemd stil, voor wie eens over Quai Jean Jaurés flaneerde, zich vergaapte aan de luxueuze jachten. Ook al is het dan aan de Mediterannée, in januari kan het er gewoon heel koud zijn. Waar was het blauw gebleven van die Middellandse zee, grijs als de lucht en grijs als zijn gemoedstoestand. Brutaalweg had hij zijn oude gebutste Jeanneau, net voor de schemer inviel, achteruit in een lege box gemanoeuvreerd. Links torende een luxe jacht boven hem uit, rechts naast hem nog zoiets, niemand aan boord, vrijwel alle schepen waren verlaten. Winter in Saint Tropez. Voordat de havenmeester hem de volgende dag zou ontdekken, was hij alweer vertrokken. Hij moest hier even zijn, op deze plek, hij kon niet anders.

Te lang gewacht, te laat vertrokken. Haast zonder het zelf te beseffen was hij op weg gegaan naar deze kade. Zwierf wat rond, eiland hoppend in de Egeïsche zee, langzaam westwaarts trekkend.  Pas toen hij Kreta oversloeg, bovenlangs zeilend kwam het besef. Ja, ik ben onderweg, ik wil terug, naar die plek waar ik haar zag. En juist toen, toen hij haast wilde gaan maken stak de hardnekkige wind op, de winter Mistral. De wind die het water wild blaast, het koude water boven haalt en die Yanni, de veelgeplaagde Jeanneau gek maakte en deed stuiteren op de golven.

Eenmaal vanuit de relatieve luwte van het zuidelijkste puntje van Griekenland, het eiland Kythira voorbij, kwam hij in de wat langere deining van de Ionische zee. Koers pal west, richting Sicilië. Dagenlang boksen, tegenwind, lange slagen makend. Wilde hij eerst nog Sicilië ronden, romantisch idee, koos hij toch voor de rust van de Golf van Messina. Qua wind en golven dan, niet wat betreft het waterverkeer, wat een drukte. Andere wereld ook, Italië.

De tegenstelling frappeerde hem, de koele afwijzende jachten, de status die ze moesten uitstralen, met het mondaine volkje onderuit op hun loungebanken op het achterdek, het bewonderende volk op de kade geen blik waardig gunnend. Of was het verwonderen, over die andere wereld, windowshoppend, de luxe, de pracht en praal, het snobisme, de buitenkant van de show.
En dan die tekenares, zo puur en zo echt. Hoelang was het nu eenmaal geweest, die middag. Die vrouw, zoals zij daar zat, in de schaduw van de oude plataan, op de esplanade, Quai Jean Jaurés. Zij die hem observeerde, in snelle rake lijnen zijn profiel schetste, krassend op papier. En hoe hij haar observeerde en vastlegde in zijn geheugen, met haar robes longues en in de zomerwind waaiende morceaux de tissu, een chale over de tengere schouders. De eenvoudige artieste op de mondaine boulevard.

De kleine klok in de toren van eglise Notre Dame de l´Assomption de SaintTropez sloeg negen keer. Met een soepele sprong vanaf de achterplecht stond hij op de kade, keek nog een keer om, controleerde de drie landvasten, ja ze lag goed, zijn Yanni. En hij ging op weg, naar de oude plataan. Onder de flappende strohoed had hij haar ogen gezien, blauw, de kleur van de Mediterranée. De zee in de zomer.

 

               

Kwillemniet

Excuses, mijn excuses, ik wist het niet. Ik ben er weleens doorheen gereden, door de Coentunnel. Excuses ook voor Witte de With, vond dat ook zo’n leuke straat. Het waren boeven, natuurlijk, schande. Slavenhandel was iets verschrikkelijks. Het is pas vierhonderd jaar geleden en ik heb ook altijd weggekeken. Slavernij, mensonterend, voor slaaf en slavenhouder. (noem je dat zo?) Ook nu nog worden in sommige landen mensen dermate uitgebuit dat er in feite sprake is van moderne slavernij. In 2016 waren er nog meer dan veertig miljoen ‘slaven’.

Mijn excuses voor mijn onbedoeld etnischgeprofieleer, sorry, ik kwam tenslotte van rechts. Excuses dat ik niet deelnam aan de nieuwste trend, standbeeldjeomverwerpen. Excuses voor Bonifatius, het is wel ver van mijn bed, Dokkum, maar ik heb er gewoon geen goed gevoel bij. Excuses ook aan Sinterklaas, ook ik was ooit Zwarte Piet, notabene in Londen, waar het fenomeen ten tijde van Black Panther volledig onbekend was en van roetveegpiet, laat staan stroopwafelpiet totaal geen sprake was. Soms moet je afscheid nemen van een traditie.

Excuses over mijn verliefdheid op dat Molukse meisje, Maria Watinemo, ik bedoelde het niet kwaad, zat vol met goede bedoelingen. Excuses, voor dat mooie beeld van Michiel de Ruyter op de mooie boulevard van Vlissingen, dat nu bewaakt moet worden. Terwijl, hij had er helemaal niets mee te maken. Het is pas vierhonderd jaar geleden. Echt zó fijn dat ZKHK Willem Alexander excuses maakte voor het vreselijke Nederlandse geweld in Indonesië. Excuses aan de eigenaar van de fiets, het was een damesfiets, een opoemodel die ik ooit gestolen heb. Had dan ook van mijn fiets afgebleven. Excuses, die van Mark Rutte, heel goed hoor, over de rol van de regering bij de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog.

Slavernij is al zo oud als de mensheid, in het oude China en India. De Grieken en Romeinen konden er ook wat van. Maar dus ook aan Hollandse handen kleeft bloed. Zie de ‘Herenhuizen’ aan de Amsterdamse grachtengordel, bijvoorbeeld die in Middelburg en nog menig andere stad. Voornoemde heren Coen en De With verscheepten dus duizenden slaven, althans, mensen die tot slaaf gemaakt werden, excuses. Vierhonderd jaar geleden, maar toch. Standbeelden, ze moeten blijven. Bord erbij, klaar, geschiedenis. Opdat wij niet vergeten. Racisme bestaat, er zijn nog steeds racisten en ik ken er zelfs zelf ook. Excuses voor mijn excuses, maar ja, het is niet mijn schuld, of had ik dat al gezegd.
Beelden omhakken zal racisme niet doen verdwijnen, sorry. De beeldenstorm van 2020. Een beetje stad dient tenminste één beeld te hebben. Wat is Orléans zonder Jeanne d’ Arc en in Koblenz staat prominent, op de samenvloeiing van Rijn en Moezel het enorme beeld Keizer Willem 1, niet zo’n heel prettige figuur, maar vooruit. Hopelijk over enige tijd in Dordrecht op de kop van Stadswerven een prachtig beeld van de stedenmaagd Choëphore.

Dat de geboren Dordtenaren in Den Haag gelyncht werden is niet goed te praten, maar dat Johan nu al sinds 1918 als bronzen beeld op de Visbrug zit, terwijl zijn broer Cornelis er maar zo’n beetje bij staat, het lijkt mij erg vervelend, op den duur. Excuses ook aan de Dordtenaren, die sinds vorig jaar, ondanks protesten van de club ‘Ikwillemniet’, zijn opgescheept met een nieuw standbeeld van Willem van Oranje. Niet alleen is het een wat karikaturaal geval, maar mij viel het laatst op, de pofbroek die hij draagt is van exact eenzelfde snit als die van die zwarte knecht van Sinterklaas.

 

Tureluurs

Niks te doen, klimmen kan nog niet, alle klimgebieden zijn gesloten. Geen strandweer, grijs vandaag.  De zomer is begonnen, maar de lente wás de zomer. Niks te beleven. Op de fiets dan maar. Vogelen. Het is haast niet bevatten, ook voor mijzelf niet maar ik begin het steeds meer te doen. Vogelen. En niet zoals velen door de coronahausse; goh, kijk, er zit een vogel in de tuin, cq op het balkon. En ik word er ook niet overdreven gelukkig van zoals de heer H. Dorresteijn. Maar toch, ik doe moeite, auto, fiets en dan nog een stukje lopen, Plan Tureluur. Ook alweer natuurcompensatie.
Voor door de Deltawerken verloren gegaan buitendijks gebied. Een zogenaamd brakwater schorrengebied. Vanwege lagere stroomsnelheid in de Oosterschelde verdwijnen schorren en zandbanken. De vogels kunnen nu hier terecht.

Op naar het vogelparadijs. Rechts twee bergeenden, verder niets. Links twee bergeenden, erachter nog twee, geen tureluur te zien. Ik moet me tevreden stellen met het informatiebord waarop de vijfentwintig soorten die hier te verwachten zouden zijn.
Ik ken ze allemaal, ongeveer de helft zou ik ook moeten kennen en ‘in het veld’ moeten kunnen benoemen. De rest? Lukt me niet, het restant van mijn nog niet afgestorven hersencellen weigeren domweg alle medewerking. Ze verdommen het gewoonweg, de opnamecapaciteit is niet voldoende. Men zou er tureluurs van worden. Is het de leeftijd, zijn het de opgestapelde promillages.
Mijn alcoholopname laat niets te wensen over. Of is het toch een onderhuidse desinteresse. Want tja, laten we wel wezen, wat is het belang van vogelen. Of het nu een mantelmeeuw is die daar voorbij vliegt of een kokmeeuw, ze lusten allebei friet.

Dit is het dus en ik fiets terug. Vanaf de hoge dijk spot ik een witte vogel, hooggepoot met lange snavel. Wit met zwarte veren op z’n kleed, zal wel een kluut zijn. vogelen. Je zult versteld staan hoeveel vogelaars er zijn en, verbazingwekkend, ook normale weldenkende, zelfs intelligente mensen doen het. Ze staan weleens hinderlijk in de weg, net wanneer je je alleen waant. Aan de andere kant, een groot voordeel, ze hebben geen hond.

Ik boks me terug – need I say more – in de tegenwind op de Schelpweg. Aan de slootkant zit een bergeend met drie jongen. In tegenstelling tot de witte-met-kleurtjes moeder zijn de kleintjes grijs. Vijf meter verder bedenk ik dat dit dé foto kan worden voor het verhaaltje dat ik fietsend al in mijn hoofd aan het schrijven was. Met de camera paraat nader ik de plaats waar ze zaten. De jongen zijn verdwenen onder het riet. Moeders zit aan de overkant rare geluiden te maken. Dan vliegt ze over me heen en loopt vleugelklapperend op de weg. Het lukt, ze wil me weglokken en ik, ik doe mee.

Bij de foto: De Bergeend. (Uit mijn mapje Dode Dieren, Bergeend – Schelpweg, 2020)

Torino (La Tour 7)

Met grote snelheid vliegt hij over de kronkelende schelpenpaadjes, die knoerpen onder zijn wielen. Beetje roekeloos, licht slippend in de bochten. Hoe oud zou deze fiets zijn, de Batavus Torino, een rijwiel in de fraaie tint grijsgroen. Nog uit de vorige eeuw, zeker, misschien wel dertig jaar oud en nu nog grijzer van het schelpenstof.

Fijne oude fiets, zal niet gestolen worden, liggend tegen een duindoorn of schuinsweg in het zand bij een onbemande duinovergang. Toch rijdt hij als een tierelier. Iemand? Tierelier, wat dat is? Zeven versnellingen aan boord, de grootste krijgt men slechts rond met ernstig windje mee. Die zevende, allez, voor Merckstypes als Hinault, Indurain of een Jelle Nijdam.

Parijs – Nice was de laatste koers dit jaar, zelfs zonder slotetappe. Wat een gemis, geen nerveuze Prima Vera, geen verregende voorjaarskoersen. Dat gat vulde ik op met lezen, wielerverhalen, anekdotes, verslagen, alles over de koers. En ikzelf op de fiets. De ghostzwarte caféracer, waar volgens Strava een topsnelheid werd behaald van veertig kilometer. Heel even dan, mijn parkoersen zijn kort, de oude knieën dragen mij slechts nog een spreekwoordelijk rondje rond de kerk.

De Torino, hoe Italiaans ook, Nederlandser kan een fiets niet zijn. Batavus, oerdegelijk. Fietsenmaker sinds 1904, Magneet, Fongers, alles werd Batavus. Ik moet nog zien of mijn Italiaanse racertje zolang meegaat. En voort ging het met de ontwikkeling. De techniek stond niet stil, uitvindingen als de Ergo System stuurpen, de Savety Standaard, alles uitmuntend getest en gepatenteerd. Keer op keer wordt Batavus uitgeroepen tot fiets van het jaar. Het betreft hier geen gevalletje van ‘Wij, van WC-eend’. Menig coryfee, wij noemen hier geen namen, de voornaam is voldoende, Leontien, zij liep, nee fietste haha weg met de Batavus.

Mijn exemplaar is uitgerust met een kilometerteller. Bij de trapas bevinden zich stickers met de specificaties: High Definition. High Qualilty Control. Armor Gloss Frame Protection. Equiped with safety frame protection. Highstyle Lowweight. Op de stang: Torino – Liberté toujours.  En zó is het.

Het spartaanse lederen – met koperen nagels – Brooks zadel werd hardhandig door mij vervangen door een gerieflijker exemplaar, noodzakelijk voor mijn licht uitgevoerde zitbeentjes. Een drupje extra vierge olijfolie liet ik in de trapperas vloeien teneinde de daar aanwezige kogeltjes eens fijns te verwennen en de hinderlijke Tik! te stoppen. Sindsdien fietst onderhavige Batavus weer als een tierelier en geef ik genietend nu en dan volgas om een luie E-biker het nakijken te geven.

Van de Armhoeksweg met vol wind mee draai ik haaks links en ik weet, hier altijd tegenwind. Ginds in de verte lonkt het torentje van Noordwelle, het piept net boven het wuivend veld met gerst. Zolang mogelijk laat ik hem op de zes staan. Pompen, doorgaan, ergens anders aan denken, blijven zitten, puffen en blazen, hoe ver nog, niet kijken, nergens aan denken. Dan eindelijk beschutting, de luwte van het dorp. Uitbollen met die Torino tot de Dorpsring rond de kerk, hier mag het, haaks naar rechts, terug naar de vier. Quattro.

Pinksteren

Het is zo’n dag dat je voelt, het gaat warm worden vandaag. In de stad hangt een stilte, vroeg nog, die verstoord wordt door mijn fiets die over de kasseitjes dokkert. De zon straalt op mijn rug en op de oude gevels, kleurt de deuren glimmend rijtuiggroen en oxblood rood en hult de overzijde in het donker van de schaduw.
De klok van onze schuine toren slaat zijn luie bronzen slag, een keer, half negen, precies op het moment dat ik de Engelenburgerbrug op rijd. Het water van de Nieuwehaven glanst in grijsgroene tinten die ik op mijn muur wil smeren. Op de Merwedekade tuur ik naar de Noord, daar vaart langzaam een binnenvaarder, hoog op het water, leeg, met de naam Missouri. De Waterbus uit Rotterdam meert aan. Niemand gaat van boord, of ja toch, een scootmobiel met een man erop.

De caféterrassen worden schoon geschrobd, de rood-witte linten verwijderd, alles klaar om gasten te ontvangen, we mogen weer. Langzaam peddel ik verder, door de ontwakende stad. Het is heerlijk op-een-mooie-Pinksterdag-weer.
Precies zoals het moet zijn, de zon schijnt, er is geen wind, de mensheid slaapt uit, stapt op de fiets en slalomt om de wandelende, hardlopende of skatende medemens. Vriendelijk voldoende ruimte latend, hoewel de bewijzen zich opstapelen dat dat helemaal niet nodig is, buiten.

De gazonnetjes van het stijlvolle plantsoen bij het Wantijpark zijn bevolkt met mensen die halters en gewichten liften, lunges doen en squats, rondjes rennen of yoga en tai chi beoefenen. Het ziet er geweldig uit, de fontein bruist en verder is het stil en hoewel ik verder fiets voel ik me een met hen.
Het is dat op-een-mooie-Pinksterdag-gevoel. Een fietser met een karretje met daarop een lange oranje kano. Een handhaver in een geel hesje hangt relaxt tegen de leuning van de brug. Op de lange Wantijdijk gaat het verder, ook hier veel sportende mensen, het Wantij lijkt de Hudson, de dijk wordt de boulevard erlangs, de Hudson River Greenway, de troosteloze wijk De Staart aan de overkant is allesbehalve Manhattan en de Wantijbrug in de verte niet bepaald de George Washington Bridge, but who cares. In gedachten kan alles, als je maar wil, zei mijn Zeeuws-Vlaamse oma vroeger en dat ze gelijk had blijkt even later.

Thuisgekomen blijkt het huis verlaten, Eega is met onbekende bestemming vertrokken. Het is nog steeds vroeg en stil. Ik zit in mijn bebloemde tuin, bij de witte en blauwe akelei, de lila digitalis en ergens wordt een zonnescherm uitgedraaid, ik hoor het en iemand geeft zijn planten water. Twee families mussen kwetteren en spetteren in het bad. Ik hoor het wel maar luister niet.
De zon is heet en de lucht is hoog. Een bepaalde kleur blauw en er drijven een stuk wat bepaalde wolken en dat, deze combinatie verplaatst mij naar die ochtend toen, in de Alpen. Op de top van de Petzeck, of toch bijna. Datzelfde gevoel van geluk, ontstegen aan de werkelijkheid, een kijkje naar eeuwig, de cocon van tevredenheid, vrede in jezelf. Er blaft een hond, vlakbij en langzaam daal ik terug tot in de tuin en voel de pijn van heimwee. Het verlangen daar te zijn, ergens rond te zwerven, boven de boomgrens, op wolkhoogte.

Voor George Floyd in Minneapolis was geen mooie Pinksterdag.
Voor de zwarte gemeenschap van de staat Minnesota geen mooie Pinksterdag.
Voor alle zwarten en alle blanken in het land van onbegrensde mogelijkheden was het geen mooie Pinksterdag.

Niks om aan te trekken

Deze verzuchting hoort iedere man weleens voorbijkomen:
“(zucht) ik heb niks om aan te trekken (zucht)”
Nu heb ik een sterke neiging tot overdrijven maar deze vrouwelijke noodkreet is ook op mij van toepassing. Zo trok ik laatst een broek uit de kast en aan en sloeg aan het rekenen. Gezien het merk, het sterretje en de toevoeging ‘Premium’ kon ik het jaar van aanschaf vaststellen. Bij benadering. Een lichte zomerpantalon van uitmuntende kwaliteit. “Kan die nog?” vroeg ik Eega. Hij kon. Elf jaar oud.

Voornoemde kast is van het zogenaamde indoor closet type, waar menig Premier Leaque voetbalvrouw jaloers op zou zijn. Tot de nok toe gevuld met kleding. Ikzelf heb daar ook een plank tot mijn beschikking. Razendknap hoe vrouwen ( ik moet dit, voor de lieve vrede, even wat veralgemeniseren) steeds andere verklaringen weten af te leggen bij nieuwe aanschaf. ‘Ik wilde dit al zolang, voor op die rok, je weet toch, je was erbij toen, ik had nog een bon, normaal kost die’, en uiteraard; ‘een koopje dat ik niet kon laten hangen’.

Ik moet toegeven, heel clichématig, ik ben een man en als zodanig met een pesthekel aan winkelen. Komt nog bij dat ik m’n hele leven werkzaam was in de luxe herenkleding en dus grondig verpest en uiterst kritisch. Ik koop niets, liefhebber van mooie kleding die ik niet kan vinden. Wil niet beweren dat er sprake is van een midlifecrisis. Midlife grens reeds ruim gepasseerd en crisis, ach. Welke kant moet ik heen, aanpassen aan gevorderde leeftijdskleding. Volgens geldende regels der kleding etiquette. Moet ik iets aan trekken dat ‘je jong maakt’.
Ik hou van sport, maar niet van trainingspakken. Ik hou van de bergen, maar niet van outdoorkleding in dit laagland. Ik schreef al eens een pleidooi over de korte- en de afritsbroek. Moet ik het nog hebben over sandalen? Voor mannen dan hé. Ik bedoel niet de gouden sandaaltjes van die Egyptische prinses die ik ooit tegenkwam.

Ooit liep ik mij een kostuum aanmeten, een maatpak. Dat ik twee keer droeg, een keer met passen en later dat jaar met Kerst. Het is lastig, ik wil niet van verre herkend worden, wanneer de grenzen weer open gaan, als Hollander op vakantie in het buitenland. Niet de would-be ouderejongere uithangen, me niet conformeren aan grijzegolfgedrag. Nee, ik wil geen bruine corduroy pantoffels of paarse Crocs. Geen geinig bedoeld rieten strohoedje met kapotte rand. Ja dames, het zit hem in de details. Ik heb het niet makkelijk. Als je het niet verder vertelt, nu komt de aap uit de mouw: eigenlijk draag ik het liefst een T-shirt en een oude broek. Maar wel met goeie schoenen.

En toch wil ik even opscheppen, ik heb iets gekocht. Schoenen, hele mooie, kobaltblauw, heel licht, ja, ik heb ze net gewogen, ze wegen 290 gram. Per stuk. Met witte zool, het zijn sportschoenen, Asics, dan mag zo’n witte zool, om precies te zijn, het zijn hardloopschoenen. Nu nog iets er op, geen trainingspak, dat fraaie Nike setje dat ik ooit bezat, waar is dat gebleven. En dan nog hardlopen natuurlijk.

Bij het voorlezen van dit verhaaltje aan Eega bestudeerde ik haar gezicht en hoewel ze het probeerde te verbergen, zag ik dat er sprake van een lichte geamuseerdheid. Ze sprak: “Wees jij nou maar lekker shabby!”

Observaties vanuit het keukenraam

Lang aarzelde ik over deze titel. Buurvrouw zou korter zijn, maar ook makkelijker googelbaar. Nu ga ik er gemakshalve vanuit dat geen van de hieronder ten tonele gevoerde buurvrouwen dit zal lezen. Een van mijn allereerste verhaaltjes ooit; ‘Buurman’, leverde ook geen haatmail of bedreigingen op. Bovendien, het zijn slechts observaties. Vanuit willekeurig een keukenraam.

Laat ik maar meteen beginnen met zij die mij het meest intrigeert. Hoe zij lóópt. Diepzwart is ze en beeldschoon, waarschijnlijk vierendertig en liggen haar roots in Nigeria, Ghana of Senegal, mogelijk ook Dubbeldam. Zij loopt zo gracieus, traag en typisch Afrikaans kaarsrecht, alsof ze net terugkomt van de waterput verderop met een kruik water op haar hoofd, trots. Zij is altijd alleen, heel dun en haar haar, ik denk ontkroest, draagt zij in zo’n strak naar binnen vallende krul, zoals Diana Ross het had in de tijd dat ze nog bij The Supremes was.

Een geheel ander type is buurvrouw-met-het-hondje, pal naast me. Die zijn er trouwens veel hier, met een hondje. Deze is een onopvallend type, net als haar hondje, mocht ik haar in de stad tegenkomen, ik zou haar niet herkennen, net als dat hondje trouwens. Ze heeft, in de vier jaar dat ik hier woon, nog nooit iets tegen mij gezegd. De eerste drie jaar dat ik haar groette, keek ze me alleen maar aan, zei niets terug. Nu ben ik ermee gestopt, met dat groeten. Ze kijkt nog steeds. Een andere buurvrouw-met-het-hondje, tattoos, bruin en blond, shaggie links, danwel rechts in de mondhoek zegt gedag, kort. Ze is mager, net als haar hondje.

Er is er nog een, blond en-met-een-hondje, maar zij heeft het lang en hoogblond, dat haar. En wel zo dat men, haar op de rug gezien, nieuwsgierig wordt naar de voorzijde. Die dan toch wel ouder is dan verwacht. Het hondje is ook blond, met zwart. Ze zegt ook gedag, maar Dordts. Van een andere orde is er die buurvrouw-met-hondje met dat rare haar. Zwart en gothic. Ze kijkt wat nors en zegt niks, net als haar boxer.
De buurvrouw-met-twee-hondjes. Schattig tiepje, trippelt gebukt, aandachtig vol liefde kijkend naar de keffertjes, voorbij, zegt soms zachtjes hallo. Verassende combi met haar man, geblondeerde oorbelletjesdrager en bestuurder van een zwarte brullende Dodge pick-up.

Buurmeisje blijf ik haar noemen, hoewel ze die benaming inmiddels al is ontgroeit, sterker nog, binnenkort woont ze ergens anders. Als zij langsloopt met-het-hondje kijkt ze zelfs door het keukenraam om te zwaaien. De hond ook, kwispelend.

Heb ik het al over de buurmannen gehad? Die twee of drie hier pal achter. Ook met hondjes, soms een, soms twee. Aanwezig, altijd. Luidruchtig, praten kunnen ze niet, alles op schreeuwniveau. Altijd klussen, zagen en boren en schuren in de tuin of aan het huis. Als ze niet timmeren moet alles worden afgespoten met de gele Kärcher. Elke week weer, een halve dag lang. Als ze niet spuiten blaffen de hondjes, naar alles wat beweegt.

Ik zou haar weleens willen ontmoeten, buurvrouw Diana, daar twee kilometer verderop, als ze water komt halen bij de waterput.