Alle berichten door dentoonder

doelgroep

 

image1-1

Ligt het nou aan mij, ben ik toch weer wat allergisch, of is het echt stoffig. De ouwe kokostapijten hier zijn ietwat vezelig. Teylers Museum in Haarlem schijnt het oudste museum van Nederland te zijn. Ik ruik iets, ouderdom, zowel van het gebouw en ook zijn bezoekers. Dat is het, nu pas bedenk ik het.

Vanuit het prachtige station van Haarlem, stap je zo het intens lelijke stationsplein op. Linksaf en dan rechts de Jansweg op, zegt mijn telefoon, en na de brug links, rechts de Bakenessergracht op. En daar zie ik een naambordje op een deur, het brengt de conference van Toon Hermans boven. ‘mevrouw Loofhutjes, mevrouw Schroothamer, mevrouw Zwaarmaker, mevrouw Stofregen.’ Ik schiet bijna in de lach, binnenpretjes en ik kan niet voorkomen dat een glimlach zich over mijn (smalle) gezicht uitspreidt. De tegemoetkomende vrouw kijkt me bevreemd aan en gaat van de stoep af. Mevrouw Scheurwater, denk ik en ik lach bijna hardop.

Met de museum jaarkaart, het ‘vrij-reizen-kaartje’ van NS en het bijna gratis buskaartje voor senioren, op weg naar het station, pas ik naadloos in het profiel. De geur in het eeuwenoude pand wordt versterkt door de bezoekers, het grijze pensionerende volkje brengt zijn eigen geur mee. In de oude zalen met fossielen, wetenschapsinstrumenten is vrijwel niemand. Men dromt samen bij de schilder Jan Weissenbruch. Ook ik ben daar op af gekomen. In die zaal, vol mooie schilderijen en, laat ik het voorzichtig zeggen, ouderen, besef ik het. Ik behoor tot de doelgroep.

Na de hectiek van de ‘de Kaap’, fotomuseum Rotterdam, Fenix Food Factory, Posse en SS Rotterdam, alles een geheel eigen – ander – publiek trekkend, ben ik wel weer toe aan wat eenzaamheid. Dat is in dit volle landje moeilijk verkrijgbaar, neem dus genoegen met ‘allenigheid’. Op naar de Biesbosch, de Brabantse. De zomer is voorbij, het is maandag en lekker lelijk weer; het zal niet druk zijn.

Tegenwind op het lange pad in de grienden, dat is mooi, meer kans voor ree spotting. Hier is niemand, gegarandeerd. Wat is het toch mooi. De berenklauw steekt zijn uitgebloeide kroon hoog de lucht in, het is zoet van springbalsemien en alles is verschoten en verkleurd in speciale Biesbosch kleuren. Het waterniveau is heel laag en ik kan het niet laten, ga van het pad, loop dwars door een droogvallen stuk. Verende bodem. Zuigend. Zeven zwanen vliegen met lawaaierig scharnierende vleugels over. Ginds een reiger in het wit, dat heet zilverreiger.

Kom ik toch opeens een vent tegen en even later twee jongetjes, die zich betrapt voelen, in het riet. En hoor ik daar stemmen? Ik ruik kampvuurrook. Maar liefst dertien boten liggen in het haventje. (13!) Ach ja, dat is waar ook, het is herfstvakantie. Shit, ben ik hier niet alleen. Ik troost me met de gedachte dat het bootjesvolk, die doelgroep, meer van het varen is, het zijn geen wandelaars. Later, in een ander deel, waar ik me wel volstrekt alleen waan, kom ik toch weer zo’n verrekte vogelspotter tegen. Hij loopt scheef van zijn zware telelens. Ik inmiddels ook, heb een volle tas verzameld met blik, karton en plastic rotzooi.

Ik fiets maar weer richting pont. Midden in de uitgestrekte, nog kale vlakte, ontstaan uit het plan: Ruimte voor de Rivier, zie ik ze al van verre. Merkwaardig, een groepje nonnen en ze zwaaien vrolijk naar me. Ik zwaai terug en dichterbij komend versperren ze me de weg. Giechelend en in Belgisch accent vragen ze de weg. Ze zijn met zeven, allen jong, volmaakt make-up loos, grijze pijen aan met wit kapje en op gymschoenen.  Met een oude kaart van het gebied, zoals het was, willen ze over het pad waar ik net uit kom naar het museum. Dat pad loopt dood. Mijn uitleg doet ze erg lachen. Ik waarschuw; het is nog ver lopen. Maar daarvoor zijn ze hier! Honderden meters verder fietsend zit de glimlach op mijn hoofd er nog. Mijn dag is zo mooi nu.

 

zomergekte op den loswal

p1070908
Het is op de warmste dag in de maand september, als ik de weermensen – weermannen en weervrouwen mag geloven, dat ik me naar de Loswal begeef. Nu woon ik al meer dan de helft van m’n leven zeer dicht bij deze Wal, maar ik moet bekennen dat er dagen voorbij gaan dat. En het is er gek. Het is druk, op het water en op de Wal. Oorspronkelijk was de Loswal een loswal. Een plat stukje in de dijk langs het Wantij, om het laden en lossen te vergemakkelijken. Aardappels, voeder- en suikerbieten, in ieder geval; oogst. Dat werd geladen op binnenvaartscheepjes.

Nu is het er een gekte. Op het water en op de Wal wordt gerecreëerd. Enthousiaste honden springen in het water om stokken op te halen die hun baasjes er voortdurend in gooien. Kinderen gillen, spetteren en zwemmen boven en onder water. Het is heet, de zon blikkert op het bruingroene Wantijwater dat ondoorzichtig blinkt en waarin zich ergens een enge snoek verstopt. Een te dik echtpaar pruttelt voorbij in een te klein bootje, sudderend in hun eigen vet. Een witgeverfd en lelijk kruisertje tuft langs. Het hangt een beetje scheef, de vrouw zet koffie binnen, maar de gordijntjes zijn netjes en wit. Op de Wal roept een vrouw met bakfiets en hakjes haar zoontje:
“Noa, kom, Noa, we gaan, Noa, kom nou.”

Een rood speedbootje komt er aan, ter hoogte van de Wal gaat het gas er op en het maakt niet noodzakelijke bochten. De honden en de kinderen deinen in de golven. De bikinimeisjes op de achterbank van het speedbootje gillen. Het is midden september maar het lijkt hoogseizoen. Er hangt een vakantiesfeer hier op de Wal. Er is een lichte stroming in het water, vanuit de stad, het is dus vloed. Twee donkergroene Zalmschouwen met hengels. Aan de overkant een geluidloze kano. Van de andere kant nadert een slanke, lichthouten sloep van de Roeivereniging. Twee roeiers in kleurige polo’s zitten achter elkaar en bewegen hun riemen exact gelijk. Op het bankje zitten de echtgenotes met grijs haar. Zij bedienen het roer, hebben de touwtjes in handen.

Toen, alweer een tijd geleden, het havenplateau en steigertje opgepoetst moest worden, vreesde ik het ergste. Het viel mee, het ongepolijste is gebleven, het is niet te aangeharkt geworden. De nieuw geplaatste slagboom bij de trailerhelling was opmerkelijk snel verdwenen. Daar glijdt een lange zwarte sloep met achterover leunend echtpaar statig voorbij, de Nederlandse vlag achterop tipt steeds het schroefwater. Mevrouw lacht minzaam naar het volk aan de Wal. Dat volk vergaapt zich aan wat voorbijvaart, zelf leunend op fiets of scootmobiel. Hier wordt nog het originele Dordts gesproken. Er komt een motorkruiser aan. Zwart met brons. Hij vaart langzaam maar aan alles is te zien dat hij hard kan, heel hard. Naar binnen kijken kan niet, de ramen zijn zwart. Plots zwenkt hij linksaf, de Merwegoot in. Nu komt de achterzijde in zicht en daar stapt een vrouw naar buiten, ook haar jurk is zwart. Zij hangt alvast de stootwillen op. Daartoe moet ze steeds bukken. Wanneer ze klaar is, trekt ze met een snelle beweging de onderbroek uit de bilspleet en strijkt daarna het zwarte jurkje glad. Een hond snuffelt aan de achterkant aan mijn been. Ik roep:
“Hé!”
Dan duwt hij zijn natte neus in mijn kruis, ik deins achteruit en roep, harder nu:
“Zeg hé!”
“Hij doet niks hoor, “
zegt een lange slungel. Twee andere hondenbezitters knippen hun peukjes in het water, roepen de honden bij zich en gaan naar het Acht Uur Journaal. Een oude sloep in reggaekleuren vaart langs, zacht klinkt Senegalese muziek; Youssou n’Dour meen ik te herkennen. Het juppenvolk aan boord met blinkende zonnebrillen ligt relaxt onderuit. Ongetwijfeld spreken zij over zeer interessante onderwerpen, wereldproblemen, het milieu en zo. Ook ik ga maar naar huis en fiets zeer langzaam weg van de Wal. Op de Wantijdijk geef ik voorrang aan een stoet senioren. De voorste heeft een oranje hesje aan. De laatste heeft ook een hesje aan, oranje, van de ANWB.

By fair means

p1000911

‘ich wollte einmal hoch hinaufsteigen um tief in mich hinabzusehen’
# Reinhold Messner

Enigszins beduusd zitten we aan tafel. Overdonderd door zoveel schoonheid, luxe en deze geheel andere wereld. Net terug van drieduizend meter, uit de Dolomieten, waar het koud was, nu in museum Firmian van Reinhold Messner. Het is hier in Bolzano 32 graden. Het terras is overschaduwd, de cappuccino van een barista, de schaal met fijne Italiaanse antipasti enorm en de broodjes en brochette vers. Het museum is overweldigend mooi. Een eeuwenoude kasteelruïne hoog boven de stad. Opnieuw ingericht met strak Cortenstaal. Er moet een leger stylisten aan het werk zijn geweest, getuige de fijne details. Reinhold Messner, wiens boeken in mij het vuur voor de bergen deden ontbranden, is inmiddels uitgegroeid tot een levende legende.

Eerder die week wandelden we door het Vallunga, waar het eerst groen was en later grijs en geel en stenig, naar Rifugio Puez 2475m. De Geisler Gruppe in de Dolomieten. Probeerden in het piepkleine Lager waar twaalf man lag, een paar uur slaap te pakken. Om de volgende dag op tijd te vertrekken, op weg naar Sassongher 2665m. Thuis, op de kaart leek dat amper tweehonderd meter hoger dan de hut. En dat was ook zo, maar hier bleek het een fraaie vrijstaande berg te zijn, waarvoor we eerst diep in een ravijn zouden moeten afdalen.

Rifugio Puez krijgt een onvoldoende. Het valt me steeds weer op, haakjes in berghutten zijn zeldzaam. Ze zijn er gewoon niet, hier ook weer, drie kleerhaakjes op twaalf bedden. Zijn ze te duur of zo? Heeft die huttenwaard zelf wel eens in zijn Lager geslapen? Onprettige hut trouwens, de schoenen moeten daar, (logisch) maar de stokken ginds en de rugzakken op de gang, liggend in een  kast waar ze niet in passen. Toiletten: te weinig, wasgelegenheid: nauwelijks. Maar ja, een overnachting kost dan ook slechts tien Euro. In de Stube is het overvol en een hels lawaai. Wij, met onze diepzinnige – en flauwekul gesprekken moeten ook hard schreeuwen om verstaanbaar te zijn. Maar de Grosse Weisse smaakt goed.

lees hier verder:
https://gerarddentoonder.com/schrijfwerk/cowboy-in-nepal-deel-ii/by-fair-means/

 

Panorama Laat

IMG_7593 - kopie
Of ik meeging? Een paar dagen de bergen in. Daar hoefde ik niet lang over na te denken. Er ging wel gekampeerd worden. O. Nu kampeer ik graag, maar de bergen in vanaf een camping, dat werkt niet. Steeds opnieuw die hoogteverschillen te moeten overbruggen, dat zinloze heen en weer geloop. Ik aarzelde, maar het vooruitzicht er weer te zijn, in de bergen, ik zei ja.

Verhit vallen we neer op het buitenterras van de Karlsbader Hütte 2261m. Wat we willen drinken, vraagt een leuk dienstertje en of we niet liever binnen willen zitten. Nee, we willen even afkoelen, antwoorden we allemaal tegelijk. Ik wapper me met mijn hand koelte toe en zeg:
“Heiss!”
Waarop zij lachend antwoordt:
“Danke.”

Via de Rudi Ellerweg, een ‘gesicherte Steig’ kwamen we omhoog. Er stond een bordje bij: ‘Nur für Geübte’. We zijn met z’n vieren, mijn broertje, zijn zoon en een vriend van de zoon. Twee ‘jonge honden’, om die vervelende, in dit verband vaak gebezigde term, maar eens eenmalig te gebruiken. Het was de bedoeling onderweg een Klettersteig mee te nemen, maar het weer werkte niet mee. Bovendien, ik dacht er het mijne van, te laat en te ver. De lunchplek was fraai, een voortopje: Hohes Törl op 2230 meter. Simone, zo heet ze, volgens de menukaart, komt vragen of we blijven slapen. Het antwoord is ontkennend;
“Leider nicht.”
Weer lachen natuurlijk.

De spetterregen zwelt aan tot een heuse stortbui en er klinkt een enkele donderslag. Natgeregende wandelaars en klettersteigers haasten zich naar de hut. Op die menukaart staat ook een foto van Nima, Nepalese naam en een sterk Nepalees uiterlijk. Even later komt hij buiten een sigaretje roken. Ik kan het niet laten en knoop een gesprekje aan. Inderdaad, Nepalees, uit de omgeving van Lukla. Waar wij langskwamen op weg naar de Everest. En vanwaar wij terugvlogen, Lukla, in de top tien van de gevaarlijkste vliegvelden ter wereld. Straks aan het eind van het seizoen gaat hij terug naar zijn familie. Wij zeggen dat we met hem meewillen. Het blijft maar regenen, tenslotte is het aankleden en weg. In hoog tempo, deels via de ‘Fahrweg’, de landweg waarover de hut bevoorraad wordt en ook weer even via de Steig, de afsteker, steil, om de vervelende lange lussen te vermijden. Rien en Bart beginnen nu de voordelen van het verblijven in een hut in te zien. De ‘meerwaarde’ ervan, zoals zij het noemden.

lees verder:
https://gerarddentoonder.com/schrijfwerk/cowboy-in-nepal-deel-ii/panorama-laat/

Deviation

Naamloos

Zinq
Die eerste zin is heel belangrijk, die moet meteen goed zijn. Dat dacht de oudere columnist, terwijl hij kleine slokjes nipte van zijn consumptie. Een glas met een bodempje gele vloeistof waaraan hij water en suiker had toegevoegd, een van die Franse geheimen. Hij verdeelde de aandacht tussen zijn telefoon en de twee jonge meiden die aan een tafeltje verderop zaten. Beiden bekeek hij even ongeïnteresseerd. De meisjes sloegen geen acht op de wat morsige man, wiens haar ongeorganiseerd over zijn schedel lag, die een onregelmatige baardgroei had en een zorgelijke uitdrukking op zijn gezicht bewaarde. Zorgelijk is het woord wat hier van toepassing is en er was een frappante gelijkenis met Bob den Uil, voor wie hem nog kent. De klok in de lage toren van de kerk die la Place de la Magdaleine domineerde, sloeg onwerkelijk hard een korte melodie, ter kennisgeving dat zeer binnenkort de klok drie uur zou gaan slaan. Het was een van die laatste zomerdagen, het was al warm, maar ergens leek het nog wat onbetrouwbaar, de wind was kil en zou het nu echt wel droog blijven. En inderdaad, het betrok, waar kwamen opeens die wolken vandaan en regende het. Als één man verrees het terraspubliek en vluchtte het café binnen. Er vormde zich een lange rij voor de kassa op de bar. De norse vrouw die hier voor kastelein speelde, vond het belangrijker om de televisie te programmeren. De oudere columnist stond voor me, hij draaide zich naar me om en zei iets , wat ik verstond als:
“Payer “en “Attender”.
Uit zijn haar drupte regenwater, links en rechts, onregelmatig. Maar de laatste zin ook, had de oudere columnist gedacht, die laatste zin, die moet ook goed zijn, heel belangrijk.

Ongemak, maar wel Frans ongemak
De uitbater van hotel Le Chapeau Rouge is een Marokkaan, die waarschijnlijk al langer in Frankrijk woont dan dat hij in Marokko had gewoond. Had hij daar wel gewoond trouwens? De stoppels op zijn kaken zijn net zo kort en grijs als boven op zijn hoofd.  Hij is vriendelijk en goedlachs. Waarschijnlijk omdat hij weet dat zijn hotelmuren dun zijn en het dus gehorig is. Dat het niet lekker ruikt op de gangen en er nauwelijks verlichting is in de kamers. Het ontbijt is goed, dus vergeef je hem de ongemakken. De eerste nacht is wennen, je schrikt, valt er iets? Het is de buurvrouw, die in de aan de kamer grenzende kast een jurkje of een niemendalletje op een hangertje doet. Ook aan de neerdruisende stortvloed uit de boven gelegen toiletten kun je moeilijk gewoon raken. Het idee, van die substanties die daar op enkele centimeters langs jouw overhemden in de hangkast razen.

lees verder:
https://gerarddentoonder.com/schrijfwerk/korte-verhalen/deviation/

 

Met de Bus

P1060720 - kopie
Nou, dan ga ik maar met de bus. Mijn kind heeft de auto mee en ik heb geen zin om weer met de fiets te gaan. En met de bus in Dordt, dat is een oefening in geduld. Ik stel me erop in en wat blijkt: ik raak haast, bij wijze van spreken, in een staat van Zen. Glimlachend kijk ik naar buiten. De bus is vrijwel leeg, hij rijdt uiterst langzaam, anders is hij te vroeg, ligt hij voor op het schema. Soms stopt hij bij een halte, niemand stapt in of uit. Wacht een tijdje, onhoorbaar trekt hij dan weer op; Hybride. Toch, in slaap vallen lukt niet. Steeds als er weer een halte nadert, knalt een vrouwenstem door de stilte. Zij zegt de naam van de volgende stop en dat op geheel eigen wijze, ze spreekt de naam uit zoals je het schrijft. Dat levert soms volstrekt onbegrijpelijke namen op, alsof je in een onbekende stad bent.

We staan al een tijdje stil bij een lege halte. Ik kijk de straat in en de zijstraat. Niemand te zien, niets beweegt. Iedereen is aan werk of slaapt. Dan komt er opeens een man de hoek om draven, de buschauffeur had hem in het voorbij rijden gezien en gewoon gewacht. Volgende halte. Twee bejaarde mannen stappen moeizaam in. Allebei hebben ze twee draagtasjes, met van die vakjes waar flessen in passen. En die zitten er ook in, wijn en fris en nog iets, twaalf flessen per persoon. Boodschappen gedaan bij de goedkope super en nu weer met de -bijna- gratis bus terug. De chauffeur wacht tot ze helemaal zitten. Nu naderen we het centrum en wordt het iets drukker. Achter me ploft iemand neer die ruikt naar natte hond, een oude Rottweiler ofzo. Traag rijden we verder, daar passeren we al voor de derde keer diezelfde man op de fiets, kind met helm achterop. De chauffeur zwaait naar collega’s in tegemoet komende bussen alsof hij ze drie jaar niet heeft gezien. Aan de andere kant van het gangpad neemt nu een verstokte roker plaats. Ja, ze zijn er nog en deze rookt nog na, de damp slaat uit zijn poriën. Drum, of toch Zware van Nelle. Een oudere dame vraagt de weg aan de chauffeur. Die legt het omstandig uit, ze begrijpt het maar half, zie ik aan haar lichaamstaal. Opeens stopt de bus, niet bij een halte, maar dicht tegen de stoep.
“Als de dame er hier uit gaat, is het maar een klein stukkie terug en dan rechts”.
Wat een service van deze chauffeur.

Een ding is jammer, die lelijke groene bus. Laatst was ik in een Franse stad van ongeveer dezelfde grootte als Dordt. Daar reed een tram, met een bijzonder fraaie vormgeving en in een heel aparte kleur: brons. Stijlvol openbaar vervoer. Wat zou dat chic zijn, een gestroomlijnde mat bruinzilveren bus, lijn 3 door de binnenstad.

Ik ben in het centrum, stap uit en niet zonder de chauffeur te groeten, die me in zijn spiegel aankijkt:
“Bedankt!”
In de stad is het precies goed, niet te druk maar zeker niet uitgestorven. Ik wandel doelloos door de winkelstraten. Voel de leegte van het definitief gesloten warenhuis, toch jammer. Haast vanzelf kom ik weer langs het havenfront. Verbaas me over de enorme afmeting van een binnenvaartschip, is dit nog wel een schip voor binnen? Een zeiljacht kan maar niet aanmeren, de wind waait het steeds van de kade weg. Het echtpaar op een reeds aangemeerd jacht kijkt toe. Pas na herhaaldelijk roepen van de vrouw op de voorplecht, komen ze in actie. Met de toegeworpen lijnen, zo heet dat in het jargon, wordt het jacht aan de kant getrokken.

Ik denk dat ik de bus terug naar huis neem, dat is wel zo relaxt. Kris kras door de stad slenter ik naar de bushalte. Dan blijkt de volgende bus over precies 24 minuten te komen. In een klap, werkelijk in diezelfde seconde is het weg, mijn ingedaalde rust. Binnensmonds mompel ik bepaalde woorden, was ik nu toch maar met de fiets.

Beyonce

image1 (1)
Het mag echt niet, daar kunnen ze niet aan beginnen. De mooie racefiets van de net zo mooie berijdster mag niet naast de ingang van het Dordts Museum gestald worden. Is zij ook op weg om het ‘Gezicht op Dordt’ te bekijken, het schilderijtje dat de conservator van het museum opmerkte. Wat slechts vaag zichtbaar was in de clip van Beyonce: ‘Denial’. De relatief onbekende Dordtse schilder Wim Jansen figureert dankzij een Chinese site met stockfoto’s nu op wereldniveau, voor wie het wil zien, achter de wulpse vormen van de zwemmende Beyonce. Nee mevrouw, buiten de poort die fiets, of in de gratis fietsenstalling verderop.

Het is een dag die het KNMI inschaalt als een met tropische waarden. Zo langzaam mogelijk fiets ik naar de stad. Met een omweg, eerst naar het haventje, de Loswal. Het is stil, er is niemand en het Wantij stroomt niet en er vaart geen boot. Of toch, ja daar komt een sloep aan. Traag glijdt hij voort, de man aan het roer, de vrouw houdt een parapluutje hoog, het is heet. Alles trilt en zindert en ik moet m’n ogen tot spleetjes knijpen.

Op de Wantijdijk kom ik hem weer tegen, een van de laatste alpinopetdragers. Al heel lang ken ik hem. Sinds hij bij mij aanbelde met zijn vraag. Hij had een volkstuin, aan de overkant, hij wilde zo graag kippen houden, kon dat bij mij. Al die jaren kwam ik hem tegen, op zijn fiets, met zijn alpino schuin. Toen werd zijn fiets een elektrische en veranderde zijn houding, achterover, het stuur hoog. Nu is er weer wat veranderd, hij rijdt een scootmobile en zijn vrouw ook. En op zijn hoofd prijkt een Franse claque.

Langzaam peddel ik voort, ik val net niet om. Bij jachthaven De Punt ligt een vlet te koop. Ik fiets er omheen, staal, goed in de verf, twee luchtkasten, maar geen motor en geen huif. Ik moet een boot hebben, met een huif om te schuilen en te overnachten. Ergens, weggekropen in de Biesbosch. Op het terras achter de boot, zit een man die me verwachtingsvol aankijkt. Ik laat hem wachten en fiets verder, ik val net niet om.

Op het Groothoofd zitten de terrassen vol. En gelukkig, ze zijn wit, de meerpalen zijn wit, eindelijk zijn ze overgeschilderd. Het lelijke oranje en rood, wit en blauw, nog van Koningsdag, is weg. Jongens duiken van de Damiatebrug de haven in. De kleuren van hun zwembroeken steken fel af tegen de donkere schaduw van de pakhuizen. Op een bankje aan de Gelderse kade is een vreemde combi in gesprek. Een dame met van dat grijze haar dat nu zo in de mode is, zit met haar beentjes bloot, te praten met een man in het zwart. Zijn vuile T-shirt toont de zwarte tattoos op zijn armen. Dan verrijst zij van de bank en verdwijnt in een van de statige panden. Een gesprek tegen wil en dank.

Wim Jansens schilderij ‘Gezicht op Dordrecht’ heeft een grijze lucht. Het is, aan de bomen te zien die vol in het groen staan, een zomerse dag. Het zou zomaar kunnen dat het, net als vandaag, een dag van tropische hitte is. Bewolkt, drukkend weer, onweer dreigt. Ik vind het een prachtig schilderij. De andere zalen neem ik, hoe vaak ben ik hier al geweest, plichtmatig even mee. Daar loopt de wielrenster in haar strakke zwarte pak. Het is gelukt, de fiets geparkeerd, ze is binnen.

En dan gebeurt het, de zon neigt ter kimme, zoals dat in boeken wordt beschreven. Hier zakt hij weg, achter de kolos, het zwarte silhouet van de Grote Kerk. Daar in de verte, over de Lange IJzeren Brug, daar komt zij aangestapt. Onmiskenbaar, zij is het, zoals zij loopt, met die grote verende passen, wild schudt ze het haar, die enorme bos, naar achteren. Aan de grond genageld sta ik. Maar nee, ik ga haar tegemoet, mijn hart klopt in de keel en zij, zij vangt het laatste licht met haar amberkleurige ogen.
Stamelend breng ik uit:
“Bent u het echt, eeeh, is it you?”
Langzaam schudt ze van nee, maar de glimlach van haar volle lippen doet anders vermoeden.

La Tour (5)

drei zinnen 080
Soigneur
Een wielrenner hoort zich te soigneren. De fiets en de ketting schoon, gladde beentjes en witte sokken. Die sokken, daar doen ze niet meer aan, alle kleuren. Mijn benen scheren deed ik niet, wel smeerde ik er een smerig spul op. Dat prikte zo, dat je zo snel mogelijk wilde wegrijden en hard ook: rijwind. Het rook wel lekker en van die geur alleen al werd je opgewonden. Ik had altijd witte sokken.

Een wielrennen moet zich verzorgen. Of zich laten verzorgen. Zo heb je de mecanicien voor de fiets en de verzorger, de soigneur, voor de renner. Peter Winnen had een Belgische soigneur. Op een bepaald moment was het volgens hem:
“Tijd om het andere ‘valieske’ er bij te pakken.”

De koersbroek dient altijd schoon te zijn. Eens kreeg ik de tip om het soms keihard opgedroogde zeem in de broek goed in te vetten. Broekenvet. Dat resulteerde na een paar uur koers in babyzachte billetjes. Mijn fiets kreeg voor vertrek de volgende verzorging: meer lucht in de banden en meer olie op de ketting.

Mijn dochters waren nog klein in het tijdperk Rooks en Theunisse. Volgens mij was de ene stiekem ‘op’ Rooks en de andere ‘op‘ Theunisse. Over de criteriums na de Tour doen altijd verhalen de ronde. Eens was ik er zelf getuige van. De Ronde van ’s Heerenhoek, we zagen diverse renners zich verkleden en verzorgen in de woning van Jan Raas. Broer Marten en ik wandelden het hele parcours rond tijdens de wedstrijd. Joop Zoetemelk reed al enige tijd met voorsprong. Op een stille polderweg buiten het dorp hield Joop, omkijkend, de benen stil. Daar kwam het peloton, met Hinault briesend voorop. Het was de laatste ronde. Even later hoorden wij, nog buiten het dorp, de speaker, luidkeels door de geluidsinstallatie brullen dat Bernard Hinault, met nipte voorspong, de Ronde van ‘s-Heerenhoek had gewonnen. Geweldige prestatie.

De Mont Ventoux beklommen Eega en ik met onze rode Renault 4. De motor was warm en op de top was het akelig koud. De afdaling was griezelig te noemen.

Soms duurt de winter lang en voordat de voorjaarsklassiekers er weer zijn. Dan kijk ik uit naar die heerlijke zondagmiddagen voor de buis. Urenlang kijken naar de bekende parcoursen.

Gevallen ben ik gelukkig nauwelijks. Een keer toen ik stilstond. Met een voet in de toeclips vastgegespt, het stuur klapte om, de fiets draaide weg, hilarisch. En ik wilde eens omkeren op een weg die daarvoor te smal was, toch deed dat pijn. Snelle suikers bestonden niet. Toen de Isotone dranken opkwamen was dat hip. Je maakte je eigen mix en vulde daarmee je bidon. Toen ik een keer meedeed aan een Duathlon, run – bike – run, elastiekte ik twee mini Marsjes aan mijn bidon. Dat, het gerafelde stuurlint en het van jaren zweet doortrokken zadel, trok in ieder geval wel de aandacht van de routiniers op hun merkwaardige Triathlon fietsen.

La Tour (4)

marmolada 080
Joop

Telefoon! Enigszins afwezig nam ik op:
“Joop”,
hoorde ik, kreunend en nogmaals:
“Joop!”,
iets luider nu. Ik meende de stem van mijn broer Marten te herkennen, ik vroeg wat er was.
“Joop Zoetemelk!”
brulde hij nu en nogmaals en nu nog harder en haast onverstaanbaar met een brok van grote afmetingen in zijn keel:
“Joop Zoetemelk, wéreldkampioen!”
Onvergetelijk, dat moment en voor mij de mooiste en meest gegunde overwinning ooit.

In de periode dat ik met vriend Wim de pedalen beroerde kon het gebeuren dat bij hem de telefoon ging en hij bij het opnemen hoorde:
“Spreek ik met de Speer van Papendrecht?”

Fietsen met de buurmannen was altijd haasten. Wegens mijn werk in verre steden altijd laat thuis zijnde moest ik in grote haast eten. Ze stonden alweer te wachten op de dijk. Eenmaal maakte ik een vergissing, ik at niet. Gehaast trok ik de broek en de trui aan, die zwarte met die rood, geel, blauwe wereldkampioensbandjes aan de mouwen en het kraagje. De witte pet, helmen waren nog geen mode. Checkte de banden en hup daar gingen we. De polder in, de Kiltunnel door en kriskras vlogen we de polder door, wind mee. Het zal bij Numansdorp geweest zijn dat de energie op was. Na kilometers op het kleinste van de tien verzetjes en zelfs dat ging eigenlijk niet, gereden te hebben zagen we een café. Daar verkochten ze niets, behalve sterke drank en een rol pepermunt. Daarop, op die rol ben ik thuisgekomen en leerde ik wat hongerklop is.

Mijn broer Marten fietste bij wielerclub Theo Middelkamp. Hij bezat een maatfiets. Voor zijn vrouw liet hij een fiets maken die geheel verchroomd was. Rood was het zadel en het stuurlint. Dat was ook eigenlijk het enige dat zichtbaar was, de rest van de fiets glansde zo onwerkelijk mooi, je kon hem niet zien.

Lek, met een knal stond ik opeens lek. Een grote scheur in de buitenband, plakken was onmogelijk. Het binnenbandje wat opgevouwen onder mijn zadel was gebonden kon blijven zitten. Ik was amper met mijn lot verzoend en lopend aan de terugweg begonnen of daar stopte een beer van een vent op een MTB. Die scheur maakte hem niets uit, het moest gemaakt. Een stuk ouwe buitenband uit zijn reparatieset eronder, pompen en klaar, graag gedaan en weg scheurde hij. Amper honderd meter verder weer een knal. Lopen dus weer. Voordat ik thuis was, moest ik nog tweemaal hardnekkig hulpbiedende medefietsers overtuigen dat repareren geen zin had.

Chauvinistisch als ik ben moet ik niet meedoen aan Tourspelletjes. Ik laat me altijd leiden door mijn hoop dat er een Nederlander wint. Laatst had ik een zware dag. ’S morgens al vroeg paraat voor de buis. De marathon van Rotterdam. Koen Raymaekers viel uit. Een snelle lunch en dan klaar voor Parijs Roubaix. Schitterende koers, Nikki Terpstra viel. Alles gezien. Ik was doodmoe, kapot, ik kon niet meer.

La Tour (3)

berliner 042
Passo Gardena
Met nog meer dan gemiddelde belangstelling keek ik naar de etappe van de Giro die over deze pas trok. Over enkele maanden zal ik zelf naar deze pas gaan, niet per fiets. Te voet, afdalend van het Geissler massief en omhoog naar Pisciadu. Probeerde alvast sfeer te snuiven, voorpret! Met als bonus dat Steven Kruiswijk hier passeerde in de roze leiderstrui. Passo Pordoi herkende ik van eerdere tochten.

Op een van de tochten met de buurmannen klampten eens meer renners bij ons aan. Ik moest mijn plaats als laatste man afstaan. Het waaide hard en op de smalle Ammerse kade naar Groot Ammers ontstond een waaier. Ik zat met mijn kop in de wind. Het bruggetje over het Achterwaterschap was teveel voor me. Ik verloor aansluiting. Het duurde lang voordat ik thuis was.

Agnello zal voor Kruiswijk altijd een pijnlijke herinnering blijven, daar verloor hij met een koprol de Giro. Col d’Agnel, zo spraken wij het uit, op z’n Frans, ik was daar ook, maar dan op de echte top en niet op de pasweg. En we kampeerden bij de startplaats van die etappe: Guillestre. Nooit vergeet ik de eerste ochtend dat ik er wakker werd. Vroeg uit bed, een zonplekje zoeken in het schaduwende bos. Hmm, nog wat koud, toch wat aantrekken. Even later, nog veel meer kleren aandoen. Het was net boven het vriespunt, de kampplaats lag op 1700 meter. Iedere avond ging de zon om zes uur achter de berg, meteen een trui aan. In het hele bos lag er geen takje op de grond. Bij iedere tent werd een kampvuur gestookt. Hout moest je van ver aanvoeren.

Vlak nadat La Tour gefinished, en de dag erna was gestart in Courchevel zette ik de tent op in de Vanoise. Onmiskenbaar was de Ronde hier langsgekomen, het asfalt was beschilderd met namen: Pantani, Virenque. Ik huurde een fiets en ging op weg naar Courchevel, vrijwel direct ging het omhoog. Pas na vele kilometers moest ik ergens remmen. Een hevig schurend geluid, achter bleek er slechts één remblokje aanwezig te zijn. Er zat niets anders op dan meteen om te draaien, nog hoger klimmen was nog meer afdalen met slechts een werkende voorrem. Mijn woedende commentaar bij de verhuurder werd op z’n Frans, schouderophalend, aangehoord.

Een van de allermooiste momenten was toch wel toen Marianne Vos wereldkampioene werd. De Nederlandse vlag werd gehesen, het Wilhelmus klonk en Marianne zong keihard mee, terwijl ze even hardgrondig huilde. Hou het dan maar eens droog als sportliefhebber.

Met vriend Wim een weekend naar de hellingen van de Posbank. De hele zaterdag vielen we het hoogste punt van de Veluwe van alle mogelijke kanten aan. Die avond daalden we af naar Roozendaal en naar de plaatselijke uitspanning. Naar binnen mochten wij niet, onze kledij was daarvoor niet geschikt. We brachten de avond door op het terras, terwijl binnen een avond voor alleengaanden gaande was. Hoe wij in het nachtelijk donker, tamelijk gedrogeerd, op onze kale onverlichte fietsjes de camping terugvonden, is tot op heden niet opgelost.