Zinloos

Heb je nog even, ik heb er geen zin in namelijk, sterker nog, ik ga er niet aan beginnen. Ik. Doe. Niet. Mee. Van hogerhand opgelegde dwangmatigheden, ik voel er niets bij, ik heb er geen goed gevoel bij, om het eens modisch uit te drukken. Kijk! Als het zin zou hebben, oké, ik ben de beroerdste niet. Zoals mijn  goede vriend Wim T (ik mag T zeggen) Schippers al zei; ‘de zin van de onzin’, ik ben best in voor onzin.

Zoals ten tijde van de invoering van de verplichte reflector op het rijwiel. Goed, ik wilde daar nog wel in meegaan, zag, als notoir zonderlichtfietser, er wel de voordelen van in. Maar, er zijn grenzen, we moeten niet overdrijven. Toen ook de fietsbanden moesten gaan reflecteren, ja zég. De capriolen die men uithaalde om maar op te vallen in het donker. Hedentendage is het vrijwel onmogelijk een band zonder oplichtende streep bezijden het loopvlak te vinden. Zoveel jaar later heb ik de hand weten te leggen op een herenrijwiel met banden zonder. Jawel. Een geheel matzwart geheel, slechts de velgen zijn gaan glimmen, wegens bruusk hanteren der remblokjes. Trouwe lezers, ik dwaal ietwat af, bewust om er toch een Aviertje van te maken en tenslotte tot mijn punt te komen.
En wel hierom, wil ik leven op een planeet waar het niet alleen de gewoonte is om als mens je te bedekken met zaken als daar zijn, schoenen, broeken en allerhande diverse kledingstukken en vanaf nu dan ook het aangezicht te verbergen achter een mondkapje. Het vervloekte mondkampje.

Eens kijken, waar ben ik gebleven – zojuist over de drukste Brouwersdam ever, thuisgekomen en nu verder schrijvend in de te warme tuin zojuist een versgevulde koek, de zaterdag Volkskrant van zes dagen geleden en een koud Hertog Jantje, hoe gelukkig kan men zijn, weetjewat, ik doe eens gek, ik neem nog zo’n koek en zo’n biertje, ik heb zin om aangeschoten te worden, nou ja, niet té. En de eerste de beste BOA die mij driehonderdnegentig euro wil afpersen weiger ik drie keer mijn naam te geven en sla hem daarna keihard twee keer op zijn goedgekeurde mondkapje.

Laten wij wel wezen, lieve mensen, dat wil je toch niet. Door het leven gaan met zo’n ding op je hoofd. Ik denk terug aan mijn tijd in Nepal. Hoe ik daar hele hordes Japanners zag, hoog in de Himalaya, met hun hoedjes, handschoentjes en mondkapjes. Wat een idiote controverse, in dat waanzinnige oerlandschap, die trippelende krankzinnigen. Dat wil je toch niet, zo leven op deze aarde. Onze lieve mooie moederaarde. Als ik ga duiken, onder water, doe ik wel een zuurstoffles op mijn rug. Maar rondlopen in de Albert Heijn (nooit Appie zeggen) in bos en duin en stad en land met een wel of niet goedgekeurd (door wie dan) ding op je kop, dat wil je toch niet.

En als binnenkort de fietshelm verplicht wordt op de fiets, vanwege de verzekering, en kort daarna het lichtgevende hesje en dan kort daarna weer het zwaailicht bovenop de helm vanwege de betere zichtbaarheid voor de heilige automobilist – had ik het al gehad over zinloze mondkapjes – echt hoor, schiet mij dan maar naar Mars, ik doe niet meer mee.

 

La,la,la,lai

Het kan op de Koetenisseweg of de Weilandsweg zijn geweest of was het toch op de Lokkershofweg – ze bestaan echt – dat ik mezelf betrapte op het luidkeels zingen van deze tekst:
“Lalalalalalalailalalailala,
Lalalalailala”.
Een spontane uitbarsting van, ja van wat eigenlijk. En niemand die er gek van opkeek. Er was namelijk helemaal totaal niemand, zowel op voornoemde wegen als in de wijde omgeving. Iedereen was op uitdrukkelijk verzoek van onze MP Rutte thuis gebleven, zat braaf bij het geannuleerde Songfestival.

Zeeland is leeg. De almachtige Veiligheidsregio deed Zeeland op slot. De jaarlijkse twee miljoen toeristische overnachtingen gaan dit jaar niet gehaald worden. De dunstbevolkte provincie van het land moet leeg blijven.

Eens een Zeeuw, altiet een Zeeuw. Althans zo voelt Eega dat en ik ben het, zoals altiet, natuurlijk helemaal met haar eens. Aan willekeurig elke kust, of het nu de Middellandse -, Egeïsche -, Noordzee – of de Atlantische kust is, daar voelen wij ons thuis. Wij zijn kustmensen. Dag mag een dijk zijn aan de Ooster- of de Westerschelde, dondert niet, doch niets gaat boven het oneindig Zeeuwsche Strand. Over Frankrijk wordt gezegd dat het zo’n leuk land is maar dat het jammer is dat er Fransen wonen. Zeeland is ook leuk, maar ze moste d’r geen Zeeuws praete.

Op deze pagina’s maakte ik al eens gewag van mijn drang om een kilometer strand te kopen, helaas heeft nog niemand zich gemeld. Welnu, in deze dagen, neen! ik zal het C-woord hier niet gebruiken, lijkt het al zo. Ik héb mijn eigen strand. En toch, lieve badgasten, dat voelt raar. Het is ondeugend (=leuk) want ik blijf niet thuis. Maar hoe, stel dat ik het zou willen; besmetten, het kan hier niet, er is niemand, één groot Quarantainegebied. Nu hou ik van lege stranden, maar dit is eigenlijk een beetje spooky.

Spoor 1, van de trein naar Zandvoort op Amsterdam CS wordt geblokkeerd. De ene helft van de Amsterdammers wil naar de kust, de andere helft blijft thuis en gaat naar het park. Zeeland moet leeg blijven, prettig voor mij, maar griezelig leeg. Ik hoop dat het doemscenario hieronder, in de toekomst door mij ongeschreven zal blijven:
‘Een béétje duinovergang heeft zijn eigen teststraat (verplicht), alleen toegang voor negatief geteste badgasten.’
Gelukkig ken ik mijn eigen sluiproutes daar. En wat te denken van dat nieuwe bordje:
‘Naaktrecreatie toegestaan, mondmasker verplicht’.
Dit alles flitst in enkele seconden door mijn hoofd, terwijl ik met een lauw windje mee, geluidloos over de Verseputweg door de lege polders van het eiland fiets, met rechts de rechte voren van een kale aardappelakker en links iets groens, laag nog, dat wel graan zal worden en schaamteloos uitbarst in dat gelalalala.

NB, deze letters werden geschreven vóór Hemelsvaartdag 2020. Drukste dag op Brouwersdam ever!

Ik ben Juul (2)

Hallo, het is alweer even geleden, voor hen die mij niet kennen, ik ben Juul (17 maanden) en voor hen die mij niet kennen; ook. Ik weet niet hoe met jullie is, maar ik kan het niet meer volgen. Had ik net een beetje m’n draai gevonden in dat zaaltje met leeftijdgenootjes, houden ze me daar weg, mocht er niet meer heen, en nu, deze week word ik daar weer opeens een dag geparkeerd. Was ik net gewend om constant thuis te zijn, nou ja, went wel weer.
Misschien kan iemand mij zeggen, wanneer ik m’n opa’s en oma’s, er zijn er een stuk of vier, weer eens ouwerwets kan knuffelen, want ja, dat was ook afgelopen en waarom, niemand vertelt mij iets. Ik weet het niet zeker natuurlijk maar volgens mij missen ze mij. Snap het niet, zo leuk ben ik niet. Op de een of andere manier merken ze direct wanneer ik een natte luier heb, gaan ze onmiddellijk aan de slag, hup, een droge aan. Alsof dat prettig is, zo’n kouwe.

Ach ja, soms moet je even je best doen, meedoen, mee bewegen, dan gaan ze lachen. Een tijd geleden alweer, toen zetten ze een of ander muziekje op, kennelijk iets dat ze zelf mooi vinden. En dansen dat ze deden en lachen naar mij en roepen dat ik mee moest doen. Nou ja zeg, ik kon net stáán! Je had erbij moeten zijn, die koppen, ze kwamen niet meer bij! Toen ik eenmaal mijn moves ging doen, gillen! Er zijn zelfs filmbeelden van schijnt het.
Trouwens van meer dingen, alles wordt gefotografeerd, wat móet je ermee denk ik dan, en gefilmd. Leuk voor later hoor ik ze zeggen. Eendjes voeren, ook zoiets, zó traditioneel. Kijk eens, ik vind het best hoor, ik doe wel mee, als ze dat nu leuk vinden, als ik ook maar wat te eten krijg. Overigens, even tussendoor, waar ik de vorige keer over schreef, hot item toen, stikstofuitstoot, stikstofstikstofstikstof, dat leuke woordje, ik hoor er niks meer over.

Waar ik dan wel weer onwijs van geniet, de glijbaan. Beetje jammer dat ze dan steeds afremmen, sowieso maak ik niet veel snelheid, iets met zwaartekracht ofzo, ik ben te licht, maar dat lijkt me zo kick, keihard naar beneden….  Het ging wel een keer goed fout. Die ene opa vond het nodig mij steeds in dat blokkenkarretje te zetten en me dan een harde duw te geven zodat ik de hele kamer door zeilde. Toen papa en mama me ophaalden werd dat gedemonstreerd. Ik liet me toen er keihard uitvallen, zo met mijn hoofd op de vloer, schrikken dat ze deden!
Iets anders, kennen jullie dat ene liedje met dat refrein; ‘ga a a a a a a, pak alles wat je kan en ga a a a a a a.’ Vind ik wel geinig, zing ik zelf steeds: ‘a a a a a a ‘, alleen die zin: ‘Leef, alsof het je laatste dag is.’ Hallo, ik ben net begonnen, 17 maanden, ben je daar nog?  Ik neem me voor het niet binnen te laten komen, maar leuk is anders, constant uitgelachen te worden. Ik met een gek mutsje op, of ik, een beetje geknoeid met mijn ijsje, of ik met mama’s roze Tokkie badslippers aan, of ik, lurkend aan leeg flesje Jupiler. Het schijnt ook heel interessant te zijn om aan iedere willekeurige voorbijganger te zeggen dat ik nu vier tanden heb, twee boven, twee beneden, begrijp jij het?

Even voor de goede orde, niet alleen maar negatief doen nu, het is nu eenmaal zo, ik kan het gewoon nog niet zeggen, ik wil het wel, maar ik hou best wel van ze, mama en papa, het zijn lieverds, allebei! Eigenlijk best wel. MMMMsmak, kusje. Kusjezwaai, nieuwnormaal, toch?

En dan nog iets, wat zou dat zijn; huidhonger, geen idee, maar het komt op mij over als iets engs. Een opa en een oma met huidhonger, ik weet niet of ik daar op zit te wachten. Nou doei, als ik me verveel schrijf ik nog wel eens. Ik sluit af met mijn laatste nieuwe woordje, zegt mama altijd – wat ze er precies mee bedoelt weet ik niet – wanneer ze me, met zo’n voor mijn gevoel best linke zwaai, in dat fietsstoeltje parkeert: “OeoewaaH!”
Doeoeoeiii.

Free World

De eerste drie uur ging het goed, ze sliepen nog. Maar tanken in Luxemburg, daar gingen de oogjes open en een slaperig, doch dwingend stemmetje vroeg: ‘Bassie en Adriaan, Bassie en Adriaan’. Er zat niets anders op dan de vrolijk dreinende deuntjes af te spelen, om de lange reizen naar de Alpen voor hen enigszins draaglijk te maken. Het was nog de tijd van de cassettes, uren lang hetzelfde, voortdurend omdraaien, dus het bandje was op den duur gloeiend heet. Dat het magnetisme daar niet van in de war raakte.

Sorry folks, dit wordt vermoedelijk toch weer een columnpje over muziek, een issue van importantie in ‘my life’. Ik was dit alles eigenlijk vergeten, tot ik zojuist Neil Young hoorde; ‘Keep on rocking in a free world’. Zodra de kids weer in slaap sukkelden wisselde ik snel van muziekgenre. Kennelijk toch wat geïndoctrineerd hierdoor, kwam soms ook de vraag – na weer een lange sessie met ‘Hallo vriendjes’ – ‘Rokkie in een friewurd, rokkie in een friewurd!’ Minimaal twee keer, altijd, minstens. Het refrein werd net zo hard meegezongen als dat van dat toch iets minder prettige clownsduo, hetgeen weleens grappig was wanneer we door de smalle straatjes van een Zwitsers bergdorpje sukkelden. Twee schattigkleine meisjes keihard rockend achterin.

Van een andere orde, vergelijkbaar, maar dan andersom is het volgende verhaal. Dat van de leuke buren op de camping hoog in de bergen, die met het hippe VW busje en de vier kinderen. Bassie en Adriaan waren dat jaar bij ons al ingeruild voor ‘Baila, baila, baila’, van the Gipsy Kings. ‘Keep on rocking’ was vergeten, maar goed ook, zo’n vrolijke tekst is dat niet. De pa met het leuke busje ging op een vroege ochtend brood kopen in het dorpje in het dal en nam de kinderen mee. Kon mams een keer uitslapen. Toen de motor uitging bij terugkeer naast hun tent en tevens de muziek, die luidkeels uit de geopende raampjes schalde, rolden de kinderen uit het busje. Boos en beschaamd riepen ze, achterom kijkend naar pa: ‘Wil je dat nóóit meer doen?” De rest van de vakantie zongen of floten buurman en ik: “Ik héb hier een brief, van me moedér!”

Naar Carlos Santana, een lang gekoesterde wens, kreeg ik cadeau van dochter Martine. Samen zwierven we een dag door Antwerpen in afwachting van het concert in het Sportpaleis. Naar UB40 met dochter Carol en haar Robert in HMH, swingen op reggae. Of flyeren in Ahoy, in mijn Voodoo Lounge shirt, voor gratis toegang bij de Stones en dan op aanraakafstand met Jagger himself. Etmalen onderweg voor U2 en Rolling Stones, uitgeput en bemodderd.

Een van de mooiste herinneringen, wat betreft muziekmomenten is deze. Ook weer op weg naar de bergen, ‘s nachts vertrokken, de kinderen slapen achterin. Het is heel stil op de lange weg naar Metz, Nancy, Mulhouse, Basel en de volle maan staat er helder bij. Heel langzaam begint het in het oosten, waarheen wij rijden, licht te worden, de dageraad. Aan de verre horizon verschijnen ze, de contouren van de bergen. Zacht klinkt Neil Young (alweer) door de volgeladen, gehuurde en gloednieuwe zwarte Renault Laguna station. Het is een traag nummer, met echo er in. We praten niet, we rijden en luisteren en kijken, naar die kartelige vormen in de verte, die zwart afsteken tegen de lichter wordende hemel. En dan zegt Eega, die eigenlijk niet zoveel heeft met muziek; “Dit past wel heel mooi nu”. Dat moment, ik denk er soms aan terug, het trof me. De auto stond boordevol geluk, met z’n viertjes onderweg, vakantie, bergen en avontuur voor de boeg. Een kippenvel moment van puur geluk. Alle cassettes zijn weggegooid en hoe ik ook zoek, op Youtube en Spotify, dat nummer, ik ben het kwijt. Het was een magic moment.

Herkenbaar? Er moeten ontelbaar veel herinneringen zijn zoals deze, please, tell me!

 

Free at last

In een helder ogenblik dacht ik het gevonden te hebben. De zoektocht naar lucht en ruimte, weg uit die intelligente lockdown, zucht naar avontuur en natuur, dat was het, alle klimgebieden, campings gesloten, Zeeland op slot: Paalkampeerterreintjes, daar konden we heen. Tot me bleek dat Staatsbosbeheer ook die tot verboden gebied had verklaard.

In alle stilte wachtte ik, lichtjes ongeduldig, op mijn vrienden. Lynn had hét idee. We gingen toch, wildkamperen, gedoogd, op een groot privéterrein in een bos, ergens op de Utrechtse heuvelrug, waarvan ik die coördinaten hier niet zal prijsgeven. Mijn rugzak weloverwogen ingepakt, alleen het hoognodige, zo licht mogelijk, zodat ik zoveel mogelijk water kon meenemen. Immers, daar waar wij heen gingen was, niets, geen water, geen wc. Plus de noodzakelijke zes blikken bier, her en der er nog bijgepropt, het zou warm worden deze dagen, waarvan ik er meteen maar een consumeerde om de pijn van mijn ongeduld tijdens het wachten op Barry en Lynn te verzachten, die hoefde alvast niet meer mee.

Zo luxe heb ik nimmer in mijn lange leven gewildkampeerd. Nadat we ons hadden geïnstalleerd, de tenten op veel meer dan de voorgeschreven afstand, op een fijn teekenarm grasveld, omzoomd door bos van divers en indrukwekkend geboomte werd de meegesleurde BBQ ontstoken. Er was rosé en rode wijn, Desperado, chips, sla en salade, saté, hamburgers, worstjes en kaarsen en feestvlaggetjes en meer bier. Zat ik daar met mijn mini coolpack met miniMarsjes.
Terwijl de schemering inviel en het geluid van de A27, best ver weg toch, iets luider leek te klinken, lagen wij languit op de bivakzak en het langzaam vochtig wordend gras en we spraken en lachten over zware en luchtige zaken des levens. In het donker zochten we ons een weg naar het nabijgelegen minikasteeltje. De landlord verzocht ons te kijken of de open haard wel echt uit was gegaan, Lynn had de sleutel en daar zaten we, met kaarslicht onder de jachttrofeeën aan de muur en we keken elkaar in de ogen die blonken in dat flakkerlicht en we zagen dat het goed was.

Inslapen dus met een glimlach en wakker worden ook, de geluiden van het bos, als een volière, met het ritme van een specht daaronder. De zon probeerde tussen de bomen waar een licht ochtendneveltje opsteeg al op ons veldje te schijnen toen ik omkeek naar ons kampje, de restanten van het feestmaal. De buggy en de trolley waarop al de extra zooi was meegesleept, het eten, BBQ en flessen water, over de hobbelige, zanderige bospaadjes, waar de kleine wieltjes moeite hadden met de denappels en takken. Hoe we met de grootste moeite dit paradijselijke plekje tenslotte vonden.

Lukraak liep ik een stukje het bos in, een heel zacht en lauwwarm ochtendbriesje streelde mijn ontblote bilstreek terwijl ik, mij onbespied wetend, hurkte. Na een en ander keurig bedekt te hebben met Utrechts Heuvelrugmos en stevig verankerd met dode takken, richtte ik me op om terug te gaan en stond ik, met de wc-rol in de ene hand en het schepje in de andere, oog in oog met drie sportieve dames die met gezwinde pas mijn kant opdartelden, goedemorgen!

Rest mij nog te vertellen dat ook het ontbijt, zeker voor ‘wildkamperen’, van ongekende luxe was. Kaas, ontbijtkoek, aardbeitjes, eitjes. Zat ik daar met mijn eenvoudige krentenbollen. Was ik dan toch geen levensgenieter, een minimalist? Schoot ik te ver in mijn jacht op de grammen? Beschaamd en als kleine tegenprestatie kookte ik koffiewater en bakte eitjes in het schier eeuwenoude aluminium aanbakpannetje, dat herinneringen met zich meedraagt aan gouden tijden van gebakken Smac. En ook dat de terugweg, de zoektocht naar de parkeerplek door het heerlijk geurende bos net zo lang duurde als de heenweg en dat het werkelijk had gevoeld als een bevrijding, omdat het kón.

Roomtrip
In het spoor van écht Grote schrijvers, zoals Connie Palmen, Bert Wagendorp en anderen die weer in navolging van de onvolprezen J.M.A. Biesheuvel, nu in de huidige situatie ook door hun kamer ‘reisden’ en de lezer daarin meenamen meen ik in al mijn domheid m’n fans te kunnen verblijden met wetenswaardigheden omtrent mijn woon- of verblijfplaats. Welnu, dames, heren ook, het is er niet donker, het tocht en lekt er niet. Het is er ook niet koud en ikzelf heb ook geen honger. Ik ben namelijk geen echte kunstenaar en geen Groot schrijver en heel arm ben ik ook al niet.

Met welke kamer zal ik eens beginnen, toen ik nog wel arm was dan maar. In de toenmalige rosse buurt van Utrecht, en ook echt driehoog achter. Op een stoel staand kon ik door het dakraam de haveloze achterkanten zien van de rotte balkonnetjes van de woonkazernes. Wanneer ik ’s avonds nog een kroket en een blik Skol (bier) ging scoren moest ik mij een weg banen door publiek van bepaald allooi. Ik legde geld op de toonbank, bestelde een kroket, de frietboer draaide zich om, legde het bestelde in het vet en ik pakte het geld weer van de toonbank, ik was toen arm.
Voordat de frietboer dit ging opvallen verhuisde ik naar elders in de stad, een aanmerkelijke verbetering. Wel weer driehoog, maar nu voor. De verhuurster woonde beneden en bezat drieëntwintig klokken, die net niet allemaal tegelijk het hele en het halve uur lieten horen. Het grotestadsleven beviel mij prima, anoniem, opgaan in de massa, de student, de artiest, leven van statiegeld en geleend brood, fietsen op een ‘gevonden’ fiets. De eerste voorzichtige schreden op weg naar miskenning, zowel in de liefde als in de kunst.

In Amsterdam woonde ik altijd begane grond, een grote stap voorwaarts. Niet wat betreft het aantal vierkante meters. Eerst piepklein maar wel op stand, in het sjieke Oud-zuid, met zelfs een zonnig tuintje. Bij een stokoude Joodse vrouw, ooit rijk geweest maar lief. Commercieel gezien ging het mij daar niet voor de wind, evenmin als in de liefde. Artistiek daarentegen gezwind.
’s Nachts fietste ik zwalkend op een oude fiets zonder licht van kroeg naar huis. Eindelijk in de hippe stad van mijn jongensdromen. Muziek in het Vondelpark, Nieuwmarktrellen. Alweer een verhuizing volgde, een teruggang qua niveau, de Pijp was toen niet wat het nu is. Achter de ‘Malle Pietjewinkel’ was mijn hele halve woning, ijskoud, dat wel. Alweer met tuin, gevuld met twee meter hoge brandnetels waartussen beschimmelde schoenen en wasgoed van de bovenburen dat naar beneden was gevallen. Uitzicht op het water, geen gracht maar wel een kade. En met de liefde ging het geweldig. Samen op de fiets zonder licht door de stad naar Bimhuis, Cinemá of bistro.

Toch weer driehoog nu, in de middelgrote provinciestad. Voor die liefde, met pijn Amsterdam de rug toegekeerd. Het appartement, weer een stapje groter, volgestouwd met groene planten, zeventig, het balkon meegerekend. De grote (her)ontdekking van natuur en polder, op de fiets. Al snel kende ik elk paadje op het eiland. Gevolgd door een romantisch oud huisje onderaan de dijk. Achterdeur voorzichtig sluiten zodat de achtergevel niet omviel. Bessenstruiken, aardappelveld en kippen in het tuintje. Alle verbouwingsklussen klaar, verhuizen maar weer. Romantisch oud huis bovenaan de dijk. De tuin was enorm evenals de verbouwingsklussen. Honderddertig bomen en struiken aangeplant, om mee te beginnen. Meer kippen nu, paarden in de wei en schapen. Pruimen, peren, appels, bramen, alles. Groente ook. Gras, hectares heb ik gemaaid, vier benzinegrasmaaiers versleten.

Nu dan, eindelijk, nog steeds in diezelfde middelgrote stad op dat eiland, een braaf huis, maar een goed huis, geen tocht en geen vocht, de woonkamer haast zo groot als alle voorgaande woonkamers samen. En boven – voor- dan tenslotte een eigen kamer. Waar schoksgewijs, in perioden van een kwartaal of een halfjaar met grote snelheid schilderijen worden geproduceerd.
Vaste lezers weten; altijd haast. Maar nog veel gekker, op de parterre – nog een werkkamer. Ven Eega mag ik het geen kantoor noemen, schrijfkamer dan? Waar soms worstelend, soms in een flow een column of verhaaltje op het toetsenbord gehamerd wordt. Hmmm, dit nu teruglezend nog niet echt een reis door mijn kamer. Verder maar, denken, straks op de fiets, die nieuwe, nu.

Geduldsnak

Iemand zei laatst jou zo’n rustig tiep te vinden. Inderdaad, den rust zelve, dat ben je, in gezelschap van den medemens. Tot je weer alleen bent. Sleutels kwijt, of de bril, waar heb je je telefoon nu toch gelaten. Je wilt weg. En wel nu. En wel met deze drie attributen. Tierend vlieg je steeds sneller in stijgende paniek doelloos her en der zoekend door het huis tot alles verzameld is en je met enige vertraging en met licht verhoogde hartslag tenslotte op pad gaat, inwendig jezelf uitlachend en je lichtjes voor jezelf generend, waar was dat nou voor nodig, al die opwinding. Geduld, dat schijnt men te kunnen hebben.

Geduld, dat schijnt men te móeten hebben, tot het over is, men weer vrij kan ademhalen en rond lopen en uitbreken uit de gevangenis. Tot de maskers kunnen worden afgelegd, tot de grenzen open gaan. Geduld tot de vrijheidsbeperkingen opgeheven zijn. Geduld, dat is nu net iets dat je niet hebt. Wees gerust, in deze column zul je het woord Co-, het Qua-woord en aanpalende begrippen niet aantreffen. Neen, het handelt hier om geduld. Geduldig wachten.

Geduld, wanneer de pc traag opstart, Windows acht het nodig weer iets te moeten ‘bijwerken’. Doe dat ’s nachts, pokkeding! Wanneer je even wilt inloggen in de digitale bibliotheek en heel fijns, voor de zoveelste keer het wachtwoord niet herkend wordt; ‘helemaal klaar’ ermee, met die pokkebieb. (haha) Wachten, ook zo iets. Geduld. Op die vertraagde trein, kwaaier kunnen ze je niet maken. Honderdduizenden kilometers spoor vlogen onder je door. Aan vertraging wende je nooit – dat je nog lééft. Het verbaast je zelf eigenlijk zelf ook.

En dan nog iets, als er iets is waar je niet tegen kunt, dan is dat verplichtingen en beperkingen. Bordjes Verboden Toegang, autoritair gedrag, maar hierover een andere keer. Neen. Opgelegde vrijheidsbeperking. Kijk, oké, je moest wel, werken, om de opengesperde mondjes van je bloedjes van kindjes te voeden, dat begreep je ook wel, het kostte zoveel tijd.

Als een der uitverkorenen mag ik over Zeeuwse stranden dolen. De avondzon geelt het droge zand en diepblauw zijn zee en lucht. Een klein windje streelt het helmgras. In de luwte achter een jong duintje kan ik zitten. Bewegingloos als een Apache zwartvoetindiaan staar ik nietsziend naar diepte achter de horizon, leeg en vol met Zen. Geduld, dat ben ik.

Naarmate je minder ging werken kwam steeds meer het verlangen. Snakken naar rust, rustig, langzaam, verdraagzaam leven. Aandachtig, vredig, vriendelijk. Leek je gezonder. Alweer zoveel jaar verder, niet werkend, flierefluitend levend kun je zeggen, dat is niet gelukt. Je moet steeds meer nog van alles. En nu, de tijd tikt verder, de tijd raakt op. Je kunt geen kant op. Alles moet maar wachten, kostbare tijd die gaat verloren.

Voor jou geldt, je snakt naar geduld, had je het maar, je bent er zo een, een echte geduldsnakker.

Journal d’ Antoine

Journal d ‘Antoine – Wagen 3.27, Zavata (3)
-Hooggeëerd publiek, Naftadiana geboren in een klooster haar vader was een Poolse beer kijkt U naar de linkerschouder het vlees verdwijnt doctoren en professoren staan verstomd over het wonder plaatskaarten aan de kassa!-

Zo. 8-5 Inferno, een heus zomerzondagavond onweer zojuist. Na de voorstelling vroeg de spreekstalmeester het publiek nog even binnen te blijven. Veiliger binnen dan buiten de tent en heel het terrein kwam blank te staan. Twee aggregaten vielen uit en de helft van de tent in het donker. Alle dieren in paniek, vooraf al, ze voelden het aankomen. Behalve de kamelen, onverstoorbaar als altijd. Ik zag het, mijn caravane staat naast hun tent.

Ma.9-5 Ik zag het echt wel, vanavond, na afloop van mijn act, bij het passeren van de ‘Showbirds’, onder de laag pancake had Kriztina een grote blauwe plek en volgens mij had ze ook nog een blauw oog. Ze probeerde weg te blijven in de schaduw maar ze keek me aan met een blik….

Di. 10-5 Vandaag dan weer mijn vrije ochtend, kwam niets van terecht. Consternatie alom. Het hooggeëerd publiek heeft er niets van gemerkt, uiteraard maar er was wel even paniek. Een van de hoofdacts is er niet meer. Gewoon, ingepakt en weg. ‘Zanzibar Elifanti’. Zeven olifanten, vanmorgen, weg. Gewoon ingepakt en vertrokken, hoe en wat, niemand weet iets. Ik hoop dat diretorre het wel weet. Zal wel weer een geldkwestie zijn. Ik ben benieuwd waar ze opduiken, bij welk cirque. Niets blijft onopgemerkt in deze wereld tenslotte, hoewel er ook veel mysteries zijn.

‘Het geroezemoes van de cité is allang verstomd, niets dringt meer door het duister tot in de caravane van Toni. Stil ligt hij te wachten tot de slaap hem zal bevrijden. Ontsnappen wil hij, weg van die dwingende gedachten. Zodra hij zijn ogen sluit, ziet hij haar, Kriztina. Hoe ze zweeft hoog door de lucht, tollend en draaiend van trapeze Dragan naar trapeze Dranek, in haar nerveus gesneden glittersuit, gewichtloos lijkt het. Dat kleine gespierde lijf en toch zo gracieus. Hoe ze hem aankeek, die eerste keer, die middag aan de Loire, op het zanderige paadje onderaan de kademuur. Met ogen van chocolat en het ravenzwarte haar nu in een lange vlecht. Aan de intense gesprekken op het carpool emplacement en hoe ze vertelde in de wonderlijke mix van Frans en Duits en Oost-Europees.
Hoe vrij ze was, daar hoog in de nok maar gevangen in het leven met Ettore: “Ein Hölle avec cette sadique brute”.
Heel even trok ze haar witte zijden blouse met rouches omhoog en toonde hem haar rug. Bloederige korsten, dwars over oude littekens, kriskras. Ze moest gedresseerd, volgens de leeuwentemmer, dat had ze verteld en ze had hem aangekeken, van heel dichtbij met die vreemde make-up loze ogen.

 De hitte van de zomernacht, geen zuchtje wind, geen koeltje. Zonder erbij na te denken verlaat Toni zijn klamme kooi, sluit behoedzaam het deurtje van zijn rode caravane. In de nacht zonder maan staan de pick-up campers, wanstaltig groot en roerloos, ordeloos verspreid. Er zoemt een aggregaat, er drupt een lekke kraan, er zoemt een airco. In het donker van de open tent silhouetten van kamelen en de geur van mest en stro.
Daar, de leeuwenwagen, de tralies glimmen, geen beweging is te zien, of ja, toch, in het achterste compartiment ijsbeert een leeuwin.
Iets verderop staat massief de enorme truck met oplegger, dreigend met de spoilers op het dak en vele lampen, extra schijnwerpers, de chromen bullbar. In de uitgeschoven living van de camper brandt licht door de lamellen. De raampjes zijn opengeklapt en de harde stem van Ettore klinkt. Toni schuilt in het duister achter de leeuwenwagen, die schommelt door de heen en weer lopende leeuwin. Aan de zijkant, naast hem, steekt vanuit een houder tegen de nachtlucht omhoog, glimmend, de zweep van Ettore’.

Journal d’Antoine

Journal d ‘Antoine – Wagen 3.27, Zavata (2)
-Hooggeëerd publiek, altijd prijs altijd premie spelen maar!-

Di. 3-5 Jammer, m’n wekelijkse vrije ochtend ging even niet door deze week. Verplaatsing. Alweer, het lijkt wel of er steeds sneller verkast wordt. Stond je vroeger nog weleens een aantal weken in dezelfde stad, nu amper een semaine of nog korter. Direttore beslist, als we langer staan, minder publiek. Gingen we weer, heel de handel afbreken. Na de laatste voorstelling meteen weg en dat moet snel. Wegwezen voordat weer een dag stageld betaald moet worden. De romantiek van het circusleven, het zal wel. Vannacht met onze hele handel verhuisd, toute suite. De wanorde was weer groot. Tweeëntwintig stuks, vrachtwagens, pick-up trucks met oplegger en soms met nog twee aanhangwagens erachter, absurde uitschuifbare campers, veewagens, materiaalkarren, de tentwagen, de kassawagen, de plakauto’s, de omroepauto, het hele zooitje en de sleepauto, want er heeft er altijd wel een pech. En dan ik met m’n Dodge met caravane. Bij het eerste daglicht begon de opbouw. Het lijkt een geoliede machine maar het is elke keer weer improviseren, elk terrein is anders. En er gaat altijd van alles stuk.

Wo. 4-5 Vorige week trouwens Kriztina gesproken, voor het eerst, kort. Kwamen elkaar tegen op de kade langs de Loire. Volgens mij is ze niet gelukkig. Heeft het niet gemakkelijk. Bij die Ettore, lijkt me geen makkelijke vent, un brute. Ik herkende haar eerst haast niet, zonder make-up en zonder glitter outfit.

Do. 5-5 Vandaag mijn caravane ingelijfd. Nu ook in de ‘huisstyle’ gespoten. Rood met grote letters Zavata erop. Doen de jongens van de plakploeg, kon ze met moeite tegenhouden, ze wilden m’n zwarte Dodge ook meenemen, echt niet.

Vr. 6-5 Vanmorgen de training van de Showbirds gezien. Kriztina viel een keer verkeerd in het vangnet, viel met een been onder haar en had pijn. Luchtacrobat. Zij is degene die heen en weer vliegt tussen de broers Dranek en Dragan Ardelean, het trapezetrio. Hele mooie show, ander caliber, meer niveau Circue Du Soleil. ’U zal versteld staan!’ Keihard doorgegaan, ze moest van de broers en die Ettore schreeuwde haar boven.

Za. 7-5 Ettore Caolini, wat een etter. Geen wonder dat z’n leeuwen bang zijn voor hem. Leeuwentemmer, maar dan een ouderwetse. Geen wonder dat de dierenbevrijdingsbewegingen er tegen zijn. Geen wilde dieren meer in het cirque. Volgens mij hebben ze hem al eens een te pakken gehad. Z’n ene schouder, een giga litteken, lijkt wel een stuk eruit. Kriztina trouwens ook, zij is ook bang van hem lijkt het.

‘De middag van de date. Kriztina en Toni ontmoeten elkaar, bij het bloc sanitaire op het morsige carpool emplacement, waar op de eindeloze meubelboulevard Cirque Zavatta is neergestreken. En ze vertelt aan Toni haar leven en hij, hij het zijne. Bijna zoals het hoort in het circus, toutes est famille. Zij is de dochter van een Roemeense clown, die een armoedig circusje bestiert: ‘Tiszta’. Min of meer uitgehuwelijkt aan Ettore Caolini. De broers Dranek en Dragan zijn volle neven van Ettore. Nu is ze gekooid, kan geen kant meer op, huwelijk en werk. Gedoemd te blijven zweven tot haar frêle lijf het op zal geven. En haar een baantje als bevallige assistente van Ettore zal resteren. Totdat ze ook daarvoor te oud zal zijn, dan wacht de circuskassa, of het ijs en de popcorn. Met een zucht en een weemoedige glimlach eindigt ze: “C’est la vie”. Waarom vertelt ze dit alles aan Toni, de onbetekenende Equillibrist, met zíjn haveloze kleine caravane, de onbekende ook, geen familie, geen aanbevelingen, geen naam in de variété. Dat vraagt hij zich af, heel kort, waarom. Hij legt het naast zich neer, heel snel. Het verwart hem en het verwarmt hem. Hij stijgt boven zichzelf uit, hij, de onzekere, speelt de rol van de man van de wereld. Hij, ontspannen en goedlachs, maar de vonken in zijn ogen zijn echt en de gevoelens die opwakkeren voor haar ook, oprecht. En nogmaals spreken ze af, same place, same time’.

Journal d’Antoine

Journal d ‘Antoine – Wagen 3.27, Zavata (1)
-Hooggeëerd publiek, U zult versteld staan!-

Di. 26-4 Vandaag m’n wekelijkse vrije ochtend. Het dringt nog niet helemaal door, net als het eerste ochtendlicht dat door het gehavende luxaflexje poogt de caravane binnen te dringen, in welke stad word ik nu weer wakken. Rheims, Orléans of zijn we al in Dijon. Maakt niets uit, eigenlijk. In welke stad we ook zijn, op een gegeven moment sla ik het niet meer op. Al die zones industrielles, afgetrapte weilanden, rafelranden we tegenwoordig worden heen gedirigeerd. Ze lijken allemaal op elkaar. Vroeger, mocht je midden in de stad staan, op de Grand Place, het centrale plein, langs een mooie rivieroever, toen werd je binnen gehaald.

Wo. 27-4 Lekker getraind gisteren. M’n grande truc toch weer verder geperfectioneerd. Ik ben natuurlijk slechts een soort tussen nummer maar ik wil het wel parfait hebben. Beetje jammer dat de hoefslag nog niet schoongemaakt was. Ben niet verzot op kamelenpoep. Ach, ik ken m’n plaats, de Equilibrist, de evenwichtskunstenaar, die zoekt het maar uit. We zullen zien, met het nieuwe programma, straks in de matinee, dan kom ik na de Arabieren. Dan ligt er minder mest.

Do. 28-4 Toch Orléans, mooi stadje. Ik stond op de lijst om mee te gaan met de plakploeg voor de litho’s. En we staan nu eens een keer in een parc. Aan de Loire, tegenover de oude stad.

Vr. 29-4 Volle bak vandaag. Uitverkocht, bijna. Mag ook wel weer eens. De nieuwe acts van cirque Zavatta waren een groot succes. Die van mij aussi…

‘Nadat de staljongens in hun bruingouden overalls in razende vaart de kamelenpoep hadden weggeschept betrad de spreekstalmeester de piste. In onnavolgbaar internationaal taalgebruik kondigde hij aan. In lange zinnen die crescendo elkaar opvolgen en met stijgende stemhoogte eindigde hij met:
“….U zult versteld staan, le plus plus grande spectacle du monde…… Toni Boltini.”
En Boltini oneindig lang aangehouden.

 ‘De onzichtbare band speelt met schetterende trompetten een versnelde versie van de begintune uit de film ‘Once upon a time in the west’. Toni stuitert de piste in, een glimp van een gouden bodysuit, het licht dooft, gevangen in een volgspot klimt de acrobat alsof zwaartekracht op hem geen vat heeft langs een corde omhoog. Uit de nok daalt een klein, rood en rond plateautje neer, behendig zwiept hij daarop over, met swingende heupbewegingen ontdoet hij zich van de zwarte cape die als een vleermuis de diepte infladdert. Met een hand houdt zich even staande aan de kabel, op het heen en weer zwaaiende plateautje. Zijn gezicht gaat half schuil achter een Zorro masker. Schijnbaar ontspannen staat hij, het publiek een brede glimlach tonend, tot de spot langzaam kleiner wordt en verschuift naar een klein vlammetje voor hem op de rand van de cercle. De muziek zwijgt, de spreekstalmeester verzoekt het publiek stil te zijn voor de nu volgende levensgevaarlijke, nog nooit vertoonde grande truc. Het ongelooflijke voltrekt zich, de gouden gedaante in zijn te nauw aansluitende gouden onesie rekt en trekt zich in een onmogelijke houding, staande op slechts zijn handen op het onzeker wiebelig plateautje, met aanzwellend tromgeroffel, hoog boven in de nok van de duistere spelonk die de circustent nu is, om met uiterste krachtsinspanning met zijn mond de brandende kaars te omvatten en hem uitgedoofd, met weer die ontspannen, vonkenspattende grijns te tonen, terwijl de muziek uitbarst in jubelend razendsnelle jazzmuziek. Als een baksteen laat Toni zich langs het corde naar beneden vallen om een ereronde door de piste te rennen, luchtig, zwevend haast, met een arm in die kenmerkende gebogen circushouding, het oorverdovend applaus van het publiek ontvangend om te verdwijnen door het roodgouden fluwelen gordijn dat de spreekstalmeester voor hem openhoudt en duidelijk opgelucht, hem, geheel tegen de ongeschreven circusregels in, een high-five geeft’.

 In de opstelruimte achter het gordijn stond de volgende act te wachten, luchtacrobaten ‘Showbirds’. Ving ik daar een glimlach op van Kriztina Ziarno en was dat tevens een zwaarbewimperde knipoog en zat daar een verleidelijke lonk in die blik?