Welk een verschijningsvorm, die sculptuur, dat silhouet als gemarmerd van albast die elegantie en geen greintje vet dat design qua vormgeving de maat zo helemaal goed een bloemlezing vloeiend waar het vloeiend moet en hoekig daar waar hoekig en dan die teentjes aan je voet een stuk of vijf als wolkjes bij de dageraad keurig op een rij in volgorde van formaat (en liefst een beetje vuil en bruin)
Maar nu nog gekker redelijk uniek in spiegelbeeld nóg zo een en identiek jouw rechter
Ze zal er altijd zijn, de zee langs de randen van het land waar ik dikwijls naar verlang en soms maakt ze me bang
Ze kan bulderen en ruisen deinen en spetteren kolken en fluisteren uren kan ik luisteren
Ik heb de zee zo lief haar ruimte en haar leegte gevoel van haar oneindigheid en ook dat nonchalante
Ze kan zo lekker ruiken lekker zoutig smaken schuim en zand en nat heeft soms een slechte adem
Ik heb haar nogal lief haar vrede en haar vrijheid ze gaat gewoon haar gang in haar onafhankelijkheid
Ze kan blauw zijn of groen of grijs of alles daar tussen in of oranje en zelfs rood en wit in ’t nachtlijk duister
De zee, ik mag haar wel net als de herinnering aan hen die ik er zoende de zee, die er altijd zijn zal met haar onverschilligheid over mijn aanwezigheid
Duizend jaar geleden heb ik de kust en haar verlaten wilde graag de vrijheid terug was natuurlijk een vergissing niet meer goed te praten wat heb ik haar aanbeden
Minstens duizend jaar daarvoor toen ik aankwam in Gstaad en daar de bergen zag en terugdacht aan de kust aan haar, die lieve schat toen pas drong het tot me door
Duizend jaren lang die eeuw’ge bergen in dit lied dronken, high, verliefd duizelig gelukkig hoe dan ook sinds ik haar verliet opnieuw naar haar verlang
Het lijkt al duizend jaar nog geeneens een week zonder haar is niet te leven de bergen moeten zonder mij weg van hier voordat ik breek razendsnel terug naar haar
Ik ben om. Ik heb het licht gezien. Was het altijd in principe nee, nu heb ik het ontdekt. Daar was de lange hete zomer en grote hoeveelheden warme vrije tijd debet aan. Het dragen van de korte broek. Ontegenzeggelijk, ik ben er nu achter, er kleven vele voordelen aan. Ik was altijd tegen, wegens het ontbreken van de zogeheten Rock & Rollfactor *Lees mijn verhaal:
En mede om, zoals ik alom ter verdediging aanvoerde, geen vrouwen op verkeerde gedachten te willen brengen, wegens de aanblik van mijn benen. Welnu, ik ben van mening veranderd, kwestie van voortschrijdend inzicht. Nogmaals, de ongemeen hoge temperaturen noopten mij, binnenshuis en de onmiddellijke omgeving daarvan, mij vrijelijk kortgebroekt te gedragen. En dat beviel! Voor de duidelijkheid, als je het weten wil, liefst draagt men helemaal geen broek, maar het is de celstraf die men doet terugschrikken. Het is algemeen bekend dat koude lucht daalt. (warme lucht stijgt op) Nu deed zich een merkwaardig fenomeen voor, wellicht te wijten aan de omvang van mijn (gebruinde) dijbenen, er bleek een frisse opstijgende lucht waar te nemen in het kortebroek gedeelte die zich zelfs tot in de verste uithoeken uitbreidde en een weldadige koelte teweeg brengend.
Dan wat betreft die foute gedachten. Kijk, het is mij na die jaren nog steeds niet helemaal duidelijk, het mysterie vrouw en tevens wat nu wel en niet aantrekkelijk gevonden wordt door deze wezens. Houdt men van onbeschadigde jongensbeentjes met weinig tot geen levenservaring, hoe gespierd misschien dan ook, welgevormd voor mijn part, of gaat men voor echte mannenpoten, gepokt en gemazeld, getekend door het leven en de tand des tijds, wellicht wat mager en krom, maar wel behaard en ‘they ‘ve been around’, tja dan kunnen die twee onderdanen van mij toch niet voorkomen dat er bepaalde gevoelens zouden kunnen ontstaan bij het andere geslacht. Zit ik daar mee? Moet ik me daar wat aantrekken, mij schuldig voelen soms? Ik dacht het niet, anderzijds zie ik ook weleens iets voorbij komen dat ik de neiging moet onderdrukken achterom te kijken, hetzij om in de lacht te schieten, of ook soms toch wel te denken; “O lala…”
Het begrip Rock & Roll, ach slechts enkele ouderen van dagen die dat begrip nog iets zegt, dus laat ook maar. En dan nog dit, voor een goed begrip, de door mij gehekelde afritsbroek, daarin zult u mij niet aantreffen, die laat ik aan de outdoortypes, Barbecue-ers en bezitters van een luie E-bike. Tevens is wel noodzakelijk wat kleur op de kortebroekebenen te hebben, ik zal mij ervoor hoeden in het openbaar te verschijnen met benen die haast doorschijnend zijn of in een Ralkleur die men op de muren van wachtkamers aantrof, vroeger dan. De korte broek dus, ook met de nu versneld afsmeltende Groenlandse ijskap, het kan best praktisch zijn in de nabije toekomst.
Vandaag zullen we op deze pagina’s behandelen de grote schrijver de heer Harry Mulisch, die deze week herdacht wordt, tien jaar na zijn dood. En dan met name de vraag hoelang hij nog bij ons zal zijn, hoelang blijven zijn boeken gelezen, verkrijgbaar in de bieb, op de leeslijst staan van examenkandidaten en belangrijker nog, wanneer ontmoette hij Gerard M. den Toonder.
En, het mag geen toeval heten, hoe vaak kruisten hun wegen. Het zal begonnen zijn in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen hij het parmantige Hotel American frequenteerde, soms in het gezelschap van zijn wijze moeder, op een van hun rondwandelingen door Amsterdam dat toen ook al gezellig druk was, maar met meer krakers en hippies en de provincie ontvluchte boeren dan de hedendaagse Japanners en vrijgezellenfeestgangers. Het werd al eens eerder hier gememoreerd, het gezellige getik met gebaksvorkjes en theelepeltjes werd regelmatig overstemd door de omroep met de mededeling ‘Telefoon voor de heer Mulisch’. En dat zijn moeder en hij Harry, hij mocht Har zeggen, maar hield het altijd keurig bij Harry, zagen oprijzen en met rechte rug richting telefoon de zaal zagen doorkruisen.
Bijna wekelijks ook bezocht Mulisch de statige winkel in de Kalverstraat, het enorme pand dat doorliep tot aan het Rokin en het was daar dat voor het eerst contact gelegd werd. Het moet gezegd, vergeleken bij Harry’s ijdelheid verbleekte de zijne, immer keurig gekleed in fraaie tweed sportcolberts, voorzien van de nodige pochetten, dasspelden, horlogekettingen en dikwijls gedragen op, heel gewaagd in die tijd, pantalons, in fijne ribfluweel of honderd procent kamgaren in felle tinten. Bijna geheel handgemaakte Engelse schoenen vervolmaakten zijn outfit. Waarover zij spraken valt terug te lezen in zijn veelomvattend oeuvre en dan met name in de boeken van na 1975.
En dan bij uitstek om de dusver geheim gebleven gesprekken in het Victoriaanse hotel Métropole aan het Place de Brouckére te Brussel. In een stijl die een eclectische mengeling is van neo-classicisme, neo-romaans, Franse en Italiaanse renaissance en empire. In de loop der jaren ontving Métropole voorname gasten als Albert Einstein, Marie Curie, de Amerikaanse staatshoofden Hoover en Eisenhower, kanselier Adenauer, generaal De Gaulle en een onmogelijk op te noemen aantal beroemde acteurs en zangers en zangeressen, zoals onder andere Jacques Brel en dus de Grote schrijvers als Harry Mulisch. Het is niet te zeggen hoeveel uren en dagen en nachten hij, al of niet in gezelschap van Mulisch doorbracht binnen deze uitermate luxueuze muren. Het doet hem dan ook pijn te vermelden dat deze horecagelegenheid, wegens financiële Corona gerelateerde problemen zijn deuren onlangs definitief heeft moeten sluiten.
Lange tijd publiceerde hij niets, treurde hij om het verlies van Harry, was het de teloorgang van het fantastische etablissement daar in het verre Brussel, nu nog verder, onbereikbaar haast door de gesloten grenzen in Coronatijd. En alweer een herinnering aan dat wat ooit was, verdwenen. Was het omdat hij in een andere fase belandde, kwam er even niets uit zijn handen, zowel op papier, digitaal of op het doek? Werkte hij in het geheim aan weer een of ander duister manuscript of was het dat hij zich opnieuw op de poëzie stortte? Niet alles zal bekend worden, vele dingen blijven in het verborgene en vele vragen zullen onbeantwoord blijven. Evenals de mysterieuze dichtregels die hem werden toegeworpen en nog meer stof doen opdwarrelen; ‘ben ik niet die ik was of was ik niet die ben?’