Alle berichten door dentoonder

De Bank

Zoals in de bergen is dat ook met de kust. Wat is daar achter, verder. Stranden kunnen mij niet breed genoeg zijn, niet leeg genoeg. Ook hier geldt, met minder mooi weer zijn ze leger, zijn er minder mensen. Op die enkele man met hond na, hardloper in de verte of toch weer zo’n verrekte vogelaar. Er is dat strand in, laat ik het Zuidwest Nederland noemen, ik wil niemand op verkeerde gedachten brengen, waar het breed is. Loop je aan de duinzijde, zie je de zee niet. Nou ja, je weet dat ze er is, maar waar ze begint niet.

De omstandigheden zijn perfect, naseizoen. Vroeg weg, het is zo’n dag die begint met ochtendmist, het zal lang ‘heiig’ blijven. En eb, het zal al laag zijn, maar het ebt nog door. Veilig gevoel. Voorzichtig vlei ik de oude fiets tegen een duindoornstruik. Het strand op, dat leeg is. Op enkele van die eerder genoemden na. Ver weg, slechts silhouetten die donker aftekenen in de grijzige nevel. Het mulle zand is koud en verder is het grote stuk waar het nooit droog lijkt te zijn, altijd wat modderig. Dan komen de nieuwe duintjes. Laag, spontaan groeiend met wit dun zand en voorzichtig helm. In de verte licht zo’n groepje fel op in zonlicht dat door een mistgaatje straalt. Dan volgt weer een strook grijs zand. Wittig wier is achtergebleven na een hoge vloed. Een schelpenstrook die hard kraakt in de stilte. Want stil is het, niets is er te horen, zelfs de zee niet. Nog niet, nog te ver. Of is het het ontbreken van branding. Ook de wind is er niet. Hier is niemand, de silhouetten zijn te klein geworden, of opgelost in de mistvocht. Schuin voor me staat een gezelschap witte meeuwen verspreid op een lichte verheffing. Ze kijken naar me met meedraaiende kopjes.

Het eind van de wereld. Zo voelt het. Bijna, er is nog een strook land, zand voor me, aan de andere kant van een brede kreek. Een mul waardoorheen met grote snelheid het laatste water wegebt. Meerdere van deze mullen stak ik over. Die droog stonden, of bijna. Sommige breed met een harde ribbelbodem die haast pijn deed. Dan weer omhoog een steile oever op, een bult met zachtmodderige substantie waarin ik diep wegzak. Nu hier, verdergaan is onmogelijk. Het water is helder en doorzichtig, het lijkt helemaal niet op zeewater en ik zie dat de geul diep is. Gooi de rugzak af en zit. Die zwarte stippen op de zandbank, ver weg, dat zullen zeehonden zijn. Achter me, wazig de duinenrij, klein als een bergenlandschap aan de horizon. De lege vlakte licht hier en daar op in zonnevlekken. Langzaam wordt het lichter.

De zwaardschede schelp die ik plaatste staat nu droog. Het water zakt nog. Ik wil, moet oversteken. Verder. Op die zandbank. Ik waad een stukje de stroom in. Het trekt aan mijn benen. Steil loopt het af. Opeens een diepe stap en word bijna omgetrokken. Snel, terug. Daar links, daar drijft iets. Dichterbij gekomen blijkt het een boei te zijn, met een waarschuwingsbordje erop. Een wanhopige zwemmer.

Nog dwaal ik rond over deze vlakte, met zijn voortdurend leegstromende mullen en geultjes die blikkeren in het magere zonlicht. Over een aantal uren staat hier weer een paar meter water. Nu worden de stroompjes aangevuld met opwellend water uit het leeglopend zand. Er ligt een monsterachtige kwal uitgespreid, kobaltblauw. Dat zand in alle kleuren grijs en geelgrijs, bespikkeld met schelpengruis. Wat is dit waanzinnig mooi. Wat is de wereld, het leven, dit moment toch zo ontzettend mooi. In de poeltjes waar het water lauw is, vliegen minivisjes in paniek heen en weer, opgesloten. De poging ze te redden, een geultje te graven naar de mul vlakbij lukt niet. Het zand is zacht, slibt te snel weer dicht. Een meeuw komt laag over, zweeft voor me uit. Vlakbij landt hij en peutert ergens aan, onderwijl mij steeds aandachtig bekijkend. Geen gevaar te duchten van mij. De enige mens op dit stukje aarde.

Papagayo Beach light

Neen, verwacht niet van mij dat ik zeg waar. Het was niet in Cannes of in Nice. Het was niet in Monaco, gewoon in Nederland. Wel moest je er wat voor doen, het was een stukje rijden. En lopen, maar dan had je ook wat: je stapt zo binnen in de mondaine wereld van spiegelende zonnebrillen en ze zijn groot dit jaar. De deur zwaait open en een deken van geluid valt om je heen. Bassen en ritmes. Alles in een kleur die zweemt naar taupe maar dan net wat meer vergrijsd. Fraai met het duinzand en die speciale helmgrassoort. Stoelen, waarin eenmaal neergedaald, je volkomen vanzelf een relaxte houding aanneemt. Je doet je bestelling per app of je wacht geduldig tot er een beachboy, of- girl: “Hay! “ even langswipt. Jetset. Show-off. Alles is te koop.

Aan het eind van de lange vlonder die strak een eind het water insteekt, een zwarte steiger waaraan een zwart jacht de horizon invult. Een wit zeiljacht meert juist aan. Is dit Miami? De zon speelt met het licht in je glas met juwelen ijsblokjes, de zon die je nek verschroeit, hier achter de glazen wand. Aan de andere kant van dat glas gaat het door, loungebedden, duurbevolkt. Privatbeach. Daar een gouden bikini, hier een gebotoxt duckface. De house, de trance, de geluidswal dreunt verder. De DJ schuift wat met de volumeknoppen en onwillekeurig bewegen je handen, voeten en hoofd mee in het dwingende ritme. De gouden bikini wentelt op de buik, bladert in een glossy, de voetjes in de lucht. Daar stuift een jetski weg, bemand door gebruinde lijven. De golven zijn niet fijn voor de stand-up peddelaars. Op dit terras staar je op je IPhone of naar het water. Je hangt lui achterover of, als je loopt, beweeg je zelfbewust. Als je iets aan hebt is dat meestal wit of verschoten pastel.

Er schuiven ruwhouten planken voorbij met merkwaardig schaaldiervlees, de onvermijdelijke sushi en Italiaanse scharrelvleeswaren. Hier geen kroketten, zelfs geen vette Kwekkeboom. Ik vis de groente uit mijn mojito, die alcohol vrij is, volgens mij ook geen pillen erbij en toch zweef ik verder. Is dit Ibiza of toch Curaçao? In ieder geval zijn het dezelfde vriendelijke witte wolkjes in het blauw. Ben ik high of slaap ik. De DJ knoopt de nummers naadloos aan elkaar. De gouden bikini schuift langs en die bikini blijkt verrassend klein. De duckface gaat verzitten en blijkt ouder dan gedacht. Ginds krijgt een sportschoolbody een smeerbeurt. Een koele zucht strijkt mijn rug. Buiten buitelt een parasol en bedekt de zonnebaadsters. Het tafelt kantelt met medeneming van drankjes, telefoons, tasjes, sunmilk, alles. Beachboys herstellen lachend de chaos. Iedereen = een celeb.

Ach, laat ik er maar mee stoppen, met dit verder te beschrijven. U kent het ook, deze beelden van het verveelde volkje. Gisteren, in een totaal andere wereld, die van ‘amongst friends’, vroeg een vrouw, overigens ook betoverend mooi – maar dit terzijde – aan mij:
“Maar waaróver schrijf je dan?”
Ik zei het niet maar wilde antwoorden;
“Morgen, dan ga ik over jou schrijven.”
Nou, A, als je dit leest, hierover schreef ik.
#Decadentzijn kan zo fijnzijn.

Honds

Één hond is niks, je moet er 2 hebben. Minstens. Nog niet achter iedere voordeur blaft een hond tegenwoordig. Veel scheelt het niet. Op zeer jonge leeftijd ontving ik het Diploma Dierenbescherming. Waar het vandaan kwam of waaraan ik het te danken had weet ik tot op de dag van vandaag niet. Toch, toen, op dat moment besloot ik: ik ben een dierenliefhebber. En ben dat gebleven. Toegegeven, de stoepen liggen minder vol. Je hoeft niet meer zo waaks te zijn, voortdurend enkele meters voor je het plaveisel af te speuren. Ligt er geen bruine verassing dampend te wachten. Maar, kan zo’n dier ook niet blaffen, geen lawaai maken? Zelf produceer ik geen overlast veroorzakende geluiden. Van mij heeft niemand last. Denk ik. Prima dat mensen er voor kiezen een huisdier te willen hebben. Dat buren verplicht meeluisteren naar zinloos geblaf. Dat is normaal. Dat vinden we gewoonl.

There ‘s to many dogs in this country.

Aan de andere kant geeft een hond veel plezier, juist voor de niet hondenbezitter. Zittend op een terras trekt een toneelstuk langs. Een man met een enorm dier, dat enthousiast alle kanten op wil. Dwars door het kuierend winkelpubliek. Hij worstelt, rukt en trekt voortdurend. Spierpijn ’s avonds. Trippelhondjes met trippeldames. Een hond met brede nek, in bedwang gehouden door een mager nekkie in een trainingspak. Honden die ruzie krijgen in een volle winkelstraat, das lachen. Honden aan een lange lijn. Een lijn die niet wordt ingehaald, voetgangers die opzij moeten. Meehollende blafhonden met hardlopers: “Hij doet niks hoor!” ‘s Morgens vroeg, op weg naar het werk besprongen worden door een losloper. De nette broek besmeurd, ach wat geeft het. “Hij doet niks”. Het ligt allemaal aan mij, het komt door mijn gedrag. Zitten in je tuin, genieten van je bloemenborder. En het zinloze geblaf aan de overkant. Zelf maak ik geen lawaai.

We hadden paarden in ons weiland, zwarte en gevlekte Shetlanders, een grijze pony en Friese paarden, groot en statig. Op zachte zomeravonden fluisterde ik lieve woordjes in hun fluwelen oren. Op vroege zondagmorgens renden Chris en ik vijftien of twintig kilometer door de polder. Duitse herder Kimba liep ook mee. In de stilte was de Dubbeldamse kerkklok te horen, evenals de nagels van Kimba op het asfalt. Graag zou ik een hond willen hebben. Een hond die niet blaft. Een die niet stinkt en niet uitgelaten hoeft te worden.  Een hond die niet verhaart en niet voortdurend met zijn staart de volle wijnglazen van de salontafel veegt. Niet ‘s nachts stiekem op de bank gaat liggen of aan de deurposten knaagt. Als je even niet oplet de kaas van je boterham sleurt. Een hond die niet de hele dag aan je gezicht wil likken. Ik ben een dierenliefhebber, heb vier katten verzorgd, ik heb ze oud zien worden. Dertig jaar lang had ik kippen, vele tientallen, in alle soorten en maten. Twee winters lang stonden twintig schapen in mijn schuur. Daar kwamen 20 x 2 lammetjes bij. Het was er warm en gezellig. Ik heb duiven gehad, sierduifjes, zo lief en zo mooi. Ik, als dierenliefhebber, ik hou van honden. Zo’n hond, die niet blaft, die wil ik wel.

Dit verhaal was ik niet van plan te plaatsen. Te gevoelig tegen hondenbaasjes zere schenen. Maar zojuist maakte ik een noodstop. Moest vol (vol, vol, vol, zou een Belgische wielercommentator zeggen) in de remmen om een hond die tegen een paaltje piste en onverhoeds overstak, niet midshonds aan te rijden. De baas liep, met zijn tweede hond, uiteraard, dertig meter verderop. Hij hoorde mijn remmen kraken. Het gebaar wat hij maakte kon uitgelegd worden als: sorry of als: doet-tie-anders-nooit, maar waarschijnlijk was het: kijk toch uit man, je ziet toch dat mijn hond daar loopt.
# There’stoomanyofthem.

Zwemles

‘En wie niet wil verzuipen moet zien dat tie zwemt, want er komen andere tijden’

De Nederlandse versie van Bob Dylan’s ‘The times, they are a changing’, komt automatisch bij me op als het over zwemmen gaat. En bij de commotie over het onlangs verdronken Syrische jongetje. En  vooral bij de ophef over zwemles. In een land onder de zeespiegel heeft iedereen, op enkele vergeten binnenvaartschippers na, een zwemdiploma. Ik ook, ik ben in bezit van zwemdiploma A. Op zeer jonge leeftijd behaald, ik leerde het in een kanaal met koud donker water waarin ook garnalen zwommen en vissen en waar binnenvaarders langsstoomden. Toen er later een zwembad werd gemaakt in onze stad waren wij daar heel blij mee. Al voordat er water in stond bezochten wij het. De politie keurde dat echter af.

Er verbrandden 20.000 varkens in een slecht ingerichte stal. Dat was erg, dat vonden we vreselijk. Daar maakten we ons heel erg druk om. Heel vervelend allemaal. Het dierenwelzijn staat hoog in ons vaandel. (Er worden per dag, in Nederland, meer dan 1 miljoen dieren gedood.)

Dikwijls bij het oversteken van Het Kanaal, Ooster- of Westerschelde, de Maas en de Waal vraag ik me af hoe dat zou zijn, dat ‘schipbreuk lijden’. Vorig jaar verdronken minstens 5000 mensen bij hun poging te ontsnappen aan honger of armoede of oorlogsgeweld of alle denkbare combinaties van deze ellende. In die heerlijke Middellandse zee, waar wij van dromen, waar wij massaal heen trekken op vakantie. Méditerranée, zo blauw, zo blauw. Die natuurlijke barrière, de zee die scheidt tussen weelde en rijkdom en uitzichtloosheid. Dat een zwemdiploma geen enkele garantie biedt op grotere overlevingskans bij de zeer waarschijnlijke schipbreuk op weg naar het dichtstbijzijnde AZC zal duidelijk zijn. Prettige bijkomstigheid is wel dat een uitje naar het zwembad niet hoeft uit te monden in een vervelend dagje voor de andere badgasten.

Over de Egeïsche zee heb ik een week gevaren met de Kaptan Yarkin, hard werkend en lui relaxend. Vanuit Turkije overgestoken met de kleine Afrodite tot dicht onder de kust van Samos. Overboord gegaan bij het eiland Bayrak Adasi. Alles in dat heerlijk lauwwarme water. Zonder angst voor de Kustwacht. Al die mensen die op de vlucht zijn, ze steken over en ze zullen blijven oversteken, wat wij daar, met onze zwemdiploma’s ook van vinden.

Mijn beheersing van de Schoolslag had mij vermoedelijk wel naar de oever gebracht, was ik daadwerkelijk omgeslagen tijdens mijn laatste kanotocht.

Lees: ‘Hollands Diep’ https://gerarddentoonder.com/2017/06/15/hollands-diep/
Weliswaar zwaar onderkoeld en met achterlating van de kano en diverse kampeerartikelen en op van de zenuwen. Ik heb zwemdiploma A. Ergens. Ik heb het wel.

Hotelnacht

Er hangt een vreemd licht in de kamer, het is donker en toch is de stoel en het bureau aan de overkant goed te zien. Het lijkt of de kleur is verdwenen, alles in zwartwit. Ik laat mijn ogen door de kamer dwalen, kan niet slapen en lig maar wat te staren. De dikke fluwelen gordijnen zijn niet echt dicht en er valt een streep licht naar binnen. Maanlicht. In de grote spiegel die bijna de hele muur bedekt naast het bed, kan ik hem zien, de maan. Het is volle maan, of bijna. De gouden sterretjes op het behang glanzen dof. De deur naar het balkon is opengelaten en de koele nachtwind blaast zijn lauwe adem naar binnen. Ik huiver en bestudeer het kippenvel op mijn arm van dichtbij, kijk door de kleine haartjes heen. Buiten klinkt een zacht geruis, geluiden van het bos. Een onbekende vogel laat een vogelgeluid horen, er kraakt een tak en er is nog een krekel wakker.

Hier binnen is het stil, het dikke tapijt zuigt alle geluid. Op het bankje naast het bureau, in de schaduw, weet ik mijn koffer. Die daar geopend ligt met kleding die naar verre stranden ruikt, schoon en vies door elkaar. Met de wirwar van snoertjes en opladers. Zwaai mijn benen uit bed, zoek op gevoel een T shirt uit de koffer en trek het aan. Ik loop naar de deur en het zachte tapijt voelt weldadig aan mijn blote voeten. Ik kijk voorzichtig om een hoekje van het gordijn in de donkere nacht. Er hangt dat vreemde licht. De hoge bomen zijn zwart en geheimzinnig. De lucht erboven is licht en de toppen worden beschenen door de maan. Beneden slaat met een dreun de zware voordeur dicht. Ik wikkel me in het gordijn, het is donkergroen zie ik nu en mijn tenen graven zich in het tapijt dat kietelt. Beneden me glinstert het gras vochtig in het zilveren licht. Het lijkt of er spoor doorheen gaat, iets of iemand heeft daar gelopen.

Op de gang hoor ik voetstappen, ze klinken hol en gaan voorbij. Duidelijk is te horen hoe verderop een sleutel in het slot wordt omgedraaid en hoe een deur zachtjes dichtgaat. Buiten doet een windvlaag de blaadren ruisen. In de muur van donkere stammen lijkt iets te bewegen, zweeft daar iets? Een schim of een schaduw. Plotseling krijg ik het gevoel dat ik niet alleen ben in de kamer. Hoor ik ademhalen? Ik krijg het ijskoud en mijn hart slaat snel. Langzaam begint het zwartgroene fluwelen gordijn te draaien. Steeds strakker om me heen. Het tapijt is verdwenen en onder me het grote niets. Langzaam eerst en steeds sneller stort ik in een peilloze diepte. Oorverdovend windgeruis en dan opeens is het stil. Heel ver weg is de aarde nog te zien, die magische blauwgroene bol, klein en nietig. Als een zwemmer draai ik om mijn as. Even wordt het donker, the dark side of the moon. Daar, een vallende ster.

Naar de Italiaan

Lief dagboek,

Soms weet ik niet goed wat ik je moet schrijven, zo weinig gebeurt er in mijn leventje. En elke dag is zo hetzelfde, opstaan, douche, make up en hup, naar de trein. Vechten voor een plekje is niet zo mijn ding, ik blijf wel zitten, of meestal staan op het balkon. Dan onderweg naar het werk een ontbijtje kopen, eten in de trein vind ik vies. Haasten voor de klok, dat kan net dat kwartiertje schelen. En dan, tja, dan begint het weer, het lieve leventje van kantoormuis spelen. Wat moet ik erover schrijven, het is zo’n beetje elke dag hetzelfde. De grote baas speelt de grote baas, probeert indruk te maken, terwijl hij alleen onze afdeling moet besturen. En dan nog niet eens echt, enfin, wat zal ik je ermee vermoeien, je kent het toch. Natuurlijk kissebissen de meiden onder elkaar. Je hebt de vleiers, de slijmers en de verleiders. Ik doe mijn werk en ben onzichtbaar achter mijn scherm. Of moet ik zeggen, voel me onzichtbaar.

En dan, eindelijk, na vijf lange dagen is het weekend. Iedereen is blij, iedereen gaat zeilen, eten, naar de bios, kleren kopen. Ik ook hoor, ik ben ook opgelucht. Even een paar dagen voor mezelf. Gewoon. Maar zo bijzonder is het niet, er valt niet veel te vertellen. Zaterdag is mijn uitslaapdag. ’s Middags is het tijd voor boodschappen. Doe meestal hetzelfde rondje, lekker in m’n joggingbroek. ’s Avonds uitgebreid in bad, glaasje wijn en altijd heel lang zoeken naar een goeie film op Netflix. Dikwijls kan ik het niet vinden, kijk dan weer dezelfde van een tijdje terug. Zondag is mijn poetsdag, daar kan ik niets aan doen. Ik ben nu eenmaal nogal erg gesteld op schoon. En als ze tijd heeft, kan ik uren bellen met mijn zus. Ze heeft die drukke baan en over de hond. En wat de geit nu weer heeft kapot gemaakt. Laatst was haar pony uitgebroken, zo de snelweg overgestoken. Het was net goed gegaan.

Had ik je al verteld van die nieuwe aan de overkant? Ik kan hem net zien zitten, voorbij het atrium, achter de plantentuin. Hij leek me wel leuk, zo vanuit de verte. Nu, laatst hadden we overleg en hij was er ook. Sterker nog, hij hield een presentatie. Over de inhoud kan ik niet veel zeggen. Ik was eeeeh, nogal afgeleid. Zoals hij beweegt, met z’n blauwe jasje. Ik hoop alleen dat ik niet al te nadrukkelijk heb gekeken. Probeerde bestudeerd intelligent over te komen. Niet dat ik wat heb gezegd ofzo. O nee, ik zou niet durven, je kent me toch. O ja, hij heet Nathan, is in Amerika geboren.

Woensdag is mijn sportavond. Omdat het moet. Wat kan ik er nu over vertellen. Ik ga, omdat het moet. Je weet, ik hou niet van die herrie. En van drukte al helemaal niet. Als ik vroeg ga is het soms nog rustig, hoef je niet wachten bij de crosstrainer of de roeitrainer. Ik wil graag die ene in de hoek, heb geen zin om de zaal in te kijken. Meestal maak ik mijn programma toch niet af. Ben weer terug bij Fitness Avenue, wel duurder maar bij mij om de hoek. Nu het weer vroeger donker wordt vind ik dat wel zo prettig.

Donderdag, nog twee daagjes, is het weekend. Hoop dat het stuk waaraan ik werkte is goedgekeurd. Dan slaap ik beter in het weekend. Hoef ik even niet aan het werk te denken. Ik kon Nathan precies zien zitten, achter de plantentuin. Het is een saai stuk, er valt niet veel over te vertellen. Risicoanalyse van het niet uitvoeren van tussentijdse controle bij mediareflexie en timemanagement. Ik moet er toch een naam aangeven. Nathan hangt zijn jasjes altijd aan de deurkruk, zo grappig.

Vrijdag. Weekend. Maar dat is het ergste niet. Ik ga zo direct, om vijf uur niet naar huis. Ik ga naar de Italiaan. Hij vroeg of ik meeging, hij zei: “Vorkje prikken?”

Zomaar een plein

Zoals je vroeger, zodra je ergens ging zitten een sjekkie draaide, zo check je tegenwoordig je telefoon. Dringende oproepen negerend haal ik het apparaat niet boven. Het leegste deel van de lange pleinbank is voor mij. De fontein ruist en legt een gordijn over geluiden, de sonore stem van de stad, waaruit zo nu en dan iets helder opklinkt, een kinderstem, een hondenkef. Enkele meters verder voert een mompelende buurman met opgeschoren nek de duiven, kruimelend uit zijn Delifrance zak. Een ronde man met een Stetson op het hoofd rolt voorbij in zijn scootmobiel. Een jonge Duitse herder hapt in de straal van de fontein. Het plaveisel van het plein vertoont een lichte bolling en het is een open plek, een gat in de stad. Daarboven een rechthoek van blauw en links doemen voortdurend witte wolken op die over drijven. Om kort daarna weer te verdwijnen achter de  fantasieloze gevels aan de andere kant. Veel lager zweeft een sliertje nicotine voorbij.

Twee oude Turkse mannen schudden handen op de bank links. Rechts wordt Oosters getelefoneerd. Een vierkante man steekt schuin over, ballonkuiten steken uit zijn korte broek, Pumashirt, rokend. In tegenovergestelde richting gaat een hybride fiets, zwarte Ortliebtassen overal, op doortocht. Een pitbullachtige licht zijn poot op tegen een van de veel bekritiseerde lantaarnpalen. De bloembakken met uitpuilende gereunia horizontalis hielpen niet. Een Hollands echtpaar kuiert, hij in een dwarsgestreepte polo van vijftien jaar oud, die kon nog best. Zij, in een groene zomerjurk, draagt een papieren tas met kleding uit Bangladesh. Een ouwe hippie met blauw haar en een evenoude wandelwagen passeert. Een macho mannetjesduif koerend en buigend op de versiertoer. Ik ruik frites.

Twee Japanse kleutertjes achtervolgen wegrennende duiven, gadegeslagen door een hoogbejaarde man met sinterklaasbaard en – haar. Twee dames met wandelwagens in Sliedrechtlook. Bij de Speelgoedwinkel aan de overkant klettert een display met hoepels om. Alle duiven stijgen massaal op. De opgeschoren nek vertrekt ook. Zijn plaats wordt snel ingenomen door een vrouw in het zwart en veel bloot been. De zon kruipt weg achter een wolk. Er wordt een rolkoffer gesignaleerd. Zijn wielen roffelen over de keitjes. Elke zijde van dit plein heeft een gevelrij uit een andere bouwtijd, andere eeuw zelfs. Dat wordt niet mooi gevonden, ik kan er de lol wel van inzien. Het maakt een stad charmant. Een Paulus de Boskabouterachtige figuur stapt voorbij op stevige schoenen. Nog zo’n zelfde vrouw in zwart en been voegt zich bij de andere. Ik ruik Douglas, Ici Paris of is het Rituals.

De ouwe hippie is terug en knoopt een gesprek met de zwarte jurken. Ze blijkt nog een stuk ouder dan ik dacht. Een flard vang ik op, het kind in de, met verschoten bloemen behangen, wandelwagen is een van haar vijf kleinkinderen. Al doorpratend vervangt ze de poepluier van de baby voor een schone. De vuile beland onder in de wagen. Juist als ik toegeef aan de drang om mijn telefoon te checken en even opkijk stormt de jonge Duitse herder recht op me af. De duif aan mijn voeten stuift weg onder de bank en de hond wordt in het Marokkaans tevergeefs tot de orde geroepen. Zijn baas die ook jong is komt naast me zitten en begint een gesprek met de oude Turken, die dus wel Marokkanen zullen zijn. De opdringerige hond en de gele joint onder mijn neus dwingen me snel op te staan. Verder maar weer, pleinen genoeg.

En dan nog iets, die stinkluier werkte ook niet mee om langer te blijven zitten. Ik rook hem.

Geen GenX in mijn genen

Een eeuwigheid geleden kwam ik Dordt wonen. Die stad zei mij niks, behalve dat de toren vanuit de trein gezien wel erg scheef stond en dat er blijkens een lichtreclame op het station Lips sloten zouden worden gemaakt. Op dat moment van mijn vestiging hier was er veel ophef over een gifwijk. Collega’s deden smalend over mijn verhuizing: naar die vieze stad?

Nu krijg ik digitaal in de gaten dat er een protest optocht vertrekt. Op naar Chemours. Het moet toch eens klaar zijn met die lozingen. Die ochtend in de Volkskrant: omgeving Chemours sterk vervuild. 147 nanogram per millimeter is gevonden in het bloed van omwonenden. De veilig geachte grens voor deze kankerverwekkende stof is 89 nanogram.

Het is kennelijk niet mogelijk Teflon te produceren zonder daarbij GenX te lozen. De gemeente vindt dit al jaren prima, laat het gewoon toe. De petitie tekende ik pas nog, nu wil ik ook zo gauw mogelijk naar de demonstratie. Wel moet ik eerst nog mijn hardwerkende Eega van voedsel voorzien. Een lekker stukje vis met, heel traditioneel; worteltjes erbij. En verse sla, uit eigen tuin. Nu ben ik geen doorgewinterde protesteerder. Mijn laatste mars was die hele grote, meer dan een half miljoen deelnemers op het Mailieveld in Den Haag. Tegen plaatsing van kernwapens in Nederland.

Lang geloofde ook ik dat er niets aan de hand was. Ging ik maar rustig slapen. Sprak wel eens iemand die bij Dupont werkte, hoe hij heilig geloofde in de veiligheid. Echter uit betrouwbare bron, mijn oudste vriend, een hooggeplaatste bij Evides, wist ik al dat er GenX in het drinkwater zat. Maar, volgens hem, dat was slechts zo weinig, niet te meten. Zoals Contador al zei:
“Cero, cero, cero, cero, cero, cero, cero, cero”.

Gelukkig woon ik bovenwinds, weliswaar hemelsbreed op nog geen twee kilometer van dat helse gebeuren. Dan doe je je hele leven moeite om je eigen groente onbespoten te kweken. Zit er voor alle zekerheid toch een laagje GenX op. Nu ben ik op een moment in mijn leven dat opahormonen beginnen op te spelen. Niet dat ik kleinkinderen heb, maar wel twee dochters en twee schone zonen. Plus mijn lieftallige Eega. Ik ben dus boos. Wat is dat voor een idioot bedrijf, dat speelt met onze gezondheid. Steeds maar beterschap beloven en lekker doorgaan met lozen. Wat is dat voor idioot gemeentebestuur, dat zich laat ringeloren door een fabriek die al zoveel jaar verdacht is. Het groot kapitaal, de fabrieken en projectontwikkelaars zijn hier kennelijk de baas

En, meestal ben ik te vroeg, nu kom ik te laat. Zijn de demonstranten ingerekend door de ME, zijn ze doorgedrongen tot bij de giftig dampende kookketels? Niemand te zien. Er is niets te beleven bij de gestaag doorrokende fabriek. Nou ja, er staat een rode locomotief te dieselen. Hij trekt zeven tankwagons, daar zit vast geen drinkwater in.

Ex Klimmer

Langs de kust zocht en vond hij het. Bijna. Volstrekte eenzaamheid. Leegte en horizon. Ver weg liep iets, man met hond? Of was het toch een paal? De hitte deed de lucht boven het strand zinderen. Hij lag in het zand, plat op zijn rug onder een hemel die zich strak spande in lichtblauwe transparantie. Daarachter vermoedde hij oneindigheid. Niets was er te horen, de zachte ruis van de zee was een constante. Toch, nu en dan de schorre schreeuw van een meeuw. De wind stoof zand over het strand, tot het botste. Het tikkelde over zijn lijf, langzaam liet hij zich onder stuiven. Een schaduw kwam aanrollen over zee, trok over het strand en over de ex klimmer. Hij opende zijn ogen en keek recht in het gezicht van een wolk. Een wolk in de vorm van een wolk. Of een beer, een eiland of was het toch een berg. Even waande hij zich in de bergen. Daar zat hij op een top en zag de wolken aanstormen. Die zich razendsnel vervormden, vervluchtigden of hem en de hele omgeving in allesverhullende mist omarmden.

Plotseling prikte de zon opnieuw te voorschijn en maakte het zand weer geel en warm. Hij rolde zich op een arm en tuurde naar de zee. Hij zag niets, hij was ver weg. Met open ogen droomde hij dat klom. Hij bevond zich in de Stubaier Alpen, had net de Sulzenau Hütte verlaten en was op weg naar de Aperer Freiger. Het begon licht te worden en het was er net als hier. Stilte, sereen haast. Niemand in de wijde omtrek. Duizend meter stijgen vandaag. Meer werd er niet gevraagd, gewoon rustig doorgaan. Beetje opletten, klauteren, markeringen volgen. Niet teveel rondkijken, zien waar je je voeten zet. Het pad kronkelde en ging nog even de schaduw in. Daar op de graat werd het zweten, vol in de zon. Zo stelde hij het zich voor, nog een paar maanden, dan zou hij het zien. Hij verlangde er naar. Een donker dreunen zwol langzaam aan. Een blik opzij, het was de zandzuiger, Argo 1, die traag voorbijschoof. Een witte snor voor de blauwe boeg.

Hij lag op zijn buik in het kokende zand, zijn rug verbrandde en hij wist het. In een toestand van half slapen was hij in de hal. Het klonk er hol, de muziek overstemde de kreten, het gepraat van de klimmers. Door zijn doofheid voelde hij zich buitengesloten, hij deed geen moeite meer om te luisteren. Hij bestudeerde de route van zijn klimmaat. Te moeilijk voor hem. Telkens weer liet hij zich verleiden, deed hij te moeilijke routes. Dat moest hij bezuren, de volgende dag liep hij krom, pijn in een heup of een knie. Hij pakte met rechts een greep, trok een voet bij en reikte ver naar links. Raakte uit balans en liet zich vallen. Zijn oude gordel kraakte. Gebaarde naar beneden: zakken! Zijn klimmaat die hem vragend aankeek. Voelde ogen van andere klimmers in zijn rug, jonkies, die dachten:  “Kijk, die ouwe, die moet ook nog zo nodig gaan klimmen”.

Nu droomde hij van routes, in gedachten maakte hij de gracieuze bewegingen, soepel klom hij naar boven, genoot van het aanspannen van de spieren. Dat het mogelijk was, vasthouden aan en staan op de minuscule greepjes.

De ex klimmer zocht de stilte en de eenzaamheid. Hij zocht de spanning en het beetje avontuur. Hij zocht lege plekken, dicht bij huis. Met smerig weer was dat te vinden in de grienden bij de rivier. Of de  lege vlaktes van de polder, in de verte ploegde een boer. Of aan de overkant, die vreemde ‘ruimte voor de rivier’. Hij ging te voet, per fiets of over het water. Het klimmen had hem veel gebracht. Prachtige plekken bezocht, mooie mensen ontmoet, gewone klimmers en topklimmers. Nu moest hij zich tevreden stellen, lagere doelen. Hoewel, die Aperer Freiger was nog wel een dingetje. Nou ja, een paar maanden nog. Een meeuw krijste recht boven zijn hoofd. Hij dwong zich wakker te worden en draaide om, zijn rug gloeide. Toch weer te lang in de zon geweest.

Hollands Diep

Aarzelend waren we weggevaren van de steiger. Best wat kano ervaring, maar zo’n Canadees, hoe werkte dat? Je peddel had maar een blad en je moest samenwerken met je medepeddelaar. En dan, hoe gingen we nu? Volgens de verhuurder was de route door polder Jantjesplaat niet te doen. Te hoog water, je kon niet onder de bruggetjes door. We waren al een stukje het Gat van de Hardenhoek op, toen we toch terugdraaiden, we zagen wel, kon het echt niet, dan draaiden we om. De eerste brug was het wat bukken, de volgende ook nog. Toen kwamen er een paar die echt laag waren. We moesten van de stoeltjes maar gleden er soepel onderdoor. Wat minder makkelijk ging, dat was op koers blijven. Op deze winderige maandagmorgen was er niemand, geen boot en op de wal geen voetganger of fietser te zien. Dat was maar goed ook, want we zigzagden werkelijk als een dronken tor op een spiegel.

Eindelijk ging het dan gebeuren, overnachten midden in de Biesbosch. Ergens op een eilandje, in een stukje wildernis van riet, wilgen en modder. Je kon de Moerdijkbrug horen en ook de koeltoren van de Amercentrale herinnerde er aan, dat je nooit echt ver weg bent van in dit volle landje. Gelukkig was onze kano groen, op de boeg stond de naam ‘Discovery’. Onze bagage, vijf waterdichte tassen en een ton zat stevig vastgebonden aan de boot. Toen we een smalle, door groen overkoepelde kreek invoeren riep Riem:
“Oké, we gaan nu de Amazone op!”Alle tinten groen, het was nog geen zomer, de springbalsemien stond al hoog maar bloeide nog niet. Grijsgroene wilgen, het riet was vers met een karekiet er in. Een buizerd boven ons, kwikstaartjes en een bonte specht.

De wind nam langzaam toe in kracht en we hadden hem steeds recht op de kop. Zodra de kano een kleine afwijking vertoonde kreeg de wind er vat op en waaiden we verder opzij. We probeerden zoveel mogelijk in de luwte van het riet of een wal te varen. Zodra we het windstille Franse Gat indraaiden voelde dat weldadig. Daar vloog een kiekendief. We zochten de Zwarte Keet, de griendwerkerskeet. Rienk was er nooit binnen geweest en ik had nog steeds de sleutel in bezit. Een korte blik binnen en snel weer terug. Onze Canadees, lag tenslotte onbeheerd enkele honderden meters verderop. De beroete open haard, een hele wand met stookhout, allerlei griendwerkers gereedschap, lekker rommelig allemaal. Dit gedeelte is nog steeds in gebruik, echter alleen als lunchplek. Nu zagen we hoe we er varend hadden kunnen komen. Na nog een korte bezichtiging per kano zetten we koers naar het Gat van den Kleinen Hil. Dat beloofde een winderig stuk te worden. We draaiden de bocht door en zagen de brede stroom voor ons liggen. Daar aan de overkant zou onze beoogde bivakplek zijn. Er stond een flinke golfslag.

Het leek ons het beste eerst maar recht er tegen in te varen. Makkelijk gezegd. Voortdurend werden we dwars geblazen. We peddelden op volle kracht. Daar kwam een grote golf en we stuiterden er over heen. De golven werden opeens veel groter hier. Plotseling lagen we weer dwars en een nijdige golf gooide ons bijna om en een volgende wilde aan boord komen. We schepten hem net niet binnen. De golven uit het Noordergat van de Visschen stormden als hongerige wolven op ons af. De wind blies ongehinderd rechtstreeks vanuit het Hollands Diep. Van achter de koffie op het bovendek van rondvaartboot De Rustende Bever zou het er waarschijnlijk uitzien als gezellig kabbelend. Echter, vanuit mijn lage standpunt en nu als achterste peddelaar, in een open kano zonder luchtkasten, beoordeelde ik deze situatie geheel anders. Ik brul boven het windgehuil uit, naar Riem de titel van de bestseller van Saskia Noort: “Terug naar de kust!”

We slaakten een zucht van verlichting toen we de oever van De Paardekop opschoven. Er lag een strekdam van stenen die een kleine inham vormde met kalm water. Het was kantje boord geweest, we waren met veel moeite teruggevaren en hadden een stuk dieper pas de oversteek gemaakt. Om De Paardekop te ronden was ook nog een wild stuk, maar net te doen. De rode Fjällräven tent van Riem stond binnen enkele minuten, met z’n kont naar de wind die heel gemeen precies op de kop van dit eiland stond. Volgens het bord van Staatsbosbeheer mocht je hier werkelijk niets. Behalve overnachten. En om de mogelijkheid daartoe te verkleinen, was rondom de plek van onze tent alles omgewoeld en waren diepe kuilen gegraven.

Volgens de getijdentabel zou het om 19.30 u. HW, hoog water zijn. het was inmiddels negen uur en het water steeg nog steeds. De tent stond pal aan de oever, hoe lang bleef het stijgen? We plaatsten stokjes op het modderstrandje en steeds weer kwam het hoger. Het was prachtig om te zien hoe wind het getij beïnvloedt. Moesten we tent verplaatsen? De wind was inmiddels aangewakkerd tot echt hard. De golven hadden witte koppen. Ook al hadden we gewild, we konden echt niet weg nu, dit was wildwater kanoën. Vlak voor het donker was verplaatsten we razendsnel de tent. Dat sliep wat lekkerder.

Met moeite bevrijdde ik een stijve kano arm uit de slaapzak en zag dat het zes uur was. En er was iets. Er was iets veranderd. Het was doodstil, geen wind, geen golvengeklots tegen de strekdam. Er uit! Een heel dun zonnetje waagde zich in het wilgenbos. De woedende golven waren weggespoeld en de lucht toonde zich blauw en heel dun. Geluidloos landde een reiger op de strekdam. Niet veel later gleed de Discovery langs die rij stenen. Nu hadden we het tij mee en een strelend briesje. Het tegenlicht toverde met kleur. Moeiteloos ging nu het peddelen, we voeren een kaarsrechte koers over het Gat van de Buisjes.

Twee zwanen met twee jonge zwanen, nijlganzen, grauwe ganzen, beide met heel veel jonkies. Duikende aalscholvers en futen. Agressieve waterhoentjes, wilde eenden en kuifeenden. Een zilverreiger en een lepelaar. Daar gleden we het zandstrand van de Rietplaat op. Koffie! En hier zagen we, aan de overkant een paar motorjachtjes. Vanaf het moment dat we gisteren vertrokken nu pas de eerste mensen. Alweer een stukje gevorderd in de richting van de Sloot beneden Petrus zag ik hem! De zeearend, dat was hem, volgens Riem. Geen twijfel mogelijk. Hij kwam steeds dichterbij en vloog zelfs precies over ons heen.
“Zo, die kan je bijschrijven Riem!”
Ongemerkt waren we, omhoog kijkend, teruggedreven tot op het Gat van Van Kampen.

We namen weer de lage bruggen route terug. Die nu nog lager waren, het was vloed. Sommige namen we door een voor een uit de kano de brug op te klauteren. De voorste peddelaar eruit, de brug over en weer de kano in, die wat door gevaren was en dan deed de achterste datzelfde. Bij de laatste bug werd het nog even spannend. We trokken de Canadees de oever op. Aan de andere kant bleek het nogal steil en met een akelige klap plonsden we het troebele water van de Polder Jantjesplaat in.

De volgende dag had ik een vreemd gevoel, in schouders, armen , knieën en zelfs de buikspieren deden mee, een spierpijn, Hollands Diep van binnen.