Alle berichten door dentoonder

Blij dat je hier bent

“Zullen we dan maar?”, vraagt Paskal Jakobsen en zet meteen in. Het gevreesde deuntje schalt over de deinende massa in het park. Bløfs grootste hit, ‘Zoutelande’, kan net als ‘Carnaval Festival’ van de Efteling zich dagenlang in je hersenen nestelen. In het kleine dorpje aan de Zeeuwse kust kan het bloedheet zijn, achter de duinen. Het kan er hevig naar paardenmest ruiken, wanneer het weer ‘Riengsteken’ is. Ook kan het zich dagenlang verstoppen achter koude zeemist (zeevonk) en was het onzichtbaar voor mij, vanuit het strandhuis. Nu tijdens Live at Wantij, regent het zacht.

De volgende dag, snel, het kan nog net, even naar de stad. M’n schilderij fotograferen, het hangt in de bibliotheek. Snel, want straks wordt de expositie geopend. Dit jaar wordt herdacht: vierhonderd jaar Dordtse Synode. Toen werd besloten het Oude en Nieuwe testament te vertalen in het Nederlands. Dit zou later de Statenbijbel worden genoemd. In vitrines worden kostbare exemplaren getoond. Helemaal vreemd komt het op mij niet over. Ik ruik de nog geur van de kokende beenderlijm die mijn vader gebruikte, tijdens de restauratie van zo’n eeuwenoude bijbel. Met touw en planken spannend lijmde hij een oude leren kaft opnieuw.

Mijn schilderij heeft niets met deze tentoonstelling te maken. Er is nog een andere evenement gaande: ‘De Vier zonen van Dordrecht’. Ter herdenking van het geboortejaar, 1918, 100 jaar geleden, van Cees Buddingh’- dichter, Otto Dicke – tekenaar, Kors Monster – componist en Aart Alblas – verzetsstrijder. Een mooi thema voor lezingen en voor ons als schilders van Barteljee. Natuurlijk koos ik Buddingh’ en combineerde zijn eigen markante hoofd met een creatie van hem, een gorgelmonster. Die foto is zo gemaakt en ik moet me bedwingen om niet meer foto’s te maken. Naast de Statenbijbelvitrine zitten drie jongemannen aan tafel. Laptops, boeken, schrijfblocs. Ze studeren. Dat is niet zo vreemd in een bibliotheek. Wat ik fantastisch vind: ze hebben duidelijk een allochtone achtergrond. Best wel waarschijnlijk Nederlands, keurig geknipt donker haar, twee five o’clock shadow en een met volle baard. Praten zacht en beschaafd. Studeren misschien Communicatiewetenschappen of International Business.

En het wordt nog mooier. In mijn hoofd maak ik prachtige foto’s met een enorme Statenbijbel, die duizenden Euro’s waard is, op de voorgrond. Daarachter de studenten die, wie zal het zeggen, misschien wel de Koran bespreken. Ik durf het niet. Bovendien, anno 2018 mag niets meer, met de AVG, Algemene Verordening Gegevensbescherming.
“Als jij dan de koffie doet, daar is een barretje”.
Een bibliotheekmedewerkster, ik weet niet of het een bibliothecaresse is, je moet voorzichtig zijn anno nu, legt een en ander uit aan de nieuwe collega. Een ranke verschijning met een knap symmetrisch gezicht. Meer is niet zichtbaar, want ze is gehuld in een zwart gewaad en zwarte hoofddoek. Fantastisch toch. Wie zei ook weer dat het mislukt is, de multiculturele samenleving. Ik was het niet! Blij dat je hier bent!

Dat zongen we samen, massaal, in een miezerig regentje bij Bløf. Wat later barst, gelijkertijd met Kensington, het echt los. In de stromende regen galmt de ene na de andere hit. Het publiek hult zich in de gratis verstrekte plastic poncho’s. Het park verandert in een plastic soup, gebonden weliswaar, gras met bierbekertjes en modder. Deze band heeft de echte festivalsound en Eloi Youssef, voor de helft Egyptisch, zingt met een heerlijk schorre schreeuw:
“So, whenever they’ll say that all we had is bound to fall.
Oh, together we’ll stay (when you get in our way, get in our way)
Strange, how everything seems to float in grey and drown in gold
Stay, and everything’s save (when we’re pulling our way, pulling our own way down)

I’ll rise and guess where I will go
I’ll rise and guess where I (go)

Where do we go when the streets are calling (calling, calling)
How do we know when we each stop falling (falling, falling)

See, that everything caves in on our way to grander goals
Wait, and everything’s save (when we let it all in, let it all in)
How, letting it rain, our own distress, our own mistakes
Wait, ‘till everything breaks (when we’re pulling our way, pulling our own way down”

 

van Casablanca naar Damascus

Van Casablanca naar Damascus
met bagagevervoer

Direct nadat ik uit Japan ben teruggekeerd moet ik beginnen met de voorbereidingen van deze reis. Immers, hoe regel je bagagevervoer in landen die niet vooroplopen met goed openbaar vervoer, betrouwbare informatie en infrastructuur qua wegennet. En de sanitaire voorzieningen zijn ook niet om over naar huis te schrijven. Of misschien juist wel, wat dat laatste betreft. Het spreekt voor zich dat ik begin met de vertrek- en aankomstplaats. Wat daar tussen aan te treffen zal zijn blijft nog een verassing. Dat is onderdeel van het avontuur. Wie geen tegenslagen kan verwerken dient thuis te blijven, hoewel je daar je leven ook niet zeker bent. Zie: keukentrapje.

Onmiddellijk dringt zich de vraag op, hoe zal ik deze tocht ondernemen. Per Toyota Hilux, te voet of toch per kameel. Nu heb ik in het verleden veel geleerd van Arita Baayens, maar toch te weinig om zelf een kameel te besturen. Vrij snel komt daarna de vraag, moet ik dit nu wel willen. Waarom geen andere bestemming kiezen. Iets eenvoudigs, Pieterpad, LAW Adlerweg, Santiago staat niet op mijn bucketlist. Overigens, die heb ik niet, die list. Of bijvoorbeeld van Tenerife naar Lanzarote. Bij twijfel; always stick to the plan. Kort en goed, in gedachten loop ik het routeplan even na en al vrij snel is daar de ontmoeting.

Iets, ver weg zinderde. In dit landschap heb je dat; zinderen. Hitte, leegte en zand. Een stofwolk boven de horizon. Ik wist, dat kon alleen maar een karavaan zijn. We zitten bijna in een pionierswoninkje op Mars, hier in deze zandbak zijn nog karavanen. Ik er op af. Tegen het eind van de volgende dag was de stofwolk gaan liggen. De karavaan, een onafzienbare rij kamelen, was tot stilstand gekomen en ik was er bijna. Hun begeleiders hadden in een oogwenk een aantal tenten opgezet. Behoedzaam naderde ik. De honden merkten mij het eerst op. Het beangstigende geblaf verstomde door een enkele kreet. Een kreet die ik hier onvertaald zal laten. De ongeorganiseerde kudde geiten versperde mij de weg naar het kampement, naar die mij zo biologerende zwarte tenten. Die met hun organische vormen zo middeleeuws afstaken tegen de hemel waar de duisternis snel uit afdaalde.

Salaam Aleikum! Bedeesd stelde ik mij op, op ruime afstand van het kamp, terwijl het zweet, wat juist was opgedroogd na de verzengende dagtrip, mij tappelings langs de broeksband stroomde. Namelijk, de grootste hond, iets Mastiff-achtigs besnuffelde geïnteresseerd mijn kruis. Om clichés te vermijden, binnen in de tent was het donker, een enkele olielamp en vetpit brandde, er blonk wat koper hier en daar en de thee was zoet. Onder hun alles bedekkende bruine en blauwe kleding leken de bedoeïenen mij mager toe. Een groep van veertien of vijftien, mannen en vrouwen en een kleiner aantal kinderen. Lachen deden ze niet, maar onvriendelijk is hier niet het goede woord.

De geur daarbinnen was een mengeling van geit, vuur, mest, zweet en – ik wil het niet romantischer maken dat het was – een zware zweem van parfum die mij herinnerde aan vroeger: patchouili. Het tapijt was, hoe kan het ook anders, zanderig, met Shiraz motieven. Het stuk vlees wat me werd aangeboden rook naar bok, maar smaakte als geit. Toen ik aanstalten maakte om veertig meter verderop mijn Coleman Tatra op te zetten kon daar geen sprake van zijn. Mij werd een tent toegewezen, die wat achteraf stond. Behalve een zwaar Kashar tapijt dat de hobbelige woestijnbodem gedeeltelijk bedekte was de tent leeg.

Mijn hart had moeite zijn normale gang van zaken, van 52 per minuut, te hervatten. Zo lag ik alles nog eens te overdenken. Eindelijk, eindelijk had ik het bereikt. Ik was bedoeïene tussen de bedoeïenen. Achter mijn gesloten ogen deed ik, platliggend een serie Tai-chi oefeningen. Dat kan, ik word daar zo rustig van. Juist was ik begonnen aan Vang de Schildpad toen een licht geruis naderde. Heel even maar, zag ik in de driehoek van het geopende tentdoek een silhouet, afgetekend tegen de oplichtende Melkweg. Belletjes tinkelden, patchouili vulde de ruimte, die even later verlicht werd door een olielampje. Een olielampje, ik verzin dit niet, in de vorm van het lampje van Aladdin. Dat lampje werd vastgehouden door een slanke hand, bruin met blauwe tatoeages en gouden druppeltjes bengelden aan een even slanke pols.

Toch twijfel ik nu, met of zonder bagagevervoer.

Fragment uit mijn boek ‘Te voet, hoe nu?’ Van Globe – reisverhalen.

 

 

Hannelore

Hij ligt er weer, de stoere sleepboot, de Hudson en ik ken hem. Het is de vrijdag voor het tweejaarlijkse evenement Dordt in Stoom. En ik ken ook het wc-tje daar aan boord, waar je slechts in een onmogelijke houding je plasje kunt plegen. Verder is de kade nog leeg. Geen schepen, geen mensen. Dat zal morgen anders zijn en vanavond ook.

Vanaf binnenvaarder – met de glimlach opwekkende naam – ‘Willie’, wordt druk naar mij gezwaaid. O nee, toch niet, bij scheepsbenodigdheden winkel Delta, waar watertandend lekkere koperen lampen en ander blinkend spullen te koop zijn, wordt teruggezwaaid. Boten en namen. Daar ligt het witte jacht ‘Hannelore’. Weer schiet ik, inwendig, in de lach.
“Houd ‘m vast, houd ‘m vast, houd ‘m vast, Hannelore”
En dat dan drie keer, ik kan er niks aan doen, ik ken dat liedje nu eenmaal. Vlakbij ligt Haddock. Ook leuk; ‘Honderdduizend donderbommen en bliksemgranaten’ (Kuifje)

Even in de stilte van de museumtuin met de eeuwenoude bomen, hier valt niets te lachen, serieuze beelden, die tot nadenken stemmen. Of bij een ander misschien tot schouderophalen. Plots drie zoenen van Christel, stralend en net terug van de Roparun. Gesloopt, dat wel. Wat had ik die graag gelopen, vooral toen de route nog andersom liep. Ik had daar visioenen over, op een vroege morgen, hardlopend, de contouren van Parijs zien opdoemen, met pijnlijk melkzuur in de benen.

Dochter Carol appt een foto, zij zit, koninklijk wuivend op raderboot De Majesteit: waar ik ben? Het is de vlootschouw, voorafgaand aan het weekend. Niet tussen de massa op het Groothoofd of Merwekade, ook niet op de oevers van de andere Drechtsteden. Neen! Heerlijk relaxed ben ik neergestreken op een glooiing, met slechts enkele tientallen anderen. Op een toch voor de hand liggende plek die ik hier niet wil prijs geven. (Tip: er wordt nieuwbouw gepleegd op een oude werf) En alles komt hier voorbij. Wat kan varen, met of zonder stoom. Veel oude sleepboten, zwarte rookwolken uitblazend of juist helemaal niets, onhoorbaar. Tot opeens het stoomfluitconcert begint. Gillend, zwaardreunend en alles wat daartussen zit. Speedbootjes schieten er tussendoor, jetski’s, kleine motorjachtjes met de hele familie aan boord. Daar weer doorheen de kruisende Waterbussen. Gekkenhuis! Een enorme kraan op een ponton die steeds water schept. En dan hoor ik, onmiskenbaar, dat is Jubal. Mijn geliefde showkorps met de opzwepende ritmesectie. Opgesteld, hoog op de grote graanhopper drijft het musicerend langzaam aan me voorbij en jahoor, ik heb het weer, kippenvel.

Edgar appt: ook bij de vlootschouw? Hij gaat joggend langs het Groothoofd. Aan de overkant dus. Haha, was de Brug der Zuchten er maar vast. Te duur volgens veel Dordtenaren, terwijl ik vind, je moet mee, in de vaart der volkeren.

De lage zon komt voorzichtig, wazig, nog even onder een wolk vandaan en zet het hele schouwspel in een blikkerend tegenlicht. De sleepbootjes met hun rechte schoorstenen, de rookpluimen, de contouren van de Pieter Boele en de Majesteit, het oude Dordt. Hou dit vast, dit moment, hou dit even vast. Het is een schilderachtig tafereel, wat onscherp haast, een gezicht op Dordrecht – denk de jetski’s en de speedboten weg – zoals Jongkind, Ferdinand Bol en Samuel van Hoogstraten dit zagen, bijna tweehonderd jaar geleden.

Langs den Engel

 Op het Fietspad langs den Engel waan je je inderdaad alleen, in dit geval, in de polder. Dat denkt een groep middelbare, druk wauwelende Amerikanen op hippe racefietsjes ook en ze geven me geen centimeter ruimte, terwijl ze pauzeren in de schaduw van een van de weinige bomen daar. Mijn irritatie trap ik weg in de hoogste versnelling en wanneer ik tenslotte, met wind tegen en na de helling over de A16, de Rijksstraatweg opdraai, moet ik dat bekopen met een brandende knie.

Eerder had ik al ruzie gehad bij de Zeedijk. De van Elzelingenweg was nu eindelijk weer open, lang afgesloten geweest voor de werkzaamheden aan de Noorderdiepzone, het nieuwe natuurgebied. En daar ontdekte ik nieuwe weggetjes door mijn geliefde polder. Genietend peddelde ik over het gladde asfalt. Tot er naar me werd geschreeuwd. Aan de andere kant van het dijkje reed een vent op een tractor.
“Ik mocht daar niet rijden. Ik moest terug gaan, het was verboden en ik moest terug”.
Stoïcijns fietste ik verder over dit weggetje wat binnenkort het nieuwe fietspad zal zijn. Vijfhonderd meter lang werd ik begeleid door zinloos keelgeweld. Bij de Zeedijk aangekomen was daar het wegje afgesloten door een hek. Toen ik het hek uit zijn betonpoot tilde zwol het geschreeuw nog verder aan. Ik moest van dat hek afblijven met mijn…. en nog minder mooie woorden werden me toegevoegd. Rustig zette ik mijn matzwarte caféracer op de standaard en plaatste het hek netjes op zijn plaats.

Mijn geplande bankje aan de Kil is uiteraard bezet, door zo’n stel luie E-bikers. Dan maar op een grote kei aan de waterlijn. Een waterlijn rijkelijk voorzien van potentiele Plastic Soup, wat hier tijdelijk aanmeert op weg naar, ik ben de coördinaten nu even kwijt, ergens in een oceaan. Eens kijken, wat heb ik vanmorgen op mijn brood gedaan? Kaas vermoed ik. Dromerig staar ik naar wat er zoal langsvaart. Een binnenvaarder met containers, een tanker die heel hard achteruit lijkt te varen, tot ik ontdek dat de stuurhut, heel gek, voorop is geplaatst. Een enorm groot zeeschip, geschilderd in een lelijke hardgroene kleur. Al happend en append kijk ik niet goed naar een binnenvaarder die nog een flinke bak voortduwt. Nordwand staat erop. Als hij me al halfweg is gepasseerd, lees ik hoe het schip zelf heet; Eiger. Eiger Nordwand. Is deze schipper een klimmer?

Social Media vertelt over een lezing in de Papendrechtse bieb. Wim Daniels: de Taal van de Fiets. Over Taal dus en over Fiets. Onmiddellijk neem ik de kortste weg naar de pont, daar moet ik bij zijn. Tickets slechts aan de kassa, contant, verkrijgbaar. Terwijl mijn knie opnieuw afkoelt tijdens het wachten op de pont vertelt S M me dat, om dertienhonderd uur, Stolpersteine (herdenkingsstenen) zullen worden gelegd op het Bethlehemplein in Dordt. (What ’s in a name?) Over een kwartier dus. Maar de pont meert net aan. Ik neem de kortste weg naar de bieb. Die blijkt verhuisd. S M vertelt me waar de Veerweg is.

De plechtigheid is juist voorbij, wat ik overigens prima vind. Een groepje mensen praat nog wat na, de burgemeester is net weg, de ambassadeurs van Hongarije en Italië ook. De vier koperen Stolpersteine glimmen van nieuwigheid, vier bosjes bloemen erbij. Hier zijn op 1 augustus 1942 vier Joodse mensen weggevoerd naar het concentratiekamp Auschwitz. In totaal werden 285 Joden afgevoerd uit Dordrecht. Arpad Weisz, zijn vrouw Ilona, zoon Robert en dochter Klara. De in Hongarije geboren Weisz, voetbaltrainer in Italië, vluchtte voor de rassenwetten van Mussolini naar Dordrecht. Korte tijd trainde hij, succesvol, de Dordtse Football Club. Kort na aankomst in Auschwitz werden Ilona en de kinderen vergast. Anderhalf jaar later overleed Arpad Weisz door uitputting en ondervoeding.

Eigenlijk had ik dat hek open moeten laten staan, of omver werpen, beter nog, in de sloot storten. En die vent op die trekker, die NSB-er, die Nazi, moeten omleggen met mijn Bazooka.

De vele voordelen van nepnieuws

Laatst bezocht ik Japan, ik moest er even heen voor werk. Kijken hoe ze het daar doen. Ik miste haast mijn vlucht, er was geen treinverkeer. Met een taxi dan maar, van file naar file tot onze nationale trots, de vluchthaven. Met in de ene hand mijn schoenen en mijn riem en de andere hand aan de broeksband, rennend naar de gate. De slurf werd al losgekoppeld.

Samen met mijn klimmaat deze week nog, in de lege klimhal de swing geoefend. Hoog in de route is een touw bevestigd waaraan je al slingerend drie meter opzij een greep kunt pakken. Noodzakelijk wanneer je de route wilt uitklimmen. Slechts voor hen met buitensporig veel fantasie oefenen wij voor de Kingswing op El Cap. Rob sprong en reikte naar rechts, hangend aan het slingerkoord. Toen viel het me op, achter de dreun van de airco hoorde ik Dire Straits met Sultans of Swing.

Er liggen sinds begin dit jaar diverse boeken van mij, geschreven onder pseudoniem in de ramsj. En wat moeten we nu toch met Facebook. Of nu al het woord van 2018: Dividendbelasting. To memo or not to memo.

Dit alles bedacht ik, in een split second, terwijl ik door de Biesbosch struikelde – de pen had moeite mijn gedachten bij te houden – en de zon door de wilgen scheen op een wijze zoals ze nooit eerder door de wilgen had geschenen en daarboven onweerswolken zich stilzwijgend opbouwden en de wind in kracht toenam en de grijze wilgenblaadjes deed ruisen en de warboel van omgevallen bomen en bijna omgevallen bomen deed kraken. Sinds de februaristorm zijn er honderden, nee letterlijk duizenden bomen omgevallen in dit gebied en is het haast ondoordringbaar geworden. Het wordt hoog tijd dat hier duizend grote grazers worden losgelaten.  Achter deze natuurgeluiden meende ik het ‘tjiftjaf’ van de tjiftjaf te horen. In de verte verstopte zich een wolf.

Zo vlug ik kon liep ik het bos uit en startte mijn Yamaha YZF-R6. Voor de factchacker: nochtans geen oldtimer, waarmee het in de bochten goed schuin hangen is. Zachtjes verliet ik het parkeerterrein, er naderde een peloton 65plussers op hun E-bikes.

Helaas ging het plan om werk en hobby te combineren niet door. Toen ik laatst toch in Japan was, probeerde ik af te spreken met Murakami. Ik wilde hem wat informatie ontfutselen over zijn boek, ‘Blinde wilg, slapende vrouw’ en als daar nog de gelegenheid voor was ook over ‘After dark’. Na Norwegian wood, was ook ik in de ban van deze schrijver en las veel van hem. Vooral de korte verhalenbundels. Net zoals ik alles probeer te lezen van Herman Brusselmans, die zoals u weet een geheel andere stijl hanteert. Helaas, hij was juist vertrokken naar het buitenland.

Zo vlug ik kon reed ik naar huis. Ruim op tijd om daar te gaan wachten. Op haar die ik nu bijna een halve eeuw ken en met wie ik nog een halve eeuw hoop door te kunnen brengen. Toch stopte ik enkele keren om, door sukkels achteloos in de wegbermen weggeworpen verpakkingsmiddelen op te rapen en in mijn sidepockets te deponeren. Dat dit alles met pijn in de hamstrings, diverse vingerkootjes en hier en daar een gewricht gepaard ging, zal de lezer niet verbazen, de alinea over de Kingswing indachtig. Toch wil mijn lichaam door. Blijven oefenen, trainen voor dat ene doel, die route, ergens in de Belgische rotsgebieden met die tot de verbeelding sprekende naam: ‘Demolition squad’.

Zal ik boswachter worden. Elke derde vrijdag op NPO 3: “Goedenavond natuurvrienden, er is goed nieuws. De tjiftjaf is terug, uit Oost-Egypte, waar hij overwinterde”.

serieuze patat

Het leven gaat drastisch op en neer. Voor een pensionado is geen tijd te verliezen. Het leven dient geleefd te worden. Nee zeggen is geen optie. Zeker nu de Hortensia Horizontalis vol in knop schiet, de koolmees van vorig jaar weer terug is en het echtpaar blackbird – klinkt zoveel internationaler dan merel, toch – er weer een rommeltje van maakt in de tuin.

Wanneer het kanonschot klinkt, Lee Towers zingt dat je never walkt alone en de duizenden van start gaan. Je datzelfde kippenvel krijgt als toen, de speaker oorverdovend spreekt, de helikopter laag over dreunt en je begint aan de ultieme afstand. Dan weet je het nog niet, pas later besef je dat dat voor altijd was. Dat het gevoel blijft, die overwinning op jezelf, het kapot gaan, dat het een blijvende herinnering zal zijn, slechts deelbaar met hen die hem ook voltooiden, de Marathon. De verslaafden, de endorfinejunks, die roes van de lange loop, het runnershigh.

Dan is daar de koers, bijna dagelijks op dit moment, zo voelt het. Dat is weer een ander paar mouwen. Zelf gefietst en nog steeds eigenlijk, nu zonder ‘onderin de beugel’, weliswaar. De quote van de winnende renner die citeerde: ‘Ik bouwde op, ik bouwde op, ik bouwde op. Heel het bloed stond naar mijn kop. Het was de liefde, de liefde voor de koers.’  En ook dat blijft, noem het liefde, noem het hunkering of is het heimwee naar de romantiek. Van het onverbiddelijk lijden, het grote afzien. Met volgelopen benen, o wat doet dat melkzuur zeer. Met het snot voor ogen en het hol open. Het gevoel te vliegen kan je soms overvallen. Stoepranden, paaltjes, je neemt ze waar, onbewust, ergens heel ver weg. Je wordt een ‘flyer’. En dan zijn er ook altijd weer die beelden van De Muur. Het binnendraaien van Geraadsbergen, de brug over, de Markt, de Vesten en dan naar rechts. Daar staat het op een bordje: Muur. Ook al stond je geblokkeerd, je deed hem. En voor altijd.

5c. Een term voor insiders. De magische grens van 6a in de edele, door velen niet begrepen klimsport. Zo is het met veel takken van sport. Je moet het gedaan hebben om het te begrijpen. Korfbal, ook zo iets. Om weer een Belg te citeren: Korfbal, dat is een denksport. De mensen die dat spelen denken dat het een sport is. Toch is ook het spel onder de korf lastig te doorgronden. 6a. Klimmen. Het doel om naartoe te trainen is voor een pensionado de hippe ‘stip-op-de-horizon’. Het oude taaie lijf weer in bochten dwingen, op de tenen staan, minuscule treedjes. De onderarmen worden dik, zo lijkt het, van verzuring. Door, omhoog. Onmogelijk, het vasthouden, klimmen tot je valt. Langzaam komt alles terug. Het inzicht, de kracht en de techniek. Een zware pastille. Als het golft, dan golft het goed. Als je goed klimt, hoef je amper te zoeken naar de volgende greep, die dient zich vanzelf aan. Je bent licht als een veertje en je danst omhoog en je geniet van het aanspannen van je spieren, het kost geen moeite en je geniet. Je geniet van het gevoel van hoogte.

Klimmen zit in de mens, is van alle tijden. Misschien wel ouder nog is Tai Chi. De Chinese vechtsport met de fraaie vertraagde bewegingen. Mengeling van dans, vechtsport en yoga. Hoge drempel voor een pensionado en uiteraard, alle begin is moeilijk. De sifu (lerares) blijkt het al dertig jaar te beoefenen. Zoals het met klimmen, hardlopen en vele andere sporten gaat, is het ook hier een zaak van vele jaren voordat je het enigszins beheerst. Over lagen gesproken, er zijn zoveel soorten Tai Chi, Kungfu Tai Chi, Wudang Tai Chi, Qigong. Het vindt zijn oorsprong in het Taoïsme, hoe te handelen in het leven. Voeg daarbij het verhaal over energiestromen in het lichaam en de pensionado is de weg kwijt. Ondanks het concentreren op de coördinatie van diverse lichaamsdelen voel je bijna, heel even iets van een soort flow. Op zoek naar Zen, lukt je voorlopig niet. Je werkt hard om er in te groeien, de fraaie bewegingen te laten vloeien. Dat, dat wordt een zware patat.

Kiezen

Die zwerfflesjes sportdrank of gezond bronwater staan hoog op de ergernisladder van de gemiddelde Nederlander. In de voortuin of in het hondenlosloopveld kunnen ze niet veel kwaad. Tot ze uiteindelijk samenklonteren, ergens in de Stille Oceaan. ( Om precies te zijn: coördinaten 135° tot 155°W en 35° tot 42°N ) Onze regering stelt het nog even uit, die statiegeldregeling. Zoals ze in al haar wijsheid alles nog even uitstelt.

Binnenkort mogen we weer kiezen, nu voor de gemeenteraad. Kiest u maar. Of raadt u maar, wat gaan ze ervan bakken. Het raadgevend referendum. Bevalt de uitslag niet, slaat men de ‘raad’ in de wind. Gelukkig maar. Zeven maanden werd achter gesloten deuren vergaderd. Waarheen, waarvoor. Het dividendcadeautje voor buitenlandse investeerders stond niet in het Program van het Belastingparadijs. Verrassing!

Het Parijs akkoord van 2015, hebben we het er nog weleens over? Niet meer dan twee graden opwarming in 2020? Nog tweeënhalf jaar. Hoeveel Nederlanders zijn er voor: uitbreiding van Schiphol. Voor mij hoeft het niet en ik krijg steeds minder zin om voor twaalf Euro naar Barcelona te vliegen. Vliegen dient ontmoedigd te worden, of nou ja, het moet gewoon kosten wat het kost. CO2. Wat doet dit welvarend land er mee? We gaan de uitstoot niet verminderden. We gaan het onder de grond stoppen. Onder Loppersum dan misschien? Minister Wiebes beloofde het de Groningers; binnen twee weken is alles geregeld! Zijn voorganger Henk Kamp, die gunde ik echt een aardbeving. Gaat Wiebes zorgen voor een aardschok bij de NAM? Het is allemaal afwachten. Op nog meer uitstel. Kiest u maar.

Volgens de nieuwe Messias Jan Terlouw is het zo simpel. We moeten het willen. En dat is het hem juist. We willen het wel. Maar de macht van het geld, het Grote Geld regeert. De werkelijk grote problemen worden niet besproken. Jarenlang was het bekvechten met de Grote Blonder Lijder, over tsunami’s en kopvodden. Nu moet alles genderneutraal worden. Buma wil het Wilhelmus. Van Asscher mag er niet meer worden gesist op straat. Er valt niets te kiezen. Schijnt de zon in Duitsland vaker? Dat gebied ligt vol met zonnepanelen. Wij gaan honderddertig rijden, die tweeëntwintig doden per jaar extra calculeerde Melanie Schultz gewoon in. En ach dat beetje uitstoot. Het is echt simpel.

Heel Nederland was het er over eens, men maakte zich zorgen over De Zorg. Dit jaar hoor je er niets meer over. Het goedmakertje, de van Rijngelden’ heeft kennelijk gewerkt. Dit verhaaltje ga ik straks ‘posten’. Op Facebook. En dan ben ik toch benieuwd, welke politieke partij gaat mij straks bestoken. Wat doet Zuckerberg met mijn data. Wat komt er uit Cambridge Analytics. Wie had het over een sleepwet? Facebook; de nieuwe vijand!

Stemt u maar. Met de kiezen op elkaar.

Koerd

Het zal zo ongeveer precies in het midden zijn, tussen de Oost- en de Zuidhaven, waar ik de stoel vond. Net daar, waar ik toch al wilde gaan kijken wat ik die ochtend tussen mijn boterhammen had gedaan.(kaas natuurlijk) Ik kiepte het reeds verzamelde afval in de groene afvalbak. En daar achter de bak die wankel op de pootjes stond, de hoge waterstanden hadden het zand weggespoeld, stond de stoel. Zo’n moderne, uit- of inklapbare outdoor wildernis stoel. Ik ploegde me door het toch al geknakte riet naar de andere kant van de strekdam. Volstrekte luwte en uit het zicht van die enkele man-met-hond of die verrekte vogelaar. Eerder was ik al een hond tegengekomen, een van de 1,5 miljoen honden die ons land rijk (nou ja, rijk) is. Pas nadat de baas het grommende ondier in bedwang hield kon ik verder. Nu hier, stilte, zon en 1 of 2 graadjes boven nul.

Je moet er wat voor doen, maar dan heb je ook wat. Het is op dit moment kruip door – sluip door in de Biesbosch. Letterlijk honderden bomen zijn omgevallen door de laatste storm. Brood, kaas, een Koninginnen-Cup-a-Soupje en rivierzicht, need I say more? Nu komt het: nadat een aalscholver, die mij, al duikend, niet opmerkte, plotseling schrok en nadat het ruisgeluid van binnenvaarder Intensity was weggestorven, drong een ander geluid zich aan mij op. Wat was dat? Kwam het van de Amer, de rivier verderop, een konvooi binnenvaarders, of was het een vliegtuig? Een zware bommenwerper? Onderweg naar Aleppo, of nee, nu naar Alfrin, in het noorden van Syrië. Aleppo ligt in puin, de bevolking keert voorzichtig terug. Het strijdperk heeft zich verplaatst richting Turkse grens. Het Koerdische deel.

Vanmorgen nog postte ik een brief, in een enveloppe met postzegel in een oranje brievenbus. Aan de heer S. T. te Z. Een Irakese Koerd, die gevlucht voor Sadam Hoessein, jaren naast mijn moeder woonde. En die zo aardig voor haar was, als was ze zijn eigen moeder. Hij had zijn stad, Suleimaniya, een heel grote stad in Irak, meer dan 1 miljoen inwoners, moeten ontvluchten. De enorme file van duizenden stilstaande auto’s, boordevol met kinderen en opa’s en oma’s, werd gebombardeerd. Trauma’s voor het leven. De soep was op en de zon kwam nu goed door. Ik deed een laagje uit en schonk een kopje koffie in. Het geluid van de bommenwerper, of van de binnenvaarder op de Amer was weggestorven. Hier zat ik hier op mijn gevonden stoel. Aleppo, en nu de hel van Alfrin, is slechts vier uur vliegen ver. Het is toch maar net waar je geboren wordt.

Op weg hierheen maakte ik een foto voor mijn mapje ‘Bevervraat’. Steeds meer bomen worden aangevreten door de bever. Grote vallen om en blijven liggen, kleinere neemt hij mee naar de bevertjesburcht. Knaag, knaag, eventjes kwaad maken en hup daar gaat weer een boom. Een beetje bever zaagt een boom van dertig centimeter dik in vier uur om. Dertig jaar geleden werden de eerste bevers uitgezet in de Biesbosch. Langzaam werd de populatie groter. Nu breiden ze zich naar alle kanten uit. We wilden bevers; nu hébben we bevers. Het gaat een plaag worden.

Laatst ging ik uit eten bij Smyrna Tandoor. De eigenaar van het vrij stille restaurant, die , zo vertelde hij, de houtskooloven zelf gebouwd had, kwam er gezellig bij zitten en we bespraken de toestand in de wereld. Hij bleek een Turkse Koerd.
“Nederland is een goede land, in Nederland is een veilige land”.

De Nieuwe Merwede stroomde kalmpjes verder, vredig haast. Achter het riet was de aalscholver er weer. Hij zat op de strekdam, spreidde zijn natte vleugels uit, in het tegenlicht een fraai silhouet. Onbeweeglijk zat hij en keek naar mij.

Canada Goose

Enigszins besmuikt betreed ik het park. Wat doet een man alleen in een park. Een man zonder hond, dat lijkt verdacht. Ook al ben je een natuurliefhebber en geïnteresseerd in de geschiedenis van je stad en noteer je zijdelings her en der een vogeltje, dat, zo eind januari, aarzelend terug migreert vanuit het overwinteringsoord. Het Merwesteinpark, het oudste park van Dordt, 1885, bezit vele monumentale bomen. En je verwacht het niet: heel anno nu, meteen bij binnenkomst ligt er een tegel met QR code. Na scanning krijg je de website van het park en is aan de hand van de nummers bij de bomen opzoekbaar welke boom hier zegenend zijn knoestige takken boven je uitspreidt.

Een zichzelf respecterende stad dient een park te hebben. Het voor de hand liggende Vondelpark, het verrassende Beatrixpark, beide parken bezocht ik regelmatig, noodgedwongen op zoek naar zon en groen vanuit mijn bedompte Amsterdamse woninkjes. Jardin de Luxembourg in Parijs, het prachtig verdiept liggende park in de stad Luxemburg, of het juist hoog gelegen High Barnet in Londen. Groene longen, als ik in een stad ben, na een paar dagen ga ik op zoek naar het park. Even het verkeerslawaai beu. Central Park, New York, dat staat nog op het lijstje.

In het Merwesteinpark was een enorme boom omgewaaid, dat moest ik zien. Op de Reeweg stond een oude, lichte motor geparkeerd. Een Royal Enfield met rode benzinetank. Ernaast in modieus matgrijs een zeer brede Tesla, fraai gecombineerd. Daar, dichtbij het park, op de hoek van de Oranjelaan was ook een boom gevallen. De goede kant op, niet het rieten dak, maar de heg was naar de gallemiezen. Dan is er dus sprake van pech en toch nog mazzel. Er stond geen bordje met een nummer bij. Volgens Google maps was het een enorme cypres. In het park laat ik het hertenkampje links liggen: ik heb ook geen kleinkinderen. Bovendien loopt er een groepje jochies, gewapend met Redbull en in dure jassen. Canada Goose, opeens de nieuwe musthave. Veel te duur en totaal onnodig met die zachte winters van ons.

Daar staat nog een geheel andere boom, een kunstwerk.  Op deze plek stond ooit Villa Merwestein, toen het zomerhuis van de eigenaren van ‘Huis de Onbeschaamde‘, in Dordrecht wereldberoemd. De villa is in de oorlog gebombardeerd, de Duitsers hadden het gevorderd. Nu torent er de witte ‘Levensboom’ van kunstenaar Hans Petri. En dat daar is volgens mij een sequoia.  Zo’n boom die ongekende hoogtes bereikt in parken van een geheel andere orde, zoals Yosemite National Park. Volgens de bomenlijst in de QR code is dit een sequoiadendron, geplant in 1960, zevenenvijftig jaar oud dus. Verderop schemert een berg zaagsel door de bomen. Deze was het dus, nummer honderdvijftig. Een tranenden, Pinus Wallichiana. Nog niet zo heel oud, uit 1975. Toch jammer.

Wat ook heel jammer is, het nieuwe plan om ook van dit park een stuk af te knabbelen. Het ‘Werfje’, een klein gebouwtje, wat dienst doet als schaftlokaal en werkplaats voor het park, wil de gemeente van de hand doen. Er zou dan een stukje park verdwijnen. Een zichzelf respecterende stad hoort zijn parken in stand te houden. Die groene longen voor haar bewoners.

Witte ganzen, zwarte zwanen en rare ganzen, volgens Google (alweer) de Toulouse gans, keuren mij geen blik waardig wanneer ik het park verlaat. De wereld gaat gewoon door met rondjes draaien, of het stormt of niet. En de Dordtenaren leven verder, onschuldig en onwetend van wat hen te wachten staat.

Klunen

Het is weer zover, bijna Kerst. Geen witte Kerst, de kans op sneeuw is uiterst gering. Miezerig mistroostig of waterkoud, daar doen wij het mee. Aan de kades van Dordt liggen de binnenvaartschepen aangemeerd. Even een paar dagen niet onderweg, ze liggen rijen dik. Aan de Buitenwalevest tot zelfs zeven naast elkaar. Die buitenste schipper moet echt even klunen om aan wal te komen. En daar, als je het niet verder vertelt, aan die kade staat het nieuwste bankje van Dordt. Na het vertrek van het bunkerstation, wat daar altijd lag aangemeerd, bleef er een vreemd gat in de kade over. Tot mijn grote vreugde werd het geen extra parkeerplaats.

Nog meer reden voor blijdschap. Het college van B&W gaf groen licht. Hij komt, de brug naar Stadswerven. Een zwaar discussiepunt in de raad. Uiteraard, het wordt een stuk duurder dan beraamd. Logisch zou ik haast zeggen, dat is toch normaal. Dat is altijd zo, dat hoort zo bij dit soort projecten. Maar het is een fraai ontwerp en dat is leuk. Als je dan toch iets maakt, wat toevoegt aan de stad, iets blijvends, maak het dan meteen mooi. Wel zo prettig voor de mensen. En, er wordt al zoveel lelijks gebouwd in de stad. Waar kennelijk geen schoonheidscommissie iets te zeggen had, de projectontwikkelaar sterker was. De macht van het geld. Toch, de plek van deze brug is dermate prominent, zet daar iets moois neer. Hij blijft er ook een tijdje liggen. Een eeuw of misschien wel twee. Zoals de Nieuwbrug, Visbrug, Engelenburgerbrug, allemaal rond 1850 gebouwd. Een brug, die kan iconisch worden. Brooklyn Bridge,  Golden Gate Bridge, dichterbij de Zwaan van Rotterdam. En in Dordt dan de Brug der Zuchten.

Nieuwbouw hoeft niet lelijk te zijn. Loop even het Centraal station van Rotterdam uit, rechtdoor over de Westersingel. Een dolle kermis, een lust voor het oog, genieten. Fantasierijke gevels, die vechten met – en elkaar aanvullen. Anders dan het trieste zooitje op de Spuiboulevard, zeker nu het ook nog allemaal leegstaat. Heel eng, wat gaat daar verrijzen? Alsjeblieft niet ‘historiserend’. Het Openlucht Museum is in Arnhem. Steek je nek uit Dordt, durf! Dat wordt straks roeien tegen de stroom in. Burgers die niks willen, besluitmakers zonder smaak en doordouwers met geld.

Neem nou zo’n bankje, ik ben er blij mee, iemand heeft nagedacht. Het was makkelijk geweest, plemp dat gat dicht, klinkers erin, en hup, parkeren maar. Nee, er was een mens met visie. Daar is plaats voor een eenvoudig bankje, lantaarntje ernaast. Niet verder vertellen, als het wat minder miezert, mistroostig en guur is, dan ga ik daar zitten.

En toch, misschien is het allemaal niet waar. Misschien, als we niets doen, we gaan die lege panden aan de Spuiboulevard weer bevolken, verzinnen we nieuwe bestemmingen. En over honderd jaar houden we ervan, die bouwstijl van de zeventiger en vooruit de tachtiger jaren van de vorige eeuw. Dat vuile beton en het kunststof en het Trespa, we bezien het dan met liefde. Met heimwee naar die tijd, bewaren toch, als een relikwie. De tijd van na de oranje/bruine keuken en voordat alles grijs werd, de tuinmeubelen en het steigerhout.

Het was al maanden later, voorjaar 2018. Een voorjaarszonnetje scheen voorzichtig over de rivier, het was de eerste keer. Doelbewust was ik op weg, het bankje ging ik heen. De kastanjebomen liepen al wat uit. De haven naderend werd die heel speciale geur van het zoete water sterker. Maar wat was dat, het bankje was bezet. Door een ragfijne gestalte die een hoedje droeg. Voorzichtig nam ik plaats nadat ik vroeg of ze geen bezwaar had. Het water kabbelde stilletjes tegen de ruwstenen muur onder ons, nu en dan even opgeschrikt door een voorbijstuwend schip. Ongemerkt was ze opgeschoven en raakte ze mijn arm. Haar profiel was zacht en on-Nederlands tegen de hoekige lijnen van de spoorbrug in de verte.
“Mag ik vragen hoe je heet?”
hoorde ik mezelf plotsling vragen. Zachtjes schudde ze haar hoofd, ze fluisterde :
“Klunen”