Alle berichten door dentoonder

Oop

Niemand, echt helemaal niemand kan dat nu eenmaal voorzien. Dat een brandstapel van 48 meter hoog met wat wind uit zee hier en daar een vonkje doet opwaaien, dat verwacht je niet. Daar moet je misschien de leeftijd van de zeer wijzen voor bereikt hebben, vele fikkies illegaal, binnen de bebouwde kom, in je eigen beboste tuin, dikwijls uit de hand gelopen, zelf gestookt hebbende, om dat te weten. Daar moet je Oop, zoals mijn kinderen hun opa noemden, Opa voor zijn. Ingewikkeld intro wellicht om tot dit punt te komen. Eindelijk is het zover, en het is waar, het is bijzonder wanneer die gillende opahormonen eindelijk tot rust komen. Het is daar, het beweegt en het poept en het maakt geluid.

En daarmee samenhangend ook weer die boosheid – met die leeftijd misschien – het niet kunnen begrijpen, dat het allemaal maar door kan gaan. Brandende torens en nitraat bommen in de vorm van vuurwerk. Gewoon weer zeventig miljoen in rook opgegaan. Oudjaarsmiddag fietsend door de polder, in de verte rommelt de stad, als een slagveld in de verte. Die avond, het was nog lang voordat de laatste seconden afgeteld gingen worden, deze Oop werd haast agressief. Weer een Zena Toro, een Thunder Cracker. Bhumm! Ging er maar één procent van die zeventig miljoen naar bijvoorbeeld dat ene doel, stichting Microcare Nepal. En daarvan een heel klein deel naar Rilly Gurung, een jonge weduwe met twee kleine kinderen. Die keien vergruizend met een klauwhamer een paar roepies probeert te verdienen. Als kerverse Oop grijpt zo’n filmpje je dan des te meer aan.

Het leven kan soms kabbelen of ook heftig op en neer gaan. Met hoogtes en dieptes. Soms zelfs in eenzelfde jaar. Steeds weer wordt me gevraagd: Trots? Ben je een trotse opa? Lastig uit te leggen, trots, dan kun je zijn wanneer je iets hebt gepresteerd, een bepaalde afstand binnen in een bepaalde tijd hebt afgelegd, een boek geschreven, een molen exact op schaal met afgebrande lucifers. Trots, een negatieve klank, dan liever blij. Emoties kunnen hoog oplaaien, wanneer een pasgeborene ook nog naar je net overleden moeder blijkt vernoemd. Flauwekul vond je. Maar nu effe niet. Ook niet trots, vertederd is het woord.

Lijstjes heb je als Oop niet, had je die, kon je nu iets afstrepen. De Top 2000, al jaren volg je dat, verslingerd aan muziek. Als kind al, kende je de top veertig uit je hoofd. Elke week de nieuwe halen in de platenzaak. Met je vrienden overhoorde je elkaar, op welke plaats staat nu… Nu eindelijk dan, in het Top 2000 café. Overal camera’s, bijna 24-7 ‘on air’, op tv. Even heel kort meedeinen, in de verte staat, achter glas de dj, die kondigt het volgende nummer aan:
“Op 713, Cat Stevens met ‘Father and son”.
“Die ken ik”, brult Oop naar zijn vrienden, (allemaal Opa’s):
“Ik had die elpee; Teaser and the firecat”.
En je vertelt er niet bij dat je eindeloos dat ene nummer draaide; ‘How can I tell you’ ( that I love you) daarbij wegdromend aan dat ene, dat onbereikbare, betoverende meisje. Waarom zijn er in die lange lijst zoveel totaal onbekende nummers, waar was je toen? Volledig gemist. Hoezo komt bijvoorbeeld Candy Dulfer’s ‘Lily was here’ in de hele lijst niet voor? De onbetwiste nummer één hit aller tijden, staat slechts op een bescheiden 1486ste plaats, Carlos Santana met ‘Europe’. En dan is opeens die camera daar. ‘Everyone will be famous for five minutes’, zoals Andy Warhol zei. Oké, het waren vijf hele trage seconden, je moet ergens beginnen.

Rilly Gurung, in Nepal, hoeft niet beroemd te worden, misschien wordt haar filmpje toch een hit en kan ze die klauwhamer wegleggen. Zie: https://youtu.be/WdjNsLN3ziE

Meet and Griet

Lang van te voren wist ik, inside information, dat ze zou komen, Griet Op de Beeck. Daar moest ik bij zijn. Mijn vriend Wim houdt een plaatsje voor mij vrij. Zoals alle Nederlandse mannen met een beetje gevoel voor taal en bruine ogen was ik voor haar gevallen. Het overrompelende debuut op tv, in de talkshows, het charmeoffensief in ‘Zomergasten’, nog voordat die meeste Nederlanders iets van haar hadden gelezen, was als een mokerslag. Nu komt ze vertellen in Papendrecht en dat kan ze, praten, vertellen. In die prachtige taal van haar, Zuid- Nederlands, noem het Belgisch. Zoals mijn nichtjes spraken toen, die zelfde klank daar in Zeeuws Vlaanderen.

Het zaaltje zit vol, keurige dames, de meeste van zekere leeftijd, een enkele heer. De micro doet het niet, batterijtje leeg, het wordt opgelost en dan steekt ze van wal. Een waterval van woorden zonder een enkele hapering of een eeeh… Meteen ook het diepe in, haar coming out, in die tijd van nog net voor de mee-too hausse. Wat een storm van verontwaardiging veroorzaakte, dezelfde Nederlanders lieten haar vallen. Commercieel effectbejag. Haar verhaal doet alle twijfel teniet. Hoe ze begon als schrijver en nu dan hier staat, achter een grijze katheder op een gestreept tapijt in Papendrecht. Hoe ze hoopt dat wij haar boeken zullen lezen en misschien ook een beetje van haar willen houden.

Gisteren beleefde ik een geheel andere emotie. Op de Kerstmarkt in sprookjesachtig donker Dordt was daar de Sing-a-long. De band speelde hard onder de oprijzende neoclassicistische zuilen van het Stadhuis. Het publiek zong uit volle borst mee met ‘Let it snow’ en ‘Winter wonderland’. De kasseien deinden mee met de meute en het dak ging eraf tijdens de uitsmijter; ‘Merry Xmas Everybody’ van Slade. We schreeuwden letterlijk mee. Leuk en gezellig, maar met Kerst had het weinig meer te maken.

Griet leest een hilarisch verhaal uit ‘Gij nu’. Over een onaangename verrassing die ene Kathleen aantreft in het toilet van haar nieuwe werkgever. En hoe zij dat oplost. En dan weer verder, met haar betoog, ze heeft een boodschap. Die eigenlijk hetzelfde is als dat prachtige gedicht wat ze voordroeg, na die vreselijke aanslag in Brussel met dertig doden. Enkele zinnen hieruit:
Laten we geen engelen zijn, maar als het kan toch ook geen duivels.
Laten we mensen zijn. En helemaal onszelf worden, niet wie we denken dat anderen wilden dat we waren.
Laten we moed houden, durven wankelen en redden wat er te redden valt. Onszelf bijvoorbeeld, en elkaar.
En laten we begrijpen wat de liefde is, onthouden dat dat alles is, of toch bijna.
Laten we durven.

Nadat de micro nogmaals is uitgevallen en Griet ons allen heeft uitgenodigd eerlijk te zijn, niets onder het tapijt te vegen, kijkt ze ons liefdevol aan, met die bruine kijkers. Haar laatste woorden zijn, ook nu: ”Laten we durven:” Mijn vriendin Christa, die Griet ook introduceerde, bedankt haar nu, met: “Lieve Griet” en ik denk een trilling in haar stem te horen. En ik denk dat we dat allemaal zo voelen. Bij het vragenkwartiertje komt Christa naar mij toe, eén blik is voldoende.

Even later moet ik volgas geven, de Merwedebrug op, voeg met geweld in op de N3. Op de radio speelt ‘Driving home for Christmas’ en ik zet de volumeknop op vol. Dat moet.

De Overkant

Jos. Zo nam ze de telefoon op, mijn moeder: “Met Jos”, of; “Met Jos den Toonder.” Hoeveel keer zou ik  dat gehoord hebben. Meestal belde ik haar om de andere dag, een enkele keer elke dag, de laatste jaren. Soms ook sloeg ik weleens een paar dagen over. Dan kon ik het even niet meer hebben, altijd dezelfde verhalen over alle klachten. Naast alles wat ze mankeerde, bedlegerig, de pijnen, steeds blinder wordend en die merkwaardige kwalen die ze had, of dacht te hebben. Zenuwpijn, de drainage, neuropathie. Wanneer ik dan toch weer opbelde, zei ze; “Was je me vergeten?”

Maar ik mis het. Ik mis haar en haar belangstelling en luisterend oor. Al zevenzestig jaar was ze mijn moeder, ze leerde me het leven, het pad. Ze gaf me kleurgevoel, zachtaardigheid. Mijn drift, dat heb ik van een ander, van pa, al negenendertig  jaar dood. Altijd nog praatte ik met hem, als de witte molen opdoemde, achter het viaduct. Met tachtig kilometer rij je erlangs, precies daar, bij de rode beuk, daar is hij begraven. Het sneeuwde toen, de grond was hardbevroren. De hoop grond naast het open graf leek een berg met besneeuwde top. In de verte sloeg de kerkklok, eenzaam, ritmisch en kil. Toen de kist neerdaalde, steeg er een duif op vanuit de boom, symbolisch. Nu ligt zij er ook, Jos, liggen ze er samen.

 ‘Ample make this bed.
Make this bed with awe;
In it wait till judgment break
Excellent and fair.

Be its mattress straight,
Be its pillow round;
Let no sunrise’ yellow noise
Interrupt this ground’.
-Emily Dickinson-

Het was een warme middag en het waaide. De rode beuk liet zijn blaadjes ritselen. Ik las met luide stem, om mijn emoties te overschreeuwen, een gedicht voor. ’De allerlaatste reis.’ Ik was gespitst op weer een teken, een duif of iets van die andere zijde. Pas later realiseerde ik het me. Dat moment op de onderste flanken van de Matterhorn, enkele weken eerder, toen op mijn omkeerpunt, dat was het geweest. Toen ik me afvroeg of ze nog leefde. Precies dat, op het moment dat ik de laatste, hoogste foto wilde maken en mijn moeder belde, wachtte op: ”Met Jos”, verschool de top die al die dagen helder in zicht was geweest, zich in een wolk. Ik zag er toen al een symboliek in en nu des te meer. ‘De allerlaatste reis’ verwaaide in de wind. Het verkeer op de Patijnweg ruiste, verstoorde de stilte van deze mooie grond.

 De allerlaatste reis
En ik zal gaan.
En de vogels zullen blijven zingen en mijn moestuin zal blijven
met zijn groene boom en zijn witte waterput.

 Alle avonden zal de hemel blauw zijn en vredig en zullen de klokken van de klokkentoren luiden zoals ze vanavond luiden.
Ze zullen sterven, zij die me liefhadden en elk jaar weer zal het dorp veranderen
en in de hoek van mijn bloeiende moestuin zal mijn ziel rondzwerven, nostalgisch.

 En ik zal gaan, en ik zal alleen zijn, ontheemd, zoals de groene boom,
zonder witte waterput, zonder blauwe en vredige hemel.
En de vogels zullen blijven zingen.
– El viaje definitivo – Juan Ramón Jiménez, 1905-

 De grote stad lonkte naar me, weg uit de provincie en Jos kwam wat graag logeren. We zwierven door de stad, Hotel Americain, het Concertgebouw, de Bijenkorf, het Rijks en het Stedelijk, naar de film in Tuschinsky. We gingen naar Parijs. Ik stuurde haar op schilderles, talent, ze had het wel. Later zocht ik haar weer op, ze wachtte me op met haar witte Golf of rode Panda voor een lunch, ergens in die provincie. We zaten aan haar geliefde Westerschelde, daar aan de overkant wisten we haar geboortegrond. Bijna drie maanden is het nu, toen ze vertrok naar de overzijde. En het went niet erg. Rouwen, het is een proces wat tijd kost. Het moet slijten zeggen ze. En het zijn fasen, waar je doorheen moet. En daar hoort kennelijk ook spijt bij. Had ik niet beter dit, of had ik niet beter dat. Ben ik tekort geschoten? Zo fiets je genietend door de polder die in de greep raakt van de herfst. Zo fiets je met beslagen brillenglazen. Is het verdriet, gemis, of schuldgevoel? Jos was dus al negenendertig jaar alleen, taalde niet naar een andere man. Ze miste Pa nog altijd. ”Later, zullen we samen zijn”, zei ze. Op het laatst wist ze dat toch niet meer zo zeker.

Het went nog niet, steeds wil ik haar bellen, het zit zo diep in mijn systeem. Even vertellen, wat er gisteren was. Die volgende dag, na de begrafenis, wilde ik haar bellen hoe het was. Toen bedacht ik me, o nee, dat kan niet meer, ik heb haar nummer niet. Wanneer ik voorbij rijd en in de verte de rode beuk zie, zal ik zwaaien, in gedachten naar haar, naar Jos.

 Als liefde zoveel jaar kan duren…. 
dan moet het echt wel liefde zijn…….
ondanks de vele kille uren…
de domme fouten en de pijn….
-Herman van Veen-

Alleen de wind weet

De man zonder zorgen stapte in zijn zwarte middenklasser en vertrok. Zachtjes neuriënd, Racoon op de radio met ‘No mercy’, reed hij de straat uit, een straat waar op een enkele moeder-met-kind, een papa met pappadag na, alle bewoners aan het werk waren. ‘No mercy for the king, no mercy for the soldier’. Even aarzelde de man, links of rechts, sloeg toen resoluut rechtsaf. Zwaaide naar de bakker met zijn ouderwetse, of was dit retro, elektrische bakkerskar. Relaxed reed hij als een man zonder zorgen door zijn wijk, verouderde nieuwbouw, waar de eerstgeplante bomen alweer gekapt werden. Langs het sfeervolle winkelcentrum reed hij, waar zojuist geopende winkels gesloten dreigden te worden. Sfeervol met een concept, wat in de jaren dat het gebouwd werd, al gedateerd aanvoelde. Maar, zo dacht de man, terwijl hij vaart minderde voor de, de zebra overstekende rollator, en hij glimlachte daarbij, bij het vaart minderen:
“Ach, misschien vinden we dit later dan weer wel mooi”.

Bij het optrekken plette zijn rechtervoorband een plastic flesje Spa of van een ander merk. Daar doemde het ziekenhuis op, het was er vreemd stil, het parkeerterrein leeg. Failliet, van de ene op de andere dag gesloten. Patiënten zoeken het zelf maar uit. Grappig, dacht de gezonde man, hoe in dit rijke land dingen gebeuren, die zelfs in de armste landen onbestaanbaar zouden zijn. Derde wereld praktijken. Nu was het zaak even op te letten, ging hij nu meteen de rondweg op of toch maar via de stad? Toch maar even uitstellen, besloot hij. Destination unknown. Ja, dat was het, het moest zolang mogelijk geheim blijven. Wachtend op groen licht trommelde hij op het stuur. Neuriede, nee zong mee met Wende: ‘Alleen de wind weet, wat alleen de wind weet’. En stopte er abrupt mee, voelde het, de auto naast hem keek. Een melkwitte VW Golf, een vrouw met verschoten blond haar lachte naar hem. Hij lachte ook, beschaamd en Groen! gaf gas, meer dan hij gewoonlijk deed. Merkte dat hij bloosde en miste de afslag, gleed de rondweg op, weliswaar nu de andere richting op. Noordwaarts. Perfect! Dacht de man zonder zorgen.

Jammer dat de toegestane snelheid hier honderd was, liever reed hij tachtig nu, of nog langzamer. Het zonlicht viel heel cliché met gouden strepen doorheen de bomenrij die het bladeren deed regenen. In de spiegel zag hij het oranjegeel opwaaien in zijn kielzog. In gedachten was hij ver weg. Traag reed hij over de Strip. Vanaf Los Angeles (El.Ee.) naar Vegas en dan door naar Monument Valley. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes tegen de laagstaande zon. Langzaam passeerde hem een auto, het was de vrouw met het blondverschoten haar. Even keek hij opzij en het leek of ze lachte, alweer. Hij kreeg het er warm van en gaf iets gas bij. Wel op voldoende afstand, bumperkleven, o neen, daar hield hij absoluut niet van.

Sophie Verhoeven vertelde op het elf-uur journaal dat Brazilië een nieuwe president had gekozen. De ultrarechtse Bolsonaro, de homofobe, racistische oud-militair.
“Toch jammer”,
dacht de man, terwijl hij net als de Golf voor hem, de linker clignoteur aanklikte.
“Toch jammer, dat ze die Bolsonaro toen niet meteen echt helemaal dood hadden gestoken”.
Langzaam kwam hij tot stilstand. In de achteruitkijkspiegel keken twee ogen hem aan. Noordzee-met-mooi-weer-blauw. Het geeloranje knipperen van de richtingaanwijzer deed deze ogen ritmisch oplichten. Hij glimlachte weer en terwijl de jingle van Beterbed.nl door de zwarte middenklasser schalde, trok hij op, sloeg linksaf, gaf meer gas en voegde keurig in op de A16. Vrijwel synchroon met de melkwitte Golf. Zorgeloos.

 

About Schmidt

Laten we het erop houden dat de winkel waar het hierover gaat Schmidt heette. En dat het een winkel was met gebruiksartikelen. Een reeds lang geleden opgerichte winkel, die in de vestigingsplaats en tot ver daarbuiten, goed bekend stond. Zodat je wist, dat je goedkeurende blikken kon verwachten, wanneer je nonchalant vermeldde, dat het hier handelde om een gebruiksartikel dat je onlangs bij Schmidt had aangeschaft. Het spreekt voor zich dat de vestigingsplaats in het fijne deel van het land was gepositioneerd. Ook de familie Schmidt was van het keurige soort, welgesteld, oud geld. Dat de oude meneer Schmidt in de oorlog misschien niet helemaal zuiver op de graat was geweest, zand erover.

De zoon die hem opvolgde, moderniseerde en deed de zaak verder opbloeien, meerdere filialen werden geopend. Met zijn gulle lach stond hij altijd met een nul voor. Naar zijn personeel toe was hij eveneens bijzonder hartelijk: “Alles goed thuis?, Jawel meneer, dank u voor de navraag.  Fijn, fijn, en met de vrouw ook? Prima meneer. Goed zo en met de kinderen? Ik heb geen kinderen, meneer. Mooi zo, fijn, fijn.”  Meneer Schmidt verkocht zijn goedlopende winkel aan een buitengewoon betrouwbare firma in een naburig buitenland. Zelf trok meneer Schmidt, een verstandig mens, ook de grens over. Daar was gunstiger; ‘om wat spek op de botte te houwe’.

Sommige personeelsleden kwamen en bleven, anderen vertrokken bijzonder snel. Een die lang bleef was Smit. Binnengehaald voor een laag salarisje. Smit werkte hard, hij had overduidelijk lol in zijn werk. Reisde stad en land af en behaalde goede resultaten. Dat bleef niet onopgemerkt en de zonen van meneer Schmidt, die inmiddels de firma hadden teruggekocht, waren wat blij met Smit. Om hem tevreden te houden gaven de heren Schmidt hem steeds wat meer salaris. Niet teveel, dat spreekt voor zich. Zoals het goede middenstanders betaamt, streken zij, de heren Schmidt, bij voorkeur zoveel zelf mogelijk op. Smit was vijfentwintig jaar aan de zaak. Dat werd groot gevierd en Smit kreeg het: bruto – netto.

De twee zonen, de heren Schmidt kregen mot, onenigheid in de familie. Het vergaarde kapitaal dreigde op te lossen, het verdampte. De handel zakte ineen. Meneer Schmidt junior en meneer Schmidt junior voerden een schrikbewind uit onder hun personeel. Wee degene die hen in de weg zat. Zij werden weggepromoveerd, naar een ver filiaal. Zij werden getreiterd en gesard, tot ze vanzelf ontslag namen. Voorbij, de goede tijden van weleer, de zaken gingen steeds slechter. Hun wegen scheidden. Voor Smit braken donkere tijden aan. Door de tanende verkoop was er minder budget voor inkoop. Door de beperkte voorraad werd er minder verkocht. Zodoende kon er minder worden ingekocht.

Op Smit had meneer Schmidt jr. geen vat. Smit ging zijn eigen weg, zoals hij al zoveel jaren deed. Min of meer eigen baas. Op kantoor geroepen, ‘kanteur’, in de gênant bekakte spreektaal van de Schmidt’s, zat hij met een kleine glimlach om de lippen. Hij fantaseerde, zag het voor zich, de enigszins verwassen boxershort die, onder het bureau, zich om de knokige knieën van zijn werkgever vouwde.

‘About Schmidt’, de film over de werknemer die met pensioen gaat, met in de hoofdrol, Jack Nicholson. Die alles keurig achter laat voor zijn opvolger. Die drie weken later nog eens terug gaat, zou alles goed gaan zonder hem? Hij vindt het antwoord buiten; alle ordners, facturen, alles van de pensionado, in de container gedonderd.

Zo voelde Smit zich, buiten gedonderd. Achtendertig jaar had hij gewerkt, zijn leven gegeven aan de fijne familie Schmidt, de gegoede familie, meneer Schmidt jr., vroeg uit bed om op tijd te zijn. De hele dag volgas. Pas laat kwam hij weer thuis, ver na de avondfile. De ene na de andere vestiging sloot zijn deuren. Steeds minder werk had Smit. Nog een wurgcontractje had hij. Tot hij er zelf de brui aangaf, moegestreden. Een slap en vochtig handje van meneer Schmidt jr. bij de achterdeur, in de steeg. Dat was zijn afscheid. “Beste vent, als je nog eens in de buurt bent, loop effe binne voor een kop koffie

Stopman8

Het kost enige moeite om het pension te vinden. Pension Stopman8. Het Zwitserse dorpje is klein en compact. De eeuwenoude houten huizen zijn dicht opeen gebouwd. De straatjes ertussen smal en steil op- of aflopend. In de beschrijving werd aangeraden bij de kerk te parkeren en dan lopend op zoek te gaan. En dringend wordt verzocht – Unbedingt! – slechts aan te bellen bij de echte Stopman8.

Aarzelend gaat de deur open en een lange man kijkt ons vragend aan. Op de vraag of hij Herr Liebermann is komt een knikje. De uitgestoken hand wordt al even voorzichtig beantwoord. Eenmaal binnen, in de keuken, biedt hij ons water of Cola aan en schenkt dat razendsnel in. Daar zitten we, aan de keukentafel en plichtmatig stelt hij enkele vragen over onze reis die wij even formeel beantwoorden. Door de ongemakkelijkheid van de gastheer voelen wij ons niet bepaald op het gemak, proberen het ijs te breken. Ook dit huis is van keihard, zwart verweerd larikshout, hierbinnen is daar niets van te merken. Witte gestucte muren, lichthouten deuren die wel nieuw lijken. De keuken is wat gedateerd maar licht en alles is brandschoon. Opeens grijpt Liebermann achter zich een klein boekje met ouderwetse doordrukvelletjes. Dat wordt met grote snelheid door hem ingevuld en afgescheurd. Afrekenen, contant of pin? En o ja, natuurlijk mogen wij de kamer zien.

Voor ons uitlopend dirigeert hij onze auto naar de privéparkeerplaats. Met onnavolgbare bewegingen wijst hij hoe ik moet rijden door de steegjes, tot ik met de nodige moeite op een schuin aflopend stukje grond parkeer. De kamer is gemeubileerd met een mix van tweedehands hotelstoelen en -bedden. Twee verschillende dekbedden. Op het bureautje ligt een stapeltje rafelige handdoeken in diverse kleuren. Maar, het is alles heel schoon. Verschoten posters aan de muren, Berlijn, New York en de Middellandse zee. Het ene raam biedt uitzicht op het balkon van de overburen, zo dichtbij dat het haast is aan te raken. Het andere op de witte kerktoren die, ook vlakbij, boven de huizen uitsteekt. Daarachter de hoge horizon van bergen, ook niet ver weg.

De volgende ochtend blijkt de tweede badkamer verrassend nieuw. In de keuken is voor drie personen gedekt. Liebermann ontbijt met ons mee. En weer is het stil en proberen wij opnieuw de spanning te breken. Ik moet een glimlach onderdrukken, hoe hij zijn boterham besmeert, vliegensvlug en uiterst nauwkeurig. Gisteravond ontdekten we dat alle huizen en schuurtjes voorzien zijn van hetzelfde logo: Stopman8. Mijn vraag of hij gaat uitbreiden – grapje – wordt heel serieus beantwoord. Opeens komt hij los en vertelt. Dit alles was het boerderijtje van zijn ouders, ze hielden schapen. Schapen zijn vies, ze stinken en leveren niets op, volgens hem. Postzegels, daar loopt hij warm voor. Hij verzamelt ze. We spreken over de teloorgang van de posterijen, verdwijnende brievenbussen. In elk Zwitsers dorp een Hotel Post, de postkoets. De Stockalperweg, de oude postweg, die de GGE bewandelde, hij kent het. Hij weet alles. En wandelen, dat deed hij ook, naar Santiago onder meer.

Eigenlijk hebben we haast, we moeten door, naar de Matterhorn. Maar we komen niet weg voordat we het museum hebben gezien. Hij kiept de kruimels uit de broodzak in zijn mond en gaat ons voor naar zijn museum. Rammelende sleutelbossen en daar gaat de poort open van zo’n zwarte schuur. Snel knipt hij wat lampjes aan en wat tevoorschijn komt, het is ongelooflijk. Letterlijk alles is bewaard, het gereedschap van de boerderij, beitels, zagen, allerlei zeisen, sleden waarmee men in de bergen werkte. Dan gaan we naar een andere afdeling. Postzegels en de voettocht naar Santiago, uitputtend gedocumenteerd. Maar het mooiste moet nog komen. Zijn wiegje, de kinderstoel, alles uit zijn jeugd. Leesboekjes, tekeningen. Met als klapstuk, Liebermann opent de deur van een zeer oude kast en daar liggen, keurig in het gelid, opgevouwen, plank na plank, al zijn kinderkleertjes. Pension Stopman8, echt, een aanrader!

Oud-zuid

Zacht, heel zacht sloot ik de zware voordeur achter me. Behoedzaam opende en sloot ik de deur van de binnenhal, waar het altijd donker was. Nog voordat mijn kamer bereikt was, klonk de bevende, wat geaffecteerde stem uit de woonkamer: ”Gerhard, ben jij dat jonge?” Weer niet gelukt, betrapt. Mevrouw Schönenfeldt, de stokoude dame was niet zo doof of het geluid van de voordeur hoorde ze. Ergens had ik met haar te doen, haar wereld was niet groter dan dit huis, buiten kwam ze niet meer. Ze was Joods, in de oorlog was haar man en hele familie afgevoerd en vergast. Er was nog een zus in Londen en een neef in Parijs. Alleen met de neef had ze nog sporadisch contact, hij was professor aan de Sorbonne, vertelde ze me trots. Verder was er Reina, een Jordanese vrouw, die schoonmaakte en voor de boodschappen zorgde. En ik dan, de kamerhuurder.

Het was zo’n typische Amsterdam oud-zuid woning, het sjieke deel, vlakbij de Apollolaan. Een hoekhuis, met weinig ramen, die ook nog klein waren. De woonkamer, ook al donker, op het noorden en onder een balkon, was ingericht met zware klassieke meubels. Een grote sofa, glimmende kasten van palissanderhout met laden vol zilveren bestek. “Alles gekocht bij Pander In Den Haag”, zei mijn hospita met glimmende oogjes. Midden in de kamer stond een schommelstoel pontificaal voor een bakbeest van een tv. Overdag zat ze daar wat in te dutten tot het zes uur was. Dan ging de tv aan en met aanzienlijk volume. Mijn kamer was piepklein, maar gelukkig aan de zonkant en grenzend aan de kleine binnentuin, waar het doodstil was.

Er komen er steeds meer; Stolpersteine. Struikelstenen, de koperen steentjes in het plaveisel voor het huis van waaruit in de oorlog Joden werden afgevoerd. Er zijn er nu, verspreid in Europa al 65000. In zo’n steen staat de naam, geboortedatum en de sterfdatum in het desbetreffende kamp.

Steeds vaker wachtte ze me op, als ik thuiskwam van het werk. Met de tv gids in de hand, of er wat voor me bij was. Ik kon niet altijd nee zeggen. Ik lag dan onderuit op de sofa, die was zo breed, daar viel niet op te zitten. Eens was er een concert met de Joodse sterviolist Yedudi Menuhin. Onvast neuriede ze mee, keek schalks naar mij; “Dat zijn toch altijd weer de Joden hé!” Haar scherpe profiel afgetekend in de donkerte tegen het flikkerlicht van de tv. Het lot had ons hier samen gebracht. Ze leek uit een andere tijd te komen, met het lange verleden achter zich. In haar ogen meende ik het leed van de wereld te zien, maar ook liefde. Liefde voor mij, de kamerhuurder.

Dikwijls vertelde ze opnieuw het verhaal over haar man en zijn bedrijf. Hij handelde in auto’s. Op vrijdag braadde ze een hele kip. Met het keukenraam dicht, afzuiging was er niet. Lang bleef het mistig binnen. Het zwart granieten aanrechtblad druipend van het vet. Een enkele keer ging ik in bad, nadat ik dat eerst had schoongeschrobd. Reina was ook op hoge leeftijd en maakte niet veel werk van de schoonmaak. Wanneer ik lag te weken werd er steevast op de deur geklopt: “Gerhard, leef je nog?”

Op een nacht werd ik wakker, vreemde geluiden in de hal. Ze klampte zich vast aan de deur van haar slaapkamer en ze zakte in elkaar. Ik kon haar nog net opvangen. Toen ik probeerde het kleine broze vrouwtje naar de sofa te krijgen, liet ze alles lopen. Een uur later lag ze in WG, het Wilhelmina Gasthuis. Ze had een hartaanval gehad. Ik was meegegaan in de ambulance en moest maar weer zien thuis te komen met een nachtbus. En op zoek naar ondergoed en pyjama’s in een van die grote kasten van palissanderhout.

Toch kwam ze terug in haar huis en knapte weer wat op. Ik verhuisde naar een geheel andere manier van wonen. Woonde ik eerst op stand, nu in een warme buurt, de Pijp. Mijn voordeur was die van een winkel, waar ik doorheen moest. Nu zou het vintage heten, toen nog gewoon een rommelwinkel. Later wilde ik nog eens op bezoek gaan bij mevrouw Schönenfeldt. Het kleine luikje in de deur werd niet geopend. De bovenbuurvrouw vertelde me dat ze een maand geleden was overleden.

Soms valt mijn oog erop, ergens wandelend door een oudere woonbuurt. Een of meerdere glimmende struikelstenen. Dan vraag ik af, zou er nu ook daar een liggen, een Stolperstein voor haar man, voor die sjieke voordeur in Amsterdam?

Het Onbereikbare

Ze deden het er om. Precies voor ons huis steeds die handstand. Zodat hun rokjes naar beneden zakten en de onderbroekjes zichtbaar werden. En ik, ik kon het niet laten. Hoe klein ik ook was, ik keek, stiekem door het klapraampje van de badkamer. Of wat daarvoor doorging. Het kleine kamertje boven, waar een wastafel was. Twee meisjes van iets verderop in onze straat. Magda Pieters en Gerda van de Vliete.

De M. D. van der Mollestraat. Een gewone straat met rode bakstenen huizen, elk met een voortuintje, omzoomd met altijd groene liguster. De brandgang achter en naast ons hoekhuis, zwart, van het kolengruis en as uit de kachels. Dat zo lekker bleef plakken in de schaafwonden als ik weer eens was gevallen. Wanneer ik moest rennen, omdat die ventjes van de Ambachtsschool, die je van verre kon herkennen aan hun korte bruine stofjasjes, achter me aan zaten. Ze wilden mij in elkaar slaan. Of ik rende gewoon, omdat ik dat leuk vond. Of omdat ik op maandag het eerst uit school thuis wilde zijn. Eerder dan mijn broertjes. Zodat ik als eerste de Pep had, dat stripblad met de verhalen van Michel Vaillant en  Roodbaard. En Olivier Blunder bij de kop van jut:
“Een díkke sigaar voor de man die de bel doet rinkelen!”
Minutenlang kon ik daar om gieren van de lach, steeds weer. Ik sloot me op in de wc, m’n broertjes roffelden woedend op de deur, zij wilden ook de Pep.

Zo’n straat was het, ‘nieuwbouw’ uit de jaren vijftig. Vernoemd naar een plaatselijke verzetsstrijder in de oorlog, kort voor de bevrijding gefusilleerd. Ons gezin was een van de eerste bewoners. Steeds meer huizen kregen aan de schoorsteen, die uit de asbestgolfplaten stak, zo’n ijzeren tv-antenne. Ons huis had geen antenne, ik ging, heel bedeesd met de broertjes kijken bij die Indische mevrouw. In dat huis waar de gordijnen altijd halfdicht waren en waar op petroleumstellen pannetjes stonden te pruttelen en donkere schilderijen aan de muur hingen van bergen en watervallen. Onze schoenen moesten uit. Soms was haar dochter er ook, een jonge vrouw die wel een filmster leek, met rode lippenstift.

Een keer moest ik rennen. Magda Pieters had me betrapt, ik stond vanuit de brandgang te kijken hoe ze weer tegen de muur aan de overkant op haar handen stond. Ze haalde me in en duwde me achterover in een ligusterheg. Ook onze achtertuin was omzoomd door zo’n heg, maar dan veel hoger. In het midden was een grasveldje, daaromheen veel bloemen, paarse lupinen en gele achillea en zonnehoed, roodbruin, die met de blaadjes ondersteboven. Het leek er altijd zomer. En als ik thuiskwam uit school, liep ik door het tuintje achterom. Waar moeder zat te wachten, in de bijkeuken en ik een plastic beker kreeg, met warme gepasteuriseerde melk. Daar, in die bijkeuken was het gasfornuis en tegen het kolenhok stonden vijf fietsen en fietsjes. Union en Simplex en de Fongers van mijn vader, maar die kwam pas later thuis van zijn werk. De brandgang met de blinde muur van ons huis was ideaal om te voetballen. Dat dreunde erg hard binnen en mijn vader kon slecht tegen dat lawaai. Steeds weer stuurde hij de buurjongens weg. Een keer greep hij er een bij zijn keel en drukte hem hardhandig in onze heg.

En dan was er dat onbereikbare meisje. Twee huizen verder woonde ze, met wie ik badmintonde op warme zomeravonden in die stille, nagenoeg autoloze straat. Marja Vredesteijn, blond, ze had blauwe ogen, een wipneusje, een beetje acne en sproetjes. Ze lachte altijd, maar ze had ook altijd vriendjes.

Vaak wachtte ik mijn vader op. Gezeten op het hek van het plantsoentje om de hoek, herkende ik hem al van verre. Niet alleen aan zijn kenmerkende houding, maar ook aan de snelheid, hij fietste harder dan alle anderen. Schuin tegenover woonde juffrouw Ossewaert, een weduwe, die alles bijhield in de straat. Die niets ontging en argeloos aan me vroeg hoe die mooie witte clematis bij ons in de vensterbank kwam. En ik verklapte, trots en tot woede van moeder dat mijn ouders twaalf en half jaar waren getrouwd. Daarnaast woonde Dominicus, hun zoon heette Nico. Die volgens mijn ouders een nozem was. Hij sjokte alsof hij vreselijk moe was. Altijd had hij een sjekkie in een mondhoek en zijn vetkuif hing voor zijn ogen. Een keer maar vroeg ik iets aan hem. Minachtend sprak hij twee woorden:
”Zak tabak!”
Dat kwetste me zo dat ik voortaan bij hem uit de buurt bleef. Honden waren er nauwelijks in die tijd, katten ook niet. Het enige hondje in de buurt was dat smerige keffertje van Witkamp, enkele huizen verder. Dat bekogelden wij ‘s nachts vanuit het slaapkamerraam met oude batterijen. Hier en daar was een duivenhok. Ook bij ons, omdat wij zo hadden gezeurd. Twee Hollandse meeuwtjes, wit met zwarte vleugels. Oehoeboeroe en Eucalypta. Eens, toen Eucalypta, het vrouwtje eens even wegbleef, scharrelde met een andere duif, was Oehoeboeroe zo bedroefd.

Soms had ik ruzie met m’n broers. Waarover was onduidelijk, maar gevochten werd er wel, gestompt en meestal liep het uit de hand. De radio, die grote met zijn glanzend houten kast viel plat op zijn rug van het dressoir op de grond. In het zeil, wat toen de gangbare vloerbedekking was, met onduidelijke motieven, zaten vier grote gaten die vele jaren zichtbaar bleven. Onze straat was een van de laatste van de wijk. Om de hoek begon de polder, waar spannende avonturen te beleven waren. Dat was het terrein van mijn vriend Jan en ik. Dwaalden over kleine paadjes tussen de akkers op zoek naar, ja naar wat eigenlijk? Sloten die dieper waren dan je laarzen hoog. Een dijk die in een doge zomer in de fik gestoken werd. En dat liep dusdanig uit de hand dat ik me schaamde. Geld voor vuurwerk hadden we niet. Struinden de straten af op Nieuwjaarsmorgen. En fabriceerden zelf rotjes van gevonden restanten. We probeerden dan ze te laten ontploffen in de rioolputten. De kunst was ze precies lang genoeg vast te houden, dat ze tijdens de val voordat ze het water raakten, explodeerden. Dat gaf zo’n mooie ondergrondse klap. Maandenlang deden Jan en ik belletje trek. Altijd op zondagavond, om ongeveer dezelfde tijd, bij hetzelfde huis. Bij een collega van mijn vader die een straat verder woonde, in zo’n zelfde huis als het onze. Nooit werden we gesnapt, wel werd het steeds spannender.

Staand op een stoel, kon ik net door het dakraam van m’n zolderkamer kijken. Die slechts bereikbaar was via een krakend laddertje. En staarde, soms lang, over de dakenrijen die zinderden in de hitte, naar de contouren in de verte. De slanke torens van de Maria Magdalenakerk, van waaruit af en toe, als de wind goed stond, carillonklanken mijn kant op waaiden. Van beneden kwamen andere geluiden. Mijn ouders konden, terwijl ze de afwas deden, zo prachtig tweestemmig zingen.

Later had ik een brommer. M’n broers ook en volgas scheurden we door de buurt en de brandgangetjes. En dan ging de uitlaat er af, die moest schoongemaakt, zonder uitlaat reden we opnieuw rondjes door de wijk en over de stoep. Dat bedenk ik nu, terwijl ik nog eens door dat straatje loop en ik me alsnog geneer voor toen. De overlast die we moeten hebben veroorzaakt. En wat is het eigenlijk een smalle straat. De tuintjes en de heggen zijn verdwenen, hebben plaats gemaakt voor een lange rij geparkeerde auto’s. En wat een stilte. Geen geluid meer van spelende kinderen die voetbalden, hinkelden en de stoepen onderkrijtten. Hier was het, nummer achttien en wat is het klein. Twee huizen verder sta ik opnieuw stil, hier woonde ze. Een keer reed ik mee met haar, met Marja Vredesteijn, achterop haar Mobylette en ze reed echt best hard. Het blonde haar wapperde in mijn gezicht, ik hield me vast aan haar smalle heupen. Ik opende mijn mond en hapte in haar heerlijk blonde haar. Ze merkte het en riep naar achter:
“Wat doe je?”

 

 

 

Marcello

Of Papa nog een gelato wil. Si! Overbodige vraag natuurlijk. Altíjd wil Papa dat en ook altijd dezelfde: een kleintje vanille. Gearmd tussen zijn twee dochters laat hij zich gewillig naar de overkant van de straat voeren. Met een geamuseerde grijns kijkt hij rond in de koele gelateria. Dat had neefje toch maar netjes gedaan met de lening van oom. En dat is hem maar geraden ook.

Giovanni Mario Cervina heeft zo zijn vaste gewoontes. Ook al is hij sinds jaren woonachtig in deze door en door Hollandse, gemiddelde provincieplaats, hij gedraagt zich nog altijd raszuiver Italiaans. Sterker nog, door zijn permanente zonnebril beziet hij alles in een Italiaans licht. De rivier die langs de stad stroomt, hij houdt die voor mediterraneo. De haven, het plein en de markt, de straten en de kerk: i porti, la piazza, il mercato, le strade, la chiesa. Ook al is het Hollands grijs en miezerig. Door zijn zonnebril is het Italië. Graag kuiert Mario kalmpjes langs de kades en staat soms minuten lang stil en kijkt. De blik omhoog, over de aangemeerde binnenvaartschepen heen. Wat ziet hij, waarnaar kijkt hij? Zijn het de bergen, de Dolomieten waar hij opgroeide? Of het kleine dorpje, hoog in Aosta, waar zijn dochters werden geboren?

Een vaste gewoonte van Mario is de wekelijkse maaltijd, met zijn dochters, in Otto e Mezzo. Vrolijk kwebbelen Sofia en Gina over de laatste nieuwtjes terwijl ze naar het restaurant slenteren. Mario gearmd in het midden. Zijn gegroefde gelaat staat ernstig, nadenkend. Hij luistert niet, is wat afwezig en voelt zich gelukkig. Het terras onder het oude gietijzeren afdak, mercato del pesce,  is overvol. De andere neef staat, handenwringend, op hen te wachten. Er is geen tafeltje vrij, en dat spijt hem. Nessun problema, het trio gaat wel even aan de waterkant zitten. Waar het laatste zonlicht koestert, waar het de jonge vrouwen nog mooier maakt en waar het in hun zwarte zonnebrillen blikkert. Sofia neemt een watertje, Gina gaat voor gin-tonic en Papa, het wordt hem niet eens meer gevraagd, birra.

Voorgerecht; een voortreffelijke bruschetta alla carrettiera die, door Gina rijkelijk bestrooit met Parmezaan, ruimmorsend met tomaat en olie, snel verorberd wordt. Regelmatig worden de telefoons gecheckt, foto’s getoond, de laatste familiegebeurtenissen gedeeld. En hoe is het met Mama? Die Mama is thuis gebleven, altijd, dit is de avond van Papa en zijn ragazze. Hoe is het met de bambino? Gina voelt aan het bolle buikje van haar zus. En ja, daar voelt ze het zachte schoppen. De meisjes lachen, blij en ook Mario moet nu lachen. Het is die kleine Giovanni, dat wordt wat, zijn kleine oogappeltje, hij verheugt zich nu al.

Heel on-Italiaans eigenlijk, Mario heeft de pasta afgezworen. Hij verafschuwt de slijmerige slierten, basta! Zonder op kaart te kijken, bestelt hij drie Pizza Mastroianni. Ok weer zo’n vaste gewoonte, gewoon altijd hetzelfde. De pizza is werkelijk buitengewoon goed, maar vanavond, zo plagen de dochters hun Papa, nog buitengewoner nog lekkerder! Met een merkwaardige snelheid werkt hij de pizza naar binnen, veegt zijn borstelige kin schoon en zegt:
”E ora io”. (en nu ik)
Gina en Sofia komen gierend tot stilstand uit hun drukke gesprek en kijken vragen naar hun vader.

“Zoals jullie weten, of waren jullie het alweer vergeten soms, ik was toch vorige week even terug? Naar de berg, Cervino. Ik zat daar, op die flanken, de aanloop nog eigenlijk en ik zag de wereld. Ik zag de Grivola, Dent d’Hérens en al die bergen uit mijn jeugd. Ik rook de steen en het was heel stil. Zo stil en zo blauw. En ik dacht aan jullie, aan Mama en bambino, con tutto l’amore.”

Of Papa nog een gelato wilde. Een vanille? SI! Of nee, op deze wel heel warme dag nu maar eens iets anders, aardbeien.

 

Verliefd

De Jacominaplaat komt langzaam dichterbij. Jammer dat het wat mistig is. Waar de Paardekop ligt, dat andere eilandje in de Biesbosch, wordt niet duidelijk. Geen geluid is te horen, de Amer ligt er gladjes bij en het pontje, het ’Leeuweveertje’ maakt ook geen geluid. Elektrisch aangedreven. In alle vroegte fietste ik naar Lage Zwaluwe, na de Moerdijkbrugdrukte werd het stil. Ik meldde me bij de ‘Beachbosch’ container, waar de kaartjes en de koffie verkocht worden. Net zo gezellig geschilderd als het Brabantse ‘vrouwke’ dat er in staat. Ze belde naar den overkant, het Veerke kwam me halen en ik ben nu de enige klant. “Audoe”, zegt de schipper, net met pensioen van de binnenvaart.

Als ik het geluid van de Moerdijkbrug wegfilter hoor ik niets. Het lijkt zelfs of ik het zachte fluiten van de vleugels van de visarend hoor, vlakboven me. Er is een strandje met de resten van een kampvuur. Langzaam peddel ik verder, het is acht kilometer vrijwel kaarsrechtdoor. Wat rijdt dit fietsje toch heerlijk. Ik tel de eilandjes die rechts voorbij glijden. Daar, het derde, daar verder weg, dat is de Paardekop, waar we vorig jaar – wild –  overnachtten. Moeilijk voor te stellen nu, op dit stuk water leden we haast schipbreuk. De wind joeg de golven hoog op, te hoog voor een Canadese kano. Daar hoor ik, onmiskenbaar, een leeuwerik. Het vrolijk kwetterende geluid wanneer hij omhoog vliegt en dat verandert tijdens de snelle daling. Dat is lang geleden en ik heb het gemist.

Voorzichtig keten ik mijn fiets aan het hek, ik wil de lak niet beschadigen. Hij is nog nieuw en het matzwart zo mooi. Het slot weegt zwaarder dan de fiets. Er zijn fietsers die hun rijwiel naast het bed stallen, om er nog een tijdje naar te kijken, voordat ze het licht uitdoen. Mijn Eega vond dat te ver gaan. Ik deed het wel eens met nieuwe schoenen of laarzen, dat viel haar niet op. Na nogmaals gecheckt te hebben of mijn ‘caféracer’ echt goed vaststaat, klim ik voorzichtig over het schrikdraad. Koffie aan de rivier.

De volgende dag, alweer met de boot. Nu met de waterbus naar Krimpen aan de IJssel. Lang aarzel ik of ik dat nu wel moet doen, met m’n nieuwe fiets. Kan ik niet beter met de oude. Heen gaat het goed, er is ruimte genoeg. Maar wat een verschil met gisteren. Wat een geweld en een drukte. We scheuren letterlijk tussen de binnenvaarders door. Een tegemoetkomende Waterbus doet ons hevig deinen. De geparkeerde fietsen schudden en trillen. Ik heb de mijne vast, geen krassen alsjeblieft.

In Krimpen neem ik met een oud collega in drie kwartier, tien jaar samenwerking van achttien jaar geleden door.  Heel veel komt terug, namen van vergeten collega’s, voorvallen, grappige en ook nare.

Op het ponton voor de terugtocht meren tevens de zwartgele watertaxi’s aan. Woest deinend gooien zij zich om en liggen onmiddellijk strak tegen het ponton. Het werkvolk van de werven hier vlakbij scheept in, grappen en grollen makend. Met ongelooflijke snelheid scheuren de taxi’s weer weg, richting Rotterdam, de mannen schreeuwen een groet, of een scheldwoord naar collega’s die nog onderweg zijn.

Nu staat het achterdek propvol met fietsen. Het is forensentijd. Met moeite vind ik een plaatsje voor mijn fiets en mij. De Waterbus geeft volgas, bij de volgende haltes moeten er meer mensen en fietsen op. In het fietsenrek dondert een fiets om, en duwt zijn buurman scheef. Dan weer gaan er mensen van boord. Ik manoeuvreer met mijn fiets steeds weer in wat vrije ruimte. Er wordt vaart geminderd, Dordt aan de horizon. Uitchecken, afmonsteren en van boord. Op de dijk met wind mee, schakel ik op. De zon schijnt laag en blinkt op mijn versnelling. Shit, shit, shit! Toch, die eerste kras.