Afwijken

dortd1 016

Het kan zijn, het is best mogelijk. Noem mij ouderwets, maar ik ben tegen. Voor mij hoeven de winkels niet open op zondag. Op koopzondag blijf ik weg uit de stad. Het is juist zo fijn om door de stad te dwalen als de winkels gesloten zijn. Wat is er mis met het schema van zes dagen open en die ene dag niet. Gewoon een dag lekker rustig in de stad. Funshoppen is aan mij niet besteed. Ik houd vast aan het motto: je kunt je geld maar een keer uitgeven. Met meer uren open zijn klop je de mensen niet meer geld uit de zak. Ook om die reden ben ik eigenlijk tegen, het mag wel wat minder, consuminderen, maar daarover een andere keer.

Vervelend, maar ik heb ook een afwijkende mening over voetbal. Hopelijk heeft B&W nog een laatste restje verstand om ons te behoeden voor de komst van een stadion. Het zou toch te erg zijn dat, van mijn geld en het uwe, een totaal overbodig stadion gebouwd gaat worden. Zoveel geld voor die paar procent van de Dordtenaren die van een totaal uit de hand gelopen balspel houden. Zonde van de ruimte en zonde van de kosten die alleen al gemoeid zijn met het inzetten van het politiekorps. En dat elke wedstrijd weer, om de losgeslagen sportverdwaasden de tribunes op en af te krijgen. En als er dan toch een arena met spelen voor het volk moet komen, bouw het dan op de plek die onverkoopbaar is. Het braakliggende stuk grond naast de N3 , daar lekker dicht bij de bajes. Voor de te arresteren hooligans.

En dan nog iets. ’De Holland’ is mooi geworden. Kunstmin is ook een lust voor het oog, maar wat doet die vreselijke vierkante bak daar op het dak? Alle begrip dat er gemoderniseerd moet worden voor grotere producties en dergelijke. Maar dit is wel kort door de bocht. De meest simpele oplossing in mijn ogen. Had dat niet mooier gekund? Denk aan de Rijksdag in Berlijn, of dichterbij huis, in Zwolle. Op het museum De Fundatie is een futuristisch ogend ei of UFO geland. Het doet geen afbreuk aan het classicistisch gebouw, sterker nog, het versterkt het geheel. De eigenzinnige stijl waarin Kunstmin is gevat wordt nu plomp afgeplat door die kubus op het dak. Gemiste kans om Dordrecht smoel te geven. Zoals gebeurd is met de Spuiboulevard en teveel andere voorbeelden die ik hier niet zal noemen. Eentje nog, op dit moment aan het ontstaan, Stadswerven, is nu al een gemiste kans. Juist om af te wijken kun je je als stad op de kaart zetten. Het mooie Dordt kan mooier. Architect van Ravensteijn maakte met zijn krullerige stijl van Kunstmin een heerlijke bonbondoos. Had het afgemaakt met een klodder slagroom bovenop de taart. In de vorm van een dikke vette slagroomsoes. Of nog mooier, met zo’n, recent in de ban gedane, nergerzoen. Media aandacht gegarandeerd.

Advertenties

Zen

P1050980

Ik had de boel alweer ingepakt en was op weg naar huis. Ondanks dat er een ijskoude poolwind huilde, was het gelukt een plek te vinden in de luwte. Laag achter het kleine dijkje, temidden van een kluwen omgevallen wilgen en, niet onbelangrijk, met rivierzicht. Het water stond hoog, net als in de polder hierachter. Daardoor viel de oogst wat tegen. Met hoog water in de rivier ligt er gewoon minder afval aan de oever. Pas dan, wanneer het waterpeil zakt, spoelt er weer rommel aan. Vreemd, maar toch, ik had een rode Perrysporttas gevuld met plastic troep. Na de schoonmaakactie, koffie. En eens kijken, wat had ik vandaag op mijn boterham gedaan?

Het laatste kleine strandje was ik al voorbij, toen opeens de zon doorbrak. Terug! Zitkussentje op de omgevallen boomstam, nogmaals en meer koffie, pal in de zon en ook hier geen wind. Veertien januari, een helder blauwe lucht. Toch geen rust in mijn kont en ik pak nog even de strekdam mee, er ligt daar plastic. Pas dan, als ook dat schoon is en ik weer op de boom zit, daalt een oneindige kalmte neer. De rivier die ruw is en tegen de wind in ongeduldig wegstroomt richting zee, doet snelle brandinggolven stukslaan op het strandje. Sommige lopen uit tot vlakbij. Uit voorzorg parkeer ik mijn bagage, rugzakje en eerder genoemde Perrysporttas wat hogerop. Verderop golft het en gaat het tekeer. Hier is het water kalm maar valt het wel voortdurend aan op het strand. Een driftig ritme, ruisen. De regelmaat ervan brengt rust. En strand, strand, het is een strookje bruin rivierzand van vijf meter. En het is ook niet de Noordzee waar dit watergedruis aan doet denken. Nee, het is de korte branding van de Middellandse zee waarnaar ik wegdroom. Hier zit ik met een dikke donsjas aan, de zon stooft me warm en prikt op mijn gezicht. Ak Deniz, Guzeicamli, Marathokampos, de namen komen automatisch, net als de bijbehorende herinneringen aan die warme stranden. De harde wereld is ver weg. Het is geen winter en er is geen oorlog. Dit stuk rivieroever is 100 % schoon, geen plastic rommel, geen gedeukte blikjes Warsteiner en lege pakken Coolbest light. Niets herinnert hier aan het vervuilde Zuid-Holland. Dit is wildernis, zoals wildernis bedoeld is. Ik heb geen honger en opeens geen haast. De lucht boven het bleke riet breekt steeds verder open. Veelbelovend blauw van het blauwste blauw. Drie wolkjes zweven gewichtsloos in de verte. Dit moet het zijn, Zen. Ik heb geen stress, geen heilig moeten, geen verantwoording. Ik ben er bijna, ik heb het, een toestand, een zijn van Zen. Er is hier niemand, geen vogelaar, geen toerist of wandelaar. De zon, de zee en ik.

Op de dijk waait het verwoestend hard, fietsen gaat vanzelf. Ik neem het pad aan de buitenkant, langs de oever. De rivier is hoog en het fietspad staat blank. Ik fiets door het water, het voorwiel maakt een boeggolf. De fiets klieft door de spiegel van het wateroppervlak. Ik heb een waterfiets. De lage zon blikkert op het vliegende buiswater. Rechts het riet dat wit is, links de dijk zo groen. Opeens wordt het donker, de zon verschuilt achter een grijze wolkenband. Ik word achtervolgd door een muur van regen. Mijn laarzen malen door het water, de ketting kraakt, het is diep. Dan hoor ik spetteren, gebruis van water. Een mountainbiker passeert, de fontein van zijn achterwiel spuit zijn rug nat. Zijn shirt is geel.

Hotel California

budapest 128 - kopie

Daags nadat ik in de krant lees dat het helemaal hot en happening is om nowadays in hotels te meeten krijg ik de uitnodiging. Twee vrienden vragen mij erbij. Met zekere regelmaat gaan ze een avond de kroeg in om, met een bepaalde hoeveelheid alcohol, eens lekker bij te beppen. Maar zij – heren van ondefinieerbare leeftijd – mijden de laatste tijd de drukbevolkte cafés van Papendrecht. Dat laatste, Papendrecht, daar kunnen ze ook niets aan doen, daar wonen ze nu eenmaal. Te vol en te lawaaierig dus voor een goed gesprek. The Apollo Hotel is hun uitwijkspot en daarheen spoed ik mij, naar de overkant en op de fiets, om op de terugweg geen andere weggebruikers in gevaar te brengen.
On a dark desert highway
Cool wind in my hair
Warm smell of colitis,
Rising up through the air

Apollo Hotel, tja, had ik dat krantenartikel niet gelezen, was mijn fantasie toch op hol geslagen. Afspreken in een hotel: voor mij synoniem aan iets broeierigs, erotisch haast. Rock en roll, Herman Brood sprong van het Hilton aan: juist, de Apollolaan. De buurt in Amsterdam zuid, waar ik woonde. Hotels, met vrienden, ik denk meteen aan de tijd dat ik onderweg was voor het werk. Met een crew zwervend van hotel naar hotel. En die keer dat ik de sleutel van mijn kamer kwijt was, gekleed in een knalgeel jumpsuit en groene lieslaarzen meldde ik me bij de nachtportier van het Schotse resort. Nu krijg ik amper tijd om me te verwonderen over de drukte op de Lange Tiendweg, waar ik de fiets parkeer. Wim en Niek arriveren tegelijkertijd met mij. Aan beide zijden van het hotel bevinden zich sportcentra, waar actief Papendrecht in en uit bruist.

Ik wil plaats nemen in de überhippe plexiglazen stoel ‘Ghost’ maar dat wordt me ontraden door Niek. Hij is hier inmiddels kind aan huis, die stoel zit niet lekker. Zo’n hoogglans fluwelen fauteuil, waarmee elk hotel zich nu mee opchict, zit inderdaad beter. Luxe ademt het alles, wanden met flessen Glen Talloch, Hennessy, Chateau Margaux en flakkerende vlammen achter glas. Mijn mededeling dat ze helemaal van nu zijn, met dat borrelen op hotel, verrast ze, en ook dat het voor mij toch een bepaalde lading heeft. Of wij wat willen eten, vraagt het meisje dat bedient. We stellen haar gerust, wij blijven nog wel even zitten! Voor de koffie er is, Wim bestelt er speciaal een zoetje bij, breng ik nog een nieuwtje: Playboy nu voortaan zonder naakt. Ook daar kijken ze van op en ze denken dat deze avond wel eens een heel andere invulling zou kunnen krijgen. En ach, dat blad was er altijd al alleen voor de goeie interviews.

De koffie is amper op of Niek wil aan de wijn, hij heeft haast. Volgens Wim is dat niet bijzonder, Niek heeft altijd haast. Zo had hij bijvoorbeeld geen tijd voor zijn gebroken enkel. Het meisje van de bar, een kind eigenlijk nog, merkt niets van onze dorst. Just wanneer Wim al naar de bar wil stiefelen komt ze eraan. Huiswijn? Als het maar Merlot is. En dát hij smaakt. Gedrieën waren wij eens op een wijnproeverij. Wij proefden alles wat er voorradig was, konden niet tot overeenstemming komen wat de lekkerste was. Gelukkig hoefden we toen niet te rijden, zelfs fietsen was gevaarlijk. Het barmeisje begrijpt nu dat ze in de buurt moet blijven en doet dat ook.

De heren zijn in een langdurige discussie verwikkeld. Het is een eenvoudig onderwerp. Gewoon een datum of een jaartal. Ze komen er niet uit en tenslotte moet ik partij kiezen. Mijn credo is, nooit doen. Op hotel, of in de kroeg nooit partij kiezen. Voor je het weet heb je een barkruk in de nek. Gelukkig zien de vrienden dat op tijd in en ik gooi een andere datum in de strijd. Mijn eerste kennismaking met Wim was namelijk op exact deze plek, en hoelang geleden is dat wel niet? Het was tijdens de receptie van zijn huwelijk, op deze plek. Wanneer was dat en hoe heette dit hotel toen? Reden voor meer wijn en toe maar:
“Heeft u ook een kaasplankje en doet u ook maar iets met leverworst.”

Anekdotes, herinneringen en nog sterkere verhalen, wat bespreek je zoal met drie man in de lobby? En doen we er nog een? Goeie wijn wordt steeds lekkerder. Het afrekenen kost moeite, delen door drie is niet eenvoudig. Voor het jonge meisje dat zo’n late dienst had, was het toch een zeer goeie avond. En wij? Doen we nog eens, aan de overkant!
such a lovely place
such a lovely place
such a lovely place

 

 

Samenleving

P1020583

“Laat ik eens iets goeds doen voor de samenleving”,
dacht ik,
“Dat gaat toch in een moeite door. Als ik door de Biesbosch loop met mijn cameraatje, kan ik net zo goed een plastic zak meenemen en de rommel die ik tegenkom opruimen.”

Zo gezegd zo gedaan. Nu duurde het uiteraard lang voordat ik iets vond, maar tenslotte had ik toch wat verzameld. Vlak achter de strekdam lag wel veel. Half vergaan plastic, verfrommelde bierblikjes, een verfemmerdeksel en een pakje Samson shag. Ik worstelde me erheen door het riet. En daar stond er weer een, een vogelaar. Met zijn macho supertelelenscamera. Ik zag hem denken, wat doet die vent daar? Ik voelde me betrapt. Maar ach, vermande ik mezelf, wie is hier nu gek. Ik ben zinloos bezig, hij niet dan?

Die avond in het Acht Uur Journaal:
Eén jaar later, na de aanslag op Charlie Hepdo, is er weer een idioot die zich wilde laten doodschieten, met z’n nepbomvest.

In de stad Izmir in Turkije worden zwemvesten verkocht, duizenden. Aan vluchtelingen voor de oversteek. Het zijn nepzwemvesten, het materiaal blijft niet drijven.

Tijdens oudejaarsnacht zijn in Keulen honderden vrouwen aangerand en erger. De daders schijnen(volgens de eerste berichtgevingen) (koren op de molen van de Grote Blonde Lijer) vluchtelingen te zijn.

In Libië worden grote opslagtanks aangevallen en in brand geschoten door IS strijders.

Zeespiegelstijging: nieuwe inzichten van wetenschappers spreken elkaar tegen. Zeven meter of slechts vijftig centimeter en dat dan pas in de volgende eeuw.

De warmste decembermaand ooit gemeten. Dat is toeval. In ons kleine landje is het in het noorden code rood, ijzel, terwijl het in de rest van het land ver boven nul is.

Durzaam, alles duurzaam. En we willen verantwoord gekweekt voedsel. In het woud van keurmerken raakt de consument het spoor bijster.

Goh, wat was ik toch weer nuttig bezig geweest met mijn opruimactie, voor die fijne wereld. Toen ik, met mijn volle plastic zak terugkeerde kwam ik de vogelaar tegen. We mompelden iets van:
“Moge”
Wat een boeventronie had die kerel, dacht ik. Die wil je liever niet in het donker tegenkomen. Maar ach, een vogelaar, iemand die zich in de snijdende kou op een glibberige strekdam waagt in een wanhopige poging een vogeltje te fotograferen, dat kan toch geen slecht mens zijn.

Vrijwel gelijktijdig kwamen we aan bij onze auto’s op de parkeerplaats. Op hetzelfde moment wisselden wij onze modderlaarzen voor droge schoenen. Beide auto’s werden gestart. Ik keek opzij en zag de macho supertelelenscamera op het dak van de vogelaar liggen. Ik bedacht me geen moment, stormde de auto uit en rende erheen om hem te waarschuwen. Vriendelijk werd ik bedankt. Samenleving, mooi woord.

Wat maakt het uit

P1050859

Nog even en het bankje valt om. Wegspoelen in de rivier zal het niet, met die zware betonnen poten. Eronder is teveel zand weggespoeld, lekker zitten lukt niet meer. Bovendien zit ik toch niet graag zo vlak aan het pad. Verder dus. Niet dat het druk is, op een doordeweekse dag in de herfst, hoogstwaarschijnlijk ben ik alleen hier in de Dordtse Biesbosch. De paadjes zijn goed slikkerig, staan zelfs gedeeltelijk blank. Ik blijf zoveel mogelijk aan de rivier, door de rietstrook, soms over een dikke laag, verend rottend riet. Hoever zak je weg. Nu al meer dan de helft van mijn leven kom ik hier. Ik ken alle paadjes. Toch is het steeds anders, seizoensafhankelijk. En soms is opeens weer een stuk griend kaalgehakt. Wel is het toegankelijker gemaakt, hier en daar dus zo’n bankje en: prullenbakken. Wat me eerst best irriteerde.

Prima nu dat ze er staan, rommel die ik tegenkom gooi ik in zo’n bak. En doe geen moeite meer om te begrijpen waarom mensen afval laten vallen. Je gaat de natuur in, blijkbaar is dat leuk, iets puurs, genieten en vervolgens vervuil je die natuur met je blikjes Redbull. Er spoelt ook veel aan, onherkenbaar half vergaan plastic. En daar ligt een flesje afwasmiddel, zal wel van een binnenvaarder afkomstig zijn. Met twee vingers pluk ik het uit de modder. De zon begint steeds krachtiger te schijnen en toevallig loop ik de goeie kant op, tegenlicht. Het mos op de wilgentakken wordt fluweel, de rietpluimen lichten fel op tegen de geheimzinnige donkerte van het griendbos er achter. Het water van de slootjes bliksemt. Door een gat in de rietkraag kan ik van het pad af en wat verder vind ik een piepklein strandje. Met een paar stenen heb ik een droge zitplaats en zelden smaakt koffie dan lekkerder. De Merwede stroomt en blinkt. Ik moet even mijn rugzakje oplichten, er komen golven aan, nog van dat schip zojuist.

De volgende keer neem ik een plastic zak mee, kan ik makkelijker wat afval ruimen. Uiteindelijk komt al de rotzooi in de rivier, spoelt het mee naar zee, de Noordzee, het Kanaal door, de Golf van Biskaje en verder bij de Azoren rechtsaf, tot het uiteindelijk aanlegt bij dat eiland van plastic, midden in de oceaan. Het is onzin en ik weet het. Dat beetje dat ik opruim, wat maakt het uit. Ik ben met de auto hierheen gereden, niet met de fiets. Maakt het nog wat uit? Mijn hele leven reisde ik per trein naar het werk, Co2 neutraal. Volgend jaar wil ik de Toubkal beklimmen, de hoogste berg van Marokko en Noord-Afrika. Mag ik nog wel vliegen? Ik heb dit hele jaar geen een keer gevlogen. Tien jaar is er door de politiek alleen gesproken over moslims, volgens hen mislukte multicurele samenlevingen, tsunami’s van vluchtelingen. Het milieu? Nooit van gehoord. Nu na de klimaattop in Parijs gaan we haast maken, alsof het nog te stoppen valt. Ik word flextariër. Een roepende in de woestijn voel ik mij, wonend in een van de rijkste landen ter wereld. En zo laag scoren op de milieuladder. Beschamend. Ach, maakt het nog wat uit.

Verder weer, ik hoor water stromen. Ik zoek en vind het. Vreemd, dit zag ik nog niet eerder. Een kleine waterval is ontstaan, van een hoger gelegen landje klatert het in een sloot. Ik worstel me erheen door de blub en het struikgewas voor een foto. Het flesje afwasmiddel heb ik laten vallen, nog steeds geen prullenbak. En ik maak nog een foto, maximaal ingezoomd, is het een lepelaar of een witte reiger. De zon schijnt nu volop en ik kan niet stoppen met fotograferen. En ik heb al zoveel foto’s gemaakt hier. In alle jaargetijden en alle weersomstandigheden. Stilte zoekend en eenzaamheid, hier aan de rand van de volle Randstad. Het kleine beetje wildernis waar we het mee moeten doen. Ik blijf het mooi vinden, deze natte ongeorganiseerde bende van wilgen, riet en brandnetels. Het licht valt er mooi doorheen vandaag.

Bijna aan het eind, bij de andere haven kom je weer vlak langs de rivier. Er vaart een politieboot, dicht langs de oever. Twee man op het dek speuren rond met verrekijkers. Wat zoeken ze,  onwillekeurig kijk ik ook om heen. Een van de agenten heeft mij gespot, zijn kijker is recht op mij gericht. Ik ben onschuldig. Dat flesje afwasmiddel, ik weet waar het ligt. De volgende keer neem ik het mee, beloofd!

Kerstgedachte

IMG_0971

Verdomd als het niet waar is. Ik heb het weer. ik heb weer last van de Kerstgedachte. De terugblikken, de goedebedoelingprogramma’s op tv, de onontkoombare muziek op de radio of in het winkelcentrum, of je nu wilt of niet, je krijgt zo’n heel speciaal gevoel van binnen. Zoals vriend Hank ooit zei last te hebben van ‘Creuzfeld Jacob’, de gekke koeienziekte, het overkomt je, je wordt er mee besmet.

Zojuist weer, bij de laatste uitzending van Jeroen Pauw werd die (…) (drie letters) van GeenStijl vastgeluld (nu wel) door Dolf Jansen:
“Moeten we doen net als Australië? Ho stop, wegwezen, hier komt niemand binnen. Honger, bombardement, onthoofding, niks mee te maken.”
En Sanne Wallis de Vries ging nog even door:
“Wij, in de top tien van rijkste landen ter wereld, beseffen niet hoe goed wij het hier hebben.”

Begrijp me goed, ik heb niks te klagen, hoef niet naar de voedselbank – in Groningen wordt die druk bezocht – hoewel ook ik alle hoeken en gaten van het UWV heb gezien. Wij hebben al zeventig jaar geen oorlog, de laatste echte ramp was in ’53. En die weet ik nog, mijn babywiegje werd geëvacueerd naar de zolder. Oké, het Nederlandse weer kan beter, hoewel laatst, half december, was het nog 15 graden. En ja, we hebben een stomme regering die alles in doofpotten stopt en te lang praat over de niet echt belangrijke zaken. Maar uiteindelijk hebben ‘we’ die zelf gekozen. In 2014 openden we nog een serie kolencentrales, goed bezig.

Mijn kwaadheid en ergernisjes worden weggedrukt en overspoeld door warme gevoelens. Eega zegt me vaak:
“Erger je toch niet zo.”
Waarop ik steevast antwoord:
“Nee, ik erger me niet, ik verbaas me slechts.”

Imagine there’s no heaven
It’s easy if you try
No hell below us
Above us only sky
Imagine all the people
Living for today

Imagine there’s no countries,
It isn’t hard to do
Nothing to kill or die for
And no religion too
Imagine all the people
Living life in peace

 Na ‘Parijs’ werd dit lied weer eens van stal gehaald. Hoeveel waarheid schuilt in deze twee coupletjes. Nog eenvoudiger was die andere kreet van lang geleden: ‘een beetje lief zijn voor elkaar’.

Je kunt zeggen dat ik een dromer ben
Maar ik ben niet de enige
Ik hoop dat je het ooit met ons eens zal zijn
En dat de wereld zal zijn als één