Hete Soep

P1050984

“Wat ga jij nou doen?”
Die verbaasde reactie krijg ik als ik ook nog een plastic zak en werkhandschoen meeneem. En wat gemompel na uitleg. Het is ook onzin en ik weet het. Wanneer ik wandel in een stukje Natuur ruim ik het afval op. Ik loop er toch en dat wandelen is net zo zinloos. De bekende druppel op de bekende plaat. Gaandeweg de wandeling krijg ik toch meer en meer opgeraapte troep aangereikt.

Het is zaterdag, januari en niet koud. Wel hangt er een mooie mist laag over het land, de vervaagde contouren in de verte zullen schapen zijn. De zon komt door en doet dauwdruppels aan de struiken flonkeren. Bij de pont is het wachten, op de pont en wie er op komt dagen. Wie gaat er mee met mijn “Nieuwjaarswandeling?” Daar is Hendrik al, Harry en Angela komen er aan en op het laatste moment Chris:
“Hou die pont tegen!”

We gaan de Biesbosch in, met de fiets naar de Deeneplaat. Bij het pompgebouwtje Hooge Hof trekken we het gebied in. De brug over, eerst een stuk ‘Nieuwe Natuur’. Open en nog laag begroeid. Enerzijds bedacht op de tekentafel, anderzijds gebruik gemaakt van reeds aanwezige kades en dijkjes. Het is onmiddellijk ontdekt en in gebruik genomen door flora en fauna. Volgens Harry is die witte reiger geen witte reiger maar een zilverreiger. Ik vind het goed, leuk dat gevogelte, wat mij betreft is het stoffering van het landschap. Weer een brug over en hier komen we in de oude grienden. Er is hard gewerkt, hele stukken zijn kort gesnoeid.

Enkele dagen terug was ik hier ook, met broer Riem. Toen vroor het, alles berijpt en met ijs op de slootjes. Bij het haventje IJzeren Man genoten wij kleumend van een lunch. Het brandertje kreeg het water niet aan de kook, het was gemeen koud en het waaide. De redding kwam van een aangespoelde emmer. De brander erin, pan erop en hete soep! Dan aan Den Slag: Schoonmaakactie, Riem is net zo gek als ik.
“Het lijkt wel of het steeds erger wordt, er ligt weer meer rommel”,
zei ik, waarop Riem antwoordde:
“Nee joh, weet je niet meer, lang geleden, toen we kampeerden aan het Veerse Meer?”
We kampeerden daar een weekje zeer primitief, aan een stille oever van het meer, samen met duizenden muggen. Jong waren we en om de verveling te verdrijven, maakten we kilometers oever schoon. Toen lag er ook al veel afval, maar het was ander afval. Nu meerde er hier een jachtje aan, Riem hielp met aanleggen. De schipper had ons aan het werk gezien en wilde onze vuilniszak meenemen:
“Wij ruimen zelf ook altijd op hier!”

Voor ons uit galoppeerde een ree. Een grote en donkerbruin. Steeds dook hij weer op uit de bosjes. Kon geen kant op, aan beide zijden water. Aan het eind was die haakse bocht en we zagen hem vlakbij over de smalle kade rennen. Het roosterbruggetje durfde hij niet over. (hij: nergens op gebaseerd, maar volgens mij was het een mannetje) Toen kwam het arme beest volslagen in paniek recht op ons afrennen. Sloeg haaks linksaf het riet in en plonsde het ijskoude water in. Het Gat van de Visschen was hier meer dan tweehonderd meter breed. Zou hij de overkant wel halen? Reeën kunnen goed zwemmen, maar ook als het zo koud is? Riem volgde hem met zijn verrekijker, uiteindelijk krabbelde het beestje de oever op. Gelukkig, we voelden ons bijna schuldig.

Wat verder maakte ik nog een foto. Dun zonlicht scheen over een bevroren ondiepe watervlakte met bosjes biesgras, donker in het strijklicht. Ik dacht de koeltoren van Drimmelen weg en het werd de toendra in Siberië, of ergens anders.
“Je hebt gelijk, wat weg is, is weg!”
zegt Angela nu, terwijl ze me een schouderklopje geeft. Ze stopt een aangespoeld en onherkenbaar verminkt stuk verpakkingsmateriaal in mijn plastic zak. Het is volslagen onzin en ik weet het. Maar misschien is wel belangrijker: ik krijg er zelf zo’n schoon gevoel door.

Advertenties

Purperen Regen

P1050643

Polderjongens waren we, maar aardige polderjongens – vrij naar Nescio.

Opgegroeid aan de rand van een kleine stad was de polder dichtbij. En daar zwierven we, langs de akkers over kleine paadjes, langs of door de sloot. Het lege land. In alle jaargetijden en altijd met rubberlaarzen, waarvan we de randen stoer omkrulden. We hielpen suikerbieten rooien en jatten er appels.‘s Winters werd het ijs getest en in de zomer fietsten we tussen de gele korenvelden naar de zoute Schelde, om te zwemmen. Later werden de bochtige weggetjes het racecircuit voor onze brommers en auto’s.

Ontpolderen, dat doe je niet. Je zet geen, met moeite ingepolderd, land onder water. Zoals nu, na jarenlange strijd definitief is besloten met de Hedwige polder. De dijk gaat door. Op die dijk sta ik nu, met polderjongen en broer Marten. Hij woont in deze omgeving en leidt me rond. Beneden ons strekt de polder zich uit, zoals alleen een Zeeuws Vlaamse polder dat kan doen. Strak en vlak, ritmisch onderbroken door windvangende bomenrijen. Wat een ruimte. De akkers zijn, op een enkel maïsveld, leeg, normaal in dit jaargetijde. Het lijkt of het moeite kost licht te worden. De wolken hangen zwaar en laag. De donkere akkers glimmen dof, de maïs is vreemd verkleurd.

Aan de andere kant van de dijk ligt het immense schorrengebied: het Verdronken land van Saeftinghe. Grijs en bruin het slik, bruinpaars, taupe, het riet, dat wuift. Marten, vogelteller en – niet gecertificeerd – gids (maar toch!) kent hier iedere geul. En dat is belangrijk, want de vloed kan met vijftien kilometer per uur een geul binnenstormen. Marten is, als principieel natuurliefhebber, tegenstander van ontpoldering. Zoals hij fel tegen de tsunami van vakantieparken langs de kust is en ook tegen de dictatuur van natuurverenigingen. De bordjes: Verboden Toegang.

Het is een vreemde omgeving. Op de dijk staand, zie je achter het schorrengebied de grijze Schelde. Waar de grootste containerschepen ter wereld zich een weg zoeken naar de haven van Antwerpen. Die uitbreidt en oprukt deze kant op, vlakbij eigenlijk al. En die het dorpje Doel opslokt. Het is nu een spookdorp, de huizen zijn dichtgespijkerd. De haven is een helse plek met kranen die tienduizenden containers takelen en opstapelen. Nog dichterbij staan de hoge koeltorens van de kerncentrale van Doel. Vanuit deze leegte zien we een surrealistisch landschap met rokende schoorstenen en een woud van hoogspanningsmasten.

Langzaam rijden we over de bemodderde weggetjes, oogsten geeft slik. Hier wordt voedsel gekweekt, eten voor de Mens. We moeten de berm in, er komt een tractormonster aan en we krijgen de volle laag. De bestuurder heft een vinger op van het stuur. Het witte huis van de eigenaar van de polder, Cloedt, die jarenlang strijd voerde tegen ontpoldering heeft de zwarte luiken dicht. Verderop in een weiland lopen dertig bruine paarden en een man in een groene overall. Wij steken een vinger op, hij knikt. Verder is er niets en niemand. Langzaam rijden we door de polder. We zeggen weinig. Een verdwaalde regenspetter op de voorruit. Prince zingt:

Honey, I know, I know, I know times are changing
It’s time we all reach out for something new
That means you too
You say you want a leader
But you can’t seem to make up your mind
I think you better close it
And let me guide you into the purple rain

Purple rain, purple rain
Purple rain, purple rain
Purple rain, purple rain
I only want to see you
Only want to see you in the purple rain

Ergens klimmen we de dijk over en dalen af naar het restant van een haventje. Dichtgeslibd en dichtgegroeid.  Ooit werden hier schepen geladen met oogst van het land. Het Scheldewater trekt zich langzaam terug. We staan in het hoge natte gras. Polderjongens met laarzen aan.

Bambie

P1050790

‘Attentie! Mogelijk water op de weg’.

Deze tekst wordt op een bord met knipperlichten aangegeven, direct na de pont van de Kop van ‘t Land – Werkendam. Ik ben dus gewaarschuwd en ik weet het, het water in de rivier staat hoog. Daarom juist wil ik de Biesbosch in. Gisteren ondervond ik het al, na de eerste meters van het overstroomde pad van de Hollandse Biesbosch. Voorzichtig wadend keek ik hoever ik kon gaan. Niet ver dus, plotseling liepen mijn rubberlaarzen vol. Ze bleken ingescheurd, halverwege de schacht. Vandaag wil ik naar de Deeneplaat, geen tijd en geen zin om nieuwe laarzen te kopen. Ik heb ze rondom dichtgeplakt met sterke tape.

Bij pomphuis Hooge Hof de dijk over. De brug erachter ligt in het water, het klotst door de open stalen roosters heen. Voorzichtig steek ik over, zal het water nog verder stijgen, over een paar uur moet ik hier weer overheen. Dit is nu dus ‘de ruimte voor de rivier’. Aan beide zijden van de kronkelende kade een grote watervlakte. Een zilverreiger laat me niet dichterbij komen, sierlijk vliegt hij weg met zijn magere poten achter zich. Die ken ik al, hopelijk zie ik nu eens een ijsvogel. Het is zwaar bewolkt en opeens prikt een zonnestraal er schuin doorheen. Die zet het grijze gebied meteen in volle kleur. Op een doordeweekse dag met geen mooi weer is hier niemand, dát moeten we hebben! De stilte wordt alleen doorbroken door een monotoon geruis, de Moerdijkbrug, ver weg nog, maar de wind staat deze kant op. Een ander geluid doet me omkijken. Een groep zwanen gaat op de wieken en dat lukt ze niet onhoorbaar. Van verder weg komt het constante gegak van een enorme zwerm ganzen. Die zitten op de Tongplaat aan de overkant van de Nieuwe Merwede. Gisteren zag ik ze, toen ik noodgedwongen niet verder kon met mijn lekkende laarzen. Nadat ik ze had leeggegoten en over de dijk naar de Tongplaat ging. Ze bleven zitten, tot ik een bepaalde grens overschreed, toen stegen ze massaal op. Als in een natuurfilm, de enorme wolk van honderden, misschien wel duizenden ganzen, vloog vlak over me heen.

Aan het eind van het kronkelpad is nu ook een brug, hoog en ik bedenk, stel dat het water nog stijgt, dan kan ik hier droog blijven. Het gebied Deeneplaat heeft hoge kades. Deze zomer was het pad haast ondoordringbaar overwoekerd met zoet ruikende springbalsemien. Nu is het breed en kaal en platgetrapt. De rivier heeft zich tot ver in de begroeiing gedrongen. De grienden worden niet meer onderhouden en veranderen in een wilgenbos. Een grote groep waterhoentjes schiet weg, ritmisch trappelend en flapperend. Het pad verbreedt zich en plotseling sta ik oog in oog met twee reetjes. Stomverbaasd kijken we elkaar aan. Dan gaan ze op de vlucht, steeds stoppend en ongelovig achterom kijkend. Ben ik verraden door de witte tape om m’n laarzen? Ik volg ze, schuilend achter het geboomte aan de zijkant. Nu heb ik de camera paraat en ik krijg er een, vlakbij, prachtig poserend voor de lens. Lief, onschuldig en met grote ogen.

Dit gedeelte is anders met hoge bomen, zestig jaar oude populieren. Langs het pad zijn er veel omgehaald, het werd te gevaarlijk, sommige afgezaagde stompen lopen toch uit. Bij de Zwarte Keet, een houten griendwerkersverblijf zijn er een aantal omgevallen. De enorme wortelkluit verticaal omhoog. Er staat jonge aanplant, zwarte populieren. Het achtergrondgeluid van de brug in de verte verandert, een goederentrein vermoedelijk. Verder is het stil, de wind beweegt de bomen, nat en modderig, die typische Biesboschgeur. Nog een stenen keet en een beschutte inham voor een bootje. Er staat een bankje, gelukkig geen prullenbak en precies op tijd voor koffie. Mooie plek ook voor een stiekeme nacht in mijn tentje. Weer terug aan de rivieroever zie ik grote bomen in het water staan, het vloedbos. Twee bomen zijn door bevers aangevreten. De brug weer over en hier is het open met verzamelingen van eenden en ganzen. Ik wandel langs het gele riet, dat wuift en ritselt en bijna paars verkleurt. Op de grens van land en water ligt een grafsteen en daar,een molensteen. Een vergane roeiboot en de resten van een bouwsel, beton en een dakpan. Een mij onbekende grote roofvogel vliegt geluidloos weg.

 

Afwijken

dortd1 016

Het kan zijn, het is best mogelijk. Noem mij ouderwets, maar ik ben tegen. Voor mij hoeven de winkels niet open op zondag. Op koopzondag blijf ik weg uit de stad. Het is juist zo fijn om door de stad te dwalen als de winkels gesloten zijn. Wat is er mis met het schema van zes dagen open en die ene dag niet. Gewoon een dag lekker rustig in de stad. Funshoppen is aan mij niet besteed. Ik houd vast aan het motto: je kunt je geld maar een keer uitgeven. Met meer uren open zijn klop je de mensen niet meer geld uit de zak. Ook om die reden ben ik eigenlijk tegen, het mag wel wat minder, consuminderen, maar daarover een andere keer.

Vervelend, maar ik heb ook een afwijkende mening over voetbal. Hopelijk heeft B&W nog een laatste restje verstand om ons te behoeden voor de komst van een stadion. Het zou toch te erg zijn dat, van mijn geld en het uwe, een totaal overbodig stadion gebouwd gaat worden. Zoveel geld voor die paar procent van de Dordtenaren die van een totaal uit de hand gelopen balspel houden. Zonde van de ruimte en zonde van de kosten die alleen al gemoeid zijn met het inzetten van het politiekorps. En dat elke wedstrijd weer, om de losgeslagen sportverdwaasden de tribunes op en af te krijgen. En als er dan toch een arena met spelen voor het volk moet komen, bouw het dan op de plek die onverkoopbaar is. Het braakliggende stuk grond naast de N3 , daar lekker dicht bij de bajes. Voor de te arresteren hooligans.

En dan nog iets. ’De Holland’ is mooi geworden. Kunstmin is ook een lust voor het oog, maar wat doet die vreselijke vierkante bak daar op het dak? Alle begrip dat er gemoderniseerd moet worden voor grotere producties en dergelijke. Maar dit is wel kort door de bocht. De meest simpele oplossing in mijn ogen. Had dat niet mooier gekund? Denk aan de Rijksdag in Berlijn, of dichterbij huis, in Zwolle. Op het museum De Fundatie is een futuristisch ogend ei of UFO geland. Het doet geen afbreuk aan het classicistisch gebouw, sterker nog, het versterkt het geheel. De eigenzinnige stijl waarin Kunstmin is gevat wordt nu plomp afgeplat door die kubus op het dak. Gemiste kans om Dordrecht smoel te geven. Zoals gebeurd is met de Spuiboulevard en teveel andere voorbeelden die ik hier niet zal noemen. Eentje nog, op dit moment aan het ontstaan, Stadswerven, is nu al een gemiste kans. Juist om af te wijken kun je je als stad op de kaart zetten. Het mooie Dordt kan mooier. Architect van Ravensteijn maakte met zijn krullerige stijl van Kunstmin een heerlijke bonbondoos. Had het afgemaakt met een klodder slagroom bovenop de taart. In de vorm van een dikke vette slagroomsoes. Of nog mooier, met zo’n, recent in de ban gedane, nergerzoen. Media aandacht gegarandeerd.

Zen

P1050980

Ik had de boel alweer ingepakt en was op weg naar huis. Ondanks dat er een ijskoude poolwind huilde, was het gelukt een plek te vinden in de luwte. Laag achter het kleine dijkje, temidden van een kluwen omgevallen wilgen en, niet onbelangrijk, met rivierzicht. Het water stond hoog, net als in de polder hierachter. Daardoor viel de oogst wat tegen. Met hoog water in de rivier ligt er gewoon minder afval aan de oever. Pas dan, wanneer het waterpeil zakt, spoelt er weer rommel aan. Vreemd, maar toch, ik had een rode Perrysporttas gevuld met plastic troep. Na de schoonmaakactie, koffie. En eens kijken, wat had ik vandaag op mijn boterham gedaan?

Het laatste kleine strandje was ik al voorbij, toen opeens de zon doorbrak. Terug! Zitkussentje op de omgevallen boomstam, nogmaals en meer koffie, pal in de zon en ook hier geen wind. Veertien januari, een helder blauwe lucht. Toch geen rust in mijn kont en ik pak nog even de strekdam mee, er ligt daar plastic. Pas dan, als ook dat schoon is en ik weer op de boom zit, daalt een oneindige kalmte neer. De rivier die ruw is en tegen de wind in ongeduldig wegstroomt richting zee, doet snelle brandinggolven stukslaan op het strandje. Sommige lopen uit tot vlakbij. Uit voorzorg parkeer ik mijn bagage, rugzakje en eerder genoemde Perrysporttas wat hogerop. Verderop golft het en gaat het tekeer. Hier is het water kalm maar valt het wel voortdurend aan op het strand. Een driftig ritme, ruisen. De regelmaat ervan brengt rust. En strand, strand, het is een strookje bruin rivierzand van vijf meter. En het is ook niet de Noordzee waar dit watergedruis aan doet denken. Nee, het is de korte branding van de Middellandse zee waarnaar ik wegdroom. Hier zit ik met een dikke donsjas aan, de zon stooft me warm en prikt op mijn gezicht. Ak Deniz, Guzeicamli, Marathokampos, de namen komen automatisch, net als de bijbehorende herinneringen aan die warme stranden. De harde wereld is ver weg. Het is geen winter en er is geen oorlog. Dit stuk rivieroever is 100 % schoon, geen plastic rommel, geen gedeukte blikjes Warsteiner en lege pakken Coolbest light. Niets herinnert hier aan het vervuilde Zuid-Holland. Dit is wildernis, zoals wildernis bedoeld is. Ik heb geen honger en opeens geen haast. De lucht boven het bleke riet breekt steeds verder open. Veelbelovend blauw van het blauwste blauw. Drie wolkjes zweven gewichtsloos in de verte. Dit moet het zijn, Zen. Ik heb geen stress, geen heilig moeten, geen verantwoording. Ik ben er bijna, ik heb het, een toestand, een zijn van Zen. Er is hier niemand, geen vogelaar, geen toerist of wandelaar. De zon, de zee en ik.

Op de dijk waait het verwoestend hard, fietsen gaat vanzelf. Ik neem het pad aan de buitenkant, langs de oever. De rivier is hoog en het fietspad staat blank. Ik fiets door het water, het voorwiel maakt een boeggolf. De fiets klieft door de spiegel van het wateroppervlak. Ik heb een waterfiets. De lage zon blikkert op het vliegende buiswater. Rechts het riet dat wit is, links de dijk zo groen. Opeens wordt het donker, de zon verschuilt achter een grijze wolkenband. Ik word achtervolgd door een muur van regen. Mijn laarzen malen door het water, de ketting kraakt, het is diep. Dan hoor ik spetteren, gebruis van water. Een mountainbiker passeert, de fontein van zijn achterwiel spuit zijn rug nat. Zijn shirt is geel.

Hotel California

budapest 128 - kopie

Daags nadat ik in de krant lees dat het helemaal hot en happening is om nowadays in hotels te meeten krijg ik de uitnodiging. Twee vrienden vragen mij erbij. Met zekere regelmaat gaan ze een avond de kroeg in om, met een bepaalde hoeveelheid alcohol, eens lekker bij te beppen. Maar zij – heren van ondefinieerbare leeftijd – mijden de laatste tijd de drukbevolkte cafés van Papendrecht. Dat laatste, Papendrecht, daar kunnen ze ook niets aan doen, daar wonen ze nu eenmaal. Te vol en te lawaaierig dus voor een goed gesprek. The Apollo Hotel is hun uitwijkspot en daarheen spoed ik mij, naar de overkant en op de fiets, om op de terugweg geen andere weggebruikers in gevaar te brengen.
On a dark desert highway
Cool wind in my hair
Warm smell of colitis,
Rising up through the air

Apollo Hotel, tja, had ik dat krantenartikel niet gelezen, was mijn fantasie toch op hol geslagen. Afspreken in een hotel: voor mij synoniem aan iets broeierigs, erotisch haast. Rock en roll, Herman Brood sprong van het Hilton aan: juist, de Apollolaan. De buurt in Amsterdam zuid, waar ik woonde. Hotels, met vrienden, ik denk meteen aan de tijd dat ik onderweg was voor het werk. Met een crew zwervend van hotel naar hotel. En die keer dat ik de sleutel van mijn kamer kwijt was, gekleed in een knalgeel jumpsuit en groene lieslaarzen meldde ik me bij de nachtportier van het Schotse resort. Nu krijg ik amper tijd om me te verwonderen over de drukte op de Lange Tiendweg, waar ik de fiets parkeer. Wim en Niek arriveren tegelijkertijd met mij. Aan beide zijden van het hotel bevinden zich sportcentra, waar actief Papendrecht in en uit bruist.

Ik wil plaats nemen in de überhippe plexiglazen stoel ‘Ghost’ maar dat wordt me ontraden door Niek. Hij is hier inmiddels kind aan huis, die stoel zit niet lekker. Zo’n hoogglans fluwelen fauteuil, waarmee elk hotel zich nu mee opchict, zit inderdaad beter. Luxe ademt het alles, wanden met flessen Glen Talloch, Hennessy, Chateau Margaux en flakkerende vlammen achter glas. Mijn mededeling dat ze helemaal van nu zijn, met dat borrelen op hotel, verrast ze, en ook dat het voor mij toch een bepaalde lading heeft. Of wij wat willen eten, vraagt het meisje dat bedient. We stellen haar gerust, wij blijven nog wel even zitten! Voor de koffie er is, Wim bestelt er speciaal een zoetje bij, breng ik nog een nieuwtje: Playboy nu voortaan zonder naakt. Ook daar kijken ze van op en ze denken dat deze avond wel eens een heel andere invulling zou kunnen krijgen. En ach, dat blad was er altijd al alleen voor de goeie interviews.

De koffie is amper op of Niek wil aan de wijn, hij heeft haast. Volgens Wim is dat niet bijzonder, Niek heeft altijd haast. Zo had hij bijvoorbeeld geen tijd voor zijn gebroken enkel. Het meisje van de bar, een kind eigenlijk nog, merkt niets van onze dorst. Just wanneer Wim al naar de bar wil stiefelen komt ze eraan. Huiswijn? Als het maar Merlot is. En dát hij smaakt. Gedrieën waren wij eens op een wijnproeverij. Wij proefden alles wat er voorradig was, konden niet tot overeenstemming komen wat de lekkerste was. Gelukkig hoefden we toen niet te rijden, zelfs fietsen was gevaarlijk. Het barmeisje begrijpt nu dat ze in de buurt moet blijven en doet dat ook.

De heren zijn in een langdurige discussie verwikkeld. Het is een eenvoudig onderwerp. Gewoon een datum of een jaartal. Ze komen er niet uit en tenslotte moet ik partij kiezen. Mijn credo is, nooit doen. Op hotel, of in de kroeg nooit partij kiezen. Voor je het weet heb je een barkruk in de nek. Gelukkig zien de vrienden dat op tijd in en ik gooi een andere datum in de strijd. Mijn eerste kennismaking met Wim was namelijk op exact deze plek, en hoelang geleden is dat wel niet? Het was tijdens de receptie van zijn huwelijk, op deze plek. Wanneer was dat en hoe heette dit hotel toen? Reden voor meer wijn en toe maar:
“Heeft u ook een kaasplankje en doet u ook maar iets met leverworst.”

Anekdotes, herinneringen en nog sterkere verhalen, wat bespreek je zoal met drie man in de lobby? En doen we er nog een? Goeie wijn wordt steeds lekkerder. Het afrekenen kost moeite, delen door drie is niet eenvoudig. Voor het jonge meisje dat zo’n late dienst had, was het toch een zeer goeie avond. En wij? Doen we nog eens, aan de overkant!
such a lovely place
such a lovely place
such a lovely place

 

 

Samenleving

P1020583

“Laat ik eens iets goeds doen voor de samenleving”,
dacht ik,
“Dat gaat toch in een moeite door. Als ik door de Biesbosch loop met mijn cameraatje, kan ik net zo goed een plastic zak meenemen en de rommel die ik tegenkom opruimen.”

Zo gezegd zo gedaan. Nu duurde het uiteraard lang voordat ik iets vond, maar tenslotte had ik toch wat verzameld. Vlak achter de strekdam lag wel veel. Half vergaan plastic, verfrommelde bierblikjes, een verfemmerdeksel en een pakje Samson shag. Ik worstelde me erheen door het riet. En daar stond er weer een, een vogelaar. Met zijn macho supertelelenscamera. Ik zag hem denken, wat doet die vent daar? Ik voelde me betrapt. Maar ach, vermande ik mezelf, wie is hier nu gek. Ik ben zinloos bezig, hij niet dan?

Die avond in het Acht Uur Journaal:
Eén jaar later, na de aanslag op Charlie Hepdo, is er weer een idioot die zich wilde laten doodschieten, met z’n nepbomvest.

In de stad Izmir in Turkije worden zwemvesten verkocht, duizenden. Aan vluchtelingen voor de oversteek. Het zijn nepzwemvesten, het materiaal blijft niet drijven.

Tijdens oudejaarsnacht zijn in Keulen honderden vrouwen aangerand en erger. De daders schijnen(volgens de eerste berichtgevingen) (koren op de molen van de Grote Blonde Lijer) vluchtelingen te zijn.

In Libië worden grote opslagtanks aangevallen en in brand geschoten door IS strijders.

Zeespiegelstijging: nieuwe inzichten van wetenschappers spreken elkaar tegen. Zeven meter of slechts vijftig centimeter en dat dan pas in de volgende eeuw.

De warmste decembermaand ooit gemeten. Dat is toeval. In ons kleine landje is het in het noorden code rood, ijzel, terwijl het in de rest van het land ver boven nul is.

Durzaam, alles duurzaam. En we willen verantwoord gekweekt voedsel. In het woud van keurmerken raakt de consument het spoor bijster.

Goh, wat was ik toch weer nuttig bezig geweest met mijn opruimactie, voor die fijne wereld. Toen ik, met mijn volle plastic zak terugkeerde kwam ik de vogelaar tegen. We mompelden iets van:
“Moge”
Wat een boeventronie had die kerel, dacht ik. Die wil je liever niet in het donker tegenkomen. Maar ach, een vogelaar, iemand die zich in de snijdende kou op een glibberige strekdam waagt in een wanhopige poging een vogeltje te fotograferen, dat kan toch geen slecht mens zijn.

Vrijwel gelijktijdig kwamen we aan bij onze auto’s op de parkeerplaats. Op hetzelfde moment wisselden wij onze modderlaarzen voor droge schoenen. Beide auto’s werden gestart. Ik keek opzij en zag de macho supertelelenscamera op het dak van de vogelaar liggen. Ik bedacht me geen moment, stormde de auto uit en rende erheen om hem te waarschuwen. Vriendelijk werd ik bedankt. Samenleving, mooi woord.