Koerd

Het zal zo ongeveer precies in het midden zijn, tussen de Oost- en de Zuidhaven, waar ik de stoel vond. Net daar, waar ik toch al wilde gaan kijken wat ik die ochtend tussen mijn boterhammen had gedaan.(kaas natuurlijk) Ik kiepte het reeds verzamelde afval in de groene afvalbak. En daar achter de bak die wankel op de pootjes stond, de hoge waterstanden hadden het zand weggespoeld, stond de stoel. Zo’n moderne, uit- of inklapbare outdoor wildernis stoel. Ik ploegde me door het toch al geknakte riet naar de andere kant van de strekdam. Volstrekte luwte en uit het zicht van die enkele man-met-hond of die verrekte vogelaar. Eerder was ik al een hond tegengekomen, een van de 1,5 miljoen honden die ons land rijk (nou ja, rijk) is. Pas nadat de baas het grommende ondier in bedwang hield kon ik verder. Nu hier, stilte, zon en 1 of 2 graadjes boven nul.

Je moet er wat voor doen, maar dan heb je ook wat. Het is op dit moment kruip door – sluip door in de Biesbosch. Letterlijk honderden bomen zijn omgevallen door de laatste storm. Brood, kaas, een Koninginnen-Cup-a-Soupje en rivierzicht, need I say more? Nu komt het: nadat een aalscholver, die mij, al duikend, niet opmerkte, plotseling schrok en nadat het ruisgeluid van binnenvaarder Intensity was weggestorven, drong een ander geluid zich aan mij op. Wat was dat? Kwam het van de Amer, de rivier verderop, een konvooi binnenvaarders, of was het een vliegtuig? Een zware bommenwerper? Onderweg naar Aleppo, of nee, nu naar Alfrin, in het noorden van Syrië. Aleppo ligt in puin, de bevolking keert voorzichtig terug. Het strijdperk heeft zich verplaatst richting Turkse grens. Het Koerdische deel.

Vanmorgen nog postte ik een brief, in een enveloppe met postzegel in een oranje brievenbus. Aan de heer S. T. te Z. Een Irakese Koerd, die gevlucht voor Sadam Hoessein, jaren naast mijn moeder woonde. En die zo aardig voor haar was, als was ze zijn eigen moeder. Hij had zijn stad, Suleimaniya, een heel grote stad in Irak, meer dan 1 miljoen inwoners, moeten ontvluchten. De enorme file van duizenden stilstaande auto’s, boordevol met kinderen en opa’s en oma’s, werd gebombardeerd. Trauma’s voor het leven. De soep was op en de zon kwam nu goed door. Ik deed een laagje uit en schonk een kopje koffie in. Het geluid van de bommenwerper, of van de binnenvaarder op de Amer was weggestorven. Hier zat ik hier op mijn gevonden stoel. Aleppo, en nu de hel van Alfrin, is slechts vier uur vliegen ver. Het is toch maar net waar je geboren wordt.

Op weg hierheen maakte ik een foto voor mijn mapje ‘Bevervraat’. Steeds meer bomen worden aangevreten door de bever. Grote vallen om en blijven liggen, kleinere neemt hij mee naar de bevertjesburcht. Knaag, knaag, eventjes kwaad maken en hup daar gaat weer een boom. Een beetje bever zaagt een boom van dertig centimeter dik in vier uur om. Dertig jaar geleden werden de eerste bevers uitgezet in de Biesbosch. Langzaam werd de populatie groter. Nu breiden ze zich naar alle kanten uit. We wilden bevers; nu hébben we bevers. Het gaat een plaag worden.

Laatst ging ik uit eten bij Smyrna Tandoor. De eigenaar van het vrij stille restaurant, die , zo vertelde hij, de houtskooloven zelf gebouwd had, kwam er gezellig bij zitten en we bespraken de toestand in de wereld. Hij bleek een Turkse Koerd.
“Nederland is een goede land, in Nederland is een veilige land”.

De Nieuwe Merwede stroomde kalmpjes verder, vredig haast. Achter het riet was de aalscholver er weer. Hij zat op de strekdam, spreidde zijn natte vleugels uit, in het tegenlicht een fraai silhouet. Onbeweeglijk zat hij en keek naar mij.

Canada Goose

Enigszins besmuikt betreed ik het park. Wat doet een man alleen in een park. Een man zonder hond, dat lijkt verdacht. Ook al ben je een natuurliefhebber en geïnteresseerd in de geschiedenis van je stad en noteer je zijdelings her en der een vogeltje, dat, zo eind januari, aarzelend terug migreert vanuit het overwinteringsoord. Het Merwesteinpark, het oudste park van Dordt, 1885, bezit vele monumentale bomen. En je verwacht het niet: heel anno nu, meteen bij binnenkomst ligt er een tegel met QR code. Na scanning krijg je de website van het park en is aan de hand van de nummers bij de bomen opzoekbaar welke boom hier zegenend zijn knoestige takken boven je uitspreidt.

Een zichzelf respecterende stad dient een park te hebben. Het voor de hand liggende Vondelpark, het verrassende Beatrixpark, beide parken bezocht ik regelmatig, noodgedwongen op zoek naar zon en groen vanuit mijn bedompte Amsterdamse woninkjes. Jardin de Luxembourg in Parijs, het prachtig verdiept liggende park in de stad Luxemburg, of het juist hoog gelegen High Barnet in Londen. Groene longen, als ik in een stad ben, na een paar dagen ga ik op zoek naar het park. Even het verkeerslawaai beu. Central Park, New York, dat staat nog op het lijstje.

In het Merwesteinpark was een enorme boom omgewaaid, dat moest ik zien. Op de Reeweg stond een oude, lichte motor geparkeerd. Een Royal Enfield met rode benzinetank. Ernaast in modieus matgrijs een zeer brede Tesla, fraai gecombineerd. Daar, dichtbij het park, op de hoek van de Oranjelaan was ook een boom gevallen. De goede kant op, niet het rieten dak, maar de heg was naar de gallemiezen. Dan is er dus sprake van pech en toch nog mazzel. Er stond geen bordje met een nummer bij. Volgens Google maps was het een enorme cypres. In het park laat ik het hertenkampje links liggen: ik heb ook geen kleinkinderen. Bovendien loopt er een groepje jochies, gewapend met Redbull en in dure jassen. Canada Goose, opeens de nieuwe musthave. Veel te duur en totaal onnodig met die zachte winters van ons.

Daar staat nog een geheel andere boom, een kunstwerk.  Op deze plek stond ooit Villa Merwestein, toen het zomerhuis van de eigenaren van ‘Huis de Onbeschaamde‘, in Dordrecht wereldberoemd. De villa is in de oorlog gebombardeerd, de Duitsers hadden het gevorderd. Nu torent er de witte ‘Levensboom’ van kunstenaar Hans Petri. En dat daar is volgens mij een sequoia.  Zo’n boom die ongekende hoogtes bereikt in parken van een geheel andere orde, zoals Yosemite National Park. Volgens de bomenlijst in de QR code is dit een sequoiadendron, geplant in 1960, zevenenvijftig jaar oud dus. Verderop schemert een berg zaagsel door de bomen. Deze was het dus, nummer honderdvijftig. Een tranenden, Pinus Wallichiana. Nog niet zo heel oud, uit 1975. Toch jammer.

Wat ook heel jammer is, het nieuwe plan om ook van dit park een stuk af te knabbelen. Het ‘Werfje’, een klein gebouwtje, wat dienst doet als schaftlokaal en werkplaats voor het park, wil de gemeente van de hand doen. Er zou dan een stukje park verdwijnen. Een zichzelf respecterende stad hoort zijn parken in stand te houden. Die groene longen voor haar bewoners.

Witte ganzen, zwarte zwanen en rare ganzen, volgens Google (alweer) de Toulouse gans, keuren mij geen blik waardig wanneer ik het park verlaat. De wereld gaat gewoon door met rondjes draaien, of het stormt of niet. En de Dordtenaren leven verder, onschuldig en onwetend van wat hen te wachten staat.

Klunen

Het is weer zover, bijna Kerst. Geen witte Kerst, de kans op sneeuw is uiterst gering. Miezerig mistroostig of waterkoud, daar doen wij het mee. Aan de kades van Dordt liggen de binnenvaartschepen aangemeerd. Even een paar dagen niet onderweg, ze liggen rijen dik. Aan de Buitenwalevest tot zelfs zeven naast elkaar. Die buitenste schipper moet echt even klunen om aan wal te komen. En daar, als je het niet verder vertelt, aan die kade staat het nieuwste bankje van Dordt. Na het vertrek van het bunkerstation, wat daar altijd lag aangemeerd, bleef er een vreemd gat in de kade over. Tot mijn grote vreugde werd het geen extra parkeerplaats.

Nog meer reden voor blijdschap. Het college van B&W gaf groen licht. Hij komt, de brug naar Stadswerven. Een zwaar discussiepunt in de raad. Uiteraard, het wordt een stuk duurder dan beraamd. Logisch zou ik haast zeggen, dat is toch normaal. Dat is altijd zo, dat hoort zo bij dit soort projecten. Maar het is een fraai ontwerp en dat is leuk. Als je dan toch iets maakt, wat toevoegt aan de stad, iets blijvends, maak het dan meteen mooi. Wel zo prettig voor de mensen. En, er wordt al zoveel lelijks gebouwd in de stad. Waar kennelijk geen schoonheidscommissie iets te zeggen had, de projectontwikkelaar sterker was. De macht van het geld. Toch, de plek van deze brug is dermate prominent, zet daar iets moois neer. Hij blijft er ook een tijdje liggen. Een eeuw of misschien wel twee. Zoals de Nieuwbrug, Visbrug, Engelenburgerbrug, allemaal rond 1850 gebouwd. Een brug, die kan iconisch worden. Brooklyn Bridge,  Golden Gate Bridge, dichterbij de Zwaan van Rotterdam. En in Dordt dan de Brug der Zuchten.

Nieuwbouw hoeft niet lelijk te zijn. Loop even het Centraal station van Rotterdam uit, rechtdoor over de Westersingel. Een dolle kermis, een lust voor het oog, genieten. Fantasierijke gevels, die vechten met – en elkaar aanvullen. Anders dan het trieste zooitje op de Spuiboulevard, zeker nu het ook nog allemaal leegstaat. Heel eng, wat gaat daar verrijzen? Alsjeblieft niet ‘historiserend’. Het Openlucht Museum is in Arnhem. Steek je nek uit Dordt, durf! Dat wordt straks roeien tegen de stroom in. Burgers die niks willen, besluitmakers zonder smaak en doordouwers met geld.

Neem nou zo’n bankje, ik ben er blij mee, iemand heeft nagedacht. Het was makkelijk geweest, plemp dat gat dicht, klinkers erin, en hup, parkeren maar. Nee, er was een mens met visie. Daar is plaats voor een eenvoudig bankje, lantaarntje ernaast. Niet verder vertellen, als het wat minder miezert, mistroostig en guur is, dan ga ik daar zitten.

En toch, misschien is het allemaal niet waar. Misschien, als we niets doen, we gaan die lege panden aan de Spuiboulevard weer bevolken, verzinnen we nieuwe bestemmingen. En over honderd jaar houden we ervan, die bouwstijl van de zeventiger en vooruit de tachtiger jaren van de vorige eeuw. Dat vuile beton en het kunststof en het Trespa, we bezien het dan met liefde. Met heimwee naar die tijd, bewaren toch, als een relikwie. De tijd van na de oranje/bruine keuken en voordat alles grijs werd, de tuinmeubelen en het steigerhout.

Het was al maanden later, voorjaar 2018. Een voorjaarszonnetje scheen voorzichtig over de rivier, het was de eerste keer. Doelbewust was ik op weg, het bankje ging ik heen. De kastanjebomen liepen al wat uit. De haven naderend werd die heel speciale geur van het zoete water sterker. Maar wat was dat, het bankje was bezet. Door een ragfijne gestalte die een hoedje droeg. Voorzichtig nam ik plaats nadat ik vroeg of ze geen bezwaar had. Het water kabbelde stilletjes tegen de ruwstenen muur onder ons, nu en dan even opgeschrikt door een voorbijstuwend schip. Ongemerkt was ze opgeschoven en raakte ze mijn arm. Haar profiel was zacht en on-Nederlands tegen de hoekige lijnen van de spoorbrug in de verte.
“Mag ik vragen hoe je heet?”
hoorde ik mezelf plotsling vragen. Zachtjes schudde ze haar hoofd, ze fluisterde :
“Klunen”

formidable

Trug naar Mokum
In het donker komen de villa’s aan de Minervalaan me onbekend voor. De kastanjebomen steken grillig hun takken omhoog. Die herken ik, net als even later de brug over het Amstelkanaal en dan de statige huizen van Amsterdam Zuid. Bekend terrein, hier werkte ik.

In het holst van de nacht wekte de wekker me. Slaapdronken even later op weg. In de mist naar Schiphol, dochter Carol en haar Robert wegbrengen. Ze trekken weer de bush in, Botswana. Met de jeep naar de Okavango Delta. Ik had onrustig geslapen, droomde. Over werk, over een werkgever, over iemand die hem een duwtje gaf. Zo de trap af. Voorover. Alweer vier jaar geleden werkte ik hier. Een laatste zwaai, dan gaan ze langs de douane. Afscheid nemen, toch went het wel.
”Kijk je wel uit, voor die leeuw daar links?”
Gelukkig zullen ze bovenop de auto slapen, in een tent. De optrekjes hier in Zuid zijn prijzig. Voor tachtig m2 betaal je zo vier ton. Ik heb m’n ouwe werkplek gezien en dwaal nu richting centrum. Het is nog steeds heel vroeg en mistig ook. De stad ontwaakt – is niet van toepassing, colonnes fietsers scheuren langs, al of niet verlicht, op weg naar school en kantoor. Ik ben blij dat ik hier niet meer woon, toch is het een fantastische stad. Hobbemakade in die eigenzinnige baksteenbouw. Amsterdamse school, je moet ervan houden. Maar dat doe ik.

De Ferdinand Bol met z’n schreeuwende winkels. Ik loop maar wat en geheel onbedoeld beland ik in De Pijp, waar ik woonde. Op de Albert Cuyp worden de kramen opgebouwd. Uit een bestelbus schalt: ‘Formidable’ van Stromae. Lawaai van rolcontainers in de ochtendstilte. Fel verlicht de ijsbakken van de viskraam. De visboer hamert het ijs kapot. André Hazes zit er nog, in brons.

Ik drink koffie in een hip café, bij een lief meisje met een ring door d’r neus. Even oriënteren, ik liep precies de verkeerde kant op. Dan door de Eerste Jan van der Helststraat, hier woonde vriend Harry. Langs de Amstel, gelukkig, ze liggen er nog, de woonboten. Het Amstelhotel, Carré, de Magere brug over, wil nog een stukje Utrechtse straat meepikken. Hier kocht ik ooit mijn oranje suède Spaanse laarzen, was daarmee de eerste in Zuidwest Nederland. Midnight Cowboy, de film die ik zag in Cineac in de Reguleersbree. Rembrandtplein, oorverdovend, steigerbouwers, vuilniswagens, rolcontainers. UPC-, DHL- en PostNL bezorgauto’s. Langs de Stopera, Mozes- en Aaronkerk. Wat er over is van het Waterlooplein.

Steegjes, grachtjes, even stil. Toch niet, dit is het terrein van de rolkoffers. Daar de Nieuwmarkt, waar ik kennis maakte met traangas. De Nieuwmarktrellen. Het is nu net zo mistig als toen.

De OuweZijds, de gekuiste Wallen, geen hoer te zien. De Zeedijk, langs Kras(napolski) waar mijn carrière begon. Solliciteren op stand, jawel! Op het Damrak proberen te herkennen waar ik mijn eerste maanden sleet. En de smalle raampjes die uitkeken op de Dam. Waar ik me verstopte om even weg te dromen. Verder op het Rokin, de gevel is gebleven, de pui eronder onherkenbaar. In de Kalverstraat zoek ik herkenningspunten aan de gevels ertegenover, deze werkplek is haast niet te vinden. Heiligeweg, Leidsestraat. De Febo is er nog, na het stappen voor de vette bek. Op zoek naar ‘mijn’ café Alto in de Leidsedwars, gaat pas over tien uur open. Het is nog steeds vroeg. Dan maar koffie en broodje Amsterdamse bal in café Mokum op het Leidse plein. Ik kan makkelijk nog drie pagina’s vullen met herinneringen.

Nog even de Bijenkorf in, uiteraard. Of je de hemel betreedt, wit, alles wit en goud en marmer. De juffrouwen met zwart zware ogen, de garçons überhip geknipt met skinny pants. Bijna voel ik me ongemakkelijk hier, met mijn Scarpa Mojito’s. Het is de hel, overdaad, wat hebben we het goed, alles is te koop en ademt luxe, het is teveel. Op het Damrak is nog steeds een donkere dag, druilerig, CS in de verte, de stad verhult zich in mist, toepasselijk. Zo zijn ook mijn herinneringen, onscherp.

Rudolf

Natuurlijk, ik had thuis kunnen blijven. Voor de buis liggend Home Alone 7 kijken of voor de zesde keer naar The Edge of Reason van de onvergetelijke Bridget Jones. Maar dat deed ik niet. Geheel tegen mijn principe stortte ik me in het gewoel. De drukte van de grootste Kerstmarkt van Nederland.

Bijkomend voordeel; dat wandelingetje kon ik gebruiken als ‘herstelloopje’. Beetje bijkomen van gisteren. Een veelvoud van de dagelijks verplichte 10.000 stappen en dan ook nog door overwegend mul zand. Met twee van mijn broers inspecteerde ik de Zeeuwsche kust. Het duingebied daarachter en het aanpalende bosgebied. De weersgesteldheid was van een dusdanige kwaliteit dat we, eenmaal in de luwte van een diepgelegen dalletje, gezeten aan de oever van een rimpelloos ven, aan de overkant een roedel reetjes in eerste instantie aanzagen voor een kudde rendieren. Want koud was het, wind was er ook en regen die net geen hagel was. Het was het verwenweekend. Een vrijdagnacht en een zaterdag waarin ik mijn broers eens ongenadig zou verwennen. Zuurkool lustten ze niet, dus zagen ze zich genoodzaakt dan zelf maar Chili Concarne te maken. In de pauze daar aan het ven aten we ons lunchpakket. De kaas was zout, het brood wat flauw, zoutarm – ik kan niet lezen. Riem spoelde het weg met een kopje warm water, hij lust geen koffie en de theezakjes lagen thuis. Terug over het strand. Maar waar was dat gebleven? Was het de storm, of is de zeespiegelstijging plotseling toch versneld? De uitlopers spoelden soms letterlijk tegen de duinen die verticaal waren afgeslagen. Verwenweekend.

Hoe laat de Sing-a-Long begon, vroeg vriend Chris. Hij was goed bij stem, verzekerde hij me en ook dat hij beschikte over een zuivere bariton. En inderdaad, we troffen elkaar in de rechterhoek van het bomvolle plein. Het stadhuis torende hoog boven ons uit, de muziektent was bevolkt met het roemruchte OUD. Het Official Ukelele Orchestra Dordrecht. Snel klokten wij een beker Glühwein naar binnen en met gesmeerde kelen zetten wij in. De ene Christmas Carol was nog niet afgelopen of OUD zette alweer de volgende in. De menigte zong, deinde en wiegde mee in het moordende ritme van het vrolijke orkest. Onwillekeurig dacht ik onder het zingen door terug. Aan vroeger tijden, hoe ik voor het eerst als kind mee mocht naar de Kerstnachtdienst in de Grote Kerk. Waar het steenkoud was en de verlichting de hoge gewelven amper kon bereiken en hoe het orgel dreigend dreunde. En het mooiste was, toen we in mijn kinderogen, midden in de nacht buiten kwamen. Er was geruisloos, terwijl wij Stille Nacht zongen, een wit pak sneeuw neergedaald. En ik liep hand in hand tussen mijn vader en moeder stilverwonderd door de witte wereld naar huis.

‘So here it is, Merry Christmas
every body is havin’ fun
look to he future now
It’s only just begun
De menigte brult het keihard mee en springt op en neer met dit lied van Slade uit 1973, zodanig dat de glimmende kasseien er eens goed voor gaan liggen.

Toen ik iets groter was, maar nog steeds klein, had je daar de Volkskerstzang. Een massaal zanggebeuren in de veiling en heel toepasselijk gezeten op houten veilingkisten. En ik stond als, wat nu Scout heet, padvinder daar, in de korte broek, op een heel koud en donker parkeerterrein het verkeer te dirigeren. Veel indruk op de bestuurders maakten mijn spillebenen, ook toen al, niet.

Zoals het een beetje pensionado betaamt, heb ik nooit tijd. Zo vaak trad OUD al op en nooit lukte het. Nu ben ik er en daar staat ze, vriendin Belinde. Helemaal rechts en helemaal rood. Rode muts en fleece en Schots geruite broek. Speelt zich de blaren op de vingers met die harde ukelelesnaren. Vol overgave zingt ze over Merry Christmas, over Silent Night, en ene Rudolf, een rednosed raindeer.

trug naar Utrech

‘Deze bus vertrekt over 4 minuten’. Dat staat boven de voorruit van de Q-liner en inderdaad, stipt op tijd vertrekt Arriva lijn 388, met mij als enige passagier aan boord. Onderuit in blauwe fauteuil, telefoon inplugbaar boven me, helaas nog net geen wifi. In één keer door, geen haastig overgestap in Rotterdam of Geldermalsen. Twee haltes verder begroet ik vriend Wim, Utrecht is de bestemming. Deze tijdcapsule, bestuurd door een jonge vrouw glijdt ons terug naar een stad uit mijn jeugd. Veel oog voor de buitenwereld hebben we niet; druk in gesprek. In het jaar dat The Beatles uit elkaar gingen verhuisde ik erheen. En in dat jaar was er nog een fraai station. Het moest plaats maken voor Vredenburg, het theater op het gelijknamige plein. En Hoog Catharijne, het veel bekritiseerde winkelcentrum, dat nu dus alweer op de schop ging, evenals het nog steeds onzichtbare station. Enfin, nu blijkt het mogelijk ook buitenlangs te gaan, richting binnenstad.

Heeft niet iedereen dat, een enkele keer naar een plek gaan waar je hebt gewoond. In een poging, die bij voorbaat is gedoemd te mislukken, iets te voelen, je te herinneren, van toen. Je jeugd, je onbekommerdheid, het optimisme. De wereld lag aan je voeten, alles kon. Dat vooral, dat gevoel wil je bovenhalen. Dat geluk van die tijd, toen de zomers lang waren en warm.

Eerst koffie en dan naar Pyke Koch, de enigszins fout-in-de-oorlog schilder. Exact tegelijk herkennen we een frappante gelijkenis: Kitty Courbois. Vlak voor haar overlijden stond ik nog oog in oog met haar op het Java eiland. Dwalend langs de Oude Gracht herinnert Wim, zeer bekwaam in nutteloze feitjes, zich het nummer: 341, daar woonde Koch. Meer koffie bij Blackbird, coffee and bikes. Voor ons, met onze voorliefde voor de fiets en alles wat daar om heen hangt, is dit een ‘mustsee’. Aan de muur retrobikes en in de werfkelder nog veel meer.

Die Gracht, die goot, de kloof die de stad in tweeën scheurt, de rode draad die niet van veel betekenis is geweest in mijn verdere leven, helpt echter nu weer de weg te vinden, wijst de richting naar waar ik woonde, toen. Uit vage herinnering puttend en verder geholpen door google maps lopen we naar de straat waar mijn school was. Het klassieke gebouw met hoge lokalen en houten vloeren, terra cotta in de koude gangen, het glas in lood boven de trap, het is er niet meer. Een nietszeggende façade van baksteen en beton is er voor in de plaats gekomen. Die school, waar wij ons artiesten waanden. Met verf bespatte kleren en onze laarzen zilver gespoten. Het was er altijd kil en de toiletten waren smerig. Op de blog van mijn leerjaren ben ik onzichtbaar. Merkwaardig, ik sta op geen enkele groeps-, of klassenfoto. Vaak was ik afwezig, maar zo vaak?

Toeval leidt ons naar het armzalig pension waar ik de eerste maanden verbleef en waar je je ’s avonds een weg moest banen tussendoor de prostituees. Evenals de Pijp in Amsterdam, waar ik later woonde, nu opgeknapt en een gewilde plek voor jonge gezinnen. Dan over het Janskerkhof waar ik het licht zag worden door de gebrandschilderde ramen van de kroeg. Het studentenleven, soms dagenlang leven van statiegeld en geleend brood. Steeds meer komt terug, de Q-liner stopte in Jutphaas. Dus daar woonde ze, toen, dat meisje uit de klas, waar iedereen verliefd op was.

Het was de tijd met de muziek van Jetro Tull – ik fluit het soms nóg – van op je ouwe rammelfiets door de stad crossen, op je blote voeten door het park lopen, de arme hippe artiest spelen. Voor de eenvoudige jongen uit de polder was Utrecht de grote stad. De polder die hij ontvluchtte, de drang naar de anonieme vrijheid van de city. Het is er nog veel drukker geworden, massa’s op de fiets, het kost zelfs moeite om Neude over te steken. Ik wil Wim de Florin laten zien, in mijn ogen toen zo studentikoos. En dan weer terug over de Oude Gracht, ik herken het pand, hier zat de Slechte. Uren bracht ik er door, kunstboeken bladerend. Ik ruik de geur weer zelfs.

Tenslotte belanden we in de Winkel van Sinkel, met de pui die iedereen kent, met de karakteristieke beelden. Belgisch bier en Franse wijn. Op de reünie van school die hier gehouden werd, ontbrak ik. Uiteraard, reünies moet je mijden als de pest. Liever het klein houden, met een goede vriend op sentimental journey, terug naar een tijd waarin de toekomst nog moest beginnen. Een toekomst die even geheimzinnig was als nu die vervaagde herinneringen.

Yeliz

Met een klikje opende zijn mailbox. Meteen verstijfde hij van schrik, tussen de vele mails viel er één op, een bericht van Niekje, onderwerp
‘Yeliz’.
Het openen van de mail zelf ging traag, maar toen las hij haar bericht in één oogopslag. Een enkele zin:
‘Ferdi,
kun je me even uitleggen wie dit is?
Zie bijlage’.
 

Het openen van de bijlage duurde nog lager. De foto verscheen stukje voor stukje op het scherm. Bij de eerste strook wist hij al wat hij te zien zou krijgen. De foto van de opdringerige fotograaf op de boerenmarkt in Kusadasi. Yeliz om zijn nek hangend, lachend. Hoe ging hij dit uitleggen, hoe kwam Niekje aan die foto? Hij had hem zelf niet eens gezien. Had hij nog een telefoonnummer van Yeliz? Filty shit! Ook dat nog. Kon hij er net nog bij hebben. Had ze de foto opgestuurd? Expres had hij zich nergens over uit gelaten, vaag gebleven. Hoe kwam ze dan aan zijn adres. Natuurlijk, hij speelde met vuur. Een slippertje in Verweggistan, wat maakt dat nou. Een seconde dacht hij aan Jo-Ann, verdomme, had die vuile chick hem verraden? Maar hoe kon dat, zij wist ook van niets. Dan viel zijn oog op Facebook – nieuw bericht. Ooit had hij zich aangemeld bij Facebook. Twitteren, daar ging hij niet aan beginnen.

Ongeduldig wachtte hij tot hij door kon klikken op het bericht. Wachtwoord, klik, klik, Yeliz -Güzelcamli, Facebook, 327 vrienden, 82 foto’s voor vrienden, bericht, klik hier om te lezen. Oh, filty chicken shit! Bericht:
‘Hai lieve Ferdi,
ik zou je nog de foto sturen.
Dank voor de fijne tijd.
Is het goed gekomen met de fotoactie?
Kom je soms nog deze kant op?
XX Y’.

Uit: De Waarheit

De Waarheit

neE-Bike

Geen groter genoegen dan ogenschijnlijk moeiteloos zo’n achteroverzittende luilak op een E-bike voorbij te fietsen. Lang was ik op zoek naar een nieuwe fiets. Eens moest het gebeuren, nooit had ik een nieuwe. Hoe vaak fietste ik inmiddels de wereld rond, altijd secondhand?

Een jaarlang zoeken. Ik gunde het de Dordtse middenstand, struinde alle winkels af. Wipte even langs, nog iets nieuws binnen? De Drechtsteden, naar Rotterdam, dan digitaal maar verder. En wat moest het dan worden, een citybike? Een fiets met triatlonstuur, een hybride, met voor- en achterdragers en overal Ortliebtassen? Een nakedbike, zo’n doortrapper. Een zwarte Batavus of een Gazelle. Een nostalgisch heerenrijwiel met trommelremmen en Brookszadel. Of toch een racefiets, een mountainbike. Ooit verkocht ik mijn toen vierendertig jaar oude racefiets voor het symbolische bedrag van vierendertig euro. Nog voor de opkomst van de retrofiets en de omgebouwde retro fiets, de fixed bike. Nu zou die zilverblauwe Gazelle Tour de l’ Avenir goud waard zijn. Nog niet zo lang geleden waren er slechts brave gemiddelde rijwielen. Nu is het aanbod zeer divers. Heel even vond ik, alweer zo lang geleden, de Kronan zelfs leuk. Waarom?

Ik stapte binnen bij Crooze op de Kaap in Rotterdam, gelokt met aparte modellen. En stond alweer haast buiten: “U heeft het snel gezien?” “Ja, u heeft alleen elektrische fietsen.” “Dat is de toekomst, toch ook voor u”. “Ik dacht het niet.” ”O, u denkt dat het alleen voor oude mensen is?” Inderdaad, de modellen van Crooze zijn waanzinnig. Maar elektrisch. Dus niets voor mij. Ik fiets nu al hard, dan  bereik ik gevaarlijke snelheden.

Toen zag ik het licht. Fantastische fietsen op internet. Fantastische prijzen ook. Niet te verkrijgen in Europa, in de US, daar hadden ze ze. Lazy bikes, met fraaie sturen, prachtig vormgegeven. Soepel gelijnd, de breakes, de handles. Echter, af te reizen naar Hell’s Kitchen, Manhattan om mijn dreambike te laten invliegen, er zijn borders. In het altijd vooroplopende Sliedrecht vond ik de Gazelle van Stael. Stijlvol, eenvoud, wat weggelaten kan worden was weg. Ik maakte een proefrit, tevergeefs, ik kon er niet op zitten.

Op de laatste mooie herfstdag van het jaar drink ik mijn koffie bij het Gat van de Noorderklip, inderdaad Brabantse Bieschbos. Eindje fietsen en stukje wandelen. Toch maar niet op mijn nieuwe, en parkeer de oude modderfiets bij de slagboom. Het half verharde pad begint al wat omzoomd te worden, dat gaat snel met opschietend wilgengeboomte. Over een paar jaar is dit een donker pad in een tunnel van groen. De bladeren verkleuren, ruisen en vallen dansend als confettistrooisel om me heen. De vogelkijkhut laat ik rechts, negeer de hoogspanningsmast, richt de blik in de verte. Driehonderdzeventwintig wilde eenden stuiven weg als ze mijn pet boven het riet zien schuiven. Het vervallen huis aan het eind van het pad heeft zich verborgen achter een enorme omgevallen esdoorn. Koffie op de meerbolder bij het haventje, dat leeg is vandaag. Geen Staatsbosbeheer of rattenvangers. Langzaam komt de dag op gang, het breekt, de zon schijnt in de stilte.

Al even op weg, valt het me op. De fietstas, weg. De tas die bijna uiteen viel, half vergaan, verteerd, is kennelijk gestolen. Dat moet ik  verwerken. In een klap is mijn herftsweemoedvredegevoel weggevaagd. Je verwacht het niet. In dit niemandsland. Waar je alleen gelijkgestemden ontmoet. Stiltezoekers, Vrinden der natuur en uiteraard de onvermijdelijke Vogelaars. Voortaan moet ik dus ook hier op m’n qui-vive zijn, achteromkijken. Het is niet eens zozeer die tas. Die tas kon me gestolen worden. Als je het niet verder vertelt, ik heb weleens een fiets gestolen, maar op de een of andere manier komt dit harder binnen.

Het is duidelijk. Mijn nieuwe, de dreambike, de ghost-zwarte Creme Caferacer Solo gaat hier niet geparkeerd worden. En ik moet een Abus Iven kettingslot aanschaffen.

les Autrichiens

 

Waarom rij ik eigenlijk niet gewoon nu meteen weg? En zo voegde ik daad bij het woord. Ik stapte in mijn zwarte wagen en na gestart te hebben reed ik de straat uit, rechtsaf, naar het zuiden. Diverse files moest ik zien te overleven maar kon tenslotte na Bouges, bij afslag 14, de N311 verlaten. Ingeklemd tussen de kronkelende rivier en de suburbs van Namur zocht ik mijn weg. Kort en goed, ter hoogte van het oorlogsmonument in Wepion, ontwaarde ik het beoogde klimgebied. De rotsen van Dave, aan de overkant van de Maas. Ik kon een goede inschatting maken van de steilte en moeilijkheidsgraat. Het meest linkse massief, dat zou het worden, morgen.

Dan snel door naar Dinant, waar ik in recordtempo de boulevard afmarcheerde in beide richtingen. Ik moest namelijk enigszins nodig plassen. Dan maar weer een café binnen. Stootte aan de Rue Adolphe Sax een willekeurige deur open, denderde doorheen de doorrookte ruimte, tot ik weer buiten stond. Nu op het balkonterras aan de Maas, die onverschillig doorging met stromen. Ik bleek mij te bevinden aan exact hetzelfde tafeltje als een jaar geleden, toen met mijn goede vriend Kees. De binnenvallende, lekker vals spelende Dixielandband ontbrak, evenals Kees. En ik zat daar stillekes te denken aan alle routes die ik morgen niet zou beklimmen. En aan de tijd dat ik hier kampeerde met mijn jonge Eega. Aan die boom, die toen in zijn volle lengte naast ons tentje was neergevallen in het nachtelijk onweer. En weer jaren later, hoe ik hier met mijn kind had gekampeerd en ik, met onze rugzakken terug op weg naar het station, knalhard tegen een Belgisch verkeersbord aanliep. Het staat er nog, dat bord, hier vlakbij. Dit soort overpeinzingen had ik en die ik nu, op gevaar af mijn imago geweld aan te doen, aan het digitale toevertrouw.

Eenmaal terug bij de zwarte wagen, met een goede bak Rombouts koffie in de mik, bemerkte ik wat ik glad vergeten was. Noodgedwongen doorkruiste ik, nu met spoed, nogmaals Dinant en reed in een ruk door naar Freyr. Parkeerde bruusk op de P-plaats boven de Merinos. Enerzijds opgelucht koerste ik even later richting Maillen. Anderzijds gespannen, zou ik in de snel vallende schemering de Chaveehut kunnen traceren? Om te voorkomen dat dit avontuur te gedetailleerd gaat worden, ga ik nu verder met wat zich de volgende dag afspeelde.

De kobaltblauwe Pantzerwagen van de Jeugdleiding leverde mij gedecideerd af bij het massief. En meteen daar, toen, op dat ogenblik, merkte ik, voelde dit. De tinteling, de kriebel, de wil, het heilig moeten, zo van: ik wil omhoog, nu naar boven, klimmen. Die ontbrak! En dat heeft dan niets te maken met mogelijke inname van enige drank in de altijd gezellige, die vorige avond. Of met de lange wachttijd voor de nog in duisternis gehulde en gesloten hut, het langdurig rondwandelen door het donkere Maillen, me gadegeslagen wetend door het buiten rokende en om de hoek piesende biljartvolk van het Café Biljard en het nogmaals-wachten-tot-de-waard-er-is. Neen! Ik, die eerder het verhaal Ex-klimmer * publiceerde, ik klom / klim niet meer. Kort geleden was ik nog een week in Oostenrijk, in het Stubaital en maakte sneeuwval, dooi en storm elke toppoging onmogelijk.

Jan en ik stelden uit, klommen (lees = wandelden) omhoog tot we bovenop het massief, in het herfstige bos waren. Jan en ik, de oudsten van de groep, maar ik, toch wel de opa. Die aan de Stammtisch moest bekennen ’nog geen kleintjes te hebben gezien’. En er eigenlijk wel klaar voor was. Zelfs last bleek te hebben van opspelende, ja zelfs gillende ‘Opahormonen’.

Op de onmogelijke routes iets verderop dansten twaalf klimmers hun verticale dans. Op ons massiefje hing Jeugdleiding Stefan tenslotte een touw uit. De rijkelijk groen begroeide route luisterde toepasselijk naar de naam ‘Les Autrichiens’. De Oostenrijkers. In het Stubaital zag ik die week geen gras. Nu klom ik in één vloeiende beweging en met hoge snelheid naar de eerste en door tot de tweede standplaats. En of dat dan weer te maken had met het ontbijt van die ochtend, een boterham rijkelijk bestrooid met van citronella doordrenkte hagelslag? Geen mug meer gezien.

https://gerarddentoonder.com/?s=ex+klimmer

 

Verwoesting

Naar Nijmegen, daar moet ik heen. Vooruit, laat ik eens klimaatneutraal doen, met de trein. Ondanks de fiks langere reisduur, met de auto zou veel sneller zijn. Dank aan de NS voor de nieuwe dienstregeling, ik mag met de Sprinter (lees = stoptrein) naar Den Bosch. Daar overstappen op, jawel, een Sprinter. Toch zal ik deze reis glimlachend ondergaan, kwestie van instellen. Jezelf afstellen op traagheid. Een goed boek mee, ‘Vertrouwd Voordelig’ van Peter Middendorp, het cynische verhaal van een middenstandszoon in een doorsnee provinciestadje. De zon schijnt gezellig door de ramen van het bovendek. Ooit zwoer ik nooit plaats te zullen nemen in deze dubbeldekkers, veevervoer. Maar ach, alles went. Soms kijk ik even op uit het boek om naar het voorbijschuivende land te kijken. Het land wat snel verschiet nu, in herfstkleuren. Haast bewegingloos glijdt de trein over de rails. Niks geen kedeng – kedeng hier in Brabant. Het rijtuig, wat een ouderwets woord eigenlijk, voor dit luxueuze in smaakvolle tinten als kobaltblauw, zwart en diverse grijzen uitgevoerde vervoermiddel, loopt bij elke stop langzaam voller. Er is geen passagier die niet onmiddellijk zijn telefoon checkt.

Mijn hele leven al reis ik veel per trein. Ben een goede klant van NS, toch krijg ik geen kwantumkorting. Zo van, hoe meer treinkilometers afgelegd, hoe goedkoper het wordt. Tien- , nee, honderdduizenden kilometers spoor vlogen onder mij door. Overtuigd voorstander van openbaar vervoer. Ooit verkocht ik mijn auto, een Fiat 850 met schuifdak, voor vijf gulden. En ik ging lopen, ik had ook geen fiets, ik liep alles. Toch is er die haat-liefde verhouding met de trein, teveel ellende meegemaakt. (lees: https://gerarddentoonder.com/schrijfwerk/trein-spotten/)

Volgende tussenstop: Breda. NS bouwt in veel steden spraakmakende stations. Gebouwen voor de komende honderd jaar. Hier in Breda, ook zo’n plek waar ik elke stoeptegel ken, is een gebouw verrezen, het lijkt een vergissing. De schaal, het formaat, zo wanstaltig groot. Megalomaan is nu het goede woord. Naar mijn smaak heeft het een fascistische uitstraling. Alleen de kioskjes met het mozaïektegelwerk van Peter Struycken zijn bewaard gebleven. Hoeveel wachttijd heb ik doorgebracht, deze geheimzinnige patronen bestuderend.

Af en toe check ik mijn NSapp en het informatiescherm verderop in de coupé. Daar wordt de snelheid weergegeven en de buitentemperatuur, de verwachte aankomsttijd. En die tijd, gaat die gehaald worden? In Den Bosch heb ik vier minuten overstaptijd. Dat weet ik nu al, dankzij de app en ook dat ik op spoor 3a moet zijn. Dat zal krap zijn, aan de andere kant, ik ben niet dol op wachten.

Zojuist heb ik een grijze lichtmetalen vuilnisbak vernietigd, twee ruiten van het wachthuisje verpulverd en een rail licht beschadigd. De perronmedewerker kon ik niet te pakken krijgen, was me net te snel af. Woest! Kennelijk lijd ik ook nog aan een milde vorm van Gilles de la Tourette, binnensmonds. Namelijk: steeds trager naderde de trein Den Bosch, overstaptijd werd kort. Eenmaal tot stilstand gekomen bedroeg de afstand van de kop van de trein tot de roltrap nog zeventig meter. Na een korte aarzeling besloot ik dan ook maar te gaan rennen. Op spoor 3a aangekomen kon ik het rustig aandoen, geen trein te bekennen. Of toch wel, honderd (100!) meter verder. Die trein dus, die toen de eerste renners in de buurt kwamen, langzaam doch definitief steeds sneller begon te vertrekken. Van die dingen! (over een half uur komt er gewoon weer een trein hoor)

#Toch maar weer de auto. #NS spoort niet. #Zo word je de auto ingejaagd.