Alleen de maan en ik

alleen de maan en ik
zijn wakker

De nacht is zwart
de zwarte nacht
net als mijn kamer
en alles wat ik zo bedacht

De nacht is leeg
zoals de fles, de kamer en mijn hoofd
mijn lege hart
ik dans met jou door de nacht
de nacht is zwart

Zoek je overal
dans met jou
patronen op de vloer
jouw geest vloeibaar in m’n armen
het lege en dat koude, dat zwarte heelal
en de maan en ik

(1 van 7-6)

Jouw linker

Welk een verschijningsvorm,
die sculptuur, dat silhouet
als gemarmerd van albast
die elegantie en geen greintje vet
dat design qua vormgeving
de maat zo helemaal goed
een bloemlezing
vloeiend waar het vloeiend moet
en hoekig daar waar hoekig
en dan die teentjes aan je voet
een stuk of vijf
als wolkjes bij de dageraad
keurig op een rij
in volgorde van formaat
(en liefst een beetje vuil en bruin)

Maar nu nog gekker
redelijk uniek
in spiegelbeeld
nóg zo een
en identiek
jouw rechter

(1 van 7 – 5)

Jaloezie

Het was grijs
het was middag
en waterkoud

Het was haar vreemd
ze kende het niet nee
dacht ze, jaloersheid
tot ze het toch ontdekte
een ijsschots in een groene zee


Haar ogen hard en kil
schoten geladen pijlen
gevuld met giftige jaloezie
vol, midden in zijn
onschuldige poëzie

(1 van 7-4)

Villa Tuinzigt

Ik ben de grote Quarantaineman
onbeholpen en charmant
de verlegen womanizer
zelfverzekerd in elke stand

Onvolwassen en bedachtzaam
roekeloos en eclatant
de introverte feestneus
van virus geen verstand

In bezit van diverse identiteiten
niet geremd door obsceniteiten
complotten of voldongen feiten
stommiteiten die mij spijten

Ik ben de grote Lockdownman
barmhartig en galant
de schizofrene visionair
gooi alles aan de kant

Het leven is toneel, een rollenspel,
opera, een musical, de hel
incognito of pseudoniem
nu dan heerlijk anoniem

Ik zet mijn personages voor het blok
opgesloten Avondklok
eindelijk mijzelven zijn
Villa Tuinzigt is best fijn

(1 van 7 – 3)

De adem van de zee

Ze zal er altijd zijn, de zee
langs de randen van het land
waar ik dikwijls naar verlang
en soms maakt ze me bang

Ze kan bulderen en ruisen
deinen en spetteren
kolken en fluisteren
uren kan ik luisteren

Ik heb de zee zo lief
haar ruimte en haar leegte
gevoel van haar oneindigheid
en ook dat nonchalante

Ze kan zo lekker ruiken
lekker zoutig smaken
schuim en zand en nat
heeft soms een slechte adem

Ik heb haar nogal lief
haar vrede en haar vrijheid
ze gaat gewoon haar gang
in haar onafhankelijkheid

Ze kan blauw zijn of groen of grijs
of alles daar tussen in
of oranje en zelfs rood
en wit in ’t nachtlijk duister

De zee, ik mag haar wel
net als de herinnering
aan hen die ik er zoende
de zee, die er altijd zijn zal
met haar onverschilligheid
over mijn aanwezigheid

(uit mijn bundel 84 Goedkope Gedichten)

Gstaad

Duizend jaar geleden
heb ik de kust en haar verlaten
wilde graag de vrijheid terug
was natuurlijk een vergissing
niet meer goed te praten
wat heb ik haar aanbeden

Minstens duizend jaar daarvoor
toen ik aankwam in Gstaad
en daar de bergen zag
en terugdacht aan de kust
aan haar, die lieve schat
toen pas drong het tot me door

Duizend jaren lang
die eeuw’ge bergen in dit lied
dronken, high, verliefd
duizelig gelukkig hoe dan ook
sinds ik haar verliet
opnieuw naar haar verlang

Het lijkt al duizend jaar
nog geeneens een week
zonder haar is niet te leven
de bergen moeten zonder mij
weg van hier voordat ik breek
razendsnel terug naar haar

uit mijn bundel 84 Goedkope Gedichten
+ 3 Gratis

Genoopt

Ik ben om. Ik heb het licht gezien. Was het altijd in principe nee, nu heb ik het ontdekt. Daar was de lange hete zomer en grote hoeveelheden warme vrije tijd debet aan. Het dragen van de korte broek. Ontegenzeggelijk, ik ben er nu achter, er kleven vele voordelen aan. Ik was altijd tegen, wegens het ontbreken van de zogeheten Rock & Rollfactor *Lees mijn verhaal:

En mede om, zoals ik alom ter verdediging aanvoerde, geen vrouwen op verkeerde gedachten te willen brengen, wegens de aanblik van mijn benen. Welnu, ik ben van mening veranderd, kwestie van voortschrijdend inzicht. Nogmaals, de ongemeen hoge temperaturen noopten mij, binnenshuis en de onmiddellijke omgeving daarvan, mij vrijelijk kortgebroekt te gedragen. En dat beviel! Voor de duidelijkheid, als je het weten wil, liefst draagt men helemaal geen broek, maar het is de celstraf die men doet terugschrikken.
Het is algemeen bekend dat koude lucht daalt. (warme lucht stijgt op) Nu deed zich een merkwaardig fenomeen voor, wellicht te wijten aan de omvang van mijn (gebruinde) dijbenen, er bleek een frisse opstijgende lucht waar te nemen in het kortebroek gedeelte die zich zelfs tot in de verste uithoeken uitbreidde en een weldadige koelte teweeg brengend.

Dan wat betreft die foute gedachten. Kijk, het is mij na die jaren nog steeds niet helemaal duidelijk, het mysterie vrouw en tevens wat nu wel en niet aantrekkelijk gevonden wordt door deze wezens. Houdt men van onbeschadigde jongensbeentjes met weinig tot geen levenservaring, hoe gespierd misschien dan ook, welgevormd voor mijn part, of gaat men voor echte mannenpoten, gepokt en gemazeld, getekend door het leven en de tand des tijds, wellicht wat mager en krom, maar wel behaard en ‘they ‘ve been around’, tja dan kunnen die twee onderdanen van mij toch niet voorkomen dat er bepaalde gevoelens zouden kunnen ontstaan bij het andere geslacht.
Zit ik daar mee? Moet ik me daar wat aantrekken, mij schuldig voelen soms? Ik dacht het niet, anderzijds zie ik ook weleens iets voorbij komen dat ik de neiging moet onderdrukken achterom te kijken, hetzij om in de lacht te schieten, of ook soms toch wel te denken; “O lala…”

Het begrip Rock & Roll, ach slechts enkele ouderen van dagen die dat begrip nog iets zegt, dus laat ook maar. En dan nog dit, voor een goed begrip, de door mij gehekelde afritsbroek, daarin zult u mij niet aantreffen, die laat ik aan de outdoortypes, Barbecue-ers en bezitters van een luie E-bike.
Tevens is wel noodzakelijk wat kleur op de kortebroekebenen te hebben, ik zal mij ervoor hoeden in het openbaar te verschijnen met benen die haast doorschijnend zijn of in een Ralkleur die men op de muren van wachtkamers aantrof, vroeger dan. De korte broek dus, ook met de nu versneld afsmeltende Groenlandse ijskap, het kan best praktisch zijn in de nabije toekomst.                        

de ontdekking van zijn hemel

Vandaag zullen we op deze pagina’s behandelen de grote schrijver de heer Harry Mulisch, die deze week herdacht wordt, tien jaar na zijn dood. En dan met name de vraag hoelang hij nog bij ons zal zijn, hoelang blijven zijn boeken gelezen, verkrijgbaar in de bieb, op de leeslijst staan van examenkandidaten en belangrijker nog, wanneer ontmoette hij Gerard M. den Toonder.

En, het mag geen toeval heten, hoe vaak kruisten hun wegen. Het zal begonnen zijn in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen hij het parmantige Hotel American frequenteerde, soms in het gezelschap van zijn wijze moeder, op een van hun rondwandelingen door Amsterdam dat toen ook al gezellig druk was, maar met meer krakers en hippies en de provincie ontvluchte boeren dan de hedendaagse Japanners en vrijgezellenfeestgangers. Het werd al eens eerder hier gememoreerd, het gezellige getik met gebaksvorkjes en theelepeltjes werd regelmatig overstemd door de omroep met de mededeling  ‘Telefoon voor de heer Mulisch’. En dat zijn moeder en hij Harry, hij mocht Har zeggen, maar hield het altijd keurig bij Harry, zagen oprijzen en met rechte rug richting telefoon de zaal zagen doorkruisen.

Bijna wekelijks ook bezocht Mulisch de statige winkel in de Kalverstraat, het enorme pand dat doorliep tot aan het Rokin en het was daar dat voor het eerst contact gelegd werd. Het moet gezegd, vergeleken bij Harry’s ijdelheid verbleekte de zijne, immer keurig gekleed in fraaie tweed sportcolberts, voorzien van de nodige pochetten, dasspelden, horlogekettingen en dikwijls gedragen op, heel gewaagd in die tijd, pantalons, in fijne ribfluweel of honderd procent kamgaren in felle tinten. Bijna geheel handgemaakte Engelse schoenen vervolmaakten zijn outfit. Waarover zij spraken valt terug te lezen in zijn veelomvattend oeuvre en dan met name in de boeken van na 1975.

En dan bij uitstek om de dusver geheim gebleven gesprekken in het Victoriaanse hotel Métropole aan het Place de Brouckére te Brussel. In een stijl die een eclectische mengeling is van neo-classicisme, neo-romaans, Franse en Italiaanse  renaissance en empire. In de loop der jaren ontving Métropole voorname gasten als Albert Einstein, Marie Curie, de Amerikaanse staatshoofden Hoover en Eisenhower, kanselier Adenauer, generaal De Gaulle en een onmogelijk op te noemen aantal beroemde acteurs en zangers en zangeressen, zoals onder andere Jacques Brel en dus de Grote schrijvers als Harry Mulisch. Het is niet te zeggen hoeveel uren en dagen en nachten hij, al of niet in gezelschap van Mulisch doorbracht binnen deze uitermate luxueuze muren. Het doet hem dan ook pijn te vermelden dat deze horecagelegenheid, wegens financiële Corona gerelateerde problemen zijn deuren onlangs definitief heeft moeten sluiten.

Lange tijd publiceerde hij niets, treurde hij om het verlies van Harry, was het de teloorgang van het fantastische etablissement daar in het verre Brussel, nu nog verder, onbereikbaar haast door de gesloten grenzen in Coronatijd. En alweer een herinnering aan dat wat ooit was, verdwenen. Was het omdat hij in een andere fase belandde, kwam er even niets uit zijn handen, zowel op papier, digitaal of op het doek? Werkte hij in het geheim aan weer een of ander duister manuscript of was het dat hij zich opnieuw op de poëzie stortte? Niet alles zal bekend worden, vele dingen blijven in het verborgene en vele vragen zullen onbeantwoord blijven. Evenals de mysterieuze dichtregels die hem werden toegeworpen en nog meer stof doen opdwarrelen;
‘ben ik niet die ik was
of was ik niet die ben?’