Discovery

Berichtte ik laatst over de Beulstoren in Dordt, de toren in de stadsmuur waar de beul woonde, nu over een ‘hangplek’. Minder gezellig dan dit woord doet vermoeden. In de tijd dat onthoofden nog mode was in onze beschaafde contreien, deed men tevens aan ophangen. En dan liefst in het openbaar, zodat er een preventieve werking van kon uitgaan, hoewel dat woord nog moest worden uitgevonden. Staand op het Groothoofd met dat machtig rivierenknooppunt, is midscheeps een groene oever zichtbaar. Ik ging er van uit dat het Zwijndrecht was. Alleen de oplettende passagier van de Fast Ferry kon er een eiland in ontdekken. Daar, waar de galgen stonden, is nu een uniek zoetwatergetijdengebied. (tip: onthoud dit woord indien u Scrabbelt)

Twee gezellige pensionado’s varen mij naar het Sophia eiland. De service van Natuurmonumenten gaat ver. Aan boord bevindt zich een Vogelaar met standaarduitrusting, camera, statief en een telelens van raketwerperachtig formaat. De natuurmannen vragen of wij het erg vinden even wat verder te varen: ginds zit vaak een ijsvogel. Daar heb ik nu werkelijk helemaal totaal geen bezwaar tegen. Jammer is wel de vogelaar:
“Ik vaar zelf ook, kijk een kwikstaartje, ben gepensioneerd, hier een foto van het nest van de visarend, de zeearend heb ik ook, die is groter, ik ga er 2 x per week op uit, heb je al lepelaars gezien, kijk, dit zijn foto’s van zangvogels, maak ik een filmpje van, de bever heb ik ook”

Vogelaar blijkt linksaf te gaan, dus ga ik rechts een smal dijkje op, waar 327 miljoen muggen wonen. Het is in alle opzichten een vreemde plek. In feite een omdijkte modderplaat die niet toegankelijk is, drijfzand. En daarop scharrelt allerlei gevogelte. Interessant ongetwijfeld, mij gaat het meer om deze onontdekte plek. Jammer dat Vogelaar er is, anders had ik dit eiland voor mezelf. Op de uiterste punt is een verhoging, dat zal de plek van de galg geweest zijn. Eronder, achter de muur staan bankjes waar uitbundige brandnetels doorheen groeien. Als ik stil zit, gaat het net. Lekker uit de wind, recht voor me de contouren van Dordt. Een constante rij van binnenvaartschepen vlak langs. Perfecte hangplek.

Verder, het eiland rond. Dat gaat niet helemaal, halverwege moet je dwars doorsteken. Over honderden meters lange houten loopbruggen. Ik fotografeer een bergeend, een broedende zwaan laat me dichtbij komen, een kievit en de onvermijdelijke ganzen. Tja, ik heb wel eens eerder een vogel gezien. Wat het bijzonder maakt, is de combinatie. Verstilde natuurplaatjes ogenschijnlijk. Er is de constante grom van de binnenvaarders, de Fast Ferry heeft zijn eigen geluid en die heimachine in Papendrecht. Groene slikvlakte, de lage dijk en daarboven fabriekjes, hijskranen. Een koppel Canadese ganzen met een sleep van dertien jongen achter hen aan. Achter hen schuift een rij containers voorbij, Hapag Lloyd en Maersk. Op de smalle vlonder kan ik niet ontsnappen, Vogelaar komt er aan:
“Heb je die lepelaars gezien?”

Terug op de boot dank ik de schippers hartelijk dat ze me weer ophalen hier:
“Wat is er nog gratis tegenwoordig?”
Het antwoord is, dat daar de fooienpot staat.
“O, kijk, bedankt, we hebben weer gebak vanavond!”

Op de wal zie ik, te laat, op het onvermijdelijke informatiebord hoe ik Vogelaar had kunnen aftroeven:
‘Die groenpootruiter, die heeft hij toch zeker wel gezien?’

Geel en Groen

Nee, ik ga hier geen namen noemen. We waren druk in gesprek, het gele huis in de Houttuinen viel ons op en mijn vriend zei, terloops:
“Verschrikkelijk”en: “Dat kan toch niet”.
Toch jammer. Die opmerking, van die vriend. Het gele huis wordt aangeklaagd, het moet worden aangepast, het geel moet weg. De volgende dag maak ik een foto van het huis. Het is netjes geschilderd, alles geel en de onderste verdieping groen. De foto plaats ik op Facebook en dat het moet blijven. Ik krijg heel weinig Likes.

Het is zaterdagavond en het is te doen in het Trefpunt. Het is de Indische Avond. Met elf vrienden en jawel, er zijn twee Indo’s bij, op weg naar het Zalencentrum in Oud Alblas. Alle parkeerplaatsen in de doorzonwoonwijk zijn bezet. Bij de brandweer is nog plek. Je komt niet binnen zonder je bordje vol te laden met Indisch lekkers. De zaal die, met klimtouwen langs de wand en ringen aan het plafond, kennelijk ook voor andere doeleinden wordt gebruikt, is fel verlicht. Op het podium in de verte speelt de band voor mij onbekende Indische klassiekers. Het publiek varieert van Indische families tot rasechte Alblasserwaarders en alles wat uit deze mengelmoes voortvloeit. Een groepje vrouwen en kinderen voert een schuifelend dansje uit, wat ik rubriceer in de categorie line dance. Het eerste biertje is eten en drinken tegelijk, het troebele restje uit het vat. Voor de eerste keer in mijn leven kras ik cijfertjes op een bingokaart.

Het licht wordt gedimd en de band speelt disco. Steeds meer vrienden gaan de dansvloer op. Ik wil ook. (altijd, maar het beste dans ik thuis, met de gordijnen dicht) Weer geen nummer dat me aanspreekt. Ik ken het niet eens. Waar was ik, toen deze muziek zolang geleden in was? Grace, de goedgeconserveerde, oudste zus van Frans gaat ook de dansvloer op. Nu moet ik wel, ik kan hier niet alleen aan tafel blijven zitten. Ik schuif wat stoelen opzij, heb ruimte nodig en dans en zweet! Grace, wellicht de oudste op de dansvloer krijgt een handkus van de zanger: Indo’s onder elkaar. Uithijgend roep ik in haar welgevormde oor, boven de muziek uit:
“En dat of all places, hier in Oud Alblas”
De volgende morgen vliegt ze weer terug naar huis, Scottsdale, Arizona, USA. Dat is een aanknopingspunt: Utah, Arizona, ik wil het graag zien. Die oranje landschappen met de lege vlaktes en de verspreid staande rode zandsteen rotsformaties. Daar doorheen rijden over een kaarsrechte weg. In een oude Pick-up of een lange Buick Skylark met een stofwolk achter je aan. Of op een merrie met zwarte manen en lichtbruine buik, terwijl de zon niet ondergaat, dagen lang. Grace nodigt me uit, ik ben welkom, in haar ‘place’, altijd.

Een meisje van dertien jaar zingt ‘All of me’ van John Legend. Dat kan wat worden: een talentenjachtkandidaatje. De band speelt ‘No woman, no cry’, lekkere reggae, het is mij net niet puntig genoeg. Het is een goeie band, het repertoire is breed. Daar ligt het niet aan. Ik wil graag dansen, heb zelfs mijn blauwe suède schoenen aan. Mijn nummers komen niet, ik zou los willen gaan.

In een piepklein dorp in de Alblasserwaard denkt men grensverleggend. Omarmt men exotische culturen, eten en dans. In de grote stad, de Evenementenstad, de oudste stad, de Monumentenstad, daar denken we klein. Verf je huis net wat anders, moet je het overdoen. Ik wil meer geel en groen in de stad en ik wil meer giraffes.

Boter

Wie van Nieuwe Natuur houdt moet maar niet verder lezen. Anders: lees meer:

Het is zover, de eerste waterpartijen zijn gegraven in de Noorderdiepzone. In de moeizaam, in de loop der eeuwen tot stand gekomen polder. Natuurlijk, de Dordtenaar wil de stad uit, frisse lucht. Recreëren maar! Kom, vooruit, in dit gebied kán het en mág het: recreëert u maar! Terecht dat er iets gecreëerd wordt, maar voor mij blijft het iets gekunstelds houden, een creatie. Net zoals de Merwelanden en De Elzen. Noem dat geen natuur of Nieuwe Natuur. Het is een park. De rij bomen die al zestig jaar aan de doodlopende landweg staat moet gekapt. De deskundigen hebben precies daar een stukje nieuwe natuur bedacht. Daar passen oude bomen niet in natuurlijk. En een groot deel van het eiland van Dordt is al natuur, oude natuur, polder. Niet toegankelijk voor de Dordtenaar, maar toch, het is er al.

Een klein groepje koeien, is dat dan een kuddetje? Goed, het was zomer en een kuddetje koeien stond bij elkaar in een weilandje. In hun midden stond een jongen in een blauw overalletje. Die koeien waren niet zwart-wit maar beige, Limousin vee, van dat goeie ambachtelijke vlees. De jongen sproeide er lustig op los. Om zijn as draaiend spoot hij een goedje op de brandnetels en de zuring. De wind verdeelde het spul royaal over het weiland. Ongeveer een kwart ervan ademde de jongen zelf in, griep zou hij niet snel krijgen. En dat vlees, dat was niet bepaald onbespoten. Ik kreeg er prompt jeugdherinneringen van, ik proefde de zurige lucht wanneer de boer, waar wij kampeerden, zijn boomgaard weer eens bespoot. Nog langer geleden gingen we zwemmen in de Schelde. Onze kleren en fietsen lagen aan de dijk. Bij terugkomst was alles lichtgroen bespikkeld. Het sproeivliegtuigje nam na de akker de dijk ook even mee.

Wie niet van de jacht houdt moet vanaf hier niet verder lezen. Niet dat ik er nu zo voor ben, maar ook zeker niet tegen. Kijk, het gaat mij te ver om eerst zorgvuldig fazanten te kweken, die dan los te laten in bos, polder, duingebied, nou ja, laten we het natuur noemen en ze dan vervolgens een week later dood te schieten. Elders heinen we een groot gebied af. We zetten er herten in, of paarden. Die zich vermenigvuldigen en na enige jaren zo talrijk zijn dat er in de winter onvoldoende voedsel voor hen is. Normaal gesproken verspreiden ze zich dan, trekken verder op zoek naar voedsel. Dat gaat hier niet, het gebied is omheind. (dierentuin) Dan ontstaat de discussie, bijvoederen of afschieten? Dat laatste mag niet van de Partij, geen gejaag, geen doodgeschiet. En van die zelfde Partij moeten op de melkboerderij nu weer de kalfjes langer bij de moeder blijven. Hele hordes reeën die in Zandvoort door de winkelstraten lopen, afschieten mag niet. Talkin’ Heads. Met boter erop.

Wij wilden naar een vooraf nauwkeurig bepaald punt in de Hooge Venen, België. Parkeerden, liepen het bos in en wilden linksaf. Dat gebied waarin onze plek zich bevond was onbereikbaar. Aujour’dui chasse. Ai, wat nu. Dan maar rechtsaf het bos in. Na een lange zoektocht werd daar een geschikte plek gevonden. De coördinaten werden bepaald en opgeslagen. We maakten koffie en bakten een ei. Met spek. In de verte klonk een geweerschot. We zochten ons een weg terug naar de auto. In een hoogzit zat een jager, geweer in de aanslag. Op de splitsing aangekomen stond daar weer het bordje Aujour’dui chasse. Alleen, het was verplaatst, het gebied waar wij net uit kwamen was nu tot jachtterrein verklaard.

Het is zo wonderlijk, vooral wanneer je terug komt uit de Alpen, je struikelt over de bordjes in dit land. Daar zie je er werkelijk geen een, in die enorme uitgestrekte natuurgebieden, de bergweiden, de bossen, de heuvels en de bergen. Die bordjes van artikel 461, wetboek van Strafrecht, Verboden Toegang.

Buurmeisje

Toch jammer, zoals veel Dordtenaren niet weten dat een rondwandeling dient te starten in het VVV gebouw, zo weet ook Joop dat niet. De maquette geeft een perfect beeld hoe onze stad in elkaar zit, dat de historische binnenstad uit een aantal eilanden bestaat. En dat in de kelder een plattegrond is waar je letterlijk overheen loopt. Dat daar vlakbij restanten te zien zijn van de Beulstoren uit de 14e eeuw. En een restant van de stadsmuur, dat weet haast niemand. En ook buurman Joop, geboren Dordtenaar, staat verbaasd te kijken. In die toren, daar woonde de beul van de stad Dordrecht. Aan de overkant stond, een stukje verderop en korter geleden, ‘De Lange Loods’. En dat weet buurman Joop dan weer: het langste gebouw van Nederland.

Binnenkort leidt hij een groep collega’s rond, dat komt ervan wanneer je opschept, hoe mooi jouw stad is. Dat willen ze dan wel eens zien. Of ik meeging ‘voorverkennen’. Graag! Wat is er nu leuker dan je kennis te delen. Buurmeisje wilde ook mee. Elke zichzelf respecterende stad heeft nu een tot hip restaurant verbouwd postkantoor, dus ook Dordt en hier wachten wij, achter een espresso, op Buurmeisje. Diverse hoofden draaien om wanneer ze tenslotte binnendartelt.

Langs het Dolhuis, discotheek en voormalig gekkenhuis, over de Pelserbrug, van 1285, de oudste brug van Dordt en via de Pottenkade onderlangs de kerk. Ik kan ze vertellen dat op deze plek de eerste bebouwing ontstond, zo rond 1120. En hoe ver staat de toren uit het lood? Eén meter? Mis, twee meter en vijfentwintig centimeter maar liefst. Tegen de wind in naar de Catharijnepoort. Met wind mee waaien we over de kades en het is koud. Was ik maar in Livorno. Om eens een andere oude stad te noemen. Ook een stad met kades en grachten en heel veel karakter. En bovenal dat andere klimaat. Gemiddeld vijftien graden warmer.

Langs de Nieuwe Haven, we werpen een blik in de tuin van Museum van Gijn. Even breekt de zon door en hier in de beschutting lijkt het voorjaar. Aan de overkant van Nuova Porta zien we de visafslag, nu restaurant Otto e Mezzo. Bij Jongepier proberen we op te warmen. Ik ben jaloers op Joop, soepeltjes werkt hij zijn Kwekkeboompjes naar binnen, terwijl ik wanhopig aan mijn chiabatta zaag. Taaitaai. Buiten, op de rivier is het druk, binnenvaartschepen in een file.

Buurmeisje droomt weg, er staan zoveel romantische huizen te koop, aan de kades, in de kleine tussenstraatjes en in de Maas. Ze studeerde internationale bestuurskunde, tot zelfs in Lissabon, maar voor een grachtenpand moet ze nog sparen. We lopen door de slingerende Wijnstraat met de statige gevels, weet je dat dit pakhuizen waren, voor wijn? Bij ’t Zeepaert staat een portier, van hem mogen we naar binnen. Ik laat het pand zien, tot op de zolder, waar de wind de dakpannetjes doet klapperen. Een bekakte figuur met zijn haar in de out-of-bed look werkt ons beschaafd resoluut de deur uit. Het was open huis: voor leden van vereniging Hendrick de Keyser. Buiten valt koude regen en we schuilen in een portiek.

Achtereenvolgens vluchten we binnen bij De Munt met haar geschiedenis tot voorbij keizer Karel V. Bij atelier Wereldwijven, een prachtig pand waar allochtone vrouwen al integrerend mooie creaties maken. En ik sleur ze mee de trap op, naar Pictura, teekengenootschap uit 1774. Soms fraaie kunst, vaak ook verwarrend.

In café Centre Ville zijn alle tafeltjes bezet. Ook Joop’s dochter Muriel, ze werkt er, kan daar niets aan veranderen. We lachen en we zwaaien, ciao, verder! Was ik maar in Cantina Nardi in via Leonardo Cambini. Een nietszeggend straatje, maar wel in Livorno, waar het vandaag 22 graden is.

Gênant

Dat is het, daar moeten we vanaf. Van die gêne, dat we het gênant vinden. Ik vooral, ik had er last van. Iemand zei me: het is een slechts kleine moeite, maar ergernis kost ook energie. En dat deed ik, me ergeren. Steeds vaker, als het je eenmaal opvalt, zie je steeds meer. Volgens Cruijff:
“Je gaat het pas zien, als je het door hebt.”
In een opwelling gaf ik me op, meedoen met de Landelijke Opschoondag. Op een stralende voorjaarsdag meld ik me, met medeneming van mijn eigen afvalgrijper, jawel, ik héb er wel een, bij het Buurthuis. Bij de Dordtse Doorpakkers. Nog een geluk dat de zon schijnt, veel zin heb ik er niet in. Waar heb ik nu weer ja op gezegd.

Er is koffie, iemand heeft cake gebakken, waarvoor ik, lomp natuurlijk, bedank. De ouders met kinderen blijven in de omgeving van het Buurthuis, wij, drie mannen zonder, kunnen verder weg. Of we de blikjes en flesjes apart willen houden. Die worden later geteld, voor de statiegeld lobby. Prima argument, wellicht helpt dat iets, tegen het onverschillige wegwerpen. Omdenken. De grote gele zak in de houder, een paar extra in de achterzak en dan mogen we los. Alsof de duvel ons op de hielen zit spoeden wij ons richting toegewezen werkplek. Rommel die we onderweg passeren laten wij ongemoeid. Dan verspreiden we ons en het cliché van ’koortsachtig kwijten zij zich van hun taak’ is hier zeker op zijn plaats.

Een kleine schets waaruit Rommel anno 2017 zoal bestaat: Redbull blikjes en andere frisdranken, veel Cola, AA flesjes, goedkopere varianten en waterflesjes. In tegenstelling tot waar in polder steeds mijn oog aan blijft kleven, hier geen bierblikjes. Oneindig veel snoeppapiertjes en van keelpastilles. Nog veel meer doppen van flesjes. Marlboro.
“ De aard van het afval is veranderd”, roep ik mijn collega’s toe: ”Vroeger lag er vooral Drum, Samson en zware van Nelle”.
Geconcentreerd ruimen we verder. Bij de school schuif ik bijna de singel in, er drijft een halfvolle literfles Cola. Die laat ik eerst leeglopen, de volle afvalzak is al zwaar genoeg. Een collega sleurt verderop een hele fiets en een rol gaas het water uit. Andere collega hengelt naar zo’n verschoten fotoplaat, waar men nu de tuin mee decoreert.

Een donkerblauwe BMW 3 Gran Tourismo stopt, het raampje zakt:
“Dank u wel hoor, u doet goed werk”.
Een uitgedijde wandelaar roept vanaf de overkant:
“Taakstraf?” En: “Jullie lijken wel gek, dat mot de gemeente toch zeker doen?” is het commentaar van een zonverschoten vrouw. Voordat ik wat kan zeggen trekt een slordig in zijn vacht zittende bouvier haar verder. Twee jongens in voetbaltenue en opgeschoren nek fietsen snel voorbij en roepen:
“Goed bezig, meneer!”

Dit jaar deden 13000 mensen meer mee dan vorig jaar. We zijn goed bezig. Toch, het is nog geen druppel op de gloeiende plaat. De Plastic Soup eilanden dijen nog steeds uit. Mijn ergernis over het afval hier in mijn buurtje stelt niets voor. Ik zag de Bagmati rivier in Kathmandu, bijna dichtgeslibt, een drijvende vuilnisbelt. Denk aan de Ganges of de Guanabara baai, in Rio, tijdens de Olympische spelen. Binnenkort, als Dordt geheel van smetten vrij is, dan trekken wij richting echt vuile streken. Wij weten nu hoe het moet. Rio, here we come! Afval bestaat niet. De gêne die ik voel als ik eens iets opruim is verdwenen. Trots ben ik en nuttig voor de samenleving. Nu, tijdens deze actie ben ik gelegitimeerd bezig. Bovendien schoon ik nog iets extra’s op, mijn eigen ergernis. Een spreuk van Loesje:
‘Ik ben gestopt met mopperen en ik ben een stuk gelukkiger geworden.’ Toch ben ik haast beledigd wanneer ik de volgende dag een wandelingetje maak door ‘mijn schone wijk’ en daar alweer Rommel aantref.

De Overkant

Heel even zit u aan de honderd, in de donkere tunnel onder de rivier. Dat altijd stromende water, wat de Zustersteden scheidt en toch ook weer samenbindt. Twee rotondes verder stapt u uit. En met het huiswerk onder de ene arm en het gereedschap onder de andere gaat u naar binnen, de heilige ruimte in: het Atelier. ‘Barteljee’.  Waar het naar verf ruikt en naar giechelige nervositeit. Er klinkt geroezemoes, besmuikt gelach van de studenten, beter nog leerlingen, in deze situatie. U ontwijkt de blik van de Meester en haastig zet u uw werkstuk op een lege ezel tussen de andere. Koffienippend dwaalt u rond, kijkend, keurend, bewonderend. Er hangt zoveel, van alle niveaus en kwaliteit. Er hangen impressionistische schilderijen, abstract werk, realistisch, Picasso- en van Gogh geïnspireerd, een heel knap naïef, of is het een beginner. Primaire en complementaire kleuren buitelen over elkaar. Napelsgeel en Vandijckbruin naast Naftalrood springt van de wanden.

Na informatie over de nieuwe opdracht gaat het licht aan. Nu komt het, de bespreking van de ingeleverde stukken. U zet de telefoon uit, het risico dat Hollywood belt, of beter nog, museum Voorlinden, negerend. Portretten, een landschap, stillevens, een enkele abstracte. Van links naar rechts. Stijgende hartslag. Even hoopt u dat uw stuk wordt overgeslagen. Het werk waarover u wat ontevreden was, waarvan het niveau nu toch niet tegenvalt. Het oordeel van de Meester. Het gemompel van de leerlingen, beter nog gezellen. En u heeft spijt dat uw andere twee werken toch niet op de ezels staan. Nog in de map onder de tafel, de oude map die uw vader ooit maakte, met fraai gemarmerd papier beplakt, nu doorleefd verschoten.

In een goed schilderij kan ik verdwijnen. Steeds opnieuw kan ik er naar kijken en het opnieuw zien. Het kan schreeuwen, sfeer hebben en heimwee oproepen. Er kan een geheimzinnig licht hangen met schaduwen die vragen oproepen. In Utrecht had ik les van twee kunstenaars. Edward Hölzel en Frits Frietman. Toen ze exposeerden in de Vleeshal in Middelburg moest ik erheen. In ‘mijn’ Zeeland. Tijdens de, met sherry en witte wijn besprankelde opening, spraken ze vol bewondering over het ‘Zeeuwse licht’. Nooit van gehoord, toen. Terwijl ik elke duinpan kende, daar op Walcheren. Nu, een half mensenleven later is het verklaard. De botsende waterstromingen van Schelde en Noordzee gooien zoutkristallen hoog de lucht in. De weerkaatsing van zonlicht daarop geeft die zo heel speciale sfeer. Dat licht wat onder meer Toorop en Mondriaan inspireerde. Binnenkort mag ik er weer drie weken wonen, op de grens van zee, lucht en land, vóór de duinen, op het strand, onder die zoutkristallen. Sunset Boulevard.

Zo langzaam als de heenreis in de avond was, zo hard rijdt u nu door de nacht naar huis. Pavarotti schalt door de wagen:
“Qui dove il mare luccica, e tira forte il vento, su una vecchia terrazza, davanti al golfo di Surriento”
Niet via de tunnel nu, maar hoog over de blinkende rivier. De ijzeren brug met oranje lampen is de Golden Gate Bridge, mijn donkere stad met scheve toren veranderd in San Francisco. Dat Christo deze stad nog nooit heeft ingepakt. Sturen hoeft niet, de wagen weet zelf zijn weg, er is geen asfalt, alle lichten staan op groen. Living-the-dream. Straks thuis eerst een glas wijn en dan Kyblanski bellen. En schilderen, schilderen, tot diep in de nacht. Een happy end of toch een open einde.

Hölzel en Frietman exposeerden onlangs in Pulchri, Den Haag. Dat heb ik net gemist, helaas. Pulchri, om de hoek waar ik zolang werkte, toeval bestaat, in het pand waar kunsthandel Goupil & Cie, waar inderdaad van Gogh…..

Lijsttrekker

Gek woord eigenlijk. Trekker ken ik en ook de lijster, die zie je weinig meer. Het merkwaardige pleintje voor de Hema is ingenomen door de politiek. Alle merken zijn vertegenwoordigd, herkenbaar aan zijn eigen kleur. CDA groen, SP rood. Dochter Carol en ik worstelen ons er doorheen. Beleefdheidshalve pak ik hier en daar een foldertje aan, zinloos, ik ben geen zwever. In de stad is het druk, in de weinige winkels die nog proberen te overleven ook. Die avond weer, in alle restaurants is het – heeft u gereserveerd? Nee? Geen plaats. Tenslotte belanden we in Carols ‘favotent’ Post. Over het laatste tafeltje wat nog vrij is, buigen we ons om verstaanbaar te zijn in het geroezemoes. Er moet veel verteld. Het bestelde wordt bij de buren bezorgd. Het zal wat langer gaan duren, maar ach, ik ben samen. Met m’n dochter.

Hoe anders was het gister. Zevenenveertig kilometer op de fiets, tegenliggers: zeven. En evenzoveel keer een glimlach en een groet. Blauwe lucht, leegte en rust. In de Noordwaard. Het omgevallen bomenbos. Het gaat gebeuren, ze beginnen te vallen, steeds meer. Omdat ze natte voeten hebben gaan ze of dood, of de wortels hebben geen vaste grond meer en kieperen om met het hele wortelstelsel en al. In grote getale nu. Dat gaan dus bergen rottend hout worden, jammer eigenlijk. Dat lege vlakke landschap kan best wat horizondoorbreking gebruiken.  En dan, om af te vinken, ik héb hem, de zeearend, of, daar wil ik afblijven, de visarend, dat kan ook. Misschien was het een visarend. Een kenner ben ik niet. Heb ook geen verrekijker of telelens, dus ik fotografeerde alleen lege blauwe lucht. Zag zelfs een tweede, honderd meter hoger. En lager, vlak boven het land, ze zijn er weer, de kieviten.

De niet aflatende drang om snel en in hoog tempo verder te gaan is weggevloeid. Dit moet het zijn, het ware onthaasten. In de luwte van het Steurgat. Waar het pontje stil aan de kant ligt, het is nog geen vaarseizoen. Waar het warm is en het lome dreunen van een laag vliegtuig het zomer doet lijken. Ruziënde waterhoentjes. De zwarte contour van een zalmschouw schuift langs. De koffie en de boterhammetkaas is op. No stress, had ik een burn-out, was ik hem nu kwijt. Op het groene bordje een van 72 gedichten in de Biesbosch:

Pontje Steur

 Hier opent zich het weidse polderland
met golvend graan
met grazend vee
en bomen naar de overkant

 Van ‘t Kooike naar de Grote Weerd
en omgekeerd
vaart zomerdaags
dit hulkje op en neer

 Tot aan de oorlog zwom de grote steur
hier loom zijn rondje.
Nu dient de reiziger dit nietig pontje
tot brug, tot rustplaats en tot veer.

 De veerman – of is ’t de bode? – noodt
met stil gebaar;
– bezweert gevaar –
“Begeef gerust uzelf in Charons boot”

 Kees van Gammeren

En weer verbaas ik me, in dit verbijsterende landschap. Waar de mens zo drastisch ingreep. Qua omvang van Deltawerkenachtige proporties. 300.000 vrachtwagens grond zijn er verplaatst. Het ‘ruimte voor de rivier’ project is gelukt. De rivier staat hoog, dus hier ook. Onafzienbare watervlaktes blinken. En nu zie ik er echt voor het eerst een zitten, een ijsvogel. Spetterend kobalt. Dan vliegt hij weg, steekt in golvende vlucht het Steurgat over.

Zoals ik zei, de lucht is blauw, bijna lente, alles loopt uit, de kieviten zijn terug. Hier is alles oké, behalve dan toch wel die hoge waterstand. Die steeds vaker voorkomt. Die mij verontrust. Het milieu, het klimaat, dat scoort laag in de debatten. Van die lijsttrekkers.

(had ik dit verhaal twee dagen later geschreven, cq beleefd, had ik kunnen vertellen dat die zee- of visarend de lammergier was, die twee dagen later is gesignaleerd. Ik heb nu eenmaal geen telelens)

En dan nog dit, nog langer geleden, het was winter, januari ofzo, dat ik daar ook was. Maar dan samen met Eega, ze was meegegaan, voor één keer. En we reden door dat gebied, wat veranderd was in een binnenzee. En de banden van onze verwarmde en zwarte middenklasser ruisten door het rivierwater. En toen op dat moment gebeurde het ongelooflijke. Wij keken naar buiten en de hemel brak open en gouden stralen werden naar beneden gezonden en daalden neer in de Noordwaard. En echt waar, echt waar, pal in ons blikveld, daar dartelde, speciaal voor Eega, een lichtbruine springlevende ree.
# voor de goede orde, ik stem géén Partij voor de Dieren.

Mensenmens

image1

“Ik ben een peoplemanager.”

Zij, die deze zin uitsprak, tijdens een overigens weinig vruchtbare sollicitatie mijnerzijds, een uit optimisme, gekunstelde vrolijkheid en ingebouwde autoriteit samengestelde vrouw, was filiaalhouder van een globaal wijdvertakt concern. En niet onaantrekkelijk bovendien. Ware het niet dat voorgaande eigenschappen mij op haar zouden doen afknappen. Doch dit terzijde. Dat peoplemanagen, dat is het. Dat is zo van nu. Om te voorkomen dat je niet wegzinkt, verzuipt in het hele grote masjien van zo’n wereldwijd radarwerk, dat concern. Dat er met je geschoven wordt als met stukken over een schaakbord. Met het grootste gemak wordt je ook weer van het bord geveegd.

Als een pion terzijde gelegd. Of je mag opdraven elders, waar en op welk moment het de Grote Leider goed acht. Eenmaal ingelijfd voor een tijdelijk werkverband met ongrijpbare beloftes als leaseauto’s, bonussen en iets langere contracten ben je dus overgeleverd aan de Manager. Een manager die schuilgaat achter: ik moet ook maar doen wat mij wordt opgedragen, door mijn manager. Die optimistische vrouw dus, dat mensenmens.

Op een kille vrijdagavond voegde ik mij toe aan de groep. Van geïnteresseerden, die gegidst zou worden. Twintig mensen luisterend naar de goedlachse en breedsprakerige Henk, de man die alles weet. Over de stad Dordrecht en over Vincent van Gogh, want daarover zou het gaan deze avond. De plekken die Vincent bezocht, waar hij woonde en waar hij werkte. Nou ja werken deed hij niet zoveel, ronddwalen door de stad en de kerken. En brieven schrijven, dat wel. Schilderen nog niet. Wel was hij ook al toen een ‘aparte’. Veel vrienden had hij niet, een enkele schilder en zijn broer natuurlijk. De rondgeleide groep bestaat uit eenlingen en duo’s en volgt stil de gids door de donkere stad. Gids Henk wil zo graag vertellen, vragen beantwoorden. Kan zijn kennis niet kwijt, er is te weinig tijd. Weet zoveel van de stad en hij, mensenmens, kent de helft van de inwoners. In gedachten verzonken loop ik achteraan. Totdat ook ik opeens te weinig tijd heb, ben in gesprek geraakt; een leuke vrouw met gedeelde interesses.

We houden halt in een donker parkje. Bij deze boom, hier stond het huis waar Vincent woonde, die vier hele maanden in Dordt. Henk heeft het zelf uitgemeten, het was 99 meter vanaf de hoek van de Tolbrugstraat, toen een nauwe steeg. En nu snap ik het. Vanuit zijn kamertje kon hij de toren van de Grote Kerk zien. De verlichte wijzerplaat schijnt net boven de huizen uit. Het is half negen.

In de Trinitatiskapel en de Grote Kerk wordt voorgelezen uit brieven die Vincent schreef aan Theo. Plekken die hij vaak bezocht. Waarom hij naar Dordrecht kwam? Vanwege Ary Scheffer, die hij zeer bewonderde, die hier echter slechts twee jaar woonde.

Graag zou ik eens zelf een nachtelijke rondleiding willen verzorgen. Door schaars verlichte straten en smalle steegjes van die oude stad. Langs de kades met het zwartspiegelende water en over de bruggen van de Voorstraathaven waar de gevels schimmelen van ouderdom en geschiedenis en de maan met het licht speelt over de kasseitjes in de Wijnstraat. Zo in het donker lijkt de stad nog ouder, Middeleeuwser. En dan hier en daar in een oud pand de krakende trap beklimmen, bij een gek atelier binnenkijken en dan afsluiten in een obscuur café. Een schuimende Geuze Boon drinken en napraten met de gegidsten. Maar ja, daarvoor moet men een mensenmens zijn.

 

 

 

Kolibrie

p1000111

Het was zo’n dag in februari waarop het lente lijkt. Negen graden, maar uit de wind in de beschutting van de Biesbosch was het warm. Ik zat een tijd te suffen aan de oever van de Nieuwe Merwede. Vreemd hier, een oude strook van gemetselde steentjes, als het tuinpad van je grootvader, maar dat dan als oeverbescherming. Om er te komen brak ik lukraak door het veelal platliggende riet. In de zomer is het hier volledig dichtgegroeid. Ik was op zoek naar bevers. Overal tref je sporen van bevervraat, ze rukken op, zelfs in het Wantij tot dichtbij de stad. Nooit heb ik er een gezien.

Bij de Kop van ’t land is ‘water’ gemaakt. Bedacht als rustplaats voor noordse woelmuis, modderkruiper en die bever. Via buizen kunnen ze onder de Provinciale weg door naar een volgend gebied. Hoe gek wil je het hebben. Op het golfterrein heinen ze nu hele stroken geboomte af om ze te beschermen tegen bevervraat.

Bij de Oosthaven begint de nieuwe doorsteek dwars door de polder; Noorderdiepzone, nieuwe Natuur. Nieuwsgierig als ik ben fietste ik zover ik kon over rijplaten en crosste door blubber en vers gegraven land. Nieuw, haha, hier was ik nog nooit. Bij de Julianaboom aan de Noorderelsweg moest helaas zo’n typisch Dordtse Polderboerderij sneuvelen. Nota bene de eerste boerderij die in 1933 in Polder De Biesbosch werd gebouwd en hij heette dan ook: ’De Eersteling’. Op mijn Externe Harde Schijf heb ik een mapje: Oude Natuur. Foto’s van De Polder, honderden.

In de grienden dacht ik een kleine buizerd te zien, zal wel een valk geweest zijn. En een specht en koolmezen. En best veel mussen. Achteraf thuis opgezocht; dat waren vast geen mussen, maar Cetti’s zangers,een  kennelijk typische Biesbosch vogel. In de digitale zoektocht hiernaar vond ik ook iets anders. Een hele lijst met waarnemingen zoals:
2017-02-19 – Mongoolse Pieper (Anthus godlewski) – Brabantse Biesbosch – Noordwaard – Boomgat ten oosten van Kroonbrug.

Tja. Een collega, een verlegen jongen die nog steeds thuis woonde, vertelde me ooit dat hij een kolibrie had gezien. In de tuin van zijn ouders: ja echt, het was een kolibrie. Steeds bleef ik hem vragen of hij er nog een had gezien. Wat? Een kolibrie!

Ook zag ik heel mooi tegenlicht dat speelde met het mos op de achterkant van de bomen. Ik was opgewonden en blij, ja het gaat weer gebeuren, de zon gaat schijnen. Het was heel stil, het was vredig en er was niemand op die vroege voorjaarsdag. Van Trump geen nieuws. In een griend die niet meer onderhouden wordt zag ik, met tegenwind, een ree. Ik richtte de camera, hoorde drie keer piep en zag de lens zich terugtrekken. Shit, nieuwe camera, oude accu uit de vorige camera en die is dus snel leeg. De piepjes hoorde het reetje ook. Hoelang stonden wij elkaar aan te kijken? Een minuut of twee minuten? Het leek lang. Tot het reetje tenslotte rustig een andere kant opkeek, wegwandelde en oploste in het bruine groen.

Op de terugweg ruimde ik wat rommel op en stopte dat hier en daar in voorbijkomende prullenbakken. Van een stond de deur open. Toen ik die wilde sluiten schoot er een winterkoninkje uit weg. Een lekkere schuilplaats. Onhoorbaar naderde, hij had tegenwind, de enorme binnenvaarder Bansai. In verte stond, aan de oever, een zilverreiger. Kolibries, niet gezien.

Trumpisme

image1

Trumpisme

En ja hoor, Nederland is weer een verkeersbord rijker. Ik zag het gebeuren, het plaatsen. Niet zoals gebruikelijk met drie man en een busje. Een man graaft, zet neer en bevestigd het bord. De andere man rookt en houdt de paal vast en man drie kijkt of het goed gaat, al bellend. Nee, het was een man alleen die alles kon, roken en bellen ook. Dat bord, overigens, daar gaat het me hier om, zegt dat parkeren op de stoep is toegestaan. Verderop, waar de straat zich versmalt en ook de meeste auto’s wonen, deed men dat toch al. Dat is Verboden. Nu mag het. Er staat een bord. Parkeren op de stoep. Mag. Gewoon. Doen. Dat zijn de regels.

Trumpisme is vrijheid. Je parkeert op de stoep of op straat. Maar je kunt je auto ook midden op straat neer zetten. Dat doe je gewoon. Rekening houden met anderen is ouderwets. Dat is vrijheid. Je kunt ook alles zeggen, je geeft je bek een douw. Is iemand beledigd, dat is ouderwets. Of eigenlijk, dat woord ouderwets, dat ken je niet eens. Aan regels doen we niet, schaffen we af. Als je het er niet mee eens bent, doen we met jou geen zaken. Je moet je bek houden, je komt niet meer aan het woord. Je wordt genegeerd, binnenkort sluiten we jouw tent. Je kunt protesteren, dat mag. Trumpisme is vrijheid. Je kunt de media erbij halen. Die schrijven alleen leugens. Dat is nepnieuws.

Honden losloop terrein. Paddentrek. Einde gladheidsbestrijding. Stiltegebied. Allemaal verkeersborden waar we met droge ogen dagelijks aan voorbij rijden. We vinden dat: normaal. Het absurde ervan zien we niet.

Van krantenjongen tot miljonair. Dat kon vroeger in Amerika, zei men. Van idioot tot president, dat kan dus nu, kennelijk. Botheid viert hoogtij. Men neme wat racisme en egoïsme, roere dat goed dooreen, men voege wat snobisme toe, gevolgd door een flinke scheut narcisme en presentere het op een bedje van absurdisme, ziedaar het Trumpisme.