Beyonce

image1 (1)
Het mag echt niet, daar kunnen ze niet aan beginnen. De mooie racefiets van de net zo mooie berijdster mag niet naast de ingang van het Dordts Museum gestald worden. Is zij ook op weg om het ‘Gezicht op Dordt’ te bekijken, het schilderijtje dat de conservator van het museum opmerkte. Wat slechts vaag zichtbaar was in de clip van Beyonce: ‘Denial’. De relatief onbekende Dordtse schilder Wim Jansen figureert dankzij een Chinese site met stockfoto’s nu op wereldniveau, voor wie het wil zien, achter de wulpse vormen van de zwemmende Beyonce. Nee mevrouw, buiten de poort die fiets, of in de gratis fietsenstalling verderop.

Het is een dag die het KNMI inschaalt als een met tropische waarden. Zo langzaam mogelijk fiets ik naar de stad. Met een omweg, eerst naar het haventje, de Loswal. Het is stil, er is niemand en het Wantij stroomt niet en er vaart geen boot. Of toch, ja daar komt een sloep aan. Traag glijdt hij voort, de man aan het roer, de vrouw houdt een parapluutje hoog, het is heet. Alles trilt en zindert en ik moet m’n ogen tot spleetjes knijpen.

Op de Wantijdijk kom ik hem weer tegen, een van de laatste alpinopetdragers. Al heel lang ken ik hem. Sinds hij bij mij aanbelde met zijn vraag. Hij had een volkstuin, aan de overkant, hij wilde zo graag kippen houden, kon dat bij mij. Al die jaren kwam ik hem tegen, op zijn fiets, met zijn alpino schuin. Toen werd zijn fiets een elektrische en veranderde zijn houding, achterover, het stuur hoog. Nu is er weer wat veranderd, hij rijdt een scootmobile en zijn vrouw ook. En op zijn hoofd prijkt een Franse claque.

Langzaam peddel ik voort, ik val net niet om. Bij jachthaven De Punt ligt een vlet te koop. Ik fiets er omheen, staal, goed in de verf, twee luchtkasten, maar geen motor en geen huif. Ik moet een boot hebben, met een huif om te schuilen en te overnachten. Ergens, weggekropen in de Biesbosch. Op het terras achter de boot, zit een man die me verwachtingsvol aankijkt. Ik laat hem wachten en fiets verder, ik val net niet om.

Op het Groothoofd zitten de terrassen vol. En gelukkig, ze zijn wit, de meerpalen zijn wit, eindelijk zijn ze overgeschilderd. Het lelijke oranje en rood, wit en blauw, nog van Koningsdag, is weg. Jongens duiken van de Damiatebrug de haven in. De kleuren van hun zwembroeken steken fel af tegen de donkere schaduw van de pakhuizen. Op een bankje aan de Gelderse kade is een vreemde combi in gesprek. Een dame met van dat grijze haar dat nu zo in de mode is, zit met haar beentjes bloot, te praten met een man in het zwart. Zijn vuile T-shirt toont de zwarte tattoos op zijn armen. Dan verrijst zij van de bank en verdwijnt in een van de statige panden. Een gesprek tegen wil en dank.

Wim Jansens schilderij ‘Gezicht op Dordrecht’ heeft een grijze lucht. Het is, aan de bomen te zien die vol in het groen staan, een zomerse dag. Het zou zomaar kunnen dat het, net als vandaag, een dag van tropische hitte is. Bewolkt, drukkend weer, onweer dreigt. Ik vind het een prachtig schilderij. De andere zalen neem ik, hoe vaak ben ik hier al geweest, plichtmatig even mee. Daar loopt de wielrenster in haar strakke zwarte pak. Het is gelukt, de fiets geparkeerd, ze is binnen.

En dan gebeurt het, de zon neigt ter kimme, zoals dat in boeken wordt beschreven. Hier zakt hij weg, achter de kolos, het zwarte silhouet van de Grote Kerk. Daar in de verte, over de Lange IJzeren Brug, daar komt zij aangestapt. Onmiskenbaar, zij is het, zoals zij loopt, met die grote verende passen, wild schudt ze het haar, die enorme bos, naar achteren. Aan de grond genageld sta ik. Maar nee, ik ga haar tegemoet, mijn hart klopt in de keel en zij, zij vangt het laatste licht met haar amberkleurige ogen.
Stamelend breng ik uit:
“Bent u het echt, eeeh, is it you?”
Langzaam schudt ze van nee, maar de glimlach van haar volle lippen doet anders vermoeden.

Advertenties

La Tour (5)

drei zinnen 080
Soigneur
Een wielrenner hoort zich te soigneren. De fiets en de ketting schoon, gladde beentjes en witte sokken. Die sokken, daar doen ze niet meer aan, alle kleuren. Mijn benen scheren deed ik niet, wel smeerde ik er een smerig spul op. Dat prikte zo, dat je zo snel mogelijk wilde wegrijden en hard ook: rijwind. Het rook wel lekker en van die geur alleen al werd je opgewonden. Ik had altijd witte sokken.

Een wielrennen moet zich verzorgen. Of zich laten verzorgen. Zo heb je de mecanicien voor de fiets en de verzorger, de soigneur, voor de renner. Peter Winnen had een Belgische soigneur. Op een bepaald moment was het volgens hem:
“Tijd om het andere ‘valieske’ er bij te pakken.”

De koersbroek dient altijd schoon te zijn. Eens kreeg ik de tip om het soms keihard opgedroogde zeem in de broek goed in te vetten. Broekenvet. Dat resulteerde na een paar uur koers in babyzachte billetjes. Mijn fiets kreeg voor vertrek de volgende verzorging: meer lucht in de banden en meer olie op de ketting.

Mijn dochters waren nog klein in het tijdperk Rooks en Theunisse. Volgens mij was de ene stiekem ‘op’ Rooks en de andere ‘op‘ Theunisse. Over de criteriums na de Tour doen altijd verhalen de ronde. Eens was ik er zelf getuige van. De Ronde van ’s Heerenhoek, we zagen diverse renners zich verkleden en verzorgen in de woning van Jan Raas. Broer Marten en ik wandelden het hele parcours rond tijdens de wedstrijd. Joop Zoetemelk reed al enige tijd met voorsprong. Op een stille polderweg buiten het dorp hield Joop, omkijkend, de benen stil. Daar kwam het peloton, met Hinault briesend voorop. Het was de laatste ronde. Even later hoorden wij, nog buiten het dorp, de speaker, luidkeels door de geluidsinstallatie brullen dat Bernard Hinault, met nipte voorspong, de Ronde van ‘s-Heerenhoek had gewonnen. Geweldige prestatie.

De Mont Ventoux beklommen Eega en ik met onze rode Renault 4. De motor was warm en op de top was het akelig koud. De afdaling was griezelig te noemen.

Soms duurt de winter lang en voordat de voorjaarsklassiekers er weer zijn. Dan kijk ik uit naar die heerlijke zondagmiddagen voor de buis. Urenlang kijken naar de bekende parcoursen.

Gevallen ben ik gelukkig nauwelijks. Een keer toen ik stilstond. Met een voet in de toeclips vastgegespt, het stuur klapte om, de fiets draaide weg, hilarisch. En ik wilde eens omkeren op een weg die daarvoor te smal was, toch deed dat pijn. Snelle suikers bestonden niet. Toen de Isotone dranken opkwamen was dat hip. Je maakte je eigen mix en vulde daarmee je bidon. Toen ik een keer meedeed aan een Duathlon, run – bike – run, elastiekte ik twee mini Marsjes aan mijn bidon. Dat, het gerafelde stuurlint en het van jaren zweet doortrokken zadel, trok in ieder geval wel de aandacht van de routiniers op hun merkwaardige Triathlon fietsen.

La Tour (4)

marmolada 080
Joop

Telefoon! Enigszins afwezig nam ik op:
“Joop”,
hoorde ik, kreunend en nogmaals:
“Joop!”,
iets luider nu. Ik meende de stem van mijn broer Marten te herkennen, ik vroeg wat er was.
“Joop Zoetemelk!”
brulde hij nu en nogmaals en nu nog harder en haast onverstaanbaar met een brok van grote afmetingen in zijn keel:
“Joop Zoetemelk, wéreldkampioen!”
Onvergetelijk, dat moment en voor mij de mooiste en meest gegunde overwinning ooit.

In de periode dat ik met vriend Wim de pedalen beroerde kon het gebeuren dat bij hem de telefoon ging en hij bij het opnemen hoorde:
“Spreek ik met de Speer van Papendrecht?”

Fietsen met de buurmannen was altijd haasten. Wegens mijn werk in verre steden altijd laat thuis zijnde moest ik in grote haast eten. Ze stonden alweer te wachten op de dijk. Eenmaal maakte ik een vergissing, ik at niet. Gehaast trok ik de broek en de trui aan, die zwarte met die rood, geel, blauwe wereldkampioensbandjes aan de mouwen en het kraagje. De witte pet, helmen waren nog geen mode. Checkte de banden en hup daar gingen we. De polder in, de Kiltunnel door en kriskras vlogen we de polder door, wind mee. Het zal bij Numansdorp geweest zijn dat de energie op was. Na kilometers op het kleinste van de tien verzetjes en zelfs dat ging eigenlijk niet, gereden te hebben zagen we een café. Daar verkochten ze niets, behalve sterke drank en een rol pepermunt. Daarop, op die rol ben ik thuisgekomen en leerde ik wat hongerklop is.

Mijn broer Marten fietste bij wielerclub Theo Middelkamp. Hij bezat een maatfiets. Voor zijn vrouw liet hij een fiets maken die geheel verchroomd was. Rood was het zadel en het stuurlint. Dat was ook eigenlijk het enige dat zichtbaar was, de rest van de fiets glansde zo onwerkelijk mooi, je kon hem niet zien.

Lek, met een knal stond ik opeens lek. Een grote scheur in de buitenband, plakken was onmogelijk. Het binnenbandje wat opgevouwen onder mijn zadel was gebonden kon blijven zitten. Ik was amper met mijn lot verzoend en lopend aan de terugweg begonnen of daar stopte een beer van een vent op een MTB. Die scheur maakte hem niets uit, het moest gemaakt. Een stuk ouwe buitenband uit zijn reparatieset eronder, pompen en klaar, graag gedaan en weg scheurde hij. Amper honderd meter verder weer een knal. Lopen dus weer. Voordat ik thuis was, moest ik nog tweemaal hardnekkig hulpbiedende medefietsers overtuigen dat repareren geen zin had.

Chauvinistisch als ik ben moet ik niet meedoen aan Tourspelletjes. Ik laat me altijd leiden door mijn hoop dat er een Nederlander wint. Laatst had ik een zware dag. ’S morgens al vroeg paraat voor de buis. De marathon van Rotterdam. Koen Raymaekers viel uit. Een snelle lunch en dan klaar voor Parijs Roubaix. Schitterende koers, Nikki Terpstra viel. Alles gezien. Ik was doodmoe, kapot, ik kon niet meer.

La Tour (3)

berliner 042
Passo Gardena
Met nog meer dan gemiddelde belangstelling keek ik naar de etappe van de Giro die over deze pas trok. Over enkele maanden zal ik zelf naar deze pas gaan, niet per fiets. Te voet, afdalend van het Geissler massief en omhoog naar Pisciadu. Probeerde alvast sfeer te snuiven, voorpret! Met als bonus dat Steven Kruiswijk hier passeerde in de roze leiderstrui. Passo Pordoi herkende ik van eerdere tochten.

Op een van de tochten met de buurmannen klampten eens meer renners bij ons aan. Ik moest mijn plaats als laatste man afstaan. Het waaide hard en op de smalle Ammerse kade naar Groot Ammers ontstond een waaier. Ik zat met mijn kop in de wind. Het bruggetje over het Achterwaterschap was teveel voor me. Ik verloor aansluiting. Het duurde lang voordat ik thuis was.

Agnello zal voor Kruiswijk altijd een pijnlijke herinnering blijven, daar verloor hij met een koprol de Giro. Col d’Agnel, zo spraken wij het uit, op z’n Frans, ik was daar ook, maar dan op de echte top en niet op de pasweg. En we kampeerden bij de startplaats van die etappe: Guillestre. Nooit vergeet ik de eerste ochtend dat ik er wakker werd. Vroeg uit bed, een zonplekje zoeken in het schaduwende bos. Hmm, nog wat koud, toch wat aantrekken. Even later, nog veel meer kleren aandoen. Het was net boven het vriespunt, de kampplaats lag op 1700 meter. Iedere avond ging de zon om zes uur achter de berg, meteen een trui aan. In het hele bos lag er geen takje op de grond. Bij iedere tent werd een kampvuur gestookt. Hout moest je van ver aanvoeren.

Vlak nadat La Tour gefinished, en de dag erna was gestart in Courchevel zette ik de tent op in de Vanoise. Onmiskenbaar was de Ronde hier langsgekomen, het asfalt was beschilderd met namen: Pantani, Virenque. Ik huurde een fiets en ging op weg naar Courchevel, vrijwel direct ging het omhoog. Pas na vele kilometers moest ik ergens remmen. Een hevig schurend geluid, achter bleek er slechts één remblokje aanwezig te zijn. Er zat niets anders op dan meteen om te draaien, nog hoger klimmen was nog meer afdalen met slechts een werkende voorrem. Mijn woedende commentaar bij de verhuurder werd op z’n Frans, schouderophalend, aangehoord.

Een van de allermooiste momenten was toch wel toen Marianne Vos wereldkampioene werd. De Nederlandse vlag werd gehesen, het Wilhelmus klonk en Marianne zong keihard mee, terwijl ze even hardgrondig huilde. Hou het dan maar eens droog als sportliefhebber.

Met vriend Wim een weekend naar de hellingen van de Posbank. De hele zaterdag vielen we het hoogste punt van de Veluwe van alle mogelijke kanten aan. Die avond daalden we af naar Roozendaal en naar de plaatselijke uitspanning. Naar binnen mochten wij niet, onze kledij was daarvoor niet geschikt. We brachten de avond door op het terras, terwijl binnen een avond voor alleengaanden gaande was. Hoe wij in het nachtelijk donker, tamelijk gedrogeerd, op onze kale onverlichte fietsjes de camping terugvonden, is tot op heden niet opgelost.

 

La Tour (2)

vanoise 2 204

De Muur
Uitleg is niet nodig. Iedere wielerliefhebber kent hem, of nou ja, er zijn er twee, de muur van Huy en de Kapelmuur. En die laatste bedoel ik de Muur van Geraardsbergen. Die moet je beklommen hebben, een keer in je leven. Zoals je een marathon gelopen moet hebben, of andere hoogtepuntjes, naar Mekka, of de Mount Everest.

Wielrennen, het is een way of life. Ook al fiets je niet of niet meer. Of fiets je wel, maar dan niet (meer) op de racefiets. Er is altijd wel een koers, ergens op de wereld en anders zeker in België.

Op een verjaardag is het altijd leuk:
“Hoe zou het zijn met ….”
En dan een naam van een oud renner noemen, bijvoorbeeld Jesper Skibby, Massimilliano Lelli of Jelle Nijdam.

Vriend Wim en ik reden door de heuvels in de Dordogne, voortdurend op en af. Op duurde langer, af, naar beneden ging razendsnel. Carsac, Sarlat, Vitrac, langs de rivier even vlak. Wim was voor mij niet te volgen, met ware doodsverachting gooide hij zich tussen de auto’s. Tot het weer omhoogging, dan waren de rollen omgedraaid.

In de Blauwe Kamer van de Centrale Bibliotheek sprak Thijs Zonneveld. Het ging over afzien, dikke benen, hongerklop en hij noemde wielrennen: de sport van de hoop. Tegen beter weten in blijven fietsen. 197 man fietst vlak achter je. Je moet nog tien kilometer naar de finish. Je weet dat het onhaalbaar is. Maar misschien vallen ze stil, je hoopt dat je het haalt, je hoopt het, dat je wint.

En waarom staan wielrenners zo snel op en springen ze onmiddellijk op de fiets na een val. Waarom duiken ze onder gesloten spoorbomen door. Alles om die voorsten maar niet te laten gaan, om bij te blijven. Dat ondervond ik aan den lijve, met de ‘Ames Tourtocht’. Er werd plotseling versneld vooraan, er viel een gat. Ik kreeg een waas voor ogen en totaal voorbij mijn adem fietste ik tot weer aansloot. Stoepranden, steile bruggetjes, in totale paniek, ik zag ze niet, ik moest naar voren.

Op het eiland van Dordt is een kasseistrook. Het asfalt bij de Zuidhaven verandert over een lengte van een kleine honderd meter in de Hel van het Noorden. Misschien qua kassei zwaarte slechts drie sterren, maar toch. Op volle snelheid ramde ik er wel overheen. En altijd weer blij wanneer ik de overkant haalde.

Het was zover, de Muur moest worden afgevinkt. Om naar een climax toe te werken dient te worden uitgesteld. Eerst dus naar Oudenaarde, Het Museum van de Ronde van Vlaanderen. Een ‘must see’ bovendien. We parkeerden dan de materiaalwagen op de Markt voor de kerk. Vervolgens fietsten we de route tegengesteld het stadje uit. Warming up en voor meer total experience. Grote Straat, de brug over de Dender, de Brugstraat , de Markt, links, rechts meteen heel steil, de Vesten, meer dan vals plat, maar dan begint het. Het zijn al steeds kasseitjes, op de Markt en de Vesten nog ‘plaveien’ maar hoe hoger, hoe slechter. Vijftig meter voor de Kapel moet ik van de fiets. Wim haalt het, zigzaggend. Ik krijg afkeurend gemompel vanaf het terras ’t Hemelrijck. Pas wanneer ik op mijn fiets wijs, met de ouderwetse toeclips en de kabels boven het stuur:
”deze fiets is 37 jaar oud!”
krijg ik applaus. Door naar de Bosberg, Wim verdwijnt uit het zicht, als een Nibali of een Sagan duikt hij de diepte in.

La Tour (1)

IMG_3795

Als kind had ik een aangetrouwde neef die wielrenner was. Ieder jaar passeerde de Ronde van Midden-Zeeland vlak langs ons huis. Ik hoopte dat mijn neef zou winnen, daar, op de Bergweg: de finish was ook dichtbij. Ik keek tegen hem op, hij was wielrenner en hij had een sportwagen, een kleine rode cabrio. Tevens had hij mijn nicht, in mijn jongensogen een mooie filmsterachtige verschijning. Dat en het geluid van de bandjes, de geur die het peloton achterliet, de spanning en het lawaai van het afwachtingsprogramma dat de hele dag duurde, de onverstaanbare speaker in de verte, het lange wachten, dat alles vormde mij tot wielerliefhebber. Mijn neef won nooit. Het beeld van Jan Raas, met zijn bril, leren helm en zwarte trui, die als een razende stier solo naar de finish vloog, staat voor altijd op mijn netvlies ingebrand.

Een aantal jaren fietste ik ook. Echt goed was ik nooit. Nadat ik de herfst, de winter en het voorjaar had hardgelopen, pakte ik in het begin van de zomer het fietsen weer op. Klampte aan bij een paar buurmannen, die al vroeg in het jaar, na het schaatsseizoen, waren begonnen. Dat aanklampen bedoel ik letterlijk. Ik weet hoe het eruit ziet, zwarte sneeuw, Soms werd ik gewoon uit het wiel gelost. Ik ken het gevoel van verzuring, van volgelopen, dikke benen, weet wat afzien betekent. Een enkele keer demarreerde ik overmoedig. Dan hoorde ik ze lachen, achter me.

Ik werd ooit voorgesteld aan Jeroen Blijlevens. Verbaasde me over hoe klein hij was, net als Servais Knaven. Op de Spuiboulevard voor de start van Eneco Tour door Nederland vroeg een man met speciale tongval mij:
“Meneer, waar is hier het gemeentehuis?”
Dat was eenvoudig uit te leggen aan de heer Peter Post. Dochter Martine liet ik om een handtekening vragen aan Henk Lubberding.

Ik hou van sport: het enige dat ik echt volg is de Tour. Alles wil ik ervan zien. Nu was de start in Utrecht. Daar zou het voor mij te druk zijn. Ver voor de doorkomst van de reclamekaravaan, een dag later, dwaal ik over de Maasboulevard. In stilte, nog bijna geen publiek. Geen verkeer ook, alles is afgesloten. Af en toe razen auto’s en motoren met onduidelijke taken langs. Officials, bobo’s, juryleden, organisatie, verzorgers, tijdwaarnemers en veel, heel veel journalisten. Veel politie en dan opeens een lange rij Franse motorgendarmes, vlak achter elkaar, scheuren! Langzaam worden het er steeds meer en komt er ook meer publiek om me heen staan.
“Waarom schrijven ze in Engeland de met th?”
vraagt een jongetje aan zijn vader.
“Eh tja, dat is een andere taal”.
Na lang wachten vliegt tenslotte de kakelbonte karavaan voorbij. Bruine Franse meiden smijten dingen uit de auto’s. En ze doen het echt, de meute duikt naar een Skodapetje of een zakje Haribo.

De Maasboulevard stroomt leeg. Het wordt donker en koud, de voorspelde buien komen eraan, in Zeeland stortregent het. Opeens besluit ik, ik ga thuis voor de buis, snel terug met de trein. De eerste regendruppels vallen, maar ik kan station Blaak niet in. Agenten sluiten de boel af met afzetlinten: bommelding. Dan maar schuilen voor de bui met een biertje in de Oude Haven.

Ruim op tijd sta ik weer aan het parcours. In de verte zie ik ze komen, eindelijk! De helikopters dreunen, steeds meer motoren rijden hard voorbij. Een rode Skoda, een cameramotor, dan een renner, klein in zijn glimmende zwarte outfit, rijdt vooruit. Daar zijn ze! Erachter de kopgroep van drie man, eén daarvan moet Stef Clement zijn. Ik herken hem niet. Ze zijn kansloos, daar komt, massief en dreigend, over de hele breedte van de weg het peloton al aan. Geluidloos. Ik klap mijn handen rood en tot mijn verbazing hoor ik mezelf schreeuwen. Een oerkreet, die lijkt op een lang aangehouden: ‘YO!’ Het peloton, een compacte massa kleurig verpakt vlees zoeft voorbij. O wat gaat dat hard. Onherkenbaar, gehelmd, blinkende zonnebrillen. Gladiatoren. Bewegingloos zoeven ze voort, de benen trappen in een hels tempo de trappers rond. Ik weet het zeker, mijn hartslag is net zo hoog als die van deze mannen. In een paar seconden zijn ze voorbij. Het is net begonnen, de eerste etappe pas. Heel Frankrijk door, de Pyreneeën, de Alpen, naar Parijs. Wat een enorme opgaaf. Wat zijn ze klein en kwetsbaar. Ik voel een vreemde mengeling van ontzag, medelijden en respect. Emotioneel.

De niet eindigende rij ploegleiderswagens met fietsen en wielen op het dak laat ik, snel, naar huis! De route van het station naar huis is bekend, tienduizenden keren fietste ik die. Nu verbreek ik alle records en niet wegens wind mee. Ruim op tijd voor de waaiers, in Zeeland.

When I was young

G + C

Als ik jong was zou ik gaan kitesurfen. Als ik de bergen eerder had ontdekt, als ik eerder serieus was gaan hardlopen, het sportklimmen had leren kennen, als. When I was young.

Schoonzoon Martin vraagt of ik meega, even naar Uitgeest. Het is zo’n eind rijden alleen. Via Mrktplts een nieuwe kite kopen. We parkeren bij de kerk waar kinderen spelen in een dorpse stilte. In het kleine achtertuintje van de verkoper past het net. De ‘dudes ‘ pompen het gigantische zeil op, checken of er geen lek in zit, ze spreken een geheel eigen taal, over varen, windkracht, goede en slechte spots. Fantastische sport, zon en wind en water. In zijn kobaltblauwe wetsuit keilt Martin knalhard over kille grijze golven. Ooit vroeg ik hem:
“Ben jij ook een polderjongen?”
Het was even stil, toen zei hij:
“Ik ben een beachboy”.

Generale repetitie, binnenkort moet ik aan de bak. Gidsen door de oudste stad van Holland. Een nichtje met een groep vriendinnen wil persé met mij. Ik doe mijn rondje en bedenk wat ik zal vertellen. Dochter Martine vraagt of ik meega, even naar IJsselmonde, naar een outlet voor een jurkje. Goh, denk ik, zo’n eind rijden voor een jurkje. Ze moet wel nog even douchen, net terug van training, ze dampt nog na. We werpen ons ons in de hectiek van de A16. Heel gezellig, we hebben het over het werk, haar werk. Ze is in de bloemetjes gezet. Voor de Brienenoord eraf en dan. Martine doet alles tegelijk, gooit de auto door de bochten, navigerend met d’r GPS, op zoek naar de winkel. Ze stormt de winkel in, scant de voorraad, zonnebril op en af. Het jurkje is afwezig, wat geeft het, dan scheuren we toch weer terug.

Schoonzoon Robert vraagt of ik meega, stukje varen met de Pura Vida. Met nog wat vrienden van hem sukkelen we door de Biesbosch, lui liggend in de kussens. Het oude motortje pruttelt zachtjes. We praten over The Iceman en zijn ademhalingstechniek. Ik heb koud bier. Roger smeert stokbrood met aioli. Man overboord, twee zelfs. Mij te koud. En te modderig, bovendien ik proef liever zout water. Roger laat zich achter de boot aanslepen aan een tros. Robert snijdt een plastic fles in tweeën, stopt zijn telefoon erin. Nu klinkt de muziek net wat harder, Youssou n’Dour, Senegalese muziek. De zon schijnt relaxed in het Moldiep. Volgens mij zou The Iceman dit ook ontspannend vinden. When I was young, had ik ook een boot gekocht, een zeilboot, dat wel. Ze willen nog een ronde door de stad, maar ik heb geen tijd. Ze zetten me aan wal.
(“Dit is de wal”, zei zeezeiler Henk de Velde, toen hij voet aan wal zette en even rondliep, nadat hij in recordtijd, solo, de wereld had rondgezeild)
Ik bedank de mannen:
“Bedankt, mannen, ik tel hier een, twee, drie, vier, vijf gelukszoekers”.

Snel naar huis, paprika, tomaten, gehakt, knoflook en een potje. We eten spaghetti. Vlug verkleden en weer weg. Gespannen, ik hoop niet dat ik win. Ik stuurde een gedicht in voor de poëziewedstrijd van ‘De Letteren’ in Papendrecht. Het onderwerp moest zijn: Vlucht. Ik legde de verbinding met vluchten en / of geluk zoeken.

Mijn antwoord op Carol ‘s appje: “Ga jij nog? “ is, dat ik alleen ga als zij gaat. Gáán. Music In The Parc, het Wantijpark in dit geval. En het park is vol, het heerlijke weer zal meespelen en natuurlijk ook de ‘line-up’, wie er zoal speelt. Carol en ik manoeuvreren ons door de massa naar voren. De bas resoneert aan mijn binnenwanden. We schreeuwen elkaar van dichtbij in het oor, biertje en wijntje in de hand. Daar is Joop! En daar is Willemien! We wandelen naar een kleiner podium waar het een en al reggae is. Prompt komen de herinneringen bij Carol boven, aan haar recente trip naar Jamaica.
“Ya Mann!” Reggaebeat en wietwolken en een tapijt van plastic bekertjes, de zon zakt achter de bomen, peace!

When I was young
It was more important
Pain more painful
The laughter much louder, yeah
When I was young
When I was young
(The Animals)