Alle berichten door dentoonder

Waarnemer van Dordt

‘Waarnemen zonder oordeel is de hoogste vorm van intelligentie’,
citaat van Krishnamurti, Indiase spiritueel leraar.

Vanuit de houten cocon bovenop het dak neem ik de stad waar. Het is half negen, over een uur is de zonsondergang. Het project de Waarnemer van Dordrecht. Gedurende een heel jaar staat elke dag een waarnemer, tijdens zonsopkomst en zonsondergang een uur op het Energiehuis. Het is een schrikkeljaar, 732 vrijwilligers dus. Ik meldde mij onmiddellijk aan. Ik hou van hoogte, ben het gelukkigst in de bergen. In zo’n andere wereld, daar hoog in de stilte, de rust en de eenzaamheid. Echt even weg van alles. En natuurlijk, wat had ik dan verwacht, het is hier niet zo stil als in de bergen. Lawaaierig zelfs, het is verrassend druk op de Noordendijk. Veel verkeer. Het is even wennen, ik voel me erg te kijk staan, vol in het zonlicht, zo boven de stad. Ergens ook wel vertrouwd, achter glas, ik werkte vele jaren achter glas, als etaleur. De stad ligt voor me uitgestrekt, er is zoveel te zien, met al het groen en al die daken uiteraard. Erboven een fantastische wolkenlucht. Beneden het verkeer, brommers die langsscheuren en al drie keer een politiebusje.

Ik probeer het nu, waarnemer te zijn, sluit me af voor het gevoel te kijk te staan. Ik scan de stad, herken de hoogste gebouwen, de spoorbrug, bijgenaamd ‘het Hemelbed’, de torens van de Grote kerk, het stadhuis en het Groothoofd. Het torentje van de Bonifatiuskerk is onherkenbaar, pal er achter blokkeert de hoge Eemsteijnflat in Zwijndrecht de fraaie vorm. Alles in versluierend tegenlicht, de zon gefilterd door een dunne wolkensliert met gouden randjes. Wat een ruimte, zo mooi kan het dus zijn, hoog te wonen. Hoe lang sta ik al, heel vreemd om geen horloge of telefoon te hebben hier, de klok op de Grote kerk is ver weg. Beneden wordt geroepen, drie meisjes op de fiets, ze zwaaien en ik zwaai terug. Het is maandagavond en in het park hier vlakbij is muziek, is het daarom zo druk? De band ‘Voltage’ speelt, neem ik een zekere toevalligheid waar, zie ik hier bovenop het Energiehuis verbanden die er niet zijn? De zon is helemaal verdwenen, er hangt een zware wolkenband. In de verte valt er regen uit in schuine banen. Dichterbij zweeft een heel klein wolkje, wit en eigenzinnig zijn eigen koers. Heel even lukt het, me af te sluiten voor de plek waar ik sta, word ik onzichtbaar achter het glas. Voel me zweven, hoog verheven boven de stad.

Precies een jaar en twee dagen geleden overleed mijn moeder. Natuurlijk had ik, om hier te staan, voor die dag kunnen kiezen, drie augustus. Bang als ik was voor teveel emotie, teveel symboliek, liever toch maar niet. Toch, onwillekeurig denk ik nu aan haar. De laatste drie regels van het gedicht wat ik voorlas op het kerkhof, onder de rode beuk, schieten me spontaan te binnen:
‘En ik zal gaan, en ik zal alleen zijn, ontheemd, zoals de groene boom,
zonder witte waterput, zonder blauwe en vredige hemel.
En de vogels zullen blijven zingen’.

Onhoudbaar zakt de zon vanonder de wolkenlaag en kleurt nog eenmaal, voor de laatste keer vandaag, de stad in warm oranje. De stad die me lief is, waar het vrede is, de daken blikkeren en waar de torens zwarte silhouetten worden. Het stukje hemel tussen wolkenband en stad ondefinieerbaar ijl en roze. Wat is het mooi. Rechts de donkere contour van de molen Kijck over de Dijck. De zon heeft kracht verloren en strijkt als een oranje bol langs zijn magere wieken. Op de dijk beneden me lijkt het al te schemeren in het tegenlicht. Alweer dat politiebusje. En daar fietst mijn dochter, ze zwaait en ik zwaai terug, met alles wat ik in me heb.

Het boek ‘Waarnemen’ van Krishnamurti. Hoeveel jaar is het geleden dat ik het boek las. Althans, ik probeerde het.

La Tour (6)

De maandag na de laatste ziedende sprint op de Champs Elysées is het altijd wat vol op de fietspaden met gemotiveerde racefietsmannetjes. Dikwijls gehuld in een drukbedrukte outfit, alsof ze gesponsord worden. Alsof ze mij willen laten denken dat ze eigenlijk profrenner zijn, alsof ze van de Rabobank zijn. Waren in dit geval, want de Rabobankploeg bestaat niet meer, voor de eventuele niet-wielren-gekke lezer. Kan ook zijn Cofidis, Segafredo, of een van die andere namen op zo’n shirt, waarvan volstrekt onbekend is waar die naam eigenlijk voor staat.

Ook vandaag, ik peddel met hoog beentempo in een licht verzetje door de vrolijke polders. Van ver herken ik al het shirt van een tegenligger, het rood van Sunweb. Gezien het postuur van de man schat ik in, dat is geen klimmer. Te groot en te zwaar. Even later alweer een in een rood tenue. Skil Shimano, dat is een oudje, die doen al jaren niet meer mee. De drager van dit shirt vast ook niet, gezien de omvang van zijn buik, die zwaar onder zijn lijf bungelt.

Altijd verbaas ik me over de kleding waar sommige teams het bos, de bergen in en de weg op worden gestuurd. Je zal toch maar in dienst zijn bij bijvoorbeeld Education First en in een knalroze shirt moeten rijden, ook nog met een roze hellumpie op je knar. Je zal toch de bolletjes trui winnen. Oké, die trui kan dan nog, men weet heus wel dat het niet jouw smaak is, waar die trui voor staat. Maar dat je dan ook, als volwassen man bij zijn volle verstand, nog een witte broek met rode stippen aan gaat trekken. En neem nu zo’n shirt van bijvoorbeeld Wanty – groupe Gobert. Een fietsend reclamebord, onder meer lees ik; DH, Euro Traffic, Circus Casino & Sport, Santic, BTB Consultans, DEV, Cube. Hopelijk verdient zo’n renner een hoop geld. Je hebt ‘het geel’, de gele trui. Moet dat dan, moet dan alles geel, ook de fiets , de schoentjes, de handschoentjes. Geef mij maar een zwarte koersbroek.

Ongemerkt is mijn tempo wat ingezakt, wanneer ik opeens wordt ingehaald door een renner. Een naamloze, op een oude fiets. Achter zijn kromme rug zie ik een grijze kuif. Het is ook een oude renner. Ik verhoog mijn tempo en blijf een stukje achter hem rijden. Het eerste wat opviel toen hij passeerde was het prachtige kobaltblauw van het frame. Nu zie ik remkabels boven het stuur zwiepen. De benen van de man zijn witter dan wit, nog witter dan zijn sokken. Zwarte schoentjes , keurig vastgegespt in ouderwetse toeclips, zwarte koersbroek. In de haakse bocht kan ik fiets en berijder even goed bekijken. Het is een Motobecane uit 1983, een gouden band op de framebuis  en de man is naar schatting tweeëntachtig. Zijn neus is type Coppi, maar het postuur niet. Bartali vermoed ik.

Zonder het zelf te willen loop ik op hem in. Zijn benen pompen in een gestaag ritme, wat gelijk blijft de dijk op. Hij schakelt niet, daarvoor zou hij zijn hand van het stuur moeten halen naar de vlinders op de stang. Ik wil hem zeggen dat ik zijn fiets heel mooi vind. Echter, de laatste tien meter blijft tien meter. Zijn benen zijn mager, maar gespierd, afgetraind en oud. De dijk maakt een flauwe bocht, de wind, hoewel zacht, komt nu meer van links. Langzaam loopt hij van me weg. Ik schakel op, in de zeven, mijn hoogste versnelling en kom weer dichterbij. Rustig pakt Bartali zijn bidon, neemt beschaafd een slokje  en in een vloeiende beweging plaatst hij de witte drinkbus terug in zijn houder. Weer een flauwe bocht en meer windje tegen. De banden van mijn ghostzwarte caféracer beginnen te zingen, het windgeruis in mijn oren doet alle geluid verstommen, de adem giert en het hart dat bonkt. Dit alles tevergeefs, het naamloze grijsblauwe shirt, de ritmische witte sokjes en het schitterende, hoogglanzende kobaltblauwe frame, dat alles neemt de haakse bocht in de verte. Het gezicht en profil nu, is voornaam en uitdrukkingsloos.

Zelf opteer ik voor een bruin shirt met gele dwarsstreep waarin het woord Molteni, uit de gouden tijden van Eddy Merckx. Molteni, geen idee wat dat is.

Een planloze vakantie

Dit verhaal is geschreven door mijn ‘klimmaatje’ Lynn. Ze schrijft net zoals ze klimt, snel en trefzeker en altijd met een glimlach.

Vlak voor de wekker werd ik wakker. Zou ik stil de tent uit sluipen of me toch nog even omdraaien? Ik koos voor het laatste. De kinderen sliepen nog en dat was toch uitzonderlijk voor dat tijdstip; 08.00 uur. Liever riskeerde ik niet dat ze van mij wakker werden.

Een paar minuten later kroop ik, ietwat onrustig vanwege mijn plan voor die dag, toch van mijn luchtbed. Het was nog rustig op de camping waar ik voor twee weken mijn vakantie zou doorbrengen. Een vakantie zonder plannen. Ons leven thuis zit altijd al volgepland genoeg. Op vakantie zouden we wel zien wat we gingen doen… Of toch niet helemaal? Een paar weken geleden had ik een vriend uitgenodigd; de Herintredende Klimmer, zoals hij zichzelf soms half grappend noemt (HK). Onze camping was dicht bij een klimgebied gelegen met bijzondere zandstenen rotsformaties. Die kon ik toch niet onbeklommen laten? HK was het daarmee eens en stond zowaar open voor het plan om voor een dagje klimmen naar Luxemburg te komen om daarna een nachtje bij ons te bivakkeren. Er was enige overredingskracht nodig om HK ervan te overtuigen dat hij meer dan welkom was op ons vakantieadresje. Bescheiden als hij is, was hij bang dat hij te veel beslag zou leggen op onze family-time, maar dit vonden wij totaal niet nodig. Mijn man was al lang blij dat hij een dagje minder risico liep om door mij het klimgebied ingesleurd te worden en een dag vrij kon besteden met wat lezen, luieren en sporten op de camping. Want klimplannen had ik dus stiekem wel gemaakt. En hoewel de auto al bijna niet meer dicht kon van alle vakantiespullen die we bij ons hadden, moest en zou die klimtas en dat touw er nog worden bij gepropt van mij. Mijn man zuchtte, maar gunde me, heel lief, dit pleziertje en herschikte de auto zonder er verder woorden aan vuil te maken.

Ik was zelf eigenlijk ook een heringetrede klimmer. Hoewel klimmen voor de komst van de kinderen hooguit een maandelijkse hobby van me was, genoot ik altijd al enorm van de weekenden in de Ardennen waar ik in verenigingsverband twee dagen aan de rotsen hing. Moe, maar met een gevoel als van na twee weken vakantie, kwam ik dan van zo’n weekend thuis. Twee dagen buitenlucht, een leuke groep mensen en je nergens anders over hoeven te bekommeren dan over of je voldoende vaardig bent om tot bovenaan die rotsen te kunnen klauteren, zijn voor mij dé ingrediënten om weer helemaal op te laden. Toen ik kinderen kreeg was het een aantal jaar niet haalbaar om weekenden voor het klimmen vrij te maken, maar begin 2018 besloot ik om mijn oude hobby weer op te pakken en daar tussen de klimweekenden door ook wat in de hal voor te trainen samen met een ‘soortgenoot’ die ik dat jaar daarvoor, inmiddels ook met kindjes, weer tegen was gekomen tijdens een familieweekend van de vereniging. De soortgenoot klom ook af en toe met HK en toen we alle drie interesse bleken te hebben in een langere trip voor het klimmen van multipitch routes in de Alpen, vormden we al gauw een trio wat geregeld de plannen op elkaar afstemde om uiteindelijk met elkaar naar Chamonix af te reizen. En zo werden klimtripjes de uitzondering op mijn gewoonte om zo min mogelijk lange termijn plannen vast te leggen.

In Luxemburg was het plan dus om een dagje te klimmen met HK. Het was mijn tweede vakantiedag en ik vond het heerlijk om zo snel al op pad te kunnen. Een perfecte uitlaatklep om de sores van het werk en de vertrekstress voor de rest van de vakantie achter me te kunnen laten.

Nu bleek het vertrek voorafgaand aan het dagje klimmen ook niet helemaal stressloos.  Vanuit een tent met nog slapende gezinsleden, onvindbare spullen doordat nog niets een vaste plek had, een slecht werkende internetverbinding die nodig was voor het vinden van de klimlocatie en een klimmaat die een uur voor de verwachte aankomsttijd al appte dat hij in Luxemburg was gearriveerd, bedacht ik me voor de zoveelste keer in mijn leven dat ik me voortaan toch echt beter moet voorbereiden. Aan de andere kant; hoe goed ik ook voorbereid ben, ik krijg het altijd voor elkaar om toch iets te laat aan te komen. Hoe erg ik dat ook van mezelf vind, het lukt me niet dit te veranderen. Zo ook op mijn klimdag met HK. Gelukkig had ik een thermosbeker koffie bij me om het met HK goed te maken en waren we, zodra we het koele bos in liepen, te veel met de omgeving bezig om ons nog druk te maken over andere dingen. Want wat was het een mooie plek! Sprookjesachtig. Met een beetje verbeelding zag je de Hobbits van Tolkien zo achter een boom wegduiken. Via een slingerend paadje, tussen de met mos begroeide zandsteenkliffen door, bereikten we het beklimbare deel van het gebied. Wat, zoals wel vaker bij ons het geval is, nu lastig bleek, was het juiste massief te vinden. De foto’s van een topo op onze telefoons waren toch niet zo duidelijk als dat we hoopten, maar gelukkig troffen we een vriendelijk groepje Belgische klimmers die ons de wat makkelijkere routes konden wijzen.

Helaas waren al deze routes al bezet, maar ach, we hadden de tijd aan onszelf dus streken we neer op een rots nabij de route die we wilden ‘innemen’ zodra onze voorgangers daarmee klaar waren.

Met een kop koffie en een koek kletsten we wat en keken we naar de klimmers die al bezig waren. Toen de route vrij was verplaatsten we onze spullen en bonden ons in. Ik zou de route voorklimmen. Hij was gewaardeerd als een 4b, dus dat moest heel goed te doen zijn. Via een schoorsteen klom ik gemakkelijk door het eerste deel, maar al gauw volgde er een lastiger stuk en doordat het klimmen op zandsteen nieuw voor me was, voelde ik me niet zeker genoeg om een stap te zetten waarbij ik onvoldoende houvast had naar mijn zin. HK moedigde me vanaf de grond aan en wees me op de naam van de route, ‘Dame Jeanne’, hoogstwaarschijnlijk een verwijzing naar Jeanne Immink, één van de eerste vrouwelijke alpinisten. Haar verhaal is in een boek opgenomen wat ik recent van HK had mogen lezen en ik had met bewondering gelezen over het doorzettingsvermogen van deze vrouw, die zich door niets liet weerhouden om bergen te beklimmen in een tijd waarin het ontbrak aan moderne hulpmiddelen voor de klimsport en dit voor vrouwen al helemaal een ongebruikelijke bezigheid was.
“Kom op Lynn, laat je inspireren door Jeanne om door te gaan!”

Na deze opmerking van HK deed ik nog enkele pogingen om hoger te komen, maar de verzuring had door mijn eerdere twijfel al toegeslagen. Ik klikte snel een extra setje bij en liet HK weten dat hij me maar moest laten zakken. HK was wat minder ervaren als voorklimmer, maar wilde toch wel proberen om iets verder te komen, wat hem lukte. Na het volgende setje te hebben geplaatst wilde hij echter dat ik hem liet zakken, waarna ik de route zelf af klom. Een tweede route, eveneens langs een grote spleet, klom ik een stuk gemakkelijker omhoog, terwijl die wat zwaarder gewaardeerd was. De waardering bleek niet veel te zeggen in dit gebied, want de moeilijkste route van de dag, een 5c, kon ik gemakkelijk klimmen, terwijl ik kort daarvoor in een 5a opnieuw door HK gered moest worden toen ik ergens niet doorheen kwam. Dit, uiteraard tot groot genoegen van HK, die aan het begin van de dag ook nog eens geblesseerd was geraakt aan een vinger en altijd dacht dat ik de betere klimmer was van ons twee. Het maakte mij niet uit, ik was allang blij dat we het materiaal nu weer mee terug konden nemen en dat ik de route zelf nog een keer, lekker veilig toprope, kon beklimmen.

Wat voor mij in de hal van groter belang is, of een route uitdagend genoeg is, doet me bij het buiten klimmen een stuk minder. Het in een onbekend gebied, op een mooie plek in een route stappen om naar boven te klimmen en daar even van het steeds weer nieuwe uitzicht te genieten, is voor mij avontuurlijk genoeg. Dit samen te ervaren met gelijkgestemden vergroot het plezier wat ik aan het klimmen beleef. Met HK, die altijd veel oog heeft voor de omgeving en de andere mensen die we tegenkomen, deel ik graag wat een plek bij me oproept, alhoewel daar niet eens altijd woorden voor nodig zijn. Gewoon even naast elkaar zitten terwijl we een banaan of een sportreep eten, om ons heen kijkend, geeft al een bepaalde verbondenheid. Bijzonder hoe dat ontstaat door wat je met elkaar onderneemt en de zorg voor elkaar die daarbij hoort in de klimsport. Wat je in het dagelijks leven doet, welke leeftijd je hebt, of je man of vrouw bent, het doet er niet toe, want als je tijdens het klimmen hebt ervaren dat je op elkaar kunt vertrouwen, voelt het samenzijn ook al snel heel vertrouwd.

Tegen het eind van de middag was het tijd om te gaan. Tevreden wandelden we terug naar de auto. Zonder de stress die ik nog lichtelijk had gevoeld op de heenweg, reed ik met HK achter me aan, terug naar de camping. Enthousiast werden we begroet door m’n meisjes. Ook die hadden van alles beleefd en zaten vol verhalen. Kort deden we verslag van onze dag en richtten we ons op de kinderen (HK had heel attent zelfs cadeautjes voor hen meegebracht), het voorbereiden van het eten en het kampvuur wat natuurlijk niet mocht ontbreken op deze vakantiedag. Later zouden we het wel weer hebben over een volgende trip, want die moest zéker weer in het vooruitzicht liggen. En het verhaal van deze dag; dat zou dit keer door mij opgeschreven worden. Want op een vakantie zonder plannen, kun je tenslotte best wat tijd vrij maken voor het schrijven van een stukje.
Lynn

Cathédrale

Code rood, weeralarm. Men wordt geadviseerd binnen te blijven, het nationaal hitteplan is van kracht. Nu moet je zoiets niet tegen een klimmer zeggen. We zouden gaan: dus we gáán. Donderdagavond, 36 graden, ter hoogte van Mechelen schieten, wij Bart, Robert en ik simultaan in de lach. De ruitenwissers op topsnelheid, het regent hard. Nooit eerder vertrokken wij, met slechts een extra T-shirt mee, naar België. Zelfs ik was, tot verbijstering van de anderen, gehuld in een korte broek. En we reden onder nog enkele buien door. Op camping Sy was het droog en net voor de duisternis inviel en de tentjes stonden, klonk in de stilte een kenmerkend geluid, die korte kraak gevolgd door een zacht sissen. En dat drie keer. Proost.

Cathédrale. Eindelijk, dat ik het nog mag meemaken, het magische massief is heropend en gekuist. Ik heb er nog nooit geklommen. Hoeveel jaar is ze gesloten geweest en juist daarom verwordt zij tot een mythische rots. Een heilig doel, daar moet je geweest zijn, al is het eenmaal in je leven. De naam werkt daar uiteraard in hoge mate aan mee. Cathédrale, de hoogmis van de klimsport.

We lopen langs de Tukhut, met alle luiken dicht, hermetisch. Beetje jammer toch, dat juist nu de hut verbouwd gaat worden, tot de ‘Herberg’. Tien minuten later staan we onder de magische rots.
En doen meteen maar de langste route, ‘Theoreme’, 5- en 4+, 47 m., volgens het vergeelde topoboekje uit de vorige eeuw. Het is nu al warm, sterker nog, het is amper afgekoeld vannacht. Even later zitten we met z’n drieën bovenop, kicken, highfive! Hier waait een heel dun windje, in de diepte, zwart, de Ourthe en het is stil. Heel stil, wat een plek. We doen een serie kortere topropes en we zweten. ‘Baptisere’ en ‘Toteff’. Degene die niet klimt of zekert zoekt de schaduw en drinkt High Energydrink en water, veel water. De zon trekt zich terug achter een magere wolkensluier en het wordt nog warmer. Onze lijven glimmen van het zweet, de kleren nat alsof we gezwommen hebben. De setjes branden in de hand, en het touw, dat is gekookt. Ha, dit is de Cathédrale, we zijn er nu toch, doen ‘Extreme Onction’. Het zweet gutst tappelings langs den broekband. ‘Vieux Paul’, vanuit het schauwdriehoekje van de gekortwiekte wilg zie ik hoe Bart klimt. Een bijna vlakke plaat met een scheurtje hier en een gaatje daar. Hoe hij pijnlijk vingers en tenen verklemt. ‘Die doe ik maar even niet’, denk ik en toch, even later, met verrassend gemak zweef ik omhoog.

Lui op onze rug dobberend in het koele Ourthe water is het massief pas goed te bekijken en is de naam wel te begrijpen. Wat is dit lekker, noodzakelijk ook, code rood: ‘Zoek verkoeling’, het hitteplan. Mijn gezwollen voeten keren terug naar hun normale proporties. In een volmaakte stilte, drinken en lunchen we, opdrogend en nog meer drinkend in de zon die soms heel gemeen weer even doorkomt. ‘Paroi’, een mooie route, rechtdoor. Bart klimt voor, enkele passages waarvan ik later denk:
“Gekke vent…!”
en ook:
“Wat klimt dat eigenlijk lekker, zo in je zwembroek, heerlijk vrij en luchtig, waarom hebben ze me dat niet eerder verteld?”

Een zwembroek weliswaar volgens de huidige maatstaven, die Eega mij verplichtte aan te schaffen. Ik was nog van het principe, hoe minder stof, hoe bruiner. Het wordt nog warmer. ‘Voie Normale’ vind ik wat minder normaal, hangend uit balans aan grote blokken. Heeft iets weg van ‘Fissure Annie’, Hotton. Toch vlieg ik er doorheen. Opeens gaat het licht uit bij mij, zo lijkt het, voel me een beetje raar. Boven de band kies ik voor de makkelijkere rand langs de schoorsteen. Weer beneden ben ik ietwat wankelig. Snel wat drinken. Bij het opstaan voor de laatste route wordt het even zwart, dizzy. Gelukkig is daar de Ourthe, ik zoek ‘Verkoeling’ en kijk, drijvend, intens tevreden naar de Cathédrale waar mijn vrienden nog een keer omhoog gaan.

Windkracht vier

Er stond een stevige wind. Een wind waar hij tegenin fietste en daardoor langzamer dan hij wilde. Aan de overkant van de rivier reed, traag, een blauwe tractor, een Ford in dezelfde richting. O nee, de tractor kwam tot stilstand en de boer die erin zat en een overall droeg in dezelfde kleur als zijn vervoermiddel deed een greep achter de klep van zijn borstzak en sprak in zijn IPhone:
”Ik denk dat het wat later wordt vanavond, wacht maar niet op mij”.
De boer verbrak de verbinding en staarde over zijn land – leeg en kaal, als de stoppelvelden van Vincent van Gogh – terwijl de motor stationair draaide, monotoon, ritmisch. Zijn vrouw had Oké gezegd, o nee:
”Helemaal goed!’

Even later reed zij in de beige Volvo, grindspattend het erf af en op de rechte polderweg gaf ze gas, volgas. Twintig kilometer verderop, in het pittoreske provinciestadje waar steeds meer stedelingen kwamen wonen; rust en ruimte, kwam een appje binnen. Daar werden lamellen een tikje dichtgeschoven en werd een flesje witte wijn alvast ontkurkt.

Eindelijk de haakse bocht, ha, nu kwam de wind van opzij, hij schakelde een tandje zwaarder. Een beige Volvo passeerde hem, de linkerwielen in de berm, hij proefde stof. In het piepkleine Vinexwijkje van het provinciestadje liet een man zijn hond uit. Met moeite, de hond, een oude zwarte labrador met grijs aan de slapen wilde niet. Te moe, te oud, pijn in de heupen. De man straalde uit, ik was het niet. Bij iedere droge drol in de berm die hij passeerde, ik was het niet. Getuige het trosje zakjes wat de labrador zelf mocht dragen aan zijn blinkende halsband. Op het eindpunt van hun vaste loopje, de T-splitsing, keek de hond z’n baasje vragend aan. Tegelijk met het snoepje diepte de man zijn IPhone op. Het duurde lang voordat hij sprak met een ongemakkelijke Voicemail inspreekstem:
“Hoi, met mij, wanneer zie ik je weer?”
Aarzelde nog, wist niet meer te verzinnen. Hij verbrak de verbinding en trok met een ruk de hond in gang en slenterde terug. Hij sloeg geen acht op een beige Volvo die half op de stoep stond geparkeerd. Drie huizen verder sloeg de labrador linksaf, thuis.

Wat reed dat fietsje toch fijn, bijna in z’n hoogste verzet en het kostte hem totaal geen moeite. Goedkeurend gleden zijn ogen over het glanzende frame. De snoeiharde Schwalbe Marathon bandjes zoemden over het asfalt. Ho, even opletten nu, tegenliggers. Een groepje scholieren schatte hij. Ze naderden met hoge snelheid, jonge meiden op hun E-bikes. Veel ruimte gaven ze hem niet, lachen en gillen. In een flits schoten ze voorbij, bloten benen onder opwaaiende rokjes.
“Oehoe, dag meneer, hahaha!”

De zon stond stokstijf aan de hemel, rakelings boven de horizon. De warme gloed maakte alles mooier, de dijken groen, de Canadese populieren met hun blaadjes ruisend in de wind. De korte stoppels op het veld maakten hun schaduw lang. In de berm lag een lege bidon, Jumbo Visma noteerde hij, gedachteloos. Juist toen hij besloot om terug te draaien, voelde hij z’n IPhone trillen. Een geheimzinnige draadloze verbinding maakte onmiddellijk contact met zijn hart, daar sloeg de bliksem in. Langzaam liet hij de fiets uitrollen, ook al was de pakkans hier nihil, appen op de fiets, dat nooit. Met trillende vingers toetste hij zijn code in en met een glimlach die zich langzaam maar trefzeker over zijn totale gezicht uitbreidde, zag hij daar wat hij al vermoedde, de hele middag op hoopte. Een icoontje slechts, een emoticon in de kleur rood, in de vorm van een hart, o nee, in de vorm van een mond. Aan het eind van de rechte polderweg, draaide een tractor door de haakse bocht. Langzaam werd hij groter, het was een blauwe, een Ford.

 

Boek en Bal

Hij had schrik van al te dikke boeken, was zelf meer van het korte verhaal, novelle hooguit. Lang stond hij stil, in de bieb, bij nieuw-verschenen-boeken, de dikke pil wegend in zijn hand. Otmars zonen van Buwalda Peter. Zeshonderd pagina’s, 158421 woorden precies. Wist, ervaren lezer als hij was, dit gaat even duren, doorlezen, de eerste tientallen pagina’s, tot hij gepakt zou worden, zich gedwongen voelde het uit te lezen. Hij hoopte erop, hoe heerlijk was het je te verliezen in een boek. Weg uit de realiteit, in het verhaal te zijn, niets liever dan verder lezen.

Een vluchtige kennismaking, even oogcontact, je scant de titel, een leuk gesprek. De omslag, het uiterlijk, die eerste indruk. Je bladert wat, even lachen met elkaar, even ruiken. De flaptekst lees je en je interesse is gewekt. Aarzelend een eerste zoen. Snel de inleiding gelezen, is dit wel of niet een boek voor mij? Steeds weer staar je naar de foto op de achterkant. Je krijgt haar niet meer uit je hoofd. Het is zover, het boek (zij) heeft je in haar greep. Hoofdstuk na hoofdstuk word je nu verslonden. Je zit er middenin. In het verhaal, de liefde groeit. Niet te snel meer verder bladeren, te hard van stapel lopen, niet stiekem kijken op die laatste bladzij, hoe loopt dit af. Doseren dus en afstand houden.

Hij voelde het, het begon terug te komen. Het leek erop, de flow was terug. Onderwerpen, schrijversvoer, ze dienden zich vanzelf weer aan. Voelde zich best schrijver, maar onzeker was hij ook. Hij wist, er zijn er, die gaan zitten. Om kwart voor negen, elke morgen, achter de laptop aan het werk. Schrijven en pas na zoveel woorden, of pagina’s, stoppen ze. Hij, de ongedisciplineerde, de chaoot, moest het hebben van snelle oprispingen. Was gelukkig als hij zich gelezen wist. Hij was gestopt met manuscripten sturen, uitgevers te vermoeien. Hij was zelf ook een lezer, las veel bij tijd en wijle, bezocht weleens een lezersfeest, ergens in den lande. Of een lezing in een zaaltje en keek toe hoe een echte schrijver daar signeert:
“Voor wie is het boek, mevrouw, welke naam mag ik erin schrijven?”
Ter plekke dan iets origineels verzinnen, een opdracht, het zijn je klanten en het is de tol van de roem.

Als er toch geen boeken waren, niets te lezen in huis. Als er toch geen liefde was, niemand om van te houden. Wat zou het leven leeg zijn, de dagen lang, de nachten koud. Zonder boek en zonder liefde, een maanloze nacht. Als het boek dan uit is, stukgelezen, als de liefde eens wat sleets wordt. Je kunt altijd opnieuw beginnen, op die allereerste pagina. Hoe was ook weer die ene zin, vier woordjes slechts, vier hele kleine woordjes.

Hij bezag het leven als een boek. Een verzameling korte verhalen. En verder las hij, steeds een nieuw hoofdstuk, vol onverwachte wendingen. Wat had de grote schrijver nu verzonnen, waar gaan we heen, wat zullen we beleven. Zoals hijzelf schreef, beginnend met een vaag idee, net als de toekomst, wat ligt er in het verschiet? Wat is dat achter de horizon, na de volgende bergrug?

Hij had, ergens, een verlangen naar erkenning. Opdraven bij een talkshow of een lezing, dat was niets voor hem. Het was het boek dat telde, slechts de column, het verhaal. En de verborgen boodschap. Het boekenbal, dat zou voldoende zijn. En dan dansen, met Saskia, Simone en Suzanne. Weg met Herman, aan de kant, achteruit jij, Tommy, hier dansen Griet en hij. Misschien dan niet de beste schrijver, wel de beste danser op het bal.

De neus van Lieke

Die neus van Lieke zou zomaar een titel kunnen zijn van een column, of vooruit, een boek van Wilfried de Jong. Hij schreef immers ook over ‘de linkerbil van Bettini’ en over ‘de schaatskont van Koen Verweij’. Lieke Martens, een van de Leeuwinnen, ze was al de beste voetbalster ter wereld. Tijdens het WK was ze duidelijk minder goed. Ondanks het lepe hakje waarmee ze scoorde. En hoe ze, cool, onder de immense druk, een penalty inschoot. En nu is er ‘de knie van Tom’. De mysterieuze klacht na zijn val in de Giro.

Voor onze Leeuwinnen zijn nog geen bijnamen verzonnen. Van der Sande zou goed de naam ‘de Kromme’ kunnen hebben. En de spichtige keeper, overigens de beste van het toernooi, iets met Sidonia? In de wielrennerij doen veel bijnamen de ronde. De Das, El Pistolero, de Kannibaal. Zo mag ik graag een fietsende broer, of – vriend opbellen en dan vragen:
“Spreek ik met de Pijl van Papendrecht?”, of”
“Is de Adelaar van Terneuzen thuis?”

Hoe kom je aan een bijnaam, soms door je gedrag, maar ook een opvallend lichaamsdeel. Fausto Coppi met zijn Neus. Je kunt er als bijnaamdrager ernstig onder gebukt gaan. Wanneer je ‘niet lekker in je vel’ zit en het wordt dan nog eens benadrukt, tja. Ik werd wel Toontje genoemd, daar kon ik mee leven. Eens klaagde ik bij een collega over mijzelf, hoe ontevreden ik was, hoe ik, toen al bijna een halve eeuw, op deze aarde moest rondlopen:
”Ander lijf, andere kop er op, ander karakter erin, dan begint het misschien iets te worden”.
De collega, een werkelijk oerlelijke man, sprak tot mij de onvergetelijke woorden:
“Neen, dat herken ik totaal niet, ik ben uniek.”

Op het gevaar af, dat dit een citatencolumn (CC) gaat worden dan nog dit, ik klaagde bij mijn tandarts over het ontbreken van werkelijk elke vorm van schoonheid aan mijn gebit. Hij deed mij klappertanden met het volgende onsterfelijke gezegde:
“Ach, U heeft toch verkering?”

Ja, zo lust ik er nog wel een. Om dan een nog een hele ouwe uit de kast te halen, van Godfried Bomans over Marilyn Monroe:
“Had mijn vrouw maar één zo’n been”.

En dan nog weer even over mijzelf, maar ook voor u lieve lezer, alweer een wijze raad van uw schrijver. Leef, ongeacht uw kalenderleeftijd en doe! Zoals mij vanmorgen door iemand werd gezegd: dat verschil in leeftijd, hadden we afgesproken, dat was toch geen issue meer? Jackie Joyner – Kersee, wie kent haar nog – alleen de zeer ouden – viervoudig Olympisch atlete zei;
“Leeftijd is geen barrière, het is een beperking die je jezelf oplegt.”

Die teen van Lieke, die opspeelde tijdens het WK toernooi. Om welke teen ging het nu, dat blijft onduidelijk. Was het haar kleine teentje, of juist de grote. Was het de linkervoet, of de rechtervoet? We zullen het niet weten. Of toch een van die andere onbenoembare andere drie tenen? Misschien had Lieke gewoon last van een ingegroeide nagel of was het een kalknagel. Met al die gefrequenteerde kleedkamervloeren, je weet het niet. Zwemmerseczeem, ik roep maar wat. Nu dan nog die neus, het neusje van Lieke, een wipneusje. Gewoon, schattig

geluk is een issue

Net als het groenere gras bij de buren. Je zit weer in je bureaustoel, je klikt wat mails weg, nog anderhalf uur voordat je het pand mag verlaten. Er is weliswaar een bedragje digitaal bijgeschreven op het heilige loonstrookje. Best fijn, maar toch, je zou liever ergens anders zijn. In de bergen, om maar wat te noemen, gek, dat komt gewoon als eerste weer bij je op. Of dat leuke pleintje, toen met die platanen, weet je nog, waar dat windje goddelijk langsstreek, met die koude rosé en die cellist, die traag en vloeiend van die vaag herkenbare Italiaanse opera melodieën speelde.
“Gelukkig waren we toen hé”.

Na uren zwoegen en klauteren waren we eindelijk op die top, we konden er net op, met z’n tweeën, of juist die andere, die hele brede, toen ook ja, die met die sneeuwgraat. En hoever konden we kijken, in het dal was het al donker aan het worden, het leek alsof we vlogen, of we de snelheid van de omwenteling konden voelen en de zon, die kon toveren met kleur en die maakte jou nog mooier.
“O, dat was zo’n geluksmoment”.

Een gewone zomeravond fiets je door de polder. Het graan staat kontjeshoog, het geel steekt warm af tegen groene dijken. De bomen staan stil, niets is er te horen, er staat geen zuchtje wind. Het is vrede hier. De weg kronkelt in lome bochten door het landschap, de ondergaande zon blinkt in de sloot je tegemoet. Een fluwelen paard laat zich even strelen bij het hek van de wei. Boven de bomenrij in de verte zweeft een luchtballon, recht boven je verwaait een oude condensstreep van een vliegtuig. Een vliegtuig vol mensen, op zoek naar geluk. Naar een pleintje of een strand waar dat te vinden is. Het nog groenere gras bij de buren.

In ieders leven komt dat moment, dat je denkt, is dit het? Is dit alles, ben ik op de helft, hoelang heb ik nog? Dat wordt dan, meestal tijdelijk, opgelost door die marathon te lopen, een nieuwe liefde te zoeken, toch nog dat motorrijbewijs te halen.

‘Ga zitten want ik wil eens met je praten
Ik ben allang niet meer zo blij als toen
Nee schrik maar niet, ik wil je niet verlaten, nee
Er is iets en ik kan er niks aan doen

 We komen niets te kort, we hebben alles
Een kind, een huis, een auto en elkaar
Maar weet je lieve schat wat het geval is, ah
Ik zoek iets meer, ik weet alleen niet waar

 Is dit alles?
Is dit alles?
Mmm, Is dit alles wat er is

Is dit alles?
Is dit alles?
Is dit alles wat er is, yeah’

 Het liedje van Doe Maar, Henny Vrienten was toch nog maar vierendertig toen hij dit schreef. Iedereen wil zo graag gelukkig zijn. In de sleur van alle dag besef je niet, het reeds te zijn. Gelukkig zijn of tevreden is wel een wereld van verschil. Een dooddoener die ik eens hoorde: geluk is wanneer je merkt: ik heb geen pijn. Iets mooier is: Geluk is de afwezigheid van pijn. Volgens mij: geluk kun je niet zoeken, dan vind je het niet. Je moet het tegenkomen, gewoon toevallig of per ongeluk. Alleen, dan moet je het ook zien liggen. Je moet stoppen, oppakken en je in stilzwijgende verwondering realiseren, goh, dit is het, dit is zo’n moment. Wat een geluk, ik voel het, ik ben gelukkig. Nog mooier, wanneer je het kunt delen, of zelfs kunt doorgeven. Aan de ander.

Herintreder

Herintreder

Het strand strekte zich uit tot aan de einder waar hij de zee vermoedde. En leeg was het, langzaam om zijn as draaiend, leeg als een woestijn. Een raakvlak tussen hemel en horizon leek niet te bestaan, het was een niets, waar licht scheen uit te stralen, geheimzinnig. Het zand dat flonkerde in het diffuse licht van de verborgen zon. Wel was er de wind en het geluid van de wind, een vriendelijk suizelen, maar golvend, aanwakkerend en dan weer zachter wordend, fluisterend. Mompelend kleine woordjes in zijn oor. Eindeloos kon hij hier verder gaan over deze vlakte en in zijn gedachten. Het slenteren en het trage terugdenken, steeds dieper herinneren.

De time-out die een vergissing bleek. Zo goed dat hij weer was begonnen. Niet alleen voor zijn lichaam, dat magere, pezige karkas waarin hij al zolang woonde, dat onhoudbaar ouder werd, waarin hij zich eigenlijk niet thuis voelde. Klimmen, die beweging die al haast een tweede natuur was, hij was het gaan missen. Gedacht dat het tijd was om te stoppen, toen, dat het niet waar was, dat het wel kon. Goed voor dat lijf en beter nog voor zijn binnenste, interne, intiemste gedachten. Gesterkte spieren voor een rechte rug en sterke geest. Zoals de marathonloper uitstraalt, ik loop die magische ultieme afstand. Zoals de ex-klimmer zich echt een ex-klimmer voelde, zo voelde de klimmer zich weer Klimmer, hij die omhoog gaat en die gloeide van binnen en steeds rechter strekte hij zich, onmerkbaar was zijn tempo omhoog gegaan en betrapte hij zich erop te zingen:
‘It ’s a dark night and it ’s lonesome, the moon gives no light’. 

 Het uitspansel in tere lichtblauwen die verliepen van turkoois naar een bijna geel vlakbij zee, leek te deinen en alsmaar hoger te worden. Een scholekster kruiste zijn pad, razendsnel trippelend op hoge rode poten met een trappelend krabbetje in de snavel. De klimmer zag dit alles niet. Hij worstelde, hoever was het nog, vier meter? De reddende rand met het relais. Voelde hoe de kracht wegvloeide, de verzuring kwam op. De enige remedie was snel doorgaan, geen acht op slaan. Taste nogmaals rechts, zocht naar iets van grip. Korrelige randjes, net te klein, aflopend. Vlug terug, hij greep het setje, rustte, probeerde het althans. Hijgend likte hij langs zijn lippen, kurkdroge mond. Hij herhaalde nogmaals dezelfde moves, met minder overtuiging. Rustte weer, nog langer. Dan toch maar die ene voet links en ver omhoog, uitdrukken, draaien tot het rubber zich vastgreep, zoog aan het steen. Rechtervoet op het minieme steentje en stootte, echt heel hard, zijn knie. Rechts hoog pakken nu, graaien, ja iets van grip met twee vingers en links is daar dan toch opeens een bak voor vier hele vingers. Linkervoet schoot weg maar dat gaf niet want de flow was terug en met vloeiende bewegingen bereikte hij de standplaats, klikte zich, met toch iets van opluchting vast.

De grijze streep van de stilliggende weggeëbde zee verbreedde zich en een licht ruisend mummelen drong zich op. Glimlachend zag de klimmer, herintreder, levendig voor zich hoe hij door de straten wandelde, terug van grote hoogten. De mondaine stad met rijke Japanners en andere toeristen die droomden van diezelfde hoge bergen. Hoe hij nonchalant een ijsje, cappuccino of nee toch maar meteen een halve liter Paulaner wegklokte. Die diepgevoelde vriendschappen en het blindelings vertrouwen op z’n klimmaten, eerlijk en intiem, hoe had hij daarvan afscheid kunnen nemen. Keek nog een keer om, hoewel hij wist dat er niemand was. Trok zijn kleren uit en stapte het koele water in, over de traag dalende bodem die troebel opborrelde en het water ondoorzichtig maakte. De vriendelijke en langzaam omvallende golfjes die hem omarmden en de zon die nu doorbrak met schuine stralen en het water tot aan de lage einder deed oplichten en zo wilde hij het hebben.

zie Ex-klimmer: https://wp.me/p4CCMR-yZ

Ooh, ooh, ooh

Ooh, ooh, ooh
Dat, en minder mooie woorden borrelen geheel vanzelf in mij op. Dus toch. Het vertrouwen in mijn Engelse ‘quick erected’ tentje was al danig afgenomen. Bij de laatste trip leek de binnenzijde van het doek wat aan het wegrotten. Thuisgekomen zette ik de tent op in de tuin, en de straffe straal van de tuinslang erop. De test slaagde.

Nu dwing ik mezelf weer eens voor te klimmen. Die ‘voorklimangst’, die moet ik kwijt. Over een maand hoop ik routes te doen, hoog in de Franse Alpen. ‘Modern Times, ‘Mani Puliti’ en misschien zelfs ‘Maudits Bl’ Héros’. Multipitch climbing; routes met meerdere, of zelfs vele touwlengtes. Chamonix in de diepte, aan de overkant de Mont Blanc. Bart, Eveline en ik op Aiguille Rouge, een droom die eindelijk uitkomt. Nu eerst de werkelijkheid in de vorm van keiharde, soms wat glad afgeklommen Belgische rots.

Massief Beez, secteur Centenaire. We zijn met achttien klimmers, ik ken er acht. Gaandeweg herken ik er nog vier (die helmen…) uit de klimhal. Robert en ik doen een paar routes die allen ‘Sans Nom’ heten, die ik daarna voorklim, inderdaad, makkelijk. Een hagedisje klimt gelijk met me op, steeds vragend achterom kijkend: zeg hé, kom je nog? Ja hallo, ik moet nog even een setje inklikken. ‘Sound of music’, ‘Toto Coelho’, ‘Bananarama’, iets moeilijker en dan ‘La Bibiche’, te moeilijk, voor mij dan. Bekende namen inmiddels. De zon schijnt warm op de rots, de voorspelde regen blijft uit. Af en toe raast een trein vlaklangs. Van boven is er mooi zicht op de Maas. Wij verkassen met z’n tweeën naar een andere secteur, ‘Jonction’. Na ‘Crocodile Dundee’ klim ik ‘Eve-Line’ voor. Het is broeierig warm en van het laatste stukje, glad en heel licht overhangend zweet ik. Ik zweet! Plots verdwijnt de zon en er komt wind. Op het relais maak ik stand met mijn nieuwe gadget, standplaats- en abseilschlinge in één. Zeker Robert na met mijn nieuwe reverso en voel de eerste spetters. In de aanzwellende regenbui bereiden we de abseil voor. Gehaast, maar zonder fouten te maken. Een korte felle bui en het is klaar met klimmen. Wandel- en goeiegesprekkenmaatje Eva neemt afscheid en gaat naar huis. Helaas, geen goeiegesprekken vanavond.

Ooh, ooh, ooh. Tijdens de volgende bui blijkt mijn tent lek. Eerst een plekje, dan aan de andere kant, vervolgens laat de hele naad los. Redden wat er te redden valt. Dweilen met de handdoek en de theedoek. Alles op het ultralight matje, dat past eigenlijk niet. Tijdens de BBQ, kliminstructeurs blijken ook uitstekend te kunnen BBQ-en – hamburgers, worstjes, geitenkaas in spek en het hoogtepunt; banaan met chocolade (eens at ik ook de geBBQ-de bananenschil op, dat bleek niet goed) – komen er doemscenario’s voorbij. Dat ik vannacht moet vluchten uit mijn blankstaande tent. En hoelang die nacht zal duren, hier onder het afdak bij de BBQ. Hoe lang is het geleden, dat ik wakker werd in een plas water? Of de nacht doorbracht in een bushokje, in een park of zomaar ergens achter een muurtje? Die kou, die weet ik nog.

Klimmaat Robert verleent mij gastvrij onderdak. ‘That’s where klimmaats are for….’ Het regent heel de nacht, gestaag en soms hard. De camping, la Cascade de Jausse doet haar naam eer aan. De naburige waterval begint steeds harder te ruisen. Ondanks Robert’s inmiddels alom beruchte decibelsnurk slaap ik goed. Geen stress om voortdurend de tent en het grondzeil te moeten checken. Duncan Laurence met zijn lied ‘Arcade’ en het aanhoudende ‘Ooh, ooh, ooh. Loving you is a losing game’ wat dagenlang in mijn hoofd rondzong, blijkt die avond het ietwat rare festival te winnen. Niets van gemerkt.

Mijn geliefde tentje, dat zich razendsnel liet opzetten en afbreken, prop ik als een natte dweil in zijn hoes. En met een inwendige snik laat ik hem vallen in de grijze waterdichte afvalcontainer van de camping.