Alle berichten door dentoonder

Buurmeisje

Toch jammer, zoals veel Dordtenaren niet weten dat een rondwandeling dient te starten in het VVV gebouw, zo weet ook Joop dat niet. De maquette geeft een perfect beeld hoe onze stad in elkaar zit, dat de historische binnenstad uit een aantal eilanden bestaat. En dat in de kelder een plattegrond is waar je letterlijk overheen loopt. Dat daar vlakbij restanten te zien zijn van de Beulstoren uit de 14e eeuw. En een restant van de stadsmuur, dat weet haast niemand. En ook buurman Joop, geboren Dordtenaar, staat verbaasd te kijken. In die toren, daar woonde de beul van de stad Dordrecht. Aan de overkant stond, een stukje verderop en korter geleden, ‘De Lange Loods’. En dat weet buurman Joop dan weer: het langste gebouw van Nederland.

Binnenkort leidt hij een groep collega’s rond, dat komt ervan wanneer je opschept, hoe mooi jouw stad is. Dat willen ze dan wel eens zien. Of ik meeging ‘voorverkennen’. Graag! Wat is er nu leuker dan je kennis te delen. Buurmeisje wilde ook mee. Elke zichzelf respecterende stad heeft nu een tot hip restaurant verbouwd postkantoor, dus ook Dordt en hier wachten wij, achter een espresso, op Buurmeisje. Diverse hoofden draaien om wanneer ze tenslotte binnendartelt.

Langs het Dolhuis, discotheek en voormalig gekkenhuis, over de Pelserbrug, van 1285, de oudste brug van Dordt en via de Pottenkade onderlangs de kerk. Ik kan ze vertellen dat op deze plek de eerste bebouwing ontstond, zo rond 1120. En hoe ver staat de toren uit het lood? Eén meter? Mis, twee meter en vijfentwintig centimeter maar liefst. Tegen de wind in naar de Catharijnepoort. Met wind mee waaien we over de kades en het is koud. Was ik maar in Livorno. Om eens een andere oude stad te noemen. Ook een stad met kades en grachten en heel veel karakter. En bovenal dat andere klimaat. Gemiddeld vijftien graden warmer.

Langs de Nieuwe Haven, we werpen een blik in de tuin van Museum van Gijn. Even breekt de zon door en hier in de beschutting lijkt het voorjaar. Aan de overkant van Nuova Porta zien we de visafslag, nu restaurant Otto e Mezzo. Bij Jongepier proberen we op te warmen. Ik ben jaloers op Joop, soepeltjes werkt hij zijn Kwekkeboompjes naar binnen, terwijl ik wanhopig aan mijn chiabatta zaag. Taaitaai. Buiten, op de rivier is het druk, binnenvaartschepen in een file.

Buurmeisje droomt weg, er staan zoveel romantische huizen te koop, aan de kades, in de kleine tussenstraatjes en in de Maas. Ze studeerde internationale bestuurskunde, tot zelfs in Lissabon, maar voor een grachtenpand moet ze nog sparen. We lopen door de slingerende Wijnstraat met de statige gevels, weet je dat dit pakhuizen waren, voor wijn? Bij ’t Zeepaert staat een portier, van hem mogen we naar binnen. Ik laat het pand zien, tot op de zolder, waar de wind de dakpannetjes doet klapperen. Een bekakte figuur met zijn haar in de out-of-bed look werkt ons beschaafd resoluut de deur uit. Het was open huis: voor leden van vereniging Hendrick de Keyser. Buiten valt koude regen en we schuilen in een portiek.

Achtereenvolgens vluchten we binnen bij De Munt met haar geschiedenis tot voorbij keizer Karel V. Bij atelier Wereldwijven, een prachtig pand waar allochtone vrouwen al integrerend mooie creaties maken. En ik sleur ze mee de trap op, naar Pictura, teekengenootschap uit 1774. Soms fraaie kunst, vaak ook verwarrend.

In café Centre Ville zijn alle tafeltjes bezet. Ook Joop’s dochter Muriel, ze werkt er, kan daar niets aan veranderen. We lachen en we zwaaien, ciao, verder! Was ik maar in Cantina Nardi in via Leonardo Cambini. Een nietszeggend straatje, maar wel in Livorno, waar het vandaag 22 graden is.

Gênant

Dat is het, daar moeten we vanaf. Van die gêne, dat we het gênant vinden. Ik vooral, ik had er last van. Iemand zei me: het is een slechts kleine moeite, maar ergernis kost ook energie. En dat deed ik, me ergeren. Steeds vaker, als het je eenmaal opvalt, zie je steeds meer. Volgens Cruijff:
“Je gaat het pas zien, als je het door hebt.”
In een opwelling gaf ik me op, meedoen met de Landelijke Opschoondag. Op een stralende voorjaarsdag meld ik me, met medeneming van mijn eigen afvalgrijper, jawel, ik héb er wel een, bij het Buurthuis. Bij de Dordtse Doorpakkers. Nog een geluk dat de zon schijnt, veel zin heb ik er niet in. Waar heb ik nu weer ja op gezegd.

Er is koffie, iemand heeft cake gebakken, waarvoor ik, lomp natuurlijk, bedank. De ouders met kinderen blijven in de omgeving van het Buurthuis, wij, drie mannen zonder, kunnen verder weg. Of we de blikjes en flesjes apart willen houden. Die worden later geteld, voor de statiegeld lobby. Prima argument, wellicht helpt dat iets, tegen het onverschillige wegwerpen. Omdenken. De grote gele zak in de houder, een paar extra in de achterzak en dan mogen we los. Alsof de duvel ons op de hielen zit spoeden wij ons richting toegewezen werkplek. Rommel die we onderweg passeren laten wij ongemoeid. Dan verspreiden we ons en het cliché van ’koortsachtig kwijten zij zich van hun taak’ is hier zeker op zijn plaats.

Een kleine schets waaruit Rommel anno 2017 zoal bestaat: Redbull blikjes en andere frisdranken, veel Cola, AA flesjes, goedkopere varianten en waterflesjes. In tegenstelling tot waar in polder steeds mijn oog aan blijft kleven, hier geen bierblikjes. Oneindig veel snoeppapiertjes en van keelpastilles. Nog veel meer doppen van flesjes. Marlboro.
“ De aard van het afval is veranderd”, roep ik mijn collega’s toe: ”Vroeger lag er vooral Drum, Samson en zware van Nelle”.
Geconcentreerd ruimen we verder. Bij de school schuif ik bijna de singel in, er drijft een halfvolle literfles Cola. Die laat ik eerst leeglopen, de volle afvalzak is al zwaar genoeg. Een collega sleurt verderop een hele fiets en een rol gaas het water uit. Andere collega hengelt naar zo’n verschoten fotoplaat, waar men nu de tuin mee decoreert.

Een donkerblauwe BMW 3 Gran Tourismo stopt, het raampje zakt:
“Dank u wel hoor, u doet goed werk”.
Een uitgedijde wandelaar roept vanaf de overkant:
“Taakstraf?” En: “Jullie lijken wel gek, dat mot de gemeente toch zeker doen?” is het commentaar van een zonverschoten vrouw. Voordat ik wat kan zeggen trekt een slordig in zijn vacht zittende bouvier haar verder. Twee jongens in voetbaltenue en opgeschoren nek fietsen snel voorbij en roepen:
“Goed bezig, meneer!”

Dit jaar deden 13000 mensen meer mee dan vorig jaar. We zijn goed bezig. Toch, het is nog geen druppel op de gloeiende plaat. De Plastic Soup eilanden dijen nog steeds uit. Mijn ergernis over het afval hier in mijn buurtje stelt niets voor. Ik zag de Bagmati rivier in Kathmandu, bijna dichtgeslibt, een drijvende vuilnisbelt. Denk aan de Ganges of de Guanabara baai, in Rio, tijdens de Olympische spelen. Binnenkort, als Dordt geheel van smetten vrij is, dan trekken wij richting echt vuile streken. Wij weten nu hoe het moet. Rio, here we come! Afval bestaat niet. De gêne die ik voel als ik eens iets opruim is verdwenen. Trots ben ik en nuttig voor de samenleving. Nu, tijdens deze actie ben ik gelegitimeerd bezig. Bovendien schoon ik nog iets extra’s op, mijn eigen ergernis. Een spreuk van Loesje:
‘Ik ben gestopt met mopperen en ik ben een stuk gelukkiger geworden.’ Toch ben ik haast beledigd wanneer ik de volgende dag een wandelingetje maak door ‘mijn schone wijk’ en daar alweer Rommel aantref.

De Overkant

Heel even zit u aan de honderd, in de donkere tunnel onder de rivier. Dat altijd stromende water, wat de Zustersteden scheidt en toch ook weer samenbindt. Twee rotondes verder stapt u uit. En met het huiswerk onder de ene arm en het gereedschap onder de andere gaat u naar binnen, de heilige ruimte in: het Atelier. ‘Barteljee’.  Waar het naar verf ruikt en naar giechelige nervositeit. Er klinkt geroezemoes, besmuikt gelach van de studenten, beter nog leerlingen, in deze situatie. U ontwijkt de blik van de Meester en haastig zet u uw werkstuk op een lege ezel tussen de andere. Koffienippend dwaalt u rond, kijkend, keurend, bewonderend. Er hangt zoveel, van alle niveaus en kwaliteit. Er hangen impressionistische schilderijen, abstract werk, realistisch, Picasso- en van Gogh geïnspireerd, een heel knap naïef, of is het een beginner. Primaire en complementaire kleuren buitelen over elkaar. Napelsgeel en Vandijckbruin naast Naftalrood springt van de wanden.

Na informatie over de nieuwe opdracht gaat het licht aan. Nu komt het, de bespreking van de ingeleverde stukken. U zet de telefoon uit, het risico dat Hollywood belt, of beter nog, museum Voorlinden, negerend. Portretten, een landschap, stillevens, een enkele abstracte. Van links naar rechts. Stijgende hartslag. Even hoopt u dat uw stuk wordt overgeslagen. Het werk waarover u wat ontevreden was, waarvan het niveau nu toch niet tegenvalt. Het oordeel van de Meester. Het gemompel van de leerlingen, beter nog gezellen. En u heeft spijt dat uw andere twee werken toch niet op de ezels staan. Nog in de map onder de tafel, de oude map die uw vader ooit maakte, met fraai gemarmerd papier beplakt, nu doorleefd verschoten.

In een goed schilderij kan ik verdwijnen. Steeds opnieuw kan ik er naar kijken en het opnieuw zien. Het kan schreeuwen, sfeer hebben en heimwee oproepen. Er kan een geheimzinnig licht hangen met schaduwen die vragen oproepen. In Utrecht had ik les van twee kunstenaars. Edward Hölzel en Frits Frietman. Toen ze exposeerden in de Vleeshal in Middelburg moest ik erheen. In ‘mijn’ Zeeland. Tijdens de, met sherry en witte wijn besprankelde opening, spraken ze vol bewondering over het ‘Zeeuwse licht’. Nooit van gehoord, toen. Terwijl ik elke duinpan kende, daar op Walcheren. Nu, een half mensenleven later is het verklaard. De botsende waterstromingen van Schelde en Noordzee gooien zoutkristallen hoog de lucht in. De weerkaatsing van zonlicht daarop geeft die zo heel speciale sfeer. Dat licht wat onder meer Toorop en Mondriaan inspireerde. Binnenkort mag ik er weer drie weken wonen, op de grens van zee, lucht en land, vóór de duinen, op het strand, onder die zoutkristallen. Sunset Boulevard.

Zo langzaam als de heenreis in de avond was, zo hard rijdt u nu door de nacht naar huis. Pavarotti schalt door de wagen:
“Qui dove il mare luccica, e tira forte il vento, su una vecchia terrazza, davanti al golfo di Surriento”
Niet via de tunnel nu, maar hoog over de blinkende rivier. De ijzeren brug met oranje lampen is de Golden Gate Bridge, mijn donkere stad met scheve toren veranderd in San Francisco. Dat Christo deze stad nog nooit heeft ingepakt. Sturen hoeft niet, de wagen weet zelf zijn weg, er is geen asfalt, alle lichten staan op groen. Living-the-dream. Straks thuis eerst een glas wijn en dan Kyblanski bellen. En schilderen, schilderen, tot diep in de nacht. Een happy end of toch een open einde.

Hölzel en Frietman exposeerden onlangs in Pulchri, Den Haag. Dat heb ik net gemist, helaas. Pulchri, om de hoek waar ik zolang werkte, toeval bestaat, in het pand waar kunsthandel Goupil & Cie, waar inderdaad van Gogh…..

Lijsttrekker

Gek woord eigenlijk. Trekker ken ik en ook de lijster, die zie je weinig meer. Het merkwaardige pleintje voor de Hema is ingenomen door de politiek. Alle merken zijn vertegenwoordigd, herkenbaar aan zijn eigen kleur. CDA groen, SP rood. Dochter Carol en ik worstelen ons er doorheen. Beleefdheidshalve pak ik hier en daar een foldertje aan, zinloos, ik ben geen zwever. In de stad is het druk, in de weinige winkels die nog proberen te overleven ook. Die avond weer, in alle restaurants is het – heeft u gereserveerd? Nee? Geen plaats. Tenslotte belanden we in Carols ‘favotent’ Post. Over het laatste tafeltje wat nog vrij is, buigen we ons om verstaanbaar te zijn in het geroezemoes. Er moet veel verteld. Het bestelde wordt bij de buren bezorgd. Het zal wat langer gaan duren, maar ach, ik ben samen. Met m’n dochter.

Hoe anders was het gister. Zevenenveertig kilometer op de fiets, tegenliggers: zeven. En evenzoveel keer een glimlach en een groet. Blauwe lucht, leegte en rust. In de Noordwaard. Het omgevallen bomenbos. Het gaat gebeuren, ze beginnen te vallen, steeds meer. Omdat ze natte voeten hebben gaan ze of dood, of de wortels hebben geen vaste grond meer en kieperen om met het hele wortelstelsel en al. In grote getale nu. Dat gaan dus bergen rottend hout worden, jammer eigenlijk. Dat lege vlakke landschap kan best wat horizondoorbreking gebruiken.  En dan, om af te vinken, ik héb hem, de zeearend, of, daar wil ik afblijven, de visarend, dat kan ook. Misschien was het een visarend. Een kenner ben ik niet. Heb ook geen verrekijker of telelens, dus ik fotografeerde alleen lege blauwe lucht. Zag zelfs een tweede, honderd meter hoger. En lager, vlak boven het land, ze zijn er weer, de kieviten.

De niet aflatende drang om snel en in hoog tempo verder te gaan is weggevloeid. Dit moet het zijn, het ware onthaasten. In de luwte van het Steurgat. Waar het pontje stil aan de kant ligt, het is nog geen vaarseizoen. Waar het warm is en het lome dreunen van een laag vliegtuig het zomer doet lijken. Ruziënde waterhoentjes. De zwarte contour van een zalmschouw schuift langs. De koffie en de boterhammetkaas is op. No stress, had ik een burn-out, was ik hem nu kwijt. Op het groene bordje een van 72 gedichten in de Biesbosch:

Pontje Steur

 Hier opent zich het weidse polderland
met golvend graan
met grazend vee
en bomen naar de overkant

 Van ‘t Kooike naar de Grote Weerd
en omgekeerd
vaart zomerdaags
dit hulkje op en neer

 Tot aan de oorlog zwom de grote steur
hier loom zijn rondje.
Nu dient de reiziger dit nietig pontje
tot brug, tot rustplaats en tot veer.

 De veerman – of is ’t de bode? – noodt
met stil gebaar;
– bezweert gevaar –
“Begeef gerust uzelf in Charons boot”

 Kees van Gammeren

En weer verbaas ik me, in dit verbijsterende landschap. Waar de mens zo drastisch ingreep. Qua omvang van Deltawerkenachtige proporties. 300.000 vrachtwagens grond zijn er verplaatst. Het ‘ruimte voor de rivier’ project is gelukt. De rivier staat hoog, dus hier ook. Onafzienbare watervlaktes blinken. En nu zie ik er echt voor het eerst een zitten, een ijsvogel. Spetterend kobalt. Dan vliegt hij weg, steekt in golvende vlucht het Steurgat over.

Zoals ik zei, de lucht is blauw, bijna lente, alles loopt uit, de kieviten zijn terug. Hier is alles oké, behalve dan toch wel die hoge waterstand. Die steeds vaker voorkomt. Die mij verontrust. Het milieu, het klimaat, dat scoort laag in de debatten. Van die lijsttrekkers.

(had ik dit verhaal twee dagen later geschreven, cq beleefd, had ik kunnen vertellen dat die zee- of visarend de lammergier was, die twee dagen later is gesignaleerd. Ik heb nu eenmaal geen telelens)

En dan nog dit, nog langer geleden, het was winter, januari ofzo, dat ik daar ook was. Maar dan samen met Eega, ze was meegegaan, voor één keer. En we reden door dat gebied, wat veranderd was in een binnenzee. En de banden van onze verwarmde en zwarte middenklasser ruisten door het rivierwater. En toen op dat moment gebeurde het ongelooflijke. Wij keken naar buiten en de hemel brak open en gouden stralen werden naar beneden gezonden en daalden neer in de Noordwaard. En echt waar, echt waar, pal in ons blikveld, daar dartelde, speciaal voor Eega, een lichtbruine springlevende ree.
# voor de goede orde, ik stem géén Partij voor de Dieren.

Mensenmens

image1

“Ik ben een peoplemanager.”

Zij, die deze zin uitsprak, tijdens een overigens weinig vruchtbare sollicitatie mijnerzijds, een uit optimisme, gekunstelde vrolijkheid en ingebouwde autoriteit samengestelde vrouw, was filiaalhouder van een globaal wijdvertakt concern. En niet onaantrekkelijk bovendien. Ware het niet dat voorgaande eigenschappen mij op haar zouden doen afknappen. Doch dit terzijde. Dat peoplemanagen, dat is het. Dat is zo van nu. Om te voorkomen dat je niet wegzinkt, verzuipt in het hele grote masjien van zo’n wereldwijd radarwerk, dat concern. Dat er met je geschoven wordt als met stukken over een schaakbord. Met het grootste gemak wordt je ook weer van het bord geveegd.

Als een pion terzijde gelegd. Of je mag opdraven elders, waar en op welk moment het de Grote Leider goed acht. Eenmaal ingelijfd voor een tijdelijk werkverband met ongrijpbare beloftes als leaseauto’s, bonussen en iets langere contracten ben je dus overgeleverd aan de Manager. Een manager die schuilgaat achter: ik moet ook maar doen wat mij wordt opgedragen, door mijn manager. Die optimistische vrouw dus, dat mensenmens.

Op een kille vrijdagavond voegde ik mij toe aan de groep. Van geïnteresseerden, die gegidst zou worden. Twintig mensen luisterend naar de goedlachse en breedsprakerige Henk, de man die alles weet. Over de stad Dordrecht en over Vincent van Gogh, want daarover zou het gaan deze avond. De plekken die Vincent bezocht, waar hij woonde en waar hij werkte. Nou ja werken deed hij niet zoveel, ronddwalen door de stad en de kerken. En brieven schrijven, dat wel. Schilderen nog niet. Wel was hij ook al toen een ‘aparte’. Veel vrienden had hij niet, een enkele schilder en zijn broer natuurlijk. De rondgeleide groep bestaat uit eenlingen en duo’s en volgt stil de gids door de donkere stad. Gids Henk wil zo graag vertellen, vragen beantwoorden. Kan zijn kennis niet kwijt, er is te weinig tijd. Weet zoveel van de stad en hij, mensenmens, kent de helft van de inwoners. In gedachten verzonken loop ik achteraan. Totdat ook ik opeens te weinig tijd heb, ben in gesprek geraakt; een leuke vrouw met gedeelde interesses.

We houden halt in een donker parkje. Bij deze boom, hier stond het huis waar Vincent woonde, die vier hele maanden in Dordt. Henk heeft het zelf uitgemeten, het was 99 meter vanaf de hoek van de Tolbrugstraat, toen een nauwe steeg. En nu snap ik het. Vanuit zijn kamertje kon hij de toren van de Grote Kerk zien. De verlichte wijzerplaat schijnt net boven de huizen uit. Het is half negen.

In de Trinitatiskapel en de Grote Kerk wordt voorgelezen uit brieven die Vincent schreef aan Theo. Plekken die hij vaak bezocht. Waarom hij naar Dordrecht kwam? Vanwege Ary Scheffer, die hij zeer bewonderde, die hier echter slechts twee jaar woonde.

Graag zou ik eens zelf een nachtelijke rondleiding willen verzorgen. Door schaars verlichte straten en smalle steegjes van die oude stad. Langs de kades met het zwartspiegelende water en over de bruggen van de Voorstraathaven waar de gevels schimmelen van ouderdom en geschiedenis en de maan met het licht speelt over de kasseitjes in de Wijnstraat. Zo in het donker lijkt de stad nog ouder, Middeleeuwser. En dan hier en daar in een oud pand de krakende trap beklimmen, bij een gek atelier binnenkijken en dan afsluiten in een obscuur café. Een schuimende Geuze Boon drinken en napraten met de gegidsten. Maar ja, daarvoor moet men een mensenmens zijn.

 

 

 

Kolibrie

p1000111

Het was zo’n dag in februari waarop het lente lijkt. Negen graden, maar uit de wind in de beschutting van de Biesbosch was het warm. Ik zat een tijd te suffen aan de oever van de Nieuwe Merwede. Vreemd hier, een oude strook van gemetselde steentjes, als het tuinpad van je grootvader, maar dat dan als oeverbescherming. Om er te komen brak ik lukraak door het veelal platliggende riet. In de zomer is het hier volledig dichtgegroeid. Ik was op zoek naar bevers. Overal tref je sporen van bevervraat, ze rukken op, zelfs in het Wantij tot dichtbij de stad. Nooit heb ik er een gezien.

Bij de Kop van ’t land is ‘water’ gemaakt. Bedacht als rustplaats voor noordse woelmuis, modderkruiper en die bever. Via buizen kunnen ze onder de Provinciale weg door naar een volgend gebied. Hoe gek wil je het hebben. Op het golfterrein heinen ze nu hele stroken geboomte af om ze te beschermen tegen bevervraat.

Bij de Oosthaven begint de nieuwe doorsteek dwars door de polder; Noorderdiepzone, nieuwe Natuur. Nieuwsgierig als ik ben fietste ik zover ik kon over rijplaten en crosste door blubber en vers gegraven land. Nieuw, haha, hier was ik nog nooit. Bij de Julianaboom aan de Noorderelsweg moest helaas zo’n typisch Dordtse Polderboerderij sneuvelen. Nota bene de eerste boerderij die in 1933 in Polder De Biesbosch werd gebouwd en hij heette dan ook: ’De Eersteling’. Op mijn Externe Harde Schijf heb ik een mapje: Oude Natuur. Foto’s van De Polder, honderden.

In de grienden dacht ik een kleine buizerd te zien, zal wel een valk geweest zijn. En een specht en koolmezen. En best veel mussen. Achteraf thuis opgezocht; dat waren vast geen mussen, maar Cetti’s zangers,een  kennelijk typische Biesbosch vogel. In de digitale zoektocht hiernaar vond ik ook iets anders. Een hele lijst met waarnemingen zoals:
2017-02-19 – Mongoolse Pieper (Anthus godlewski) – Brabantse Biesbosch – Noordwaard – Boomgat ten oosten van Kroonbrug.

Tja. Een collega, een verlegen jongen die nog steeds thuis woonde, vertelde me ooit dat hij een kolibrie had gezien. In de tuin van zijn ouders: ja echt, het was een kolibrie. Steeds bleef ik hem vragen of hij er nog een had gezien. Wat? Een kolibrie!

Ook zag ik heel mooi tegenlicht dat speelde met het mos op de achterkant van de bomen. Ik was opgewonden en blij, ja het gaat weer gebeuren, de zon gaat schijnen. Het was heel stil, het was vredig en er was niemand op die vroege voorjaarsdag. Van Trump geen nieuws. In een griend die niet meer onderhouden wordt zag ik, met tegenwind, een ree. Ik richtte de camera, hoorde drie keer piep en zag de lens zich terugtrekken. Shit, nieuwe camera, oude accu uit de vorige camera en die is dus snel leeg. De piepjes hoorde het reetje ook. Hoelang stonden wij elkaar aan te kijken? Een minuut of twee minuten? Het leek lang. Tot het reetje tenslotte rustig een andere kant opkeek, wegwandelde en oploste in het bruine groen.

Op de terugweg ruimde ik wat rommel op en stopte dat hier en daar in voorbijkomende prullenbakken. Van een stond de deur open. Toen ik die wilde sluiten schoot er een winterkoninkje uit weg. Een lekkere schuilplaats. Onhoorbaar naderde, hij had tegenwind, de enorme binnenvaarder Bansai. In verte stond, aan de oever, een zilverreiger. Kolibries, niet gezien.

Trumpisme

image1

Trumpisme

En ja hoor, Nederland is weer een verkeersbord rijker. Ik zag het gebeuren, het plaatsen. Niet zoals gebruikelijk met drie man en een busje. Een man graaft, zet neer en bevestigd het bord. De andere man rookt en houdt de paal vast en man drie kijkt of het goed gaat, al bellend. Nee, het was een man alleen die alles kon, roken en bellen ook. Dat bord, overigens, daar gaat het me hier om, zegt dat parkeren op de stoep is toegestaan. Verderop, waar de straat zich versmalt en ook de meeste auto’s wonen, deed men dat toch al. Dat is Verboden. Nu mag het. Er staat een bord. Parkeren op de stoep. Mag. Gewoon. Doen. Dat zijn de regels.

Trumpisme is vrijheid. Je parkeert op de stoep of op straat. Maar je kunt je auto ook midden op straat neer zetten. Dat doe je gewoon. Rekening houden met anderen is ouderwets. Dat is vrijheid. Je kunt ook alles zeggen, je geeft je bek een douw. Is iemand beledigd, dat is ouderwets. Of eigenlijk, dat woord ouderwets, dat ken je niet eens. Aan regels doen we niet, schaffen we af. Als je het er niet mee eens bent, doen we met jou geen zaken. Je moet je bek houden, je komt niet meer aan het woord. Je wordt genegeerd, binnenkort sluiten we jouw tent. Je kunt protesteren, dat mag. Trumpisme is vrijheid. Je kunt de media erbij halen. Die schrijven alleen leugens. Dat is nepnieuws.

Honden losloop terrein. Paddentrek. Einde gladheidsbestrijding. Stiltegebied. Allemaal verkeersborden waar we met droge ogen dagelijks aan voorbij rijden. We vinden dat: normaal. Het absurde ervan zien we niet.

Van krantenjongen tot miljonair. Dat kon vroeger in Amerika, zei men. Van idioot tot president, dat kan dus nu, kennelijk. Botheid viert hoogtij. Men neme wat racisme en egoïsme, roere dat goed dooreen, men voege wat snobisme toe, gevolgd door een flinke scheut narcisme en presentere het op een bedje van absurdisme, ziedaar het Trumpisme.

Toorensight

 toorensight

Kijk, de mooiste toren van Nederland staat natuurlijk in Kloetinge. Dat is duidelijk, daar zijn we gauw klaar mee. Een goede tweede zou dan die scheve, nooit afgebouwde, van Dordt kunnen zijn. Onder die toren van Kloetinge ben ik geboren, dus dat verklaart alles. Zo jammer dat Vincent van Gogh er nooit geweest is, in dat stille Zeeuwse dorp. Vier maanden woonde hij in Dordrecht, met schilderen hield hij zich niet bezig toen. Iets anders had hij voor ogen, het hogere, het goddelijke. Een zoektocht naar het geloof, en daartoe liep hij alle kerken af. Predikant, dat wilde hij worden.

Nu zijn er vier maanden lang films, ’van Gogh gerelateerde’ schilderijen, kerkdiensten, avondwandelingen en een lezing. Die lezing; ‘Het evangelie volgens van Gogh’, woon ik bij. De laatste foto die de beamer toont, ‘Korenveld met kraaien’, blijft na de lezing staan terwijl Ilse Bevelander ‘Vincent’ van Don Mclean zingt. (Kloetinge ligt op Zuid Beveland) En ik – sentimentele slappe hap – word bijna emotioneel. Dat korenveld en dat lied (uit 1971) voeren me terug naar mijn jeugd, hoe gelukkig ik daar was. Temidden van die gele, geurige korenvelden die zacht wiegden in een lauwe zomerwind, terwijl hoog de leeuweriken kwetterden. De zwarte kraaien uit het schilderij waren de spreeuwen die verschrikt opvlogen, wanneer mijn vader hard in zijn handen klapte. Vanzelfsprekend is deze herinnering bij mij opgeslagen in het warme van Gogh kleurenpalet.

Flaming flowers that brightly blaze
Swirling clouds in violet haze
Reflecting Vincent’s eyes of China blue
Colors changing hue
Morning fields of amber grain

 Ik ken het lied haast letterlijk uit mijn hoofd. En dat geldt ook voor het tweede lied dat Ilse zingt; ‘Both sides now’, van Joni Mitchell. Jammer dat ze het in de Nederlandse vertaling zingt.

Hoe kan het, dat zo’n bij leven miskende man uitgroeide tot een wereldwijd geliefd schilder. Is het omdat we iets herkennen? Is het sympathie voor het gewone, de underdog? De hulpbehoevende, de arme aardappeleter, die we immers eigenlijk allemaal zijn? En zijn we niet, net als van Gogh, op zoek naar iets beters, het onbereikbare? Vanuit zijn kamertje in Dordrecht keek hij omhoog, had hij uitzicht op die scheve, niet afgebouwde toren, die ook mij nu dierbaar is geworden.

I’ve looked at life from both sides now
from up and down and still somehow
It’s life’s illusions I recall
I really don’t know life at all

Op De Vlucht

p1050016

Het is wellicht wat moeilijk te begrijpen. Varen doe ik graag, honderden keren stak ik de Ooster- en de Westerschelde over. Met mooi weer en met slecht weer. Tientallen malen de Noordzee, van en naar alle mogelijke vertrek- en aankomsthavens. Toch krijgen ze mij met geen mogelijkheid op een cruise. Ik ga dat niet doen, ook al heb ik de noodzakelijke leeftijd nu bereikt. Natuurlijk, daar is het waarschijnlijk veel gerieflijker de nacht doorbrengen in zo’n fraai met kunsthout betimmerde hut, of liever gezegd varende hotelkamer, dan in je slaapzak op een geritselde deckchair achter een schoorsteen, enigszins uit de wind op de ijziggrijze Noordzee. Of onder de tafel in een grote zaal, waar aan het eind een troep Engelsen dronken plezier maakt totdat er een knokpartij uitbreekt en met stoelen wordt gesmeten. Of stiekem in een donkere onbezette couchette gekropen.

Ergens begrijp ik het zelf ook niet, maar telkens wanneer er zo’n lang en laag riviercruise schip onverstoorbaar langsschuift, op weg naar Basel of over de Donau naar Boedapest, dan kijk ik het verlangend na. Wat lijkt me dat relaxed, liggend op een moddervette Auping boxspring of een blauw geruite Hästens  de eindeloze oever langs te zien schuiven. Steenfabrieken, groene heuvels met kastelen er bovenop, staalfabrieken en bergen schroot, pittoreske dorpjes met flanneerboulevards, werven met halve boten op de wal, een romantische stad met verleidelijke lichtjes. Vanuit de beslotenheid van je eigen hut – een verdieping boven je wordt alweer copieus gedineerd, of dansen gekapte dames met gesoigneerde heren een beschaafde foxtrot – schuift dat variërende landschap gestaag aan je voorbij. Je klikt een versgekoelde Carlstein open en klokt het goud naar binnen.

Open dag op HS Esprit – Friendship rivercruises, daar moet ik bij zijn. Ik wil graag zo’n hut met schuifpui zien. Misschien zijn er nog wel drie mensen dat dat ook willen. De Lintsedijk op, langs de rivier tot de Uilenkade. En die staat vol geparkeerd. Wat een belangstelling, driehonderd mensen of zijn het er drieduizend, verdringen zich op de loopplank. Langzaam schuifel ik het schip binnen. Hier is het weldadig warm, links zie ik Romeinse zuilen, een smeedijzeren trap leidt naar het Panoramadek, wat zich uitstrekt over de totale lengte van het schip. Dat dek, dat iets geheimzinnigs heeft, nooit zie je daar iemand zitten, hoeveel schepen er ook Dordt passeren, de zonnedekken zijn leeg. De gebruinde gastvrouw met overvloedige schoonheid houdt mij staande. Eerst moeten er gasten het schip verlaten, voordat ik word toegelaten. Zodoende vertoef ik iets langer in haar betoverende nabijheid.

Dan, in de Loungebar zak ik weg in een lederen fauteuil. In de verte zou ik koffie kunnen halen en gebak. Gratis. Een niet ophoudende rij mensen loopt voor me langs met een halve taart op een bordje. Straks word ik omgeroepen om aan te sluiten bij de rondleiding. “Nee”, zo antwoordde de parelende glimlach van heel dichtbij op mijn vraag, ik was hun gast, ik mocht niet op eigen hutje even ronddwalen. Het is warm, boven het geroezemoes hoor ik het behang van muziek en voordat ik het begrijp staat mijn lichaam op en worstelt het zich tegen de stroom in, terug naar de ingang. “Pardon”, en “Excuus” mompelend slangemens ik naar buiten. Ik vlucht de loopplank over, maar niet voordat ik een laatste blik werp op eerder genoemde hostess. Ze ziet mijn gekwelde blik. De lage zon schiet over de Uilenkade rechtstreeks het HP Esprit binnen en doet haar donkere ogen blinken. Ze lacht haar professionele lach. Eigenlijk wil ook zij aan wal.

Een Brug te Ver

p1000078

‘De tocht gaat ongeacht de weersomstandigheden – IJzel en Te Hoge Waterstanden uitgezonderd – altijd door’.

Om het gebied van de Nieuwjaarswandeling te bereiken diende een stukje gefietst te worden. Daar, in dat afgelegen stukje Biesbosch wordt niet gestrooid. En jawel, juist op de dag van de tocht: IJzel! Na lang aarzelen lastte ik het af. Een wijs besluit, dat bleek de volgende morgen: het laagje sneeuw was bedekt met ijs, spiegelglad.

Een week later was daar de andere uitzondering, Te Hoge Waterstanden. Noordwesterstorm en springtij. De Dordtse kaden konden onder lopen. De Maasland- en Oosterscheldekering zouden misschien gesloten worden. Veel regen en winterse neerslag voorspeld. Kijk, dát zijn pas gezellige omstandigheden voor een bergsportvereniging. Barre midwintertocht extralight. Des te lekkerder zal de koffie smaken in de Griendkeet. De avond tevoren, bij de Nieuwjaarsborrel keken de deelnemers elkaar enthousiast aan, ja joh, hoe dan ook, we gaan gewoon morgen!

 

Zes man en een vrouw schepen in op de pont naar de Brabantse Biesbosch. Waar is die storm gebleven? De zon schijnt, de lucht is blauw en oké, de rivier staat hoog. We fietsen de Spieringsluis over en de Jantjesplaat op. Verassend hoe snel die nieuwe natuur zich settelt. Ook hier is landbouwgebied afgegraven om de rivier de ruimte te geven bij hoge waterstand. En dat is kennelijk gelukt, het staat vol met water. Bij de Jantjeskeet, een voormalige griendwerkerskeet, nu te huur als vakantieverblijf, weer rechts over een smal dijkje terug naar de Deeneplaatweg. Alles op de tekentafel bedacht, hier een dijkje, daar een lage oeverwal, ‘nieuwe natuur’ en toch is het mooi. De lage zon schijnt krachtig over het riet, de jonge wilgjes, eenden, ganzen en verder van alles wat kan zwemmen en vliegen.

Bij het pompgebouwtje Hooge Hof worden de fietsen geparkeerd. We gaan het dijkje op en zien alleen maar water. De hele voormalige polder Hooge Hof staat onder water. Waar is de brug gebleven? Te Hoge Waterstanden. De brug van 35 meter lengte ligt onder water. En wie is tegenwoordig nog in het bezit van rubberlaarzen. Rienk (broer) en ik, dat behoort tot onze PSU – Persoonlijke Standaard Uitrusting – en steken gewoon over. Jan, Elwin wagen het op hun bergschoenen, op de tenen lopend klotst het water net niet langs de sokken. Kees heeft zijn gamaschen heel strak over de schoenen, er blijkt geen water onder door te kunnen. Rienk loopt terug met mijn laarzen en daarin komt ook Kerstin droog over. Maar hoe pakt Rivierenlandvoorzitter Robert het aan. Blootvoets steekt hij over, het water is net boven het vriespunt, het brugdek zo’n open rooster van metaal. Hij geeft geen krimp, lachend haalt hij het. De voorzitter, een voorbeeld voor den Jeugd.

Een ding is zeker, we zullen hier vandaag weinig mensen ontmoeten. Verderop is weer zo’n brug en deze ligt nog dieper. We passen de route aan en keren om. Een smal dijkje net boven water leidt ons richting Deenepolder. Daar is weer een brug maar deze ligt hoog genoeg. We besluiten tot een korte koffiestop in de Zwarte Keet, wat ook de lunchplek zal zijn. Na lang soebatten bij Staatsbosbeheer kreeg ik hiervan de sleutel. In de bergsport is dat een normale zaak, onbemande hutten in de Alpen zijn gewoon open. Of de sleutel hangt aan de spijker boven de deur. Van andere hutten stuurt NKBV Woerden je de Schlüssel per post toe, na betaling van een kleine borg. Maar wat is dit, dertig meter na de brug kunnen we niet verder. Dit hele gebied staat onder water. Laarzen zijn dringend noodzakelijk. Te Hoge Waterstanden. Hier houdt het op, de Zwarte Keet blijft onbereikbaar. Een zwart geteerde houten schuur, waar de griendwerkers verbleven, in de veertiger jaren van de vorige eeuw. Primitief, wat wij nu als sfeervol benoemen. Een deel is ingericht zoals de grienders er toen woonden, cultureel erfgoed. Het andere deel wordt gebruikt als uitvalsbasis wanneer er in de grienden wordt gewerkt. Een deel van de Deenepolder wordt nog als griend in stand gehouden; de wilgen worden regelmatig geknot.

Koffie bij de hoge brug. Deze tegenslag wordt geaccepteerd, het is jammer maar ach. Zoals dat gaat in de bergen, niet elke top wordt gehaald. Het weer bepaald. Terug, nu langs de andere oever van de Hooge Hof polder. En het is zo mooi. In de verte jaagt een bui langs en we krijgen de wind ervan mee in de rug.  De lucht staat als een zwartblauw decor achter de fel beschenen rietkragen, jonge wilgenbosjes en oplichtende watervlaktes waar compositorisch precies op de goeie plek een stoet zwanen poseert. Nog twee keer steken we over met laarzenwissels en tenenlopers. Het is eb en het waterpeil is wel iets gezakt. Robert houdt nu zijn schoenen aan. Op de fiets worden we ingehaald door windvlagen vol hagel die gezellig klettert op de capuchon. Jan spot een ijsvogel en gaat vol in de remmen.

Bij de pont schuilen we in het wachthokje en we lachen en denken nu al terug aan een tocht die zo goed past bij de naam van onze club: Rivierenland. Aan de overkant van de weg staat een bordje met gedichten, voor elk seizoen één:
‘De polder slaapt
onder een grauwe lucht.
IJzige wind slaat mij
bij vlagen om de oren.

Mijn banden drukken
in de pekelsneeuw
vuilwitte sporen.

 Bij de rivier
staat in de straffe wind
het stenen huis
waar ik beschutting vind
terwijl ik wacht.

Straks als ik overvaar
naar de Kop van ’t Land,
zal ik verlangen naar
de witte ruigte
van de overkant.’

Leo van der Laan

 (in de Biesbosch staan overal van deze bordjes, 72 gedichten in totaal)