Rothko blauw

”Een frietje met, ga maar zitten, m’neer, breng ’t zo bij u, colaatje kan u daar zelluf pakken”
Na een korte aarzeling besloot ik binnen, in het frietkot te blijven. De glazen windschermen buiten, langs het terras, trilden in de wind.

Op het strand was ik al gezandstraald, nu even in de luwte was wel lekker. Het was zo’n dag die weermannen mooi vinden. Zon, wind en wolken. Zware buien landinwaarts. En wat ik al vermoedde, zon aan de kust, klopte. Het was precies zoals ik hoopte. Leeg. De donkere streep van de zee boven het geel en daarboven het blauw, vloeiend van licht naar donker. Het strand dat door de harde wind strak was geveegd. Het gevoel van ruimte en oneindigheid. Tegelijkertijd was het een schilderij van Mark Rothko. Achter een steil duintje, waar enkele helmgrasjes probeerden te settelen, zat ik uit de wind, bleef kijken. Ritselend zand stoof over m’n schoenen en in m’n nek en kijken deed ik. Ik keek naar die horizon.

Een vrouw in blauw spijkerpak doet de uitgebreide bestelling in het Duits. De jonge vrouw achter de toonbank lust zichtbaar zelf ook wel een frietje. Druk is het niet en voortdurend checkt ze haar telefoon. Ik wacht en kijk naar de verschoten ansichtkaarten in de molen voor me. Met haastige letters staat op een kartonnen snackschaaltje geschreven: Kaarten € 1,-. Met een: “Bitte!” krijg ik mijn portie frites bezorgd. Hollandser kan een kust niet zijn en dan is het goed om in het Duits te worden aangesproken. Een windstoot geeft het houten kot een optater. Onwillekeurig kijk ik naar buiten en zie juist een zwarte vogel, een kauw, in een diepe afvalbak verdwijnen. Even later duikt hij op met gele friet in z’n zwarte snavel. Een jongen, de zoon van de uitbaatster denk ik, brengt een vol dienblad naar buiten. Typisch zo’n jongen die groot is voor zijn leeftijd. En die te zwaar zal worden. Hij heeft een zwart trainingspak aan, met oranje. Op de rug staat Adidas. Aan de lange tafel buiten zit een groep verstandelijk gehandicapten. Ze hebben duidelijk zin in een portie frites. De begeleidsters zijn druk met tissues, handen en tafels poetsen.

Er komt een echtpaar binnen waaien. Wat ze bestellen weet ik niet, maar het zal in het Duits zijn: ik hoor Adidas zeggen:
“Mitnehmen”, oder hier essen?”
Een volgend kauwtje landt op de afvalbak. Een schuchterder exemplaar, steeds wil hij de donkerte van de afvalbak inspringen, maar kijkt dan om en bedenkt zich.

“Hallo! Ich möchte einen Cappuccino bestellen.”
Een omvangrijke vrouw met waaihaar is de volgende klant die binnen stapt. Nu roept Adidas om zijn moeder, dat is hem te moeilijk.

Vanuit de beschermende cocon van het frietkot stap ik zo de ruime leegte in. Met wind mee nu, evenwijdig aan de horizon. Ver weg, landinwaarts hangt een zwarte wolkenband. Hier brandt de zon en stuift het zand. De boot van de reddingsbrigade bokst hevig op en neer met tegenwind. Oranje stuiterbal, dan is de zee weer leeg. Er is niets en niemand, precies zoals ik hoopte. De harde kleuren maken het schouwspel tot een plat vlak. Een schilderij. Een voorstelling met diepte.

Een buizerd vliegt laag en langzaam over het duin. Plots valt met een duikvlucht een kievit op hem neer, rakelings en nog eens en nog eens. De kievit maakt verticale strepen in het rechte lijnenspel van het geel, de reep van de zee en het hoge blauw.

Discovery

Berichtte ik laatst over de Beulstoren in Dordt, de toren in de stadsmuur waar de beul woonde, nu over een ‘hangplek’. Minder gezellig dan dit woord doet vermoeden. In de tijd dat onthoofden nog mode was in onze beschaafde contreien, deed men tevens aan ophangen. En dan liefst in het openbaar, zodat er een preventieve werking van kon uitgaan, hoewel dat woord nog moest worden uitgevonden. Staand op het Groothoofd met dat machtig rivierenknooppunt, is midscheeps een groene oever zichtbaar. Ik ging er van uit dat het Zwijndrecht was. Alleen de oplettende passagier van de Fast Ferry kon er een eiland in ontdekken. Daar, waar de galgen stonden, is nu een uniek zoetwatergetijdengebied. (tip: onthoud dit woord indien u Scrabbelt)

Twee gezellige pensionado’s varen mij naar het Sophia eiland. De service van Natuurmonumenten gaat ver. Aan boord bevindt zich een Vogelaar met standaarduitrusting, camera, statief en een telelens van raketwerperachtig formaat. De natuurmannen vragen of wij het erg vinden even wat verder te varen: ginds zit vaak een ijsvogel. Daar heb ik nu werkelijk helemaal totaal geen bezwaar tegen. Jammer is wel de vogelaar:
“Ik vaar zelf ook, kijk een kwikstaartje, ben gepensioneerd, hier een foto van het nest van de visarend, de zeearend heb ik ook, die is groter, ik ga er 2 x per week op uit, heb je al lepelaars gezien, kijk, dit zijn foto’s van zangvogels, maak ik een filmpje van, de bever heb ik ook”

Vogelaar blijkt linksaf te gaan, dus ga ik rechts een smal dijkje op, waar 327 miljoen muggen wonen. Het is in alle opzichten een vreemde plek. In feite een omdijkte modderplaat die niet toegankelijk is, drijfzand. En daarop scharrelt allerlei gevogelte. Interessant ongetwijfeld, mij gaat het meer om deze onontdekte plek. Jammer dat Vogelaar er is, anders had ik dit eiland voor mezelf. Op de uiterste punt is een verhoging, dat zal de plek van de galg geweest zijn. Eronder, achter de muur staan bankjes waar uitbundige brandnetels doorheen groeien. Als ik stil zit, gaat het net. Lekker uit de wind, recht voor me de contouren van Dordt. Een constante rij van binnenvaartschepen vlak langs. Perfecte hangplek.

Verder, het eiland rond. Dat gaat niet helemaal, halverwege moet je dwars doorsteken. Over honderden meters lange houten loopbruggen. Ik fotografeer een bergeend, een broedende zwaan laat me dichtbij komen, een kievit en de onvermijdelijke ganzen. Tja, ik heb wel eens eerder een vogel gezien. Wat het bijzonder maakt, is de combinatie. Verstilde natuurplaatjes ogenschijnlijk. Er is de constante grom van de binnenvaarders, de Fast Ferry heeft zijn eigen geluid en die heimachine in Papendrecht. Groene slikvlakte, de lage dijk en daarboven fabriekjes, hijskranen. Een koppel Canadese ganzen met een sleep van dertien jongen achter hen aan. Achter hen schuift een rij containers voorbij, Hapag Lloyd en Maersk. Op de smalle vlonder kan ik niet ontsnappen, Vogelaar komt er aan:
“Heb je die lepelaars gezien?”

Terug op de boot dank ik de schippers hartelijk dat ze me weer ophalen hier:
“Wat is er nog gratis tegenwoordig?”
Het antwoord is, dat daar de fooienpot staat.
“O, kijk, bedankt, we hebben weer gebak vanavond!”

Op de wal zie ik, te laat, op het onvermijdelijke informatiebord hoe ik Vogelaar had kunnen aftroeven:
‘Die groenpootruiter, die heeft hij toch zeker wel gezien?’

Geel en Groen

Nee, ik ga hier geen namen noemen. We waren druk in gesprek, het gele huis in de Houttuinen viel ons op en mijn vriend zei, terloops:
“Verschrikkelijk”en: “Dat kan toch niet”.
Toch jammer. Die opmerking, van die vriend. Het gele huis wordt aangeklaagd, het moet worden aangepast, het geel moet weg. De volgende dag maak ik een foto van het huis. Het is netjes geschilderd, alles geel en de onderste verdieping groen. De foto plaats ik op Facebook en dat het moet blijven. Ik krijg heel weinig Likes.

Het is zaterdagavond en het is te doen in het Trefpunt. Het is de Indische Avond. Met elf vrienden en jawel, er zijn twee Indo’s bij, op weg naar het Zalencentrum in Oud Alblas. Alle parkeerplaatsen in de doorzonwoonwijk zijn bezet. Bij de brandweer is nog plek. Je komt niet binnen zonder je bordje vol te laden met Indisch lekkers. De zaal die, met klimtouwen langs de wand en ringen aan het plafond, kennelijk ook voor andere doeleinden wordt gebruikt, is fel verlicht. Op het podium in de verte speelt de band voor mij onbekende Indische klassiekers. Het publiek varieert van Indische families tot rasechte Alblasserwaarders en alles wat uit deze mengelmoes voortvloeit. Een groepje vrouwen en kinderen voert een schuifelend dansje uit, wat ik rubriceer in de categorie line dance. Het eerste biertje is eten en drinken tegelijk, het troebele restje uit het vat. Voor de eerste keer in mijn leven kras ik cijfertjes op een bingokaart.

Het licht wordt gedimd en de band speelt disco. Steeds meer vrienden gaan de dansvloer op. Ik wil ook. (altijd, maar het beste dans ik thuis, met de gordijnen dicht) Weer geen nummer dat me aanspreekt. Ik ken het niet eens. Waar was ik, toen deze muziek zolang geleden in was? Grace, de goedgeconserveerde, oudste zus van Frans gaat ook de dansvloer op. Nu moet ik wel, ik kan hier niet alleen aan tafel blijven zitten. Ik schuif wat stoelen opzij, heb ruimte nodig en dans en zweet! Grace, wellicht de oudste op de dansvloer krijgt een handkus van de zanger: Indo’s onder elkaar. Uithijgend roep ik in haar welgevormde oor, boven de muziek uit:
“En dat of all places, hier in Oud Alblas”
De volgende morgen vliegt ze weer terug naar huis, Scottsdale, Arizona, USA. Dat is een aanknopingspunt: Utah, Arizona, ik wil het graag zien. Die oranje landschappen met de lege vlaktes en de verspreid staande rode zandsteen rotsformaties. Daar doorheen rijden over een kaarsrechte weg. In een oude Pick-up of een lange Buick Skylark met een stofwolk achter je aan. Of op een merrie met zwarte manen en lichtbruine buik, terwijl de zon niet ondergaat, dagen lang. Grace nodigt me uit, ik ben welkom, in haar ‘place’, altijd.

Een meisje van dertien jaar zingt ‘All of me’ van John Legend. Dat kan wat worden: een talentenjachtkandidaatje. De band speelt ‘No woman, no cry’, lekkere reggae, het is mij net niet puntig genoeg. Het is een goeie band, het repertoire is breed. Daar ligt het niet aan. Ik wil graag dansen, heb zelfs mijn blauwe suède schoenen aan. Mijn nummers komen niet, ik zou los willen gaan.

In een piepklein dorp in de Alblasserwaard denkt men grensverleggend. Omarmt men exotische culturen, eten en dans. In de grote stad, de Evenementenstad, de oudste stad, de Monumentenstad, daar denken we klein. Verf je huis net wat anders, moet je het overdoen. Ik wil meer geel en groen in de stad en ik wil meer giraffes.

Boter

Wie van Nieuwe Natuur houdt moet maar niet verder lezen. Anders: lees meer:

Het is zover, de eerste waterpartijen zijn gegraven in de Noorderdiepzone. In de moeizaam, in de loop der eeuwen tot stand gekomen polder. Natuurlijk, de Dordtenaar wil de stad uit, frisse lucht. Recreëren maar! Kom, vooruit, in dit gebied kán het en mág het: recreëert u maar! Terecht dat er iets gecreëerd wordt, maar voor mij blijft het iets gekunstelds houden, een creatie. Net zoals de Merwelanden en De Elzen. Noem dat geen natuur of Nieuwe Natuur. Het is een park. De rij bomen die al zestig jaar aan de doodlopende landweg staat moet gekapt. De deskundigen hebben precies daar een stukje nieuwe natuur bedacht. Daar passen oude bomen niet in natuurlijk. En een groot deel van het eiland van Dordt is al natuur, oude natuur, polder. Niet toegankelijk voor de Dordtenaar, maar toch, het is er al.

Een klein groepje koeien, is dat dan een kuddetje? Goed, het was zomer en een kuddetje koeien stond bij elkaar in een weilandje. In hun midden stond een jongen in een blauw overalletje. Die koeien waren niet zwart-wit maar beige, Limousin vee, van dat goeie ambachtelijke vlees. De jongen sproeide er lustig op los. Om zijn as draaiend spoot hij een goedje op de brandnetels en de zuring. De wind verdeelde het spul royaal over het weiland. Ongeveer een kwart ervan ademde de jongen zelf in, griep zou hij niet snel krijgen. En dat vlees, dat was niet bepaald onbespoten. Ik kreeg er prompt jeugdherinneringen van, ik proefde de zurige lucht wanneer de boer, waar wij kampeerden, zijn boomgaard weer eens bespoot. Nog langer geleden gingen we zwemmen in de Schelde. Onze kleren en fietsen lagen aan de dijk. Bij terugkomst was alles lichtgroen bespikkeld. Het sproeivliegtuigje nam na de akker de dijk ook even mee.

Wie niet van de jacht houdt moet vanaf hier niet verder lezen. Niet dat ik er nu zo voor ben, maar ook zeker niet tegen. Kijk, het gaat mij te ver om eerst zorgvuldig fazanten te kweken, die dan los te laten in bos, polder, duingebied, nou ja, laten we het natuur noemen en ze dan vervolgens een week later dood te schieten. Elders heinen we een groot gebied af. We zetten er herten in, of paarden. Die zich vermenigvuldigen en na enige jaren zo talrijk zijn dat er in de winter onvoldoende voedsel voor hen is. Normaal gesproken verspreiden ze zich dan, trekken verder op zoek naar voedsel. Dat gaat hier niet, het gebied is omheind. (dierentuin) Dan ontstaat de discussie, bijvoederen of afschieten? Dat laatste mag niet van de Partij, geen gejaag, geen doodgeschiet. En van die zelfde Partij moeten op de melkboerderij nu weer de kalfjes langer bij de moeder blijven. Hele hordes reeën die in Zandvoort door de winkelstraten lopen, afschieten mag niet. Talkin’ Heads. Met boter erop.

Wij wilden naar een vooraf nauwkeurig bepaald punt in de Hooge Venen, België. Parkeerden, liepen het bos in en wilden linksaf. Dat gebied waarin onze plek zich bevond was onbereikbaar. Aujour’dui chasse. Ai, wat nu. Dan maar rechtsaf het bos in. Na een lange zoektocht werd daar een geschikte plek gevonden. De coördinaten werden bepaald en opgeslagen. We maakten koffie en bakten een ei. Met spek. In de verte klonk een geweerschot. We zochten ons een weg terug naar de auto. In een hoogzit zat een jager, geweer in de aanslag. Op de splitsing aangekomen stond daar weer het bordje Aujour’dui chasse. Alleen, het was verplaatst, het gebied waar wij net uit kwamen was nu tot jachtterrein verklaard.

Het is zo wonderlijk, vooral wanneer je terug komt uit de Alpen, je struikelt over de bordjes in dit land. Daar zie je er werkelijk geen een, in die enorme uitgestrekte natuurgebieden, de bergweiden, de bossen, de heuvels en de bergen. Die bordjes van artikel 461, wetboek van Strafrecht, Verboden Toegang.

Buurmeisje

Toch jammer, zoals veel Dordtenaren niet weten dat een rondwandeling dient te starten in het VVV gebouw, zo weet ook Joop dat niet. De maquette geeft een perfect beeld hoe onze stad in elkaar zit, dat de historische binnenstad uit een aantal eilanden bestaat. En dat in de kelder een plattegrond is waar je letterlijk overheen loopt. Dat daar vlakbij restanten te zien zijn van de Beulstoren uit de 14e eeuw. En een restant van de stadsmuur, dat weet haast niemand. En ook buurman Joop, geboren Dordtenaar, staat verbaasd te kijken. In die toren, daar woonde de beul van de stad Dordrecht. Aan de overkant stond, een stukje verderop en korter geleden, ‘De Lange Loods’. En dat weet buurman Joop dan weer: het langste gebouw van Nederland.

Binnenkort leidt hij een groep collega’s rond, dat komt ervan wanneer je opschept, hoe mooi jouw stad is. Dat willen ze dan wel eens zien. Of ik meeging ‘voorverkennen’. Graag! Wat is er nu leuker dan je kennis te delen. Buurmeisje wilde ook mee. Elke zichzelf respecterende stad heeft nu een tot hip restaurant verbouwd postkantoor, dus ook Dordt en hier wachten wij, achter een espresso, op Buurmeisje. Diverse hoofden draaien om wanneer ze tenslotte binnendartelt.

Langs het Dolhuis, discotheek en voormalig gekkenhuis, over de Pelserbrug, van 1285, de oudste brug van Dordt en via de Pottenkade onderlangs de kerk. Ik kan ze vertellen dat op deze plek de eerste bebouwing ontstond, zo rond 1120. En hoe ver staat de toren uit het lood? Eén meter? Mis, twee meter en vijfentwintig centimeter maar liefst. Tegen de wind in naar de Catharijnepoort. Met wind mee waaien we over de kades en het is koud. Was ik maar in Livorno. Om eens een andere oude stad te noemen. Ook een stad met kades en grachten en heel veel karakter. En bovenal dat andere klimaat. Gemiddeld vijftien graden warmer.

Langs de Nieuwe Haven, we werpen een blik in de tuin van Museum van Gijn. Even breekt de zon door en hier in de beschutting lijkt het voorjaar. Aan de overkant van Nuova Porta zien we de visafslag, nu restaurant Otto e Mezzo. Bij Jongepier proberen we op te warmen. Ik ben jaloers op Joop, soepeltjes werkt hij zijn Kwekkeboompjes naar binnen, terwijl ik wanhopig aan mijn chiabatta zaag. Taaitaai. Buiten, op de rivier is het druk, binnenvaartschepen in een file.

Buurmeisje droomt weg, er staan zoveel romantische huizen te koop, aan de kades, in de kleine tussenstraatjes en in de Maas. Ze studeerde internationale bestuurskunde, tot zelfs in Lissabon, maar voor een grachtenpand moet ze nog sparen. We lopen door de slingerende Wijnstraat met de statige gevels, weet je dat dit pakhuizen waren, voor wijn? Bij ’t Zeepaert staat een portier, van hem mogen we naar binnen. Ik laat het pand zien, tot op de zolder, waar de wind de dakpannetjes doet klapperen. Een bekakte figuur met zijn haar in de out-of-bed look werkt ons beschaafd resoluut de deur uit. Het was open huis: voor leden van vereniging Hendrick de Keyser. Buiten valt koude regen en we schuilen in een portiek.

Achtereenvolgens vluchten we binnen bij De Munt met haar geschiedenis tot voorbij keizer Karel V. Bij atelier Wereldwijven, een prachtig pand waar allochtone vrouwen al integrerend mooie creaties maken. En ik sleur ze mee de trap op, naar Pictura, teekengenootschap uit 1774. Soms fraaie kunst, vaak ook verwarrend.

In café Centre Ville zijn alle tafeltjes bezet. Ook Joop’s dochter Muriel, ze werkt er, kan daar niets aan veranderen. We lachen en we zwaaien, ciao, verder! Was ik maar in Cantina Nardi in via Leonardo Cambini. Een nietszeggend straatje, maar wel in Livorno, waar het vandaag 22 graden is.

Gênant

Dat is het, daar moeten we vanaf. Van die gêne, dat we het gênant vinden. Ik vooral, ik had er last van. Iemand zei me: het is een slechts kleine moeite, maar ergernis kost ook energie. En dat deed ik, me ergeren. Steeds vaker, als het je eenmaal opvalt, zie je steeds meer. Volgens Cruijff:
“Je gaat het pas zien, als je het door hebt.”
In een opwelling gaf ik me op, meedoen met de Landelijke Opschoondag. Op een stralende voorjaarsdag meld ik me, met medeneming van mijn eigen afvalgrijper, jawel, ik héb er wel een, bij het Buurthuis. Bij de Dordtse Doorpakkers. Nog een geluk dat de zon schijnt, veel zin heb ik er niet in. Waar heb ik nu weer ja op gezegd.

Er is koffie, iemand heeft cake gebakken, waarvoor ik, lomp natuurlijk, bedank. De ouders met kinderen blijven in de omgeving van het Buurthuis, wij, drie mannen zonder, kunnen verder weg. Of we de blikjes en flesjes apart willen houden. Die worden later geteld, voor de statiegeld lobby. Prima argument, wellicht helpt dat iets, tegen het onverschillige wegwerpen. Omdenken. De grote gele zak in de houder, een paar extra in de achterzak en dan mogen we los. Alsof de duvel ons op de hielen zit spoeden wij ons richting toegewezen werkplek. Rommel die we onderweg passeren laten wij ongemoeid. Dan verspreiden we ons en het cliché van ’koortsachtig kwijten zij zich van hun taak’ is hier zeker op zijn plaats.

Een kleine schets waaruit Rommel anno 2017 zoal bestaat: Redbull blikjes en andere frisdranken, veel Cola, AA flesjes, goedkopere varianten en waterflesjes. In tegenstelling tot waar in polder steeds mijn oog aan blijft kleven, hier geen bierblikjes. Oneindig veel snoeppapiertjes en van keelpastilles. Nog veel meer doppen van flesjes. Marlboro.
“ De aard van het afval is veranderd”, roep ik mijn collega’s toe: ”Vroeger lag er vooral Drum, Samson en zware van Nelle”.
Geconcentreerd ruimen we verder. Bij de school schuif ik bijna de singel in, er drijft een halfvolle literfles Cola. Die laat ik eerst leeglopen, de volle afvalzak is al zwaar genoeg. Een collega sleurt verderop een hele fiets en een rol gaas het water uit. Andere collega hengelt naar zo’n verschoten fotoplaat, waar men nu de tuin mee decoreert.

Een donkerblauwe BMW 3 Gran Tourismo stopt, het raampje zakt:
“Dank u wel hoor, u doet goed werk”.
Een uitgedijde wandelaar roept vanaf de overkant:
“Taakstraf?” En: “Jullie lijken wel gek, dat mot de gemeente toch zeker doen?” is het commentaar van een zonverschoten vrouw. Voordat ik wat kan zeggen trekt een slordig in zijn vacht zittende bouvier haar verder. Twee jongens in voetbaltenue en opgeschoren nek fietsen snel voorbij en roepen:
“Goed bezig, meneer!”

Dit jaar deden 13000 mensen meer mee dan vorig jaar. We zijn goed bezig. Toch, het is nog geen druppel op de gloeiende plaat. De Plastic Soup eilanden dijen nog steeds uit. Mijn ergernis over het afval hier in mijn buurtje stelt niets voor. Ik zag de Bagmati rivier in Kathmandu, bijna dichtgeslibt, een drijvende vuilnisbelt. Denk aan de Ganges of de Guanabara baai, in Rio, tijdens de Olympische spelen. Binnenkort, als Dordt geheel van smetten vrij is, dan trekken wij richting echt vuile streken. Wij weten nu hoe het moet. Rio, here we come! Afval bestaat niet. De gêne die ik voel als ik eens iets opruim is verdwenen. Trots ben ik en nuttig voor de samenleving. Nu, tijdens deze actie ben ik gelegitimeerd bezig. Bovendien schoon ik nog iets extra’s op, mijn eigen ergernis. Een spreuk van Loesje:
‘Ik ben gestopt met mopperen en ik ben een stuk gelukkiger geworden.’ Toch ben ik haast beledigd wanneer ik de volgende dag een wandelingetje maak door ‘mijn schone wijk’ en daar alweer Rommel aantref.

De Overkant

Heel even zit u aan de honderd, in de donkere tunnel onder de rivier. Dat altijd stromende water, wat de Zustersteden scheidt en toch ook weer samenbindt. Twee rotondes verder stapt u uit. En met het huiswerk onder de ene arm en het gereedschap onder de andere gaat u naar binnen, de heilige ruimte in: het Atelier. ‘Barteljee’.  Waar het naar verf ruikt en naar giechelige nervositeit. Er klinkt geroezemoes, besmuikt gelach van de studenten, beter nog leerlingen, in deze situatie. U ontwijkt de blik van de Meester en haastig zet u uw werkstuk op een lege ezel tussen de andere. Koffienippend dwaalt u rond, kijkend, keurend, bewonderend. Er hangt zoveel, van alle niveaus en kwaliteit. Er hangen impressionistische schilderijen, abstract werk, realistisch, Picasso- en van Gogh geïnspireerd, een heel knap naïef, of is het een beginner. Primaire en complementaire kleuren buitelen over elkaar. Napelsgeel en Vandijckbruin naast Naftalrood springt van de wanden.

Na informatie over de nieuwe opdracht gaat het licht aan. Nu komt het, de bespreking van de ingeleverde stukken. U zet de telefoon uit, het risico dat Hollywood belt, of beter nog, museum Voorlinden, negerend. Portretten, een landschap, stillevens, een enkele abstracte. Van links naar rechts. Stijgende hartslag. Even hoopt u dat uw stuk wordt overgeslagen. Het werk waarover u wat ontevreden was, waarvan het niveau nu toch niet tegenvalt. Het oordeel van de Meester. Het gemompel van de leerlingen, beter nog gezellen. En u heeft spijt dat uw andere twee werken toch niet op de ezels staan. Nog in de map onder de tafel, de oude map die uw vader ooit maakte, met fraai gemarmerd papier beplakt, nu doorleefd verschoten.

In een goed schilderij kan ik verdwijnen. Steeds opnieuw kan ik er naar kijken en het opnieuw zien. Het kan schreeuwen, sfeer hebben en heimwee oproepen. Er kan een geheimzinnig licht hangen met schaduwen die vragen oproepen. In Utrecht had ik les van twee kunstenaars. Edward Hölzel en Frits Frietman. Toen ze exposeerden in de Vleeshal in Middelburg moest ik erheen. In ‘mijn’ Zeeland. Tijdens de, met sherry en witte wijn besprankelde opening, spraken ze vol bewondering over het ‘Zeeuwse licht’. Nooit van gehoord, toen. Terwijl ik elke duinpan kende, daar op Walcheren. Nu, een half mensenleven later is het verklaard. De botsende waterstromingen van Schelde en Noordzee gooien zoutkristallen hoog de lucht in. De weerkaatsing van zonlicht daarop geeft die zo heel speciale sfeer. Dat licht wat onder meer Toorop en Mondriaan inspireerde. Binnenkort mag ik er weer drie weken wonen, op de grens van zee, lucht en land, vóór de duinen, op het strand, onder die zoutkristallen. Sunset Boulevard.

Zo langzaam als de heenreis in de avond was, zo hard rijdt u nu door de nacht naar huis. Pavarotti schalt door de wagen:
“Qui dove il mare luccica, e tira forte il vento, su una vecchia terrazza, davanti al golfo di Surriento”
Niet via de tunnel nu, maar hoog over de blinkende rivier. De ijzeren brug met oranje lampen is de Golden Gate Bridge, mijn donkere stad met scheve toren veranderd in San Francisco. Dat Christo deze stad nog nooit heeft ingepakt. Sturen hoeft niet, de wagen weet zelf zijn weg, er is geen asfalt, alle lichten staan op groen. Living-the-dream. Straks thuis eerst een glas wijn en dan Kyblanski bellen. En schilderen, schilderen, tot diep in de nacht. Een happy end of toch een open einde.

Hölzel en Frietman exposeerden onlangs in Pulchri, Den Haag. Dat heb ik net gemist, helaas. Pulchri, om de hoek waar ik zolang werkte, toeval bestaat, in het pand waar kunsthandel Goupil & Cie, waar inderdaad van Gogh…..