Alle berichten door dentoonder

Langs den Engel

 Op het Fietspad langs den Engel waan je je inderdaad alleen, in dit geval, in de polder. Dat denkt een groep middelbare, druk wauwelende Amerikanen op hippe racefietsjes ook en ze geven me geen centimeter ruimte, terwijl ze pauzeren in de schaduw van een van de weinige bomen daar. Mijn irritatie trap ik weg in de hoogste versnelling en wanneer ik tenslotte, met wind tegen en na de helling over de A16, de Rijksstraatweg opdraai, moet ik dat bekopen met een brandende knie.

Eerder had ik al ruzie gehad bij de Zeedijk. De van Elzelingenweg was nu eindelijk weer open, lang afgesloten geweest voor de werkzaamheden aan de Noorderdiepzone, het nieuwe natuurgebied. En daar ontdekte ik nieuwe weggetjes door mijn geliefde polder. Genietend peddelde ik over het gladde asfalt. Tot er naar me werd geschreeuwd. Aan de andere kant van het dijkje reed een vent op een tractor.
“Ik mocht daar niet rijden. Ik moest terug gaan, het was verboden en ik moest terug”.
Stoïcijns fietste ik verder over dit weggetje wat binnenkort het nieuwe fietspad zal zijn. Vijfhonderd meter lang werd ik begeleid door zinloos keelgeweld. Bij de Zeedijk aangekomen was daar het wegje afgesloten door een hek. Toen ik het hek uit zijn betonpoot tilde zwol het geschreeuw nog verder aan. Ik moest van dat hek afblijven met mijn…. en nog minder mooie woorden werden me toegevoegd. Rustig zette ik mijn matzwarte caféracer op de standaard en plaatste het hek netjes op zijn plaats.

Mijn geplande bankje aan de Kil is uiteraard bezet, door zo’n stel luie E-bikers. Dan maar op een grote kei aan de waterlijn. Een waterlijn rijkelijk voorzien van potentiele Plastic Soup, wat hier tijdelijk aanmeert op weg naar, ik ben de coördinaten nu even kwijt, ergens in een oceaan. Eens kijken, wat heb ik vanmorgen op mijn brood gedaan? Kaas vermoed ik. Dromerig staar ik naar wat er zoal langsvaart. Een binnenvaarder met containers, een tanker die heel hard achteruit lijkt te varen, tot ik ontdek dat de stuurhut, heel gek, voorop is geplaatst. Een enorm groot zeeschip, geschilderd in een lelijke hardgroene kleur. Al happend en append kijk ik niet goed naar een binnenvaarder die nog een flinke bak voortduwt. Nordwand staat erop. Als hij me al halfweg is gepasseerd, lees ik hoe het schip zelf heet; Eiger. Eiger Nordwand. Is deze schipper een klimmer?

Social Media vertelt over een lezing in de Papendrechtse bieb. Wim Daniels: de Taal van de Fiets. Over Taal dus en over Fiets. Onmiddellijk neem ik de kortste weg naar de pont, daar moet ik bij zijn. Tickets slechts aan de kassa, contant, verkrijgbaar. Terwijl mijn knie opnieuw afkoelt tijdens het wachten op de pont vertelt S M me dat, om dertienhonderd uur, Stolpersteine (herdenkingsstenen) zullen worden gelegd op het Bethlehemplein in Dordt. (What ’s in a name?) Over een kwartier dus. Maar de pont meert net aan. Ik neem de kortste weg naar de bieb. Die blijkt verhuisd. S M vertelt me waar de Veerweg is.

De plechtigheid is juist voorbij, wat ik overigens prima vind. Een groepje mensen praat nog wat na, de burgemeester is net weg, de ambassadeurs van Hongarije en Italië ook. De vier koperen Stolpersteine glimmen van nieuwigheid, vier bosjes bloemen erbij. Hier zijn op 1 augustus 1942 vier Joodse mensen weggevoerd naar het concentratiekamp Auschwitz. In totaal werden 285 Joden afgevoerd uit Dordrecht. Arpad Weisz, zijn vrouw Ilona, zoon Robert en dochter Klara. De in Hongarije geboren Weisz, voetbaltrainer in Italië, vluchtte voor de rassenwetten van Mussolini naar Dordrecht. Korte tijd trainde hij, succesvol, de Dordtse Football Club. Kort na aankomst in Auschwitz werden Ilona en de kinderen vergast. Anderhalf jaar later overleed Arpad Weisz door uitputting en ondervoeding.

Eigenlijk had ik dat hek open moeten laten staan, of omver werpen, beter nog, in de sloot storten. En die vent op die trekker, die NSB-er, die Nazi, moeten omleggen met mijn Bazooka.

De vele voordelen van nepnieuws

Laatst bezocht ik Japan, ik moest er even heen voor werk. Kijken hoe ze het daar doen. Ik miste haast mijn vlucht, er was geen treinverkeer. Met een taxi dan maar, van file naar file tot onze nationale trots, de vluchthaven. Met in de ene hand mijn schoenen en mijn riem en de andere hand aan de broeksband, rennend naar de gate. De slurf werd al losgekoppeld.

Samen met mijn klimmaat deze week nog, in de lege klimhal de swing geoefend. Hoog in de route is een touw bevestigd waaraan je al slingerend drie meter opzij een greep kunt pakken. Noodzakelijk wanneer je de route wilt uitklimmen. Slechts voor hen met buitensporig veel fantasie oefenen wij voor de Kingswing op El Cap. Rob sprong en reikte naar rechts, hangend aan het slingerkoord. Toen viel het me op, achter de dreun van de airco hoorde ik Dire Straits met Sultans of Swing.

Er liggen sinds begin dit jaar diverse boeken van mij, geschreven onder pseudoniem in de ramsj. En wat moeten we nu toch met Facebook. Of nu al het woord van 2018: Dividendbelasting. To memo or not to memo.

Dit alles bedacht ik, in een split second, terwijl ik door de Biesbosch struikelde – de pen had moeite mijn gedachten bij te houden – en de zon door de wilgen scheen op een wijze zoals ze nooit eerder door de wilgen had geschenen en daarboven onweerswolken zich stilzwijgend opbouwden en de wind in kracht toenam en de grijze wilgenblaadjes deed ruisen en de warboel van omgevallen bomen en bijna omgevallen bomen deed kraken. Sinds de februaristorm zijn er honderden, nee letterlijk duizenden bomen omgevallen in dit gebied en is het haast ondoordringbaar geworden. Het wordt hoog tijd dat hier duizend grote grazers worden losgelaten.  Achter deze natuurgeluiden meende ik het ‘tjiftjaf’ van de tjiftjaf te horen. In de verte verstopte zich een wolf.

Zo vlug ik kon liep ik het bos uit en startte mijn Yamaha YZF-R6. Voor de factchacker: nochtans geen oldtimer, waarmee het in de bochten goed schuin hangen is. Zachtjes verliet ik het parkeerterrein, er naderde een peloton 65plussers op hun E-bikes.

Helaas ging het plan om werk en hobby te combineren niet door. Toen ik laatst toch in Japan was, probeerde ik af te spreken met Murakami. Ik wilde hem wat informatie ontfutselen over zijn boek, ‘Blinde wilg, slapende vrouw’ en als daar nog de gelegenheid voor was ook over ‘After dark’. Na Norwegian wood, was ook ik in de ban van deze schrijver en las veel van hem. Vooral de korte verhalenbundels. Net zoals ik alles probeer te lezen van Herman Brusselmans, die zoals u weet een geheel andere stijl hanteert. Helaas, hij was juist vertrokken naar het buitenland.

Zo vlug ik kon reed ik naar huis. Ruim op tijd om daar te gaan wachten. Op haar die ik nu bijna een halve eeuw ken en met wie ik nog een halve eeuw hoop door te kunnen brengen. Toch stopte ik enkele keren om, door sukkels achteloos in de wegbermen weggeworpen verpakkingsmiddelen op te rapen en in mijn sidepockets te deponeren. Dat dit alles met pijn in de hamstrings, diverse vingerkootjes en hier en daar een gewricht gepaard ging, zal de lezer niet verbazen, de alinea over de Kingswing indachtig. Toch wil mijn lichaam door. Blijven oefenen, trainen voor dat ene doel, die route, ergens in de Belgische rotsgebieden met die tot de verbeelding sprekende naam: ‘Demolition squad’.

Zal ik boswachter worden. Elke derde vrijdag op NPO 3: “Goedenavond natuurvrienden, er is goed nieuws. De tjiftjaf is terug, uit Oost-Egypte, waar hij overwinterde”.

serieuze patat

Het leven gaat drastisch op en neer. Voor een pensionado is geen tijd te verliezen. Het leven dient geleefd te worden. Nee zeggen is geen optie. Zeker nu de Hortensia Horizontalis vol in knop schiet, de koolmees van vorig jaar weer terug is en het echtpaar blackbird – klinkt zoveel internationaler dan merel, toch – er weer een rommeltje van maakt in de tuin.

Wanneer het kanonschot klinkt, Lee Towers zingt dat je never walkt alone en de duizenden van start gaan. Je datzelfde kippenvel krijgt als toen, de speaker oorverdovend spreekt, de helikopter laag over dreunt en je begint aan de ultieme afstand. Dan weet je het nog niet, pas later besef je dat dat voor altijd was. Dat het gevoel blijft, die overwinning op jezelf, het kapot gaan, dat het een blijvende herinnering zal zijn, slechts deelbaar met hen die hem ook voltooiden, de Marathon. De verslaafden, de endorfinejunks, die roes van de lange loop, het runnershigh.

Dan is daar de koers, bijna dagelijks op dit moment, zo voelt het. Dat is weer een ander paar mouwen. Zelf gefietst en nog steeds eigenlijk, nu zonder ‘onderin de beugel’, weliswaar. De quote van de winnende renner die citeerde: ‘Ik bouwde op, ik bouwde op, ik bouwde op. Heel het bloed stond naar mijn kop. Het was de liefde, de liefde voor de koers.’  En ook dat blijft, noem het liefde, noem het hunkering of is het heimwee naar de romantiek. Van het onverbiddelijk lijden, het grote afzien. Met volgelopen benen, o wat doet dat melkzuur zeer. Met het snot voor ogen en het hol open. Het gevoel te vliegen kan je soms overvallen. Stoepranden, paaltjes, je neemt ze waar, onbewust, ergens heel ver weg. Je wordt een ‘flyer’. En dan zijn er ook altijd weer die beelden van De Muur. Het binnendraaien van Geraadsbergen, de brug over, de Markt, de Vesten en dan naar rechts. Daar staat het op een bordje: Muur. Ook al stond je geblokkeerd, je deed hem. En voor altijd.

5c. Een term voor insiders. De magische grens van 6a in de edele, door velen niet begrepen klimsport. Zo is het met veel takken van sport. Je moet het gedaan hebben om het te begrijpen. Korfbal, ook zo iets. Om weer een Belg te citeren: Korfbal, dat is een denksport. De mensen die dat spelen denken dat het een sport is. Toch is ook het spel onder de korf lastig te doorgronden. 6a. Klimmen. Het doel om naartoe te trainen is voor een pensionado de hippe ‘stip-op-de-horizon’. Het oude taaie lijf weer in bochten dwingen, op de tenen staan, minuscule treedjes. De onderarmen worden dik, zo lijkt het, van verzuring. Door, omhoog. Onmogelijk, het vasthouden, klimmen tot je valt. Langzaam komt alles terug. Het inzicht, de kracht en de techniek. Een zware pastille. Als het golft, dan golft het goed. Als je goed klimt, hoef je amper te zoeken naar de volgende greep, die dient zich vanzelf aan. Je bent licht als een veertje en je danst omhoog en je geniet van het aanspannen van je spieren, het kost geen moeite en je geniet. Je geniet van het gevoel van hoogte.

Klimmen zit in de mens, is van alle tijden. Misschien wel ouder nog is Tai Chi. De Chinese vechtsport met de fraaie vertraagde bewegingen. Mengeling van dans, vechtsport en yoga. Hoge drempel voor een pensionado en uiteraard, alle begin is moeilijk. De sifu (lerares) blijkt het al dertig jaar te beoefenen. Zoals het met klimmen, hardlopen en vele andere sporten gaat, is het ook hier een zaak van vele jaren voordat je het enigszins beheerst. Over lagen gesproken, er zijn zoveel soorten Tai Chi, Kungfu Tai Chi, Wudang Tai Chi, Qigong. Het vindt zijn oorsprong in het Taoïsme, hoe te handelen in het leven. Voeg daarbij het verhaal over energiestromen in het lichaam en de pensionado is de weg kwijt. Ondanks het concentreren op de coördinatie van diverse lichaamsdelen voel je bijna, heel even iets van een soort flow. Op zoek naar Zen, lukt je voorlopig niet. Je werkt hard om er in te groeien, de fraaie bewegingen te laten vloeien. Dat, dat wordt een zware patat.

Kiezen

Die zwerfflesjes sportdrank of gezond bronwater staan hoog op de ergernisladder van de gemiddelde Nederlander. In de voortuin of in het hondenlosloopveld kunnen ze niet veel kwaad. Tot ze uiteindelijk samenklonteren, ergens in de Stille Oceaan. ( Om precies te zijn: coördinaten 135° tot 155°W en 35° tot 42°N ) Onze regering stelt het nog even uit, die statiegeldregeling. Zoals ze in al haar wijsheid alles nog even uitstelt.

Binnenkort mogen we weer kiezen, nu voor de gemeenteraad. Kiest u maar. Of raadt u maar, wat gaan ze ervan bakken. Het raadgevend referendum. Bevalt de uitslag niet, slaat men de ‘raad’ in de wind. Gelukkig maar. Zeven maanden werd achter gesloten deuren vergaderd. Waarheen, waarvoor. Het dividendcadeautje voor buitenlandse investeerders stond niet in het Program van het Belastingparadijs. Verrassing!

Het Parijs akkoord van 2015, hebben we het er nog weleens over? Niet meer dan twee graden opwarming in 2020? Nog tweeënhalf jaar. Hoeveel Nederlanders zijn er voor: uitbreiding van Schiphol. Voor mij hoeft het niet en ik krijg steeds minder zin om voor twaalf Euro naar Barcelona te vliegen. Vliegen dient ontmoedigd te worden, of nou ja, het moet gewoon kosten wat het kost. CO2. Wat doet dit welvarend land er mee? We gaan de uitstoot niet verminderden. We gaan het onder de grond stoppen. Onder Loppersum dan misschien? Minister Wiebes beloofde het de Groningers; binnen twee weken is alles geregeld! Zijn voorganger Henk Kamp, die gunde ik echt een aardbeving. Gaat Wiebes zorgen voor een aardschok bij de NAM? Het is allemaal afwachten. Op nog meer uitstel. Kiest u maar.

Volgens de nieuwe Messias Jan Terlouw is het zo simpel. We moeten het willen. En dat is het hem juist. We willen het wel. Maar de macht van het geld, het Grote Geld regeert. De werkelijk grote problemen worden niet besproken. Jarenlang was het bekvechten met de Grote Blonder Lijder, over tsunami’s en kopvodden. Nu moet alles genderneutraal worden. Buma wil het Wilhelmus. Van Asscher mag er niet meer worden gesist op straat. Er valt niets te kiezen. Schijnt de zon in Duitsland vaker? Dat gebied ligt vol met zonnepanelen. Wij gaan honderddertig rijden, die tweeëntwintig doden per jaar extra calculeerde Melanie Schultz gewoon in. En ach dat beetje uitstoot. Het is echt simpel.

Heel Nederland was het er over eens, men maakte zich zorgen over De Zorg. Dit jaar hoor je er niets meer over. Het goedmakertje, de van Rijngelden’ heeft kennelijk gewerkt. Dit verhaaltje ga ik straks ‘posten’. Op Facebook. En dan ben ik toch benieuwd, welke politieke partij gaat mij straks bestoken. Wat doet Zuckerberg met mijn data. Wat komt er uit Cambridge Analytics. Wie had het over een sleepwet? Facebook; de nieuwe vijand!

Stemt u maar. Met de kiezen op elkaar.

Koerd

Het zal zo ongeveer precies in het midden zijn, tussen de Oost- en de Zuidhaven, waar ik de stoel vond. Net daar, waar ik toch al wilde gaan kijken wat ik die ochtend tussen mijn boterhammen had gedaan.(kaas natuurlijk) Ik kiepte het reeds verzamelde afval in de groene afvalbak. En daar achter de bak die wankel op de pootjes stond, de hoge waterstanden hadden het zand weggespoeld, stond de stoel. Zo’n moderne, uit- of inklapbare outdoor wildernis stoel. Ik ploegde me door het toch al geknakte riet naar de andere kant van de strekdam. Volstrekte luwte en uit het zicht van die enkele man-met-hond of die verrekte vogelaar. Eerder was ik al een hond tegengekomen, een van de 1,5 miljoen honden die ons land rijk (nou ja, rijk) is. Pas nadat de baas het grommende ondier in bedwang hield kon ik verder. Nu hier, stilte, zon en 1 of 2 graadjes boven nul.

Je moet er wat voor doen, maar dan heb je ook wat. Het is op dit moment kruip door – sluip door in de Biesbosch. Letterlijk honderden bomen zijn omgevallen door de laatste storm. Brood, kaas, een Koninginnen-Cup-a-Soupje en rivierzicht, need I say more? Nu komt het: nadat een aalscholver, die mij, al duikend, niet opmerkte, plotseling schrok en nadat het ruisgeluid van binnenvaarder Intensity was weggestorven, drong een ander geluid zich aan mij op. Wat was dat? Kwam het van de Amer, de rivier verderop, een konvooi binnenvaarders, of was het een vliegtuig? Een zware bommenwerper? Onderweg naar Aleppo, of nee, nu naar Alfrin, in het noorden van Syrië. Aleppo ligt in puin, de bevolking keert voorzichtig terug. Het strijdperk heeft zich verplaatst richting Turkse grens. Het Koerdische deel.

Vanmorgen nog postte ik een brief, in een enveloppe met postzegel in een oranje brievenbus. Aan de heer S. T. te Z. Een Irakese Koerd, die gevlucht voor Sadam Hoessein, jaren naast mijn moeder woonde. En die zo aardig voor haar was, als was ze zijn eigen moeder. Hij had zijn stad, Suleimaniya, een heel grote stad in Irak, meer dan 1 miljoen inwoners, moeten ontvluchten. De enorme file van duizenden stilstaande auto’s, boordevol met kinderen en opa’s en oma’s, werd gebombardeerd. Trauma’s voor het leven. De soep was op en de zon kwam nu goed door. Ik deed een laagje uit en schonk een kopje koffie in. Het geluid van de bommenwerper, of van de binnenvaarder op de Amer was weggestorven. Hier zat ik hier op mijn gevonden stoel. Aleppo, en nu de hel van Alfrin, is slechts vier uur vliegen ver. Het is toch maar net waar je geboren wordt.

Op weg hierheen maakte ik een foto voor mijn mapje ‘Bevervraat’. Steeds meer bomen worden aangevreten door de bever. Grote vallen om en blijven liggen, kleinere neemt hij mee naar de bevertjesburcht. Knaag, knaag, eventjes kwaad maken en hup daar gaat weer een boom. Een beetje bever zaagt een boom van dertig centimeter dik in vier uur om. Dertig jaar geleden werden de eerste bevers uitgezet in de Biesbosch. Langzaam werd de populatie groter. Nu breiden ze zich naar alle kanten uit. We wilden bevers; nu hébben we bevers. Het gaat een plaag worden.

Laatst ging ik uit eten bij Smyrna Tandoor. De eigenaar van het vrij stille restaurant, die , zo vertelde hij, de houtskooloven zelf gebouwd had, kwam er gezellig bij zitten en we bespraken de toestand in de wereld. Hij bleek een Turkse Koerd.
“Nederland is een goede land, in Nederland is een veilige land”.

De Nieuwe Merwede stroomde kalmpjes verder, vredig haast. Achter het riet was de aalscholver er weer. Hij zat op de strekdam, spreidde zijn natte vleugels uit, in het tegenlicht een fraai silhouet. Onbeweeglijk zat hij en keek naar mij.

Canada Goose

Enigszins besmuikt betreed ik het park. Wat doet een man alleen in een park. Een man zonder hond, dat lijkt verdacht. Ook al ben je een natuurliefhebber en geïnteresseerd in de geschiedenis van je stad en noteer je zijdelings her en der een vogeltje, dat, zo eind januari, aarzelend terug migreert vanuit het overwinteringsoord. Het Merwesteinpark, het oudste park van Dordt, 1885, bezit vele monumentale bomen. En je verwacht het niet: heel anno nu, meteen bij binnenkomst ligt er een tegel met QR code. Na scanning krijg je de website van het park en is aan de hand van de nummers bij de bomen opzoekbaar welke boom hier zegenend zijn knoestige takken boven je uitspreidt.

Een zichzelf respecterende stad dient een park te hebben. Het voor de hand liggende Vondelpark, het verrassende Beatrixpark, beide parken bezocht ik regelmatig, noodgedwongen op zoek naar zon en groen vanuit mijn bedompte Amsterdamse woninkjes. Jardin de Luxembourg in Parijs, het prachtig verdiept liggende park in de stad Luxemburg, of het juist hoog gelegen High Barnet in Londen. Groene longen, als ik in een stad ben, na een paar dagen ga ik op zoek naar het park. Even het verkeerslawaai beu. Central Park, New York, dat staat nog op het lijstje.

In het Merwesteinpark was een enorme boom omgewaaid, dat moest ik zien. Op de Reeweg stond een oude, lichte motor geparkeerd. Een Royal Enfield met rode benzinetank. Ernaast in modieus matgrijs een zeer brede Tesla, fraai gecombineerd. Daar, dichtbij het park, op de hoek van de Oranjelaan was ook een boom gevallen. De goede kant op, niet het rieten dak, maar de heg was naar de gallemiezen. Dan is er dus sprake van pech en toch nog mazzel. Er stond geen bordje met een nummer bij. Volgens Google maps was het een enorme cypres. In het park laat ik het hertenkampje links liggen: ik heb ook geen kleinkinderen. Bovendien loopt er een groepje jochies, gewapend met Redbull en in dure jassen. Canada Goose, opeens de nieuwe musthave. Veel te duur en totaal onnodig met die zachte winters van ons.

Daar staat nog een geheel andere boom, een kunstwerk.  Op deze plek stond ooit Villa Merwestein, toen het zomerhuis van de eigenaren van ‘Huis de Onbeschaamde‘, in Dordrecht wereldberoemd. De villa is in de oorlog gebombardeerd, de Duitsers hadden het gevorderd. Nu torent er de witte ‘Levensboom’ van kunstenaar Hans Petri. En dat daar is volgens mij een sequoia.  Zo’n boom die ongekende hoogtes bereikt in parken van een geheel andere orde, zoals Yosemite National Park. Volgens de bomenlijst in de QR code is dit een sequoiadendron, geplant in 1960, zevenenvijftig jaar oud dus. Verderop schemert een berg zaagsel door de bomen. Deze was het dus, nummer honderdvijftig. Een tranenden, Pinus Wallichiana. Nog niet zo heel oud, uit 1975. Toch jammer.

Wat ook heel jammer is, het nieuwe plan om ook van dit park een stuk af te knabbelen. Het ‘Werfje’, een klein gebouwtje, wat dienst doet als schaftlokaal en werkplaats voor het park, wil de gemeente van de hand doen. Er zou dan een stukje park verdwijnen. Een zichzelf respecterende stad hoort zijn parken in stand te houden. Die groene longen voor haar bewoners.

Witte ganzen, zwarte zwanen en rare ganzen, volgens Google (alweer) de Toulouse gans, keuren mij geen blik waardig wanneer ik het park verlaat. De wereld gaat gewoon door met rondjes draaien, of het stormt of niet. En de Dordtenaren leven verder, onschuldig en onwetend van wat hen te wachten staat.

Klunen

Het is weer zover, bijna Kerst. Geen witte Kerst, de kans op sneeuw is uiterst gering. Miezerig mistroostig of waterkoud, daar doen wij het mee. Aan de kades van Dordt liggen de binnenvaartschepen aangemeerd. Even een paar dagen niet onderweg, ze liggen rijen dik. Aan de Buitenwalevest tot zelfs zeven naast elkaar. Die buitenste schipper moet echt even klunen om aan wal te komen. En daar, als je het niet verder vertelt, aan die kade staat het nieuwste bankje van Dordt. Na het vertrek van het bunkerstation, wat daar altijd lag aangemeerd, bleef er een vreemd gat in de kade over. Tot mijn grote vreugde werd het geen extra parkeerplaats.

Nog meer reden voor blijdschap. Het college van B&W gaf groen licht. Hij komt, de brug naar Stadswerven. Een zwaar discussiepunt in de raad. Uiteraard, het wordt een stuk duurder dan beraamd. Logisch zou ik haast zeggen, dat is toch normaal. Dat is altijd zo, dat hoort zo bij dit soort projecten. Maar het is een fraai ontwerp en dat is leuk. Als je dan toch iets maakt, wat toevoegt aan de stad, iets blijvends, maak het dan meteen mooi. Wel zo prettig voor de mensen. En, er wordt al zoveel lelijks gebouwd in de stad. Waar kennelijk geen schoonheidscommissie iets te zeggen had, de projectontwikkelaar sterker was. De macht van het geld. Toch, de plek van deze brug is dermate prominent, zet daar iets moois neer. Hij blijft er ook een tijdje liggen. Een eeuw of misschien wel twee. Zoals de Nieuwbrug, Visbrug, Engelenburgerbrug, allemaal rond 1850 gebouwd. Een brug, die kan iconisch worden. Brooklyn Bridge,  Golden Gate Bridge, dichterbij de Zwaan van Rotterdam. En in Dordt dan de Brug der Zuchten.

Nieuwbouw hoeft niet lelijk te zijn. Loop even het Centraal station van Rotterdam uit, rechtdoor over de Westersingel. Een dolle kermis, een lust voor het oog, genieten. Fantasierijke gevels, die vechten met – en elkaar aanvullen. Anders dan het trieste zooitje op de Spuiboulevard, zeker nu het ook nog allemaal leegstaat. Heel eng, wat gaat daar verrijzen? Alsjeblieft niet ‘historiserend’. Het Openlucht Museum is in Arnhem. Steek je nek uit Dordt, durf! Dat wordt straks roeien tegen de stroom in. Burgers die niks willen, besluitmakers zonder smaak en doordouwers met geld.

Neem nou zo’n bankje, ik ben er blij mee, iemand heeft nagedacht. Het was makkelijk geweest, plemp dat gat dicht, klinkers erin, en hup, parkeren maar. Nee, er was een mens met visie. Daar is plaats voor een eenvoudig bankje, lantaarntje ernaast. Niet verder vertellen, als het wat minder miezert, mistroostig en guur is, dan ga ik daar zitten.

En toch, misschien is het allemaal niet waar. Misschien, als we niets doen, we gaan die lege panden aan de Spuiboulevard weer bevolken, verzinnen we nieuwe bestemmingen. En over honderd jaar houden we ervan, die bouwstijl van de zeventiger en vooruit de tachtiger jaren van de vorige eeuw. Dat vuile beton en het kunststof en het Trespa, we bezien het dan met liefde. Met heimwee naar die tijd, bewaren toch, als een relikwie. De tijd van na de oranje/bruine keuken en voordat alles grijs werd, de tuinmeubelen en het steigerhout.

Het was al maanden later, voorjaar 2018. Een voorjaarszonnetje scheen voorzichtig over de rivier, het was de eerste keer. Doelbewust was ik op weg, het bankje ging ik heen. De kastanjebomen liepen al wat uit. De haven naderend werd die heel speciale geur van het zoete water sterker. Maar wat was dat, het bankje was bezet. Door een ragfijne gestalte die een hoedje droeg. Voorzichtig nam ik plaats nadat ik vroeg of ze geen bezwaar had. Het water kabbelde stilletjes tegen de ruwstenen muur onder ons, nu en dan even opgeschrikt door een voorbijstuwend schip. Ongemerkt was ze opgeschoven en raakte ze mijn arm. Haar profiel was zacht en on-Nederlands tegen de hoekige lijnen van de spoorbrug in de verte.
“Mag ik vragen hoe je heet?”
hoorde ik mezelf plotsling vragen. Zachtjes schudde ze haar hoofd, ze fluisterde :
“Klunen”

formidable

Trug naar Mokum
In het donker komen de villa’s aan de Minervalaan me onbekend voor. De kastanjebomen steken grillig hun takken omhoog. Die herken ik, net als even later de brug over het Amstelkanaal en dan de statige huizen van Amsterdam Zuid. Bekend terrein, hier werkte ik.

In het holst van de nacht wekte de wekker me. Slaapdronken even later op weg. In de mist naar Schiphol, dochter Carol en haar Robert wegbrengen. Ze trekken weer de bush in, Botswana. Met de jeep naar de Okavango Delta. Ik had onrustig geslapen, droomde. Over werk, over een werkgever, over iemand die hem een duwtje gaf. Zo de trap af. Voorover. Alweer vier jaar geleden werkte ik hier. Een laatste zwaai, dan gaan ze langs de douane. Afscheid nemen, toch went het wel.
”Kijk je wel uit, voor die leeuw daar links?”
Gelukkig zullen ze bovenop de auto slapen, in een tent. De optrekjes hier in Zuid zijn prijzig. Voor tachtig m2 betaal je zo vier ton. Ik heb m’n ouwe werkplek gezien en dwaal nu richting centrum. Het is nog steeds heel vroeg en mistig ook. De stad ontwaakt – is niet van toepassing, colonnes fietsers scheuren langs, al of niet verlicht, op weg naar school en kantoor. Ik ben blij dat ik hier niet meer woon, toch is het een fantastische stad. Hobbemakade in die eigenzinnige baksteenbouw. Amsterdamse school, je moet ervan houden. Maar dat doe ik.

De Ferdinand Bol met z’n schreeuwende winkels. Ik loop maar wat en geheel onbedoeld beland ik in De Pijp, waar ik woonde. Op de Albert Cuyp worden de kramen opgebouwd. Uit een bestelbus schalt: ‘Formidable’ van Stromae. Lawaai van rolcontainers in de ochtendstilte. Fel verlicht de ijsbakken van de viskraam. De visboer hamert het ijs kapot. André Hazes zit er nog, in brons.

Ik drink koffie in een hip café, bij een lief meisje met een ring door d’r neus. Even oriënteren, ik liep precies de verkeerde kant op. Dan door de Eerste Jan van der Helststraat, hier woonde vriend Harry. Langs de Amstel, gelukkig, ze liggen er nog, de woonboten. Het Amstelhotel, Carré, de Magere brug over, wil nog een stukje Utrechtse straat meepikken. Hier kocht ik ooit mijn oranje suède Spaanse laarzen, was daarmee de eerste in Zuidwest Nederland. Midnight Cowboy, de film die ik zag in Cineac in de Reguleersbree. Rembrandtplein, oorverdovend, steigerbouwers, vuilniswagens, rolcontainers. UPC-, DHL- en PostNL bezorgauto’s. Langs de Stopera, Mozes- en Aaronkerk. Wat er over is van het Waterlooplein.

Steegjes, grachtjes, even stil. Toch niet, dit is het terrein van de rolkoffers. Daar de Nieuwmarkt, waar ik kennis maakte met traangas. De Nieuwmarktrellen. Het is nu net zo mistig als toen.

De OuweZijds, de gekuiste Wallen, geen hoer te zien. De Zeedijk, langs Kras(napolski) waar mijn carrière begon. Solliciteren op stand, jawel! Op het Damrak proberen te herkennen waar ik mijn eerste maanden sleet. En de smalle raampjes die uitkeken op de Dam. Waar ik me verstopte om even weg te dromen. Verder op het Rokin, de gevel is gebleven, de pui eronder onherkenbaar. In de Kalverstraat zoek ik herkenningspunten aan de gevels ertegenover, deze werkplek is haast niet te vinden. Heiligeweg, Leidsestraat. De Febo is er nog, na het stappen voor de vette bek. Op zoek naar ‘mijn’ café Alto in de Leidsedwars, gaat pas over tien uur open. Het is nog steeds vroeg. Dan maar koffie en broodje Amsterdamse bal in café Mokum op het Leidse plein. Ik kan makkelijk nog drie pagina’s vullen met herinneringen.

Nog even de Bijenkorf in, uiteraard. Of je de hemel betreedt, wit, alles wit en goud en marmer. De juffrouwen met zwart zware ogen, de garçons überhip geknipt met skinny pants. Bijna voel ik me ongemakkelijk hier, met mijn Scarpa Mojito’s. Het is de hel, overdaad, wat hebben we het goed, alles is te koop en ademt luxe, het is teveel. Op het Damrak is nog steeds een donkere dag, druilerig, CS in de verte, de stad verhult zich in mist, toepasselijk. Zo zijn ook mijn herinneringen, onscherp.

Rudolf

Natuurlijk, ik had thuis kunnen blijven. Voor de buis liggend Home Alone 7 kijken of voor de zesde keer naar The Edge of Reason van de onvergetelijke Bridget Jones. Maar dat deed ik niet. Geheel tegen mijn principe stortte ik me in het gewoel. De drukte van de grootste Kerstmarkt van Nederland.

Bijkomend voordeel; dat wandelingetje kon ik gebruiken als ‘herstelloopje’. Beetje bijkomen van gisteren. Een veelvoud van de dagelijks verplichte 10.000 stappen en dan ook nog door overwegend mul zand. Met twee van mijn broers inspecteerde ik de Zeeuwsche kust. Het duingebied daarachter en het aanpalende bosgebied. De weersgesteldheid was van een dusdanige kwaliteit dat we, eenmaal in de luwte van een diepgelegen dalletje, gezeten aan de oever van een rimpelloos ven, aan de overkant een roedel reetjes in eerste instantie aanzagen voor een kudde rendieren. Want koud was het, wind was er ook en regen die net geen hagel was. Het was het verwenweekend. Een vrijdagnacht en een zaterdag waarin ik mijn broers eens ongenadig zou verwennen. Zuurkool lustten ze niet, dus zagen ze zich genoodzaakt dan zelf maar Chili Concarne te maken. In de pauze daar aan het ven aten we ons lunchpakket. De kaas was zout, het brood wat flauw, zoutarm – ik kan niet lezen. Riem spoelde het weg met een kopje warm water, hij lust geen koffie en de theezakjes lagen thuis. Terug over het strand. Maar waar was dat gebleven? Was het de storm, of is de zeespiegelstijging plotseling toch versneld? De uitlopers spoelden soms letterlijk tegen de duinen die verticaal waren afgeslagen. Verwenweekend.

Hoe laat de Sing-a-Long begon, vroeg vriend Chris. Hij was goed bij stem, verzekerde hij me en ook dat hij beschikte over een zuivere bariton. En inderdaad, we troffen elkaar in de rechterhoek van het bomvolle plein. Het stadhuis torende hoog boven ons uit, de muziektent was bevolkt met het roemruchte OUD. Het Official Ukelele Orchestra Dordrecht. Snel klokten wij een beker Glühwein naar binnen en met gesmeerde kelen zetten wij in. De ene Christmas Carol was nog niet afgelopen of OUD zette alweer de volgende in. De menigte zong, deinde en wiegde mee in het moordende ritme van het vrolijke orkest. Onwillekeurig dacht ik onder het zingen door terug. Aan vroeger tijden, hoe ik voor het eerst als kind mee mocht naar de Kerstnachtdienst in de Grote Kerk. Waar het steenkoud was en de verlichting de hoge gewelven amper kon bereiken en hoe het orgel dreigend dreunde. En het mooiste was, toen we in mijn kinderogen, midden in de nacht buiten kwamen. Er was geruisloos, terwijl wij Stille Nacht zongen, een wit pak sneeuw neergedaald. En ik liep hand in hand tussen mijn vader en moeder stilverwonderd door de witte wereld naar huis.

‘So here it is, Merry Christmas
every body is havin’ fun
look to he future now
It’s only just begun
De menigte brult het keihard mee en springt op en neer met dit lied van Slade uit 1973, zodanig dat de glimmende kasseien er eens goed voor gaan liggen.

Toen ik iets groter was, maar nog steeds klein, had je daar de Volkskerstzang. Een massaal zanggebeuren in de veiling en heel toepasselijk gezeten op houten veilingkisten. En ik stond als, wat nu Scout heet, padvinder daar, in de korte broek, op een heel koud en donker parkeerterrein het verkeer te dirigeren. Veel indruk op de bestuurders maakten mijn spillebenen, ook toen al, niet.

Zoals het een beetje pensionado betaamt, heb ik nooit tijd. Zo vaak trad OUD al op en nooit lukte het. Nu ben ik er en daar staat ze, vriendin Belinde. Helemaal rechts en helemaal rood. Rode muts en fleece en Schots geruite broek. Speelt zich de blaren op de vingers met die harde ukelelesnaren. Vol overgave zingt ze over Merry Christmas, over Silent Night, en ene Rudolf, een rednosed raindeer.

trug naar Utrech

‘Deze bus vertrekt over 4 minuten’. Dat staat boven de voorruit van de Q-liner en inderdaad, stipt op tijd vertrekt Arriva lijn 388, met mij als enige passagier aan boord. Onderuit in blauwe fauteuil, telefoon inplugbaar boven me, helaas nog net geen wifi. In één keer door, geen haastig overgestap in Rotterdam of Geldermalsen. Twee haltes verder begroet ik vriend Wim, Utrecht is de bestemming. Deze tijdcapsule, bestuurd door een jonge vrouw glijdt ons terug naar een stad uit mijn jeugd. Veel oog voor de buitenwereld hebben we niet; druk in gesprek. In het jaar dat The Beatles uit elkaar gingen verhuisde ik erheen. En in dat jaar was er nog een fraai station. Het moest plaats maken voor Vredenburg, het theater op het gelijknamige plein. En Hoog Catharijne, het veel bekritiseerde winkelcentrum, dat nu dus alweer op de schop ging, evenals het nog steeds onzichtbare station. Enfin, nu blijkt het mogelijk ook buitenlangs te gaan, richting binnenstad.

Heeft niet iedereen dat, een enkele keer naar een plek gaan waar je hebt gewoond. In een poging, die bij voorbaat is gedoemd te mislukken, iets te voelen, je te herinneren, van toen. Je jeugd, je onbekommerdheid, het optimisme. De wereld lag aan je voeten, alles kon. Dat vooral, dat gevoel wil je bovenhalen. Dat geluk van die tijd, toen de zomers lang waren en warm.

Eerst koffie en dan naar Pyke Koch, de enigszins fout-in-de-oorlog schilder. Exact tegelijk herkennen we een frappante gelijkenis: Kitty Courbois. Vlak voor haar overlijden stond ik nog oog in oog met haar op het Java eiland. Dwalend langs de Oude Gracht herinnert Wim, zeer bekwaam in nutteloze feitjes, zich het nummer: 341, daar woonde Koch. Meer koffie bij Blackbird, coffee and bikes. Voor ons, met onze voorliefde voor de fiets en alles wat daar om heen hangt, is dit een ‘mustsee’. Aan de muur retrobikes en in de werfkelder nog veel meer.

Die Gracht, die goot, de kloof die de stad in tweeën scheurt, de rode draad die niet van veel betekenis is geweest in mijn verdere leven, helpt echter nu weer de weg te vinden, wijst de richting naar waar ik woonde, toen. Uit vage herinnering puttend en verder geholpen door google maps lopen we naar de straat waar mijn school was. Het klassieke gebouw met hoge lokalen en houten vloeren, terra cotta in de koude gangen, het glas in lood boven de trap, het is er niet meer. Een nietszeggende façade van baksteen en beton is er voor in de plaats gekomen. Die school, waar wij ons artiesten waanden. Met verf bespatte kleren en onze laarzen zilver gespoten. Het was er altijd kil en de toiletten waren smerig. Op de blog van mijn leerjaren ben ik onzichtbaar. Merkwaardig, ik sta op geen enkele groeps-, of klassenfoto. Vaak was ik afwezig, maar zo vaak?

Toeval leidt ons naar het armzalig pension waar ik de eerste maanden verbleef en waar je je ’s avonds een weg moest banen tussendoor de prostituees. Evenals de Pijp in Amsterdam, waar ik later woonde, nu opgeknapt en een gewilde plek voor jonge gezinnen. Dan over het Janskerkhof waar ik het licht zag worden door de gebrandschilderde ramen van de kroeg. Het studentenleven, soms dagenlang leven van statiegeld en geleend brood. Steeds meer komt terug, de Q-liner stopte in Jutphaas. Dus daar woonde ze, toen, dat meisje uit de klas, waar iedereen verliefd op was.

Het was de tijd met de muziek van Jetro Tull – ik fluit het soms nóg – van op je ouwe rammelfiets door de stad crossen, op je blote voeten door het park lopen, de arme hippe artiest spelen. Voor de eenvoudige jongen uit de polder was Utrecht de grote stad. De polder die hij ontvluchtte, de drang naar de anonieme vrijheid van de city. Het is er nog veel drukker geworden, massa’s op de fiets, het kost zelfs moeite om Neude over te steken. Ik wil Wim de Florin laten zien, in mijn ogen toen zo studentikoos. En dan weer terug over de Oude Gracht, ik herken het pand, hier zat de Slechte. Uren bracht ik er door, kunstboeken bladerend. Ik ruik de geur weer zelfs.

Tenslotte belanden we in de Winkel van Sinkel, met de pui die iedereen kent, met de karakteristieke beelden. Belgisch bier en Franse wijn. Op de reünie van school die hier gehouden werd, ontbrak ik. Uiteraard, reünies moet je mijden als de pest. Liever het klein houden, met een goede vriend op sentimental journey, terug naar een tijd waarin de toekomst nog moest beginnen. Een toekomst die even geheimzinnig was als nu die vervaagde herinneringen.