Alle berichten door dentoonder

Op De Vlucht

p1050016

Het is wellicht wat moeilijk te begrijpen. Varen doe ik graag, honderden keren stak ik de Ooster- en de Westerschelde over. Met mooi weer en met slecht weer. Tientallen malen de Noordzee, van en naar alle mogelijke vertrek- en aankomsthavens. Toch krijgen ze mij met geen mogelijkheid op een cruise. Ik ga dat niet doen, ook al heb ik de noodzakelijke leeftijd nu bereikt. Natuurlijk, daar is het waarschijnlijk veel gerieflijker de nacht doorbrengen in zo’n fraai met kunsthout betimmerde hut, of liever gezegd varende hotelkamer, dan in je slaapzak op een geritselde deckchair achter een schoorsteen, enigszins uit de wind op de ijziggrijze Noordzee. Of onder de tafel in een grote zaal, waar aan het eind een troep Engelsen dronken plezier maakt totdat er een knokpartij uitbreekt en met stoelen wordt gesmeten. Of stiekem in een donkere onbezette couchette gekropen.

Ergens begrijp ik het zelf ook niet, maar telkens wanneer er zo’n lang en laag riviercruise schip onverstoorbaar langsschuift, op weg naar Basel of over de Donau naar Boedapest, dan kijk ik het verlangend na. Wat lijkt me dat relaxed, liggend op een moddervette Auping boxspring of een blauw geruite Hästens  de eindeloze oever langs te zien schuiven. Steenfabrieken, groene heuvels met kastelen er bovenop, staalfabrieken en bergen schroot, pittoreske dorpjes met flanneerboulevards, werven met halve boten op de wal, een romantische stad met verleidelijke lichtjes. Vanuit de beslotenheid van je eigen hut – een verdieping boven je wordt alweer copieus gedineerd, of dansen gekapte dames met gesoigneerde heren een beschaafde foxtrot – schuift dat variërende landschap gestaag aan je voorbij. Je klikt een versgekoelde Carlstein open en klokt het goud naar binnen.

Open dag op HS Esprit – Friendship rivercruises, daar moet ik bij zijn. Ik wil graag zo’n hut met schuifpui zien. Misschien zijn er nog wel drie mensen dat dat ook willen. De Lintsedijk op, langs de rivier tot de Uilenkade. En die staat vol geparkeerd. Wat een belangstelling, driehonderd mensen of zijn het er drieduizend, verdringen zich op de loopplank. Langzaam schuifel ik het schip binnen. Hier is het weldadig warm, links zie ik Romeinse zuilen, een smeedijzeren trap leidt naar het Panoramadek, wat zich uitstrekt over de totale lengte van het schip. Dat dek, dat iets geheimzinnigs heeft, nooit zie je daar iemand zitten, hoeveel schepen er ook Dordt passeren, de zonnedekken zijn leeg. De gebruinde gastvrouw met overvloedige schoonheid houdt mij staande. Eerst moeten er gasten het schip verlaten, voordat ik word toegelaten. Zodoende vertoef ik iets langer in haar betoverende nabijheid.

Dan, in de Loungebar zak ik weg in een lederen fauteuil. In de verte zou ik koffie kunnen halen en gebak. Gratis. Een niet ophoudende rij mensen loopt voor me langs met een halve taart op een bordje. Straks word ik omgeroepen om aan te sluiten bij de rondleiding. “Nee”, zo antwoordde de parelende glimlach van heel dichtbij op mijn vraag, ik was hun gast, ik mocht niet op eigen hutje even ronddwalen. Het is warm, boven het geroezemoes hoor ik het behang van muziek en voordat ik het begrijp staat mijn lichaam op en worstelt het zich tegen de stroom in, terug naar de ingang. “Pardon”, en “Excuus” mompelend slangemens ik naar buiten. Ik vlucht de loopplank over, maar niet voordat ik een laatste blik werp op eerder genoemde hostess. Ze ziet mijn gekwelde blik. De lage zon schiet over de Uilenkade rechtstreeks het HP Esprit binnen en doet haar donkere ogen blinken. Ze lacht haar professionele lach. Eigenlijk wil ook zij aan wal.

Een Brug te Ver

p1000078

‘De tocht gaat ongeacht de weersomstandigheden – IJzel en Te Hoge Waterstanden uitgezonderd – altijd door’.

Om het gebied van de Nieuwjaarswandeling te bereiken diende een stukje gefietst te worden. Daar, in dat afgelegen stukje Biesbosch wordt niet gestrooid. En jawel, juist op de dag van de tocht: IJzel! Na lang aarzelen lastte ik het af. Een wijs besluit, dat bleek de volgende morgen: het laagje sneeuw was bedekt met ijs, spiegelglad.

Een week later was daar de andere uitzondering, Te Hoge Waterstanden. Noordwesterstorm en springtij. De Dordtse kaden konden onder lopen. De Maasland- en Oosterscheldekering zouden misschien gesloten worden. Veel regen en winterse neerslag voorspeld. Kijk, dát zijn pas gezellige omstandigheden voor een bergsportvereniging. Barre midwintertocht extralight. Des te lekkerder zal de koffie smaken in de Griendkeet. De avond tevoren, bij de Nieuwjaarsborrel keken de deelnemers elkaar enthousiast aan, ja joh, hoe dan ook, we gaan gewoon morgen!

 

Zes man en een vrouw schepen in op de pont naar de Brabantse Biesbosch. Waar is die storm gebleven? De zon schijnt, de lucht is blauw en oké, de rivier staat hoog. We fietsen de Spieringsluis over en de Jantjesplaat op. Verassend hoe snel die nieuwe natuur zich settelt. Ook hier is landbouwgebied afgegraven om de rivier de ruimte te geven bij hoge waterstand. En dat is kennelijk gelukt, het staat vol met water. Bij de Jantjeskeet, een voormalige griendwerkerskeet, nu te huur als vakantieverblijf, weer rechts over een smal dijkje terug naar de Deeneplaatweg. Alles op de tekentafel bedacht, hier een dijkje, daar een lage oeverwal, ‘nieuwe natuur’ en toch is het mooi. De lage zon schijnt krachtig over het riet, de jonge wilgjes, eenden, ganzen en verder van alles wat kan zwemmen en vliegen.

Bij het pompgebouwtje Hooge Hof worden de fietsen geparkeerd. We gaan het dijkje op en zien alleen maar water. De hele voormalige polder Hooge Hof staat onder water. Waar is de brug gebleven? Te Hoge Waterstanden. De brug van 35 meter lengte ligt onder water. En wie is tegenwoordig nog in het bezit van rubberlaarzen. Rienk (broer) en ik, dat behoort tot onze PSU – Persoonlijke Standaard Uitrusting – en steken gewoon over. Jan, Elwin wagen het op hun bergschoenen, op de tenen lopend klotst het water net niet langs de sokken. Kees heeft zijn gamaschen heel strak over de schoenen, er blijkt geen water onder door te kunnen. Rienk loopt terug met mijn laarzen en daarin komt ook Kerstin droog over. Maar hoe pakt Rivierenlandvoorzitter Robert het aan. Blootvoets steekt hij over, het water is net boven het vriespunt, het brugdek zo’n open rooster van metaal. Hij geeft geen krimp, lachend haalt hij het. De voorzitter, een voorbeeld voor den Jeugd.

Een ding is zeker, we zullen hier vandaag weinig mensen ontmoeten. Verderop is weer zo’n brug en deze ligt nog dieper. We passen de route aan en keren om. Een smal dijkje net boven water leidt ons richting Deenepolder. Daar is weer een brug maar deze ligt hoog genoeg. We besluiten tot een korte koffiestop in de Zwarte Keet, wat ook de lunchplek zal zijn. Na lang soebatten bij Staatsbosbeheer kreeg ik hiervan de sleutel. In de bergsport is dat een normale zaak, onbemande hutten in de Alpen zijn gewoon open. Of de sleutel hangt aan de spijker boven de deur. Van andere hutten stuurt NKBV Woerden je de Schlüssel per post toe, na betaling van een kleine borg. Maar wat is dit, dertig meter na de brug kunnen we niet verder. Dit hele gebied staat onder water. Laarzen zijn dringend noodzakelijk. Te Hoge Waterstanden. Hier houdt het op, de Zwarte Keet blijft onbereikbaar. Een zwart geteerde houten schuur, waar de griendwerkers verbleven, in de veertiger jaren van de vorige eeuw. Primitief, wat wij nu als sfeervol benoemen. Een deel is ingericht zoals de grienders er toen woonden, cultureel erfgoed. Het andere deel wordt gebruikt als uitvalsbasis wanneer er in de grienden wordt gewerkt. Een deel van de Deenepolder wordt nog als griend in stand gehouden; de wilgen worden regelmatig geknot.

Koffie bij de hoge brug. Deze tegenslag wordt geaccepteerd, het is jammer maar ach. Zoals dat gaat in de bergen, niet elke top wordt gehaald. Het weer bepaald. Terug, nu langs de andere oever van de Hooge Hof polder. En het is zo mooi. In de verte jaagt een bui langs en we krijgen de wind ervan mee in de rug.  De lucht staat als een zwartblauw decor achter de fel beschenen rietkragen, jonge wilgenbosjes en oplichtende watervlaktes waar compositorisch precies op de goeie plek een stoet zwanen poseert. Nog twee keer steken we over met laarzenwissels en tenenlopers. Het is eb en het waterpeil is wel iets gezakt. Robert houdt nu zijn schoenen aan. Op de fiets worden we ingehaald door windvlagen vol hagel die gezellig klettert op de capuchon. Jan spot een ijsvogel en gaat vol in de remmen.

Bij de pont schuilen we in het wachthokje en we lachen en denken nu al terug aan een tocht die zo goed past bij de naam van onze club: Rivierenland. Aan de overkant van de weg staat een bordje met gedichten, voor elk seizoen één:
‘De polder slaapt
onder een grauwe lucht.
IJzige wind slaat mij
bij vlagen om de oren.

Mijn banden drukken
in de pekelsneeuw
vuilwitte sporen.

 Bij de rivier
staat in de straffe wind
het stenen huis
waar ik beschutting vind
terwijl ik wacht.

Straks als ik overvaar
naar de Kop van ’t Land,
zal ik verlangen naar
de witte ruigte
van de overkant.’

Leo van der Laan

 (in de Biesbosch staan overal van deze bordjes, 72 gedichten in totaal)

Bermbom

image1

‘Ergert U niet, verwondert U slechts.’

Dit credo probeer je wanhopig vast te houden. Lang voordat twaalf uur is ,op de laatste dag van het jaar, is het al een oorverdovend geknal. Horen en zien vergaat. Je verwondering slaat snel om, toch ergernis. Voor de zoveelste keer loop je naar het raam om tevergeefs te kijken wie daar nu weer vuurwerk afsteekt. Je zet de tv nog harder en opnieuw een doffe dreun. Zitten we hier in de frontlinie, rukt IS al op? Bam! Was dat een zelfmoordaanslag? Bermbom? Het schijnt te moeten kunnen. Die ene keer per jaar. Het is traditie, dat hoort zo.

Alles moet altijd veiliger in dit land. Onnozele teksten op elke verpakking; keep away from children. Is de vloer glad, dan dient een bordje neergezet: caution, wet floor. Een beetje sneeuw of harde wind en het is Code Oranje. De bunker waar ik jarenlang speelde en mijn kinderen ook, nu afgezet en verboden toegang: valgevaar. Oranje hesjes overal, afzetlinten, pilonnetjes. Binnenkort fiets je verplicht gehelmd. (help)

Een beetje man is tevens pyromaan. Wat mezelf betreft, dat klopt, ik mag graag fikkie stoken. In mijn vorige tuin had ik zelfs een officiële kampvuurcirkel. Als kind stak ik bermen van Zeeuwse dijken in de fik. Een keer liep dat volledig uit de hand. Coming out; ja ik was het, ik beken, dat was niet netjes.

Eerder op oudejaarsdag dwaalde ik door de mist in de Brabantse Biesbosch. Zou de sleutel passen? De sleutel van de Zwarte Keet, die ik tenslotte na lang soebatten bij de boswachters van Staatsbosbeheer te leen kreeg. Hier gaan we volgende week, tijdens de NKBV Nieuwjaarswandeling, lekker beschut onze lunch opeten. In die oude griendkeet, omringd door gereedschap voor het snoeien van wilg en riet, at ik een koude boterham. Het donker gerommel uit de stad, vijf kilometer hemelsbreed verder, van te vroeg ontstoken vuurwerk, verstoorde de Biesbosch stilte. Werd Dubbeldam gebombardeerd? Zorgvuldig sloot ik de deur af met het zware hangslot. In de dichte mist zocht ik mijn weg terug en zag vlakbij de contouren van een ree. Door de Ping! van een Whatsappje sloeg ze op de vlucht. Kleumend wachtte ik op de veerpont. De overkant en niets en niemand te zien. Het zal toch niet waar zijn, straks is die ‘wegens mist uit de vaart genomen’.

Een week later is het zover: Code Oranje, ijzel alarm. En het is ook de dag van de Nieuwjaarswandeling. We zouden op de fiets naar het wandelgebied, de Deeneplaat is niet per auto bereikbaar. Wat te doen? Afblazen? Wij bergsporters zijn toch niet bang voor wat sneeuw en ijs. Wat echter, als een van de deelnemers daar aan de overkant valt met de fiets en iets breekt? Code Oranje. Het halve land ligt plat, honderden aanrijdingen, uitgevallen treinen. Ik voel me verantwoordelijk en las het af.

In de eerste uren van het nieuwe jaar rij je terug naar huis. De brug over, de donkere rivier er onder flonkert in de nacht. De stad is leeg en er hangt een vreemde stilte. Het staakt-het-vuren is ingegaan. Een wapenstilstand van een jaar. Jammer, het gaat lang duren voordat je weer hulpverleners mag plagen, autobrandje kijken en die heerlijke kick van de Decibull, Shockwave, Devil Celebration en de Geisha 1617 Bad SS Box. Knallen! Ach, die ene keer per jaar, lachen man.

Geen Expositie

image1

een expositie wil ik het niet noemen, het is geen galerie, gewoon een gang in een rusthuis. Oké, iets sjieker:

in de corridor van restaurant ‘De Koningshof’ naar verzorgingshuis Dubbelmonde hangen 20 schilderwerkjes: 14 portretten en 6 stadsgezichten.

Drie maanden lang, ik ben benieuwd of ik een (1) reactie krijg.

De Koningshof
Koningstraat 290
3319 PH Dordrecht

‘All along the watchtower

5-52-st-new-york

Steeds weer klinkt die tune in mijn huiskamer, dat ijzersterke, kippenvel bezorgende gitaarintro. Nu in de sterreclame van Chanel. En dat er ergens een uitweg moet zijn. De moeilijk te begrijpen tekst door Bob Dylan geschreven, maar groot geworden door Jimi Hendrix.

Altijd rond kerst zijn er die heerlijke reclamefilmpjes. NB: geen parfum, geen ‘lekker luchtje’, nee, het is alles ‘fragrance’. Met betoverende actrices in sprookjesachtige decors. Dior, J’adore, met Charline Theron, of Chloé met Clémence Poésy en Chanel met Keira Knightley. Ze nemen ons mee in een wereld waar alles mooi is, vredig en zacht en van goud. En dat is wat we willen toch? Zeker met Kerst. We geloven even in een betere wereld. Of misschien ook juist niet en sluiten ons op in onze centraal verwarmde huizen. Blindstaren op de lichtjes in de boom, wat eten en ons koesteren in welvaart. We willen het even niet weten, dat er nog een Allepo is en hoor daar glijdt een arreslee voorbij. Buiten is het leven tot stilstand gekomen, een dik pak sneeuw dempt alle geluid. Boven de witbepoederde bomen pinkelen sterren in de zwarte nacht.

Iets hartverwarmends, eerst een beetje triest en treurigheid en dat het dan op het eind toch nog goed komt, dat zou ik willen schrijven. Een feelgood verhaal. Even is er geen Allepo, geen aanslag op de kerstmarkt in Berlijn. Kom op zeg, je bent zelf net terug van die kerstmarkt in je eigen stad. Het komt ‘dichterbij’, goh, het had ook zo maar hier kunnen gebeuren. Even geen doodgeschoten burgermeester verderop in Budapest. We waren net Parijs en Nice en Brussel een beetje vergeten. Ik wil het niet horen, dat ook op de Zuidpool het grote smelten is begonnen. Soms wil ik leven zonder nieuws. Geen input van tv, krant en internet. Even geen watchtower. En toch, en toch. We moeten het blijven geloven. We bedoelen het toch goed.

 Op een donkere dag voor Kerst duwt Eega me een cadeautje in handen. Het is een doosje met daarin een nog kleiner doosje. Er zit een flesje in met een gouden dop. Het ruikt heel lekker.

‘There must be some way out of here,
said the joker to the thief
There ’s too much confusion,
I can’t get no relief’

Het zijn verwarrende tijden.

Dag Muur

 

winter-2009-053

De Muur ligt plat! Onder de Rivierenland klimmers bekend als de ‘Da Vinci Muur’. Climbing Structure, volgens de bedenkers, Boudewijn Payens en Wim Korvinus. In 1984 gebouwd volgens de toen geldende 1% procent regeling. Bij het tot stand komen van een gebouw met openbare functie moest 1% van de kosten aan kunst besteed worden. Dat kwam goed uit, klimhallen waren er nog nauwelijks en zo ontstond in Dordrecht een van de eerste wanden waar geklommen en geoefend kon worden.

Mijn eerste klimervaring was op een wat achterover liggende bergwand op het eiland Skye in Schotland. De tweede keer op De Muur. Tijdens de Open Dag op deze Da Vinci Muur. Het leek me leuk voor mijn dochtertje en we werden verwelkomt door een groep klimmers die elke centimeter van het beton kenden. Elke woensdagavond waren zij daar te vinden. Voor ik wist was ik in een integraalgordel gehesen en daar hing ik verkrampt aan mijn vingertoppen. Het virus was geboren.

Op het moment dat klimhal Pentagon werd geopend verlegde Rivierenland zijn klimactiviteiten daarheen. Slechts sporadisch ging men nog naar De Muur, wel bleef hij ideaal voor cursussen, standplaats maken en reddingstechnieken oefenen. Er werd een filmpje gemaakt wat nog op You Tube vindbaar is. In de jubileumfilm 50 Jaar Rivierenland zijn zelfs beelden van een niet ingestudeerde voorklimval op De Muur.

Ook ik heb er vele malen geklommen. Zondagochtend: Klimmen en Koffie. Altijd spannend, wie zou er komen? In wisselende samenstellingen beklom men De Muur, precies zoals dat hoort en wat klimmen zo leuk maakt. Soms ook kwam er niemand en beleefde ik een meditatieve zondagochtend. Bram zocht een slachtoffer, de stofzuiger optakelen aan de trap thuis kon hij nu wel. Volgend weekend had hij instructeursexamen in Freyr. Met mij ‘bewusteloos’ bungelend op zijn rug, seilde hij ab, soepeltjes. Vele vrienden liet ik kennismaken met De Muur, hield er zelfs een ‘familiedag’. Het ging niet altijd goed, tijdens een klein moment van onoplettendheid bij een beginnerscursus viel een klimster. Slechts een enkele meter, maar voor haar was het klimmen meteen klaar.

Nu is hij gesloopt. Er was geen sprake van verhuizen, zo’n enorme kolos, die ook nog op lange heipalen is gefundeerd. Wie ging dat betalen? We wisten het, ooit zou het gaan gebeuren, de sloop was onafwendbaar. Boudewijn Payens klom nog eenmaal naar boven. Dat Rivierenland er jarenlang gebruik van heeft gemaakt en er zoveel goede herinneringen aan heeft, vindt hij een mooie gedachte. Toch, het zal leeg zijn, wanneer je over de N3 rijdt en even de blik opzij werpt, daar stond hij, De Muur.

3 filmpjes:

https://youtu.be/FeNcGMUXxf0

https://youtu.be/U29ztY_dfy8

https://youtu.be/idm_ezA_7uc

image1-1

Central Park

p1040998

Er was dat park, het was in Amerika, dat was duidelijk. Amerikaanse parken zijn anders. Ik droomde en ik wist het. En de droom ging steeds verder en ik liet me meegaan. We lagen in het gras. Ze was niet heel bijzonder maar ze had iets. Haar ogen die heel groot waren, grijs en haar gezicht een verbaasde uitdrukking gaven. Ze had gewoon haar, je zou niet stiekem willen omkijken als je haar tegenkwam, ze was wel heel slank. Het was lekker weer, de lucht lichtjes bewolkt. Rondom het park raasde het verkeer, door de bomen heen zag je de hoge gebouwen. Het was erg druk, overal zaten mensen op bankjes of op de gazons. Zoals je dat wel kent uit films, de romantiek hangt zwaar bovenin, met acteurs als Hugh Grant of Julia Roberts. Of heel anders, de sfeer uit een  Woody Allen film. Waarin volgens hem: ‘Alles wat je schrijft uiteindelijk toch autobiografisch is’. Zo’n park uit de film is groot met ruisende bomen, vijvers en pratende mensen. Mannen in gesprek,die langzaam door het park lopen, in pak en met het jasje uit, losjes, aan een vinger over de schouder. Langzame joggers en ginds een karretje met de onvermijdelijke hotdogs. Van die grote gietijzeren prullenbakken, vol en donkergroen.

We praatten steeds maar door en ik weet niet waarover. Het was een droom: dat bleef onduidelijk. Ze was heel gewoon gekleed maar ze was vrolijk en levenslustig. ‘Sparkling.’  En ze had een kind dat af en toe aandacht wilde en dat ook kreeg. Daarna ging ons gesprek weer verder. Ze bood me een sandwich aan met sla en gele kaas. Met een klap deed ze hardroze broodtrommel dicht. Het kind roffelde erop met kleine vingertjes en nageltjes.

Eega maakte een schrikbeweging en vroeg met slaperige stem:
“Hoe laat is het?”
Ik worstelde me uit mijn halfslaap en zei:
“Ik denk acht uur”
Een wilde gok. Eega stak een hand uit naar de wekker en zei dat het kwart voor zeven was. Ze sloeg het dekbed weg, zat een tijdje op de rand van het bed en ging naar beneden. Ik hoorde de kat miauwen en de kattenbrokken rammelen.

En de droom ging verder. Ik was even weggeweest of was het misschien een andere dag? Ik stond aan de buitenkant van het park en ik zag het kind. Vlakbij, maar met een andere vrouw, een Japanse met een wit gezicht. Ik zocht dieper in het park en vond haar terug en de magie was er nog en we lagen in het droge gras en ze keek me rechtstreeks aan met die ogen, grijs zoals de lucht, ik had een droge mond en ik voelde mijn hartslag en ik wist dat ik droomde en dat ik dacht, straks ben ik dit alles vergeten en ik zag het langzaam licht worden.

Het was opeens acht uur en vlakbij floot een vogel keihard. Ik hoorde de alarmpiepjes van de achteruitrijdende vuilniswagen die de grijze afvalcontainer kwam legen. De Hollandse grijze container.

het leven is verrukkeluk, schreef Remco Campert

panasonic-037

Volgens mij ook, maar eveneens is het: ‘krankzinnug’.

Grote beveiligingsmensen laten ons gedoseerd binnen, in de tot één grote feestruimte getransformeerde Bibliotheek. Een opgefokte drukte van kleur en geluid, overal schrijvers, presentaties, waar moet ik naartoe, ik wil niets missen. Herman Brusselmans leest voor uit ‘Genitaliën’, volledige titel: Geen Duitsland, geen Frankrijk, geen Italië. Vandaag, precies een jaar geleden speelde zich het drama in Parijs af, de Bataclan. Onwillekeurig kijk ik rond naar vluchtmogelijkheden. Ik koop voor drie euro bier en ga op zoek naar mijn geliefde, zij koos een andere schrijver. Die middag nog zwierf ik rond in absolute stilte. De grijsheid aan de rivier, die zwijgend langsstroomde met weinig water. En ook precies een jaar geleden was ik hier, vertelt mijn Facebook. Zij, die me toen vergezelde, liked het, op het moment dat ik de oever bereik. Twee dagen eerder overleed m’n schoonvader. Droevige dagen, over twee dagen is de uitvaart.

Langzaam reed ik over de Tervaetenseweg, langs het kerkhof van mijn vader. Met de oude bomen en de witte molen. “Hoi pa”, zei ik in gedachten, zoals altijd. Op de dijk zag ik de oneindigheid van de Oosterschelde waar het eb was en de modder zout. De brokstukken van de Muraltmuur lagen er nog, speelplaats van mijn jeugd. Een van de mooiste plekken op aarde. Op dat moment gleed mijn schoonvader naar de eeuwigheid.

Een hevige storm veegt de bomen en de straten schoon. De plechtigheid in het koude uitvaartcentrum is kort en intens. ‘Goodbye is not for ever’, schrijft de verre neef uit down under. Mijn kind zwerft door Afrika, ik mis haar nu als nooit tevoren. Er staat een grote olifant naast de auto, zegt ze met WhatsApp. Langzaam zoeft de grijze lijkwagen weg, een Cadillac met Amerikaans motorgeluid die schoonpapa meeneemt, weg uit ons leven.

Het leven dat op en neer zwiept. Het beloofde uitzicht vanuit het restaurant op de rivier bestaat niet, dichte mist. De tentoonstelling van Kinke Kooi in museum Arnhem geeft een mooi en geheimzinnig beeld over de oorsprong van het al. Het inwendige. Datzelfde ervaart men in het nieuwe station met zijn organische vormen. Letterlijk wordt dat vertaald in de eivolle Intercity terug.

In Fomu – Antwerpen toont Saul Leiter de wereld zoals die is, fantastisch, vanachter beslagen ramen of met sneeuw of volle zon. In café des Arts, met een Stella Artois, is het onherkenbaar stil. Waar zijn de straffe madammen met opgestoken haar, waar de dampende mosselpannen met frietekes. Op de Ring is het feest, het is een heksenketel, zeven rijbanen vol blik.

Honderd man vergadert in het laaggelegen Nieuwgein over hogere doelen, klimmen en bergsport. Een minuut stilte voor hen die bleven, op een berg. Hoogtepunten. Dieptepunten. Sportklimmen wordt olympisch en ‘we’ hebben 60.000 leden nu. Hooggeleerde klimmers discussiëren over elke puntkomma. Ik zie truien met het opschrift: Ascendo ergo sum.

Weer thuis slaat de schrik me om het hart. De Da Vinci muur verdwijnt, de klimmuur, het climbing structure wordt gesloopt. Deze speeltuin waar ik ook veel uren doorbracht: weg. Ik betuig de kunstenaar, de maker van het kunstwerk mijn deelneming. Ook hem doet het pijn. Alles is altijd maar tijdelijk.

bierproeverij de polder

image1

Begrijpen doe ik het niet. Ik snap er niets van. Ik kan er met de boer’npet nie bie. Waar komen al die blikjes toch vandaan? Het is werkelijk ongelooflijk. Die hoevéélheden. Ik was op weg naar de Nieuwe Merwedeweg, waar ik de dag ervoor een aantal lege bierblikjes op hoopjes bij elkaar in de berm had verzameld. Nu met een lege fietstas om ze op te ruimen. Onderweg erheen had ik er makkelijk 100 in kunnen laden. Ik fietste er keihard langs, hoewel ze me smeekten, neem me mee. Neen! Ik had een belangrijke opdracht, de blikjes daar aan de Nieuwe Merwedeweg, die lagen op mij te wachten.

Als u, lezer, mij voor gek verklaard, dan heeft u daarin gelijk. Ik vind mezelf ook redelijk gestoord. Eenmaal aangekomen bij het eerste afvalhoopje kijk ik eerst alle kanten op. Niemand te zien? Dan hup, vlug van de fiets en razendsnel de handel in de fietstas. Snel rij ik door tot de volgende verzameling. O, daar komt een auto aan, ik vertraag wat en kijk geïnteresseerd de polder in, zijn er nog van die fijne wilde ganzen? Juist als ik wil beginnen met laden, komt in de verte een fietser om de bocht. Van verre herken ik zijn profiel. Het is de zelfbenoemde boswachter, altijd zwerft hij door de polder, rugzak, laarzen, verrekijker en opschrijfboekje. Wat hij noteert weet ik niet, maar ik vermoed iets van:
2-11- 2016, om 13.45 u. 13 brandgranzen, 2 grauwe g. en 1 buizerd, Meeuwenseweg, licht bewolkt.
Wie is hier nu gek.

Ik zou het zo graag willen begrijpen, wie doet dit? Is het er een? Zijn het er meerdere, is het een peloton bierliefhebbers? Zelf ben ik er ook een, ik lust bier. Met de hoeveelheid bier die door mijn lichaampje heeft gespoeld kan een zwembad van Olympische* afmetingen gevuld worden, wellicht is het in dit verband beter te spreken van een boerensloot met respectabele diepgang. Maar met de hand op mijn hart kan ik hier verklaren: Nooit heb ik een blikje weggeworpen.

Olympische* ook wel uit te spreken zoals Erica Terpstra dat doet: ‘Olumpische’. Erica, overigens van wie ik wel eens een stevige knuffel zou willen krijgen, terwijl ze ‘Kanjer; ’in mijn oor fluistert. Als je dat meemaakt, dan heb je wat gepresteerd, iets op hoog sportief niveau. Anders dan deze column, die nergens over gaat. Het lijkt of ik gedronken heb, maar ik bezweer u, lezer, niets. Hooguit kan het komen uit de nevelen die opstegen uit de goedgevulde fietstas.

Een goede fles wijn voor degene die het mij uit de doeken kan doen.  Wie is toch de vervuiler, van die schone polder.

zwarte berg

Zwarte Berg

De maan doet het niet vanavond. Het pad is nauwelijks zichtbaar, gelukkig is het van een iets lichter gesteente. Behoedzaam zoek ik mijn weg omhoog, langzaam, om de hartslag laag te houden. Mijn ogen zijn al aan het donker gewend, ik liet het dorp achter me. Het is verleidelijk om achterom te kijken. Hoe lieflijk het daar ligt met zijn pinkelende lichtjes in de diepte. Ik doe het niet, ik kijk voor me. Gelukkig ben ik nu boven de boomgrens, uit het donkere bos. Ik weet, hier begint het al, het uitzicht. Scherpe kammen en pieken overal. Hoe hoger je gaat, hoe meer er tevoorschijn komt. Maar de maan doet het niet en er is niets te zien, zelfs geen contour, niets.

Traag ga ik verder, ik struikel niet, het pad voegt zich naar mijn voeten. De ademhaling wordt zichtbaar, kleine wolkjes lichten witjes op, heel even. Het is kouder hier, uit het bos. De kille gletsjer is voelbaar. De haakse bocht zie ik pas wanneer het heel zwart wordt, een donkere rotsmuur waar ik bijna tegenop loop. Toch wil ik de Petzl niet aandoen. Ik loop er omheen en zie de nachtelijke hemel. Slechts enkele sterren gaan aan en uit. Daar waar geen ster te zien is, daar staat de berg. Ik voel de magnetische kracht van zijn nabijheid. De Zwarte Berg.

Als kind al werd ik erdoor beïnvloed, geïndoctrineerd. Ik tekende veel en op de kleurdoos van Caran d’Ache was de berg. Getooid in een ijspantser tegen het onwerkelijk Alpenblauw. Het was onoverkomelijk, ooit zou ik er op staan. En het is zinloos, honderden, duizenden gingen mij al voor. Het is geheel overbodig, het betekent niets. Toch, hier ga ik, ik ben op weg. In dit overweldigende landschap, wat zich verhuld in diepe duisternis, loopt een klein mens met een verhoogde hartslag, bang en verheugd. Het bloed kolkt warm door zijn aderen, alle zintuigen op scherp. De Berg, de heuvels ervoor, zijn gletsjer en de bergen erachter, tot aan de verre horizon, het laat ze onverschillig. Koel en afwijzend, spottend haast. Het kleine mens hoopt op mededogen, dat hij wordt toegelaten.

Mooi, ik zie het Fixseil al, het vaste touw. Even was er twijfel, was dit het Japanse Couloir, daar moet je rechts aanhouden. Maar was wat rechts? Ik had het eerste en tweede couloir toch al gehad? Opluchting! Ik zit goed. Het toch wat lastige begin van de instap, de spanning, die eerste twintig meter klim je verkrampt van zenuwen. Het is volslagen windstil. De hevige duisternis verlicht zich wat en een zacht licht verschijnt achter de horizon. Ik zie nu de contour oprijzen, de zwarte wand tekent zich af tegen een lichter wordende hemel. Onherkenbaar silhouet in dit vertekenend perspectief. Duizend stijgijzerkrassen op grijze rots wijzen hier de weg. Daarboven lijkt een hoekig profiel zichtbaar. Als dat de Lasvoyhut is, moet dit Untere Soymeleplatte zijn. Dat is op 4000 meter en het klopt precies met mijn geluksgevoel, tot ongekende hoogten gestegen.

De Schulter, de beroemde schouder. Hier neem ik, voor het eerst, pauze. En ook voor het eerst, nu kijk je zo de noordwand in. Griezelig en diep. Een dun windje stijgt op. Een klein stukje verder vind ik beschutting en het is zo stil. De koffie uit de oude thermos is inmiddels lauw maar smaakt voortreffelijk. Recht voor me is opeens een streep zon. Fel, en in een enkele minuut staat de zon rond boven de horizon. Het lijkt of het ook meteen iets warmer is. Ik schuif wat op, laat klimmers passeren. Zachte stemmen, rinkelende karabiners, de geur van de berg. In mijn hoofd zingt Bob Dylan ‘Girl from the north country’en ik hoor het aarzelende gitaarspel:

Well, if you go when the snowflakes storm
When the rivers freeze and summer ends
Please see for me if she’s wearing a coat so warm
To keep her from the howlin’ winds.

Please see for me if her hair’s hanging down
If it curls and flows all down her breast
Please see for me if her hair’s hanging down
That’s the way I remember her best.

Ik zoek mijn zonnebril op en breek een stuk keiharde Toblerone. Het is nog een klein uurtje tot de top. Vanaf hier is een lang stuk beveiligd met dik touw. Ik zou nog door kunnen gaan. Naar de top van de Zwarte Berg.