Alle berichten door dentoonder

Occasion

Eigenlijk was hij toe aan een grote beurt, eigenlijk was een APK dringend gewenst. Net als bij een oude auto, een deukje hier, een krasje daar, de lak dof en wat verschoten en de bumper zat scheef. Echt oude auto’s zag je nauwelijks meer, oude mensen des te meer, de grijze golf. In zijn hoofd voelde hij zich daar niet bij behoren, geestelijk wilde hij zich daar niet onder scharen, maar dat lijf, dat gaf signalen. Codes op het dashboard.

Het loopvlak begon slijtage te vertonen, hardnekkige eeltpit, die ene nagel en soms wat hielspoor. De koplampen, links die met die floaters en die andere, daar zat overvloedig veel ruitensproeier  vloeistof. Hij moest nodig op de brug, doorsmeren en olie verversen. Uitbalanceren, dat kon beter, veel beter zelfs. Gelukkig , er waren nog onderdelen die perfect functioneerden, ook al was de garantie verstreken. Bougies nog goed, waterpomp, dynamo, inspuiting, koelvloeistof, oké. De vering, de souplesse, de lenigheid, koppelingsplaten, remschijven, alles aangevinkt, goed!

De trekkracht, soms knapte er iets in een vingerkootje. Ach ja, daar viel iets aan te doen, eerst goed laten warmdraaien. De lange afstand, hij leek steeds meer op een diesel, sprinten, snel optrekken, ging niet meer, duurvermogen dat was ruim voldoende. Lopend dan, fietsend niet. Tja, er zat sleet op, het was te merken, daar was flink mee gereden, niet van ‘een oud vrouwtje’ geweest zeker?

Tot zover het rapport Interne Keuring. Toen over naar de carrosserie. Niet om over naar huis te schrijven, meneertje. Al die butsen en deuken en zonneschade, niet ‘altijd binnen gestaan’ zeker?

Kale plekken op zijn dak. (Pas nog zei iemand: “Goed gelukt!” “Wat?” “Zijn haar, geverfd?”…….) en dan de grille, tja de smoelensmid deed haar best, maar ‘t was en bleef een kerkhof, de tand des tijds. Wist hij dat hij ook hielspoor in de elleboog kon hebben?

Aan de andere kant, zijn lijf moest niet klagen. Tijdens de trip met vijf man was dat lijf het enige waar geen pilletje in moest. En de zwaartekracht had er in tijden van GeenCorona weinig vat op, met de hellingproef. Verbruik, dat was wel een dingetje, hoewel, gezien de leeftijd, nog acceptabel. De kilometerstand, die was behoorlijk maar leek te kloppen. De navigatie, die liet wel eens een steekje vallen, maar dat was nog niet verontrustend, voldoende kilometers blijven draaien, dat was de boodschap. En af en toe flink toeren laten maken, dat motortje. Want ja, motortje, het was een lichte motor. Hoeveel brandstof er ook in ging, het zou wel altijd licht blijven.

Af en toe eens klagen, over alles dat versleet en over onbetrouwbare garages, dat hielp. Hij reed weer als een zonnetje, maar of het nu een oude of een nieuwe auto betrof, er kon altijd iets kapot gaan.

B.j. ’51, in g. st. – T. E. A. B.

In mijn cel

Op de binnenplaats baadt de zwarte merel vrijmoedig in een grote doopvontschelp. De ochtendzon schijnt ongehinderd door de hoge ramen van de refter. Ik hoef, nee, kán en wil nergens heen. ‘My home is my castle’ is nu verworden tot ‘my home is my monastary’.

Kennelijk mag de bezorger nog zijn ronde doen, de Volkskrant lag al vroeg op de kokosmat. Ik nestel me in de zetel, zo dat de zon mijn voeten kan verwarmen, die luxe veroorloof ik mij wel. Een mok met thee en de krant, van A tot Z, alle tijd in deze stilte. Ik ga er van genieten, perfect isolation. De huidige constitutie is nu eenmaal van dien aard dat binnen blijven is geboden. Volgens enkele van mijn dochters schijn ik altoos op zoek te zijn naar het alleen-op-de-wereld-gevoel. Welnu, binnen deze muren moet dat lukken. Wat te denken van Dominicus, lijkt mij wel een mooie naam. Mijn habijt, of pij bestaat slechts uit een afgeragde joggingbroek en een pillende hoody.

Onthechten en onthaasten. Ik ga iedereen vergeten, loslaten. Een tijdlang nadenken, kalmte in het hoofd en hart. Morgen, dan zal ik in mezelf afdalen, en zien wat daar te vinden is. Hoeveel liefde en zorg en woede en jaloezie en haat. Dat alles moet ik kwijt en oefenen in geduld. Ascese en onthouding, geen zondige gedachten, hoewel. Neen! Reinheid en een zuiver leven. Maar dat is morgen, vandaag nog ga ik reizen en dansen en zingen. Hier achter de abdij hoort niemand mij en het galmt zo lekker. Ik heb veel ideeën  voor deze tijd. Heerlijk reizen in mijn hoofd, dat wordt genieten. Ik wilde altijd al eens naar Damascus. En Casablanca en Odessa, Teheran en Dar es Salaam. En bovenal die imaginaire ontmoetingen met geliefden en onbekenden, de goede gesprekken die wij gaan hebben.

Het leven nu is klein en overzichtelijk. Misschien is het goed voor ons mensen, voor de aarde. Straks zal ik eenvoudig wachten, tot de klok vier keer slaat. Dan zal ik afdalen in de kelder en een gekoelde fles boven halen. Rustig zal ik hem ontkurken, een fijne Trappist en met engelengeduld kleine slokjes drinken. Alleen die vier uur klok, die zal ik aanhouden, verder niet het keurslijf van het kloosterleven. Ik hou niet van orde en regelmaat en ritme. Ja, wel van ritme, in muziek. Muziek, jaah, ook die zal dreunen hier in de arcade, waar de avondzon in mei al binnendringt. Ik heb nog boeken, een voorraad in de kasten, sommige nog ongelezen. Mijn oude vriend Harry stuurde een gedicht, van Herman Hesse:

‘Nun der Tag mich müd gemacht,
soll mein sehnliches Verlangen
freundlich die gestirnte Nacht
wie ein müdes Kind empfangen.

Hände, lasst von allen Tun,
Stirn, vergiss du alles Denken,
alle meine Sinne nun
wollen sich in Schlummer senken.

Und die Seele, unbeacht,
will in freien Flügen schweben,
und im Zauberkreis der Nacht
tief und tausendfach zu leben’.

De merel laat zijn vleugels drogen, uitgespreid in de zon. Aan de kale pruimenboom waar nu drie bloesempjes voorzichtig bloeien, hangt een koolmees. Ondersteboven. Onwillekeurig neurie ik:
“Om manipadmé hum”

de Echte Roman (2)

Berichtte ik onlangs al over mijn tv debuut, weliswaar op de lokale Vlaamse zender ROB-TV, ik kan u verklappen, er schijnt nu toch een vervolg aan te komen. Misschien heeft u het meegekregen, misschien niet. Het kan zijn dat u inmiddels, heel modern, geen tv meer kijkt, alleen Netflix of, heel ouwerwets, nu in quarantainetijden weer eens de oude videobanden van-toen-de-kinderen-klein-waren tracht afgespeeld te krijgen.

Maar, dus, DWDD gaat stoppen en heel DWDD eigen, ze gebruiken de eigen zendtijd om volop reclame te maken. Voor de zogeheten Troosttv. Het schijnt nu zo te zijn, ik heb uit betrouwbare bron, men zegt, als u het niet verder vertelt, dat de rechten zijn aangekocht. Inderdaad, juist dat deel waar mijn persoontje het vuur aan de schenen wordt gelegd door de welbespraakte goedlachse presentator Emile van den Steenbruggen, dat zal worden uitgezonden. Mij best.
Voor mijn part ook dat stukske, die twee sekontjes vooraf, wanneer de alerte kijker een blik wordt gegund op de achterkant van mijn zwarte coltrui. In het felle licht van de studiolampen zijn toch de drie of vier mottengaten op mijn rug duidelijk zichtbaar. Ja lieve lezers, schrijver zijn is eigenlijk geen professie, maar een onderbetaalde hobby. En wat doet een beetje schrijver, geheel geïsoleerd in zijn datsja, schrijven, drinken, zuipen, seks of denken aan seks, naar buiten kijken en weer verder schrijven.

Maar, dus, wie weet, heel langzaam zal ondergetekende doordringen op de bestsellerslijsten, gewoon onderaan beginnen. De Echte Roman, zoals ik reeds eerder beschreef, zie; https://wp.me/p4CCMR-Vm
Was in België goed verkocht. Uitverkocht NB. Die filmrechten waarover ik repte, welnu, daar zit nog altijd geen voortgang in. Maar nu komt het, ik kan een klein tipje van de sluier oplichten.
Matthijs (v. N.) heeft met zijn achtergrond als journalist en gesjeesd neerlandicus wel kijk op literatuur en is altijd in om iets onbekends te ontdekken. Welnu, de uitgever van de bewuste bestseller, is met de rechten alsmede inkomsten met de noorderzon vertrokken, zijn protegé in verwarring en armoede achterlatend. Herdruk onmogelijk. Zoals bekend, zo’n scoop kan juist de grote doorbraak betekenen. Schandalen,  intriges, beledigingen, alles mag, als het maar verkoopt, liegen, bedriegen, moord, sex (met een x), bloed, kots en stront, niet persé in deze volgorde, dan schiet je boek omhoog in de hitlijsten. Geen nood, er is voer genoeg, wat rechten- en publicatievrij is. Zoals daar is ‘De Waarheit’. Deze absurdistische romanthriller laat zich goed verfilmen, wellicht om te vormen naar een roadmovie, contacten zijn gelegd met enkele scenarioschrijvers, reeds!

Ik heb begrepen dat Troosttv tot diep in de nachtelijke uurtjes wordt uitgezonden, wat en wanneer een en ander voorbij schuift kan niet exact worden medegedeeld. Ik vrees dat mijn tv overuren gaat maken, ik wil mijn eigen debuut uiteraard live meemaken. Mocht ik, op het uur U toch net zijn weggezakt, en er is één (1) kijkende lieve lezer of lieve lezeres nog wakker én kijkend, bel me dan efkes, astanblaft!

Wel hoop ik dat toch gekozen zal worden, dat ook de welgevormde zwarte coltrui van mijn buurvrouw Goedele in beeld zal zijn, alsmede de scene van de afterparty, waar ik een duet zing met Eva de Roovere:
‘Slaap lekker ding
Want jij is lastig
Nog meer jij is fantastig toch’ 

Ophokken

“Aaah, mijn Creuzfeld Jacob speelt weer op!”,
gekscheerde mijn vriend Henri, destijds. Zelf had ik toen meer last van de Gekke Koeienziekte. Gelukkig ontsnapten wij, daarna weer, mijn twaalf witte en bruine kippen aan de Vogelgriep. Hun klaaglijk getok ging mij door merg en been, het kon niet anders, dagenlang zaten zij in lockdown, toen nog geheten; ‘opgehokt’. #

Is dit het dan, dat wat iedereen vreest en ik misschien het meest. Een grote ramp, wereldwijd, of iets sluipends, geheimzinnigs, waar we of in één klap, of tergend langzaam aan kapot gaan. Apocalyps now. Meteorietinslag, de aarde komt tot stilstand, de zwaartekracht verdwijnt – heb ik teveel stripboeken gelezen of slechte films gezien of ben ik gewoon behept met overtollig veel fantasie. De alles verwoestende tsunami, versnellend smeltende Groenlandijskap, niet te stuiten Ebola, maandenlange zonsverduistering door vulkaanuitbarstingen, need I say more? Het begint nu toch wel echt eng te worden.

Is dit een wake-up call? Is it nature itself? Zo van, de wereld gaat eraan, als we niets doen gaan we ten onder. De mensheid holt maar door, met onze dure elektrische auto, volgetankt met vervuilde kolencentraleenergie, scheuren we tot klokslag zeven, met 100 kilometer per uur in vol vertrouwen op de navigatie, volgas naar de afgrond. Zelf ben ik ook een zondaar, als een idioot 2000 kilometer gereden voor een dagje sneeuw. Een promiletje minder opwarming van deze woonplaneet kan geen kwaad. Dat gekke spul, Corona, slecht voor de gezondheid, goed voor het klimaat. De grootst zelfbenoemde Corona deskundige ter wereld mr. Trump himself is een hoopvol doelwit voor dit onderhavige virus, beter voor de wereld.

Mag het iets minder, is het goed om even in te houden. Tot stilstand komen. Letterlijk afstand houden voor het geval men het toch nodig acht te hamsteren en afstand van de ratrace. We wilden allemaal toch eens een weekje in een klooster. Nu even voor het ‘echie’. In een staat-van-zijn. Zoek jezelf, een beetje mediteren, inzicht, Zen en zo. Consuminderen maar! Met z’n allen, lalalala, met z’n allen in quarantaine. Wat mijzelf betreft, dat vertragen, de tijd nemen en onthaasten – voldoende synoniemen zo, die komen vanzelf wanneer je terugschakelt – dat is iets dat ik mezelf al zolang voorneem en mij zo slecht lukt. Aandacht voor elkaar, je lief en op afstand, de ander.

Tip: in het altijd gezellige Arnemuiden is een Yoga centrum gevestigd dat luistert naar de naam: ‘Corona Yoga’. Nog een weetje misschien? Corona is de buitenste laag van de zon, miljoenen kilometers groot en één miljoen graden heet, volgens mijn Wikipedia dan hé. Anderhalve meter afstand houden is het devies, geen twijfels meer over een, twee of toch drie zoenen en de mannenhug. Gemeengoed is de hindoegroet, die met de handpalmen tegen elkaar, lichte buiging, kleine glimlach, mompelen:
“Namasté’, (ik buig voor jou)
het mag.

# Dat hok was nogal groot, die scharrelaars hadden tweeënhalve vierkante meter p.k. (per kip), maar toch, ze wilden buiten spelen.
Bij de foto: opgehokt in vrijheid, op het virusvrije lege strand en bij de bacterieloze zee. Opvallend, de weinige tegenliggers hielden afstand en groetten ons vriendelijk.

Status

Bloody hot was op het balkon.
“En? Ben ik al bruin?” vroeg Eega lachend, net wakker van een dutje, zich even niet bewust van het fabelachtige uitzicht recht tegenover haar. De witte wereld van Les Sybelles in de Hautes Mauriennes. Recht voor ons toonde Pic de L’Etendard, 3464m.  zijn besneeuwde elegante hellingen. Deze top en de drie in het oog springende rotstorens van les Aiguilles d’ Arves,  3514m. die mijn klimmershart sneller deden kloppen. “Ojee, straks kom je thuis met zo’n echt WinterSport hoofd”, lachte ik terug.

Voor de tweede keer in mijn leven op WinterSport, net terug uit de Elzas, waar eerst te weinig sneeuw was, later meer, toen met storm en ook nog een dag met zon. Nu dan in het Walhalla, als ik M&M moest geloven. En, du moment ik de gordijnen open deed van de schuifpui van de woonkamer van het appartement op de bovenste verdieping van het chalet in La Toussuirre op zeventienhonderdvijftig meter hoogte en onbelemmerd over de lager gelegen huizen en hellingen het oogverblindend schouwspel zich aan mij openbaarde, begreep ik het. Ik begreep hen. Dat ze persé weer hierheen wilden.

Het was de duizend kilometer rijden waard, ook al waren die afgelegd met mixed feelings. Corona leek Frankrijk over te slaan, voor hoelang? We zien wel – we hebben geboekt – we gaan, zeiden we tegen elkaar. Het zweeft niet zomaar rond, berglucht is schoon, veel contact met mensen zoeken we niet op, what ’s the risk? Toch, eenmaal daar was het vreemd. Er ontbrak iets, de lucht WinterSport blauw, vriendelijk en vrolijk, de hellingen maagdelijk en wit. De liften draaiden, hier en daar een skiër, daar een boarder, dát was het, zo raar, het was stil, er was haast niemand. Het skioord, het leek een spookstad.

In grote haast en heel vroeg nog, hadden we alles in de auto’s gepropt, het huis schoon, de sleutels in de sleutelbox in het uitgestorven dorp en weg. Twintig kilometer dalen, hairpins en slecht wegdek, geen enkele tegenligger. Toen volgas naar Chambery, Albertville, Lyon en verder. De Péages waren nagenoeg leeg, totaal geen verkeer, met niet werkende klotetolpoortjes, herkenden geen creditkaart meer, stom systeem. Snel het land uit voordat de grenzen sloten. Had het virus ons te pakken? Tanken, soms ook een kunst in dit land. Capriolen, welk pasje deed het? Vlug, we konden weer, door! Geen eten meer te koop, we hadden nog koekjes, water, koffie. Nog een Mars en een Twix en appels (2) en jaa, haha, wc papier, dat hadden we ook. Dijon, Nancy, hoever nog naar Luxemburg? We waren op de vlucht. Op zoek naar ons huis, ons land, thuis. Wilden asiel, die grens over. Weg van president Emmanuel Macron, met zijn ’Nous sommes en guerre’. Wij zijn statushouders, inwoners van Europa met zijn open grenzen. We wilden niet, hoe romantisch het ook klinkt, in quarantaine in dat skioord op die prachtige plek.

Nu eenmaal thuis, denk ik terug, hoe ik me omhoog stampte. Zwetend over de geribbeld geprepareerde en verblindend witte sneeuw van de piste. Kan ik hier weer naar beneden, zonder ski’s, niet denken, hoger. Niemand hier, rechts hangt stil de stoeltjeslift du Soleil. Boven het dorp, aan de andere kant zijn er nog veel meer, geen beweging te zien. Enkele zwarte stipjes, wandelaars. De zon brandt en maakt de sneeuw net zacht genoeg voor mij.
Een helling verder scheurt een sneeuwscooter naar beneden, zijn uitlaatgas waait mijn kant op. Het wordt toch te steil nu, hoog genoeg dan maar. Kijk om me heen, het dorp is verdwenen en ik zoek een afdaalroute. Die stoeltjeslift ginds moet ik volgen denk ik, even niet verdwalen, zonder ski’s. Steek over naar een andere piste, door zachte sneeuw. Zak een paar keer heel diep weg, liever niet in een gaatje vallen hier. Daar in de diepte, daar zie ik het dorp weer. Rutschend op m’n schoenen terug. De zon brandt, de sneeuw blinkt, ik hijg en ik zweet, het is stil en de wereld is mooi. Alleen al, voor deze wandeling, het was het waard.

Een beetje schrijver doet research voor zijn verhaal: de naam La Toussuirre komt waarschijnlijk van “tochière”, de lange houten stok waarmee de herders vroeger hun vee hoedden. Wanneer je La Toussuirre in de vertaalapp gooit: ‘Hoest het op’………..
De schaduw op Pic de L’Etendard, dat profiel, Macron? Of zie ik dat alleen?

 

In gesprek met

Als dank voor jarenlange deelname aan NS panel was ik uitverkoren mogelijk een winnaar te zijn van een aantal prijzen. Ik mocht zelf kiezen. Voor het geval dat, in dat geval, ik koos voor de mogelijkheid van een gesprek met President Directeur Rogier van Boxtel. Waarom wilde ik in geval van winnen deze prijs, werd mij digitaal gevraagd. Wel hierom; reeds meer dan vijftig jaar ben ik treinreiziger, groot voorstander van openbaar vervoer.
En nog steeds voortdurend verbaasd over NS. Had ik Rogier van Boxtel gewonnen, te spreken gehad, dan had ik hem de volgende verbazingen, neen, alhoewel het wel zo is, wil ik het geen ergernissen noemen, medegedeeld.
Rogier, jij – na vijftig jaar, meer dan een halve eeuw, in jouw treinen te hebben gezeten, mag ik je tutoyeren – neemt, sinds je deze baan hebt misschien ook weleens de trein? Ik heb je gewikipediaat en gezien je staat van dienst denk ik wel dat je deugt, jij spoort wel. En zo lang zit je nog niet in dit vak, in het Koninkrijk der Spoorwegen, dus jij kunt er ook niets aan doen.

Tja, waar was ik dan begonnen, als ik jou had gesproken, gewoon maar gelijk van start, groen licht? Wanneer ik hier ter plekke, in mijn wijkstationnetje de trein neem. Ik, met mijn decennia oude NS voordeelchip, kan daar, aan de automaat niets. Stond daar, naast de Arriva kaartjesautomaat er eerst nog een van NS.
Nu niet meer, is weg, alleen die van Rnet en die kent mijn NS kaart niet. Ik ben genoodzaakt de trein te nemen naar het hoofdstation, daar uit te checken, het station uit te gaan en in de NS automaat mijn kaart op te laden. Of bijvoorbeeld het ‘vrijreizen’ kaartje – wat nu toch ook gewoon vier Euro kost – op te waarderen, vervolgens weer in te checken en te constateren dat mijn ‘overstapje’ net vertrokken is.

Ik was er nog even verder op door gegaan, had ik dat gesprek gewonnen. Wanneer ik dan terugreis en overstap op hoofdstation Dordrecht – laat ik maar meteen man en paard, in dit geval man en trein noemen, NS weet toch alles van mij en mijn ‘reisgeschiedenis’, waar is privacy toch heengegaan – op de boemel van Rnet, naar Dordrecht Stadspolders dien ik uit te checken bij NS en in te checken bij Rnet.
Zoals vele tientallen medereizigers, waarvan velen dan net weer hun ‘overstapje’ missen, wegens drukte bij dat gecheck. Daar kun jij natuurlijk niets aan doen, dat is nog een erfenis van mevrouw Melanie Schultz van Haegen-Maas Geesteranus die haar belofte het te stroomlijnen niet nakwam. Laatst was ik in Zwitserland en daar zijn zeer veel verschillende treinmaatschappijtjes, hoeveel precies, dat weet jij beter dan ik, Rogier, maar daar merkt de reiziger hoegenaamd niets en niemendal van.

Mag ik nog even, had ik gevraagd, Rogier, heb je nog heel even? Wat me ook zo verbaast, dat na vijftig jaar de reistijd van Goes naar Amsterdam, die ik als student jarenlang aflegde, nog geen minuut sneller is geworden. Sterker nog, langer, met die stoptrein van het Zeelandstuk.
Ja, zou ik Rogier dan horen zeggen, je kunt overstappen in Rotterdam op de Intercity Plus en dan tegen een kleine vergoeding gaat het een stuk sneller naar Amsterdam. Jaja. Ook pendelde ik heen en weer naar Eindhoven, vanuit Dordrecht en dat kostte precies een uur. Dat lukt niet meer, sukkelen naar Breda, ‘overstapje’ en dan door. Zomaar een half uur langer; de ‘vooruitgang’.

Rogier, ben je daar nog? Ik moet er eigenlijk wel om lachen. Eerst doeken de Spoorwegen de rechtstreekse treinen met buitenlandse bestemmingen op. Nu worden ze met veel halleluja en hoorngeschal weer, héél voorzichtig herintroduceerd.
Concurreren met het vliegtuig? NS spoort niet. Ik zie het al, stiekem zit je op je horloge te kijken, mijn tijd is om. Nog even dit, om niet te worden afgerekend te worden op teveel vertraging, staan de treinen langer stil op sommige stations. Kunnen vertragingen worden opgevangen worden zodat de aankomsttijd toch gehaald kan worden. Ik had je verteld dat ik daar ‘niet vrolijk van word.’

Waarom, beste Rogier, krijgt een reiziger met meer dan vijftig reisjaren, de vaste NS klant, geen voordeelprijs. Zoals bij meer schadevrije jaren, meer noclaim korting? Neen, zelfs het ‘voorrecht’ wat de vaste klant had, het privilege ook in de avondspits met korting te mogen reizen gaat verdwijnen. Het wordt te druk in de trein, NS wil minder reizigers.
Ik ben haast geneigd dan als klant ook maar te verdwijnen. Ergens best grappig, NS, een van de grootste bedrijven van Nederland kon niet voorspellen dat het steeds maar drukker zou worden. En voorzien dat er een constant tekort aan materieel zou zijn.

Geachte heer van Boxtel, bedankt dat ik deze prijs, een goed gesprek, wanneer ik tot de prijswinnaars had behoord, heb kunnen ontsporen.

onthutsende bekentenissen

Vooruit! Het kan nu wel, toe maar. Het is tijd om eens echt eerlijk te zijn, wat kan het me ook eigenlijk schelen. Een schrijver moet schrijven wat er in hem opkomt, wat al tijden ligt te sudderen in zijn grijze massa, ooit moet het er uit.

En dan geen flauwekulletjes over wat ik onlangs ontdekte. Ik wilde meefluiten met Triggerfinger’s ‘I follow rivers’, zou kleinkind J. fluiten leren (evenals dansen, maar daarover een andere keer) en het ging niet, dat fluiten. Ik kan het niet meer. En dat terwijl ik vele, vele uren heb gefloten. En daar zelf het meeste van genoot. De lange nachtelijke wandelingen die ik floot, en er van alles door me heen ging, en ik er alles inlegde, in dat fluiten. Álles, mijn vrolijke maar ook gekmakende verliefdheid op haar, die stevige korfbalster die ik zojuist had thuisgebracht.

Nee, het gaat om serieuze, heuse onthullingen, zoals daar zijn; de uitnodiging van Gerard v. h. R. om een weekje te komen logeren op zijn boerderij in Frankrijk. Dat ik wel eens een boek lees. Dat ik wel eens mail met Arnon Grunberg. Dat ik niet graag een matrozenpakje draag. Dat ik met twee vriendinnen naar de film Turks Fruit zou gaan. Dat ik een of meerdere fietsen stal. Excuses nog aan de eigenaren, bij deze en aan die ene vriendin die toch afhaakte. Dat ik nooit de Elfstedentocht en de Vierdaagse voltooide, sorry daarvoor.

En voor trouwe lezers; echt heel goed skiën kan ik niet. Schokkende bekentenissen voor oudere lezers, hen die de naam Melanie nog iets zegt: de eerste LP die ik kocht was van haar. Per ongeluk zing ik nog weleens een regel uit ‘Beautiful People’. De tweede LP was dan wel weer van Ten Years After; ‘Undead’. Van een vreedzame, conflictvermijdende pacifist als ik zult u het niet verwachten, maar het scheelde niets of ik was gisteren, zoals dat heet, op de vuist gegaan. Onthutsend knokken. Meer onthullen dan dat het iets was met een hond en het strand, mag ik op dit moment niet.

Dat ik ontkende, bij hoog en bij laag volhield nooit in New York te zijn geweest. Dat mijn gewicht ongeveer gelijke pas houdt met mijn leeftijd. En dan dit; veinzen. Jahoor, ik beken, ik veins weleens een bekende, vriend of kennis niet te zien, wanneer ik hij / zij in de stad tegenkom. Niet echt schokkend, temeer daar ik vermoed dat ook u dat wel eens doet; veinzen.

En toch, nu iets geheel anders, het onthutsendst kan ik hier niet bekennen. Ik krijg het er niet uit, op papier of digitaal. Mocht er onder lezers een bepaalde nieuwsgierigheid bestaan, laat het mij weten. In een tête-à-tête, op een nader bekend te maken locatie, zult u deelgenoot gemaakt worden van een – laat ik het voorlopig zo noemen – situatie. Geheimhouding verzocht.

Heineken

En ik zal afdalen langs gitzwarte pistes met donderend geweld, ik in mijn helderwitte wetsuit met oranje accenten. Avalanches achter me latend en blondines en brunettes wiens lokken vanonder hun modieuze helmkes uitpiepen in verbijsterde betovering. En sneller dan de ijswind zal ik carven en jumpen met mijn matzwarte Rossignols over gapende gletsjerspleten in ijle wolken van het witste poeder. En mijn glimlach zal mijn gebronsde gelaat openbreken en de harten van allen op mijn weg dalwaarts doen smelten.

Ooit zwoer ik op het graf van de te laat overleden Idi Amin dat ik nooit van z’n leven op wintersport zou gaan, never never nooit zou inschepen op de vleesfabriek ook wel genoemd cruiseschip, musicals, Venetië en Benidorm bezoeken, bungeejumpen en nog enkele activiteiten en zie: waarheen ga ik? En dat zelfs twee keer? En dat zelfs binnen één (1) maand? ‘ Op WinterSport’. Jawel. Tja, als je mij vraagt of ik meega, dan loop je een zeker risico, dat ik inderdaad ja zeg en meega.

Offpiste zal ik gaan en urenlang omhoog stampen op mijn vellen in volstrekte eenzaamheid tot ik door de Scharte ga en rechts omhoog langs scherpe graten en langs Seracs en Wächtes die mij vanachter mijn gouden goggles sardonisch vriendelijk lijken toe te grijnzen.
En ik zal, voordat ik me dalwaarts stort, de gestroomlijnde helm nog eenmaal vaster snoeren en diep ademhalend mijn longetjes vullen met zuiverst-grote-hoogte berglucht.
En nog eenmaal zal ik om me heen kijken en her en der een bergprofiel herkennen, Dente de la Parachée dichtbij, Mont Blanc iets verder en ver weg Sextener Rotwand en Gross Venediger waar ik eens bovenop stond of ook juist net niet.

WinterSport, akkoord, deze hellingen bevinden zich meestal in een berggebied, een streek waar ik, zoals mag worden verondersteld bekend, mij graag ophoud. Welteverstaan dan liefst zonder andere levende wezens op twee benen. WinterSport, ik zie er de zin niet zo van in. Zinloos, overigens, net als bergbeklimmen. (waar ik dan wel weer het nut van begrijp)

Als dan de steilste steilte afneemt en de boomgrens nadert en ik met onheuse doodsverachting het sprookjesbos induik zal ik laverend, in split seconds de dikste bomen ontwijken, om dan de vloeiende almen te bereiken waar paarse koeien vredig grazend verbaasd opkijken.
En eenmaal in het dal arriverend, zal ik na honderden meters rutschend tenslotte tot stilstand komen en deuren van bronstige kroegen openstoten en armzwaaiend roepen: “Biertje, 0,0 %!”

En als laatste zal ik dan maar weer het licht uitdoen in de ozo gezellige StammStube of Bistro, waar ik de lange avond de hitte van de tegelkachel danwel openhaard trotseerde en ik plots niet doof was en oorverdovend verstaanbaar en ik zal, toch weer geheel alleen, in de maanverlichte straten op zoek gaan naar een bed in een verduisterd chalet, ergens in het romantisch wit besneeuwde skioord terwijl de melkweg dichtbij lijkt. Dichterbij dan ooit, toch jammer, dat ik, alleen ik dit zal waarnemen.

Februari

Het is me meegevallen. Alleszins. Niet zoals in de periode van 1983 – de geboorte van mijn dochter tot oudejaarsnacht van het jaar 2000 – dat ik gestopt was met roken en daar nog steeds dermate veel moeite mee had, dat er momenten waren van wanhopig zoeken in oude jassen naar kruimels tabak teneinde daar met een half vloeitje een armzalig sjekkie van te paffen. Neen. Het kostte me verbazend weinig. Geen lange avond wachten tot Eega naar boven vertrok om stiekem toch een glaasje wijn in te schenken, in een limonadeglas ter camouflage (NB). Natuurlijk, er waren de diverse nieuwjaarsborrels, waar ik met een zekere trots verkondigde niet mee te doen. Het was niet moeilijk, men vulde al zelf in; “Aha dry January”.

Het leek me wel goed mijn levertje even wat rust te gunnen. De honger naar drank te stoppen, de gewoonte te doorbreken, indachtig de slogan van enkele jaren geleden; ‘drank maakt meer kapot’. Ik wilde het niet zover laten komen zoals mijn goede vriend T. Waits al zong: “I don ’t have a drinking problem, ‘cept when I can’t get a drink”. Midden in die drooggelegde maand was er de reeds lang gemaakte date en de met mezelf gemaakte afspraak, die avond mag het, dan drink ik. En ik wil hem, de heerlijke roes, ik hou ervan.

Dat een avondje op schreeuwniveau praten in diverse volle etablissementen met beginnende keelontsteking, chronisch kapotte stembanden, eerst wijn en later bier niet bevorderlijk is voor de strot zal ook een geheelonthouder kunnen invoelen. Dat ik in mijn geestdrift met vertellen een vol glas rode wijn van het piepkleine tafeltje smashte en daarmee een voltreffer veroorzaakte op de off-white teddyberen jas van de uiterst beschaafde dame aan het belendend tafeltje heeft niets van doen met teveel drank, ik had er pas een op, zo’n rooie.
Later die nacht, toen wij door de stille donkerte huiswaarts zweefden en ik overliep van geniale ideeën, in de ietwat merkwaardige bebouwing van de onderhavige straatjes architectonische schoonheid ontdekte en meer dan goed voor me was van mijn vrienden hield, besefte ik, dit is hem weer, die heerlijke roes. En toch, ook dat hielp, de volgende ochtend, om met hernieuwde kracht de rest van de maand January aan te vatten.

Voor de goede orde, lieve lezers, zoveel drink (dronk) ik niet. Er zijn mensen in  mijn omgeving die meer drinken. En, áls ik drink, ik heb geen kwaaie dronk, ik ben een blije drinker, hooguit wat overmoedig soms. Niet zoals T. Waits: “ and in the bottom of my glass, I see her face in there….” En om nu te zeggen dat ik drink, alleen wijn, rode wijn. En bier. Niet zoals dhr. J. A. Deelder zijn gin-tonic; “Gin, een wolkje tonic en geen groente er in.”
Vriend en vinoloog Harry, een gezworen drinkmakker, samen dronken wij hoeveelheden, ooit op een historische zomeravond uitsluitend raki, knikte mij begripvol toe hoe ik terugkwam van de bar, en naast zijn Chauvignon blanc mijn perensapje plaatste.

In de vorige eeuw, toen ik in perioden van training naar een bepaalde hardloopwedstrijd, niet dronk, meldde ik mij op feestjes tot hilariteit van de aanwezigen soms met medeneming van een six-packje Buckler. Het was niet te drinken en met dank aan een brallende conferencier nu niet meer verkrijgbaar. Ik beloof hier schriftelijk, én digitaal, mij in de toekomst af en toe, met opgeheven hoofd te wenden tot een groen flesje met op het etiket 0,0 %.

 

toch tradities

Schreef ik laatst nog over tradities, die voor mijn part mogen verdwijnen, tot mijn schrik merk ik er zelf een in stand te houden. Na hoeveel jaar kan men spreken over een traditie, wanneer is het zover. Een select groepje deelnemers weet waar ik op doel. Zij, die vroeg opstonden, op de eerste zaterdag van het nieuwe jaar. Berubberlaarst of anders improviserend pogend droge voeten te behouden, indien nodig, in de Biesbosch waar omstandigheden moeilijk voorspelbaar zijn.

In voorzichtig zonlicht, ruggelings tegen het zwartgeteerde hout van de Keet nipte ik van m’n koffie. Merkwaardig sfeertje hier, in de verre omtrek vermoedelijk, behalve die twee reeën, niemand. Een klein stukje terug hing zeer dichte mist, geen verkeersgeruis van de Moerdijkbrug drong tot hier, dat aanhoudend gerommel op de achtergrond, dat kwam van de stad. Het was oudejaarsdag en daar, in Dordrecht was het al gezellig. Daar genoten enkele fanatici van Thunder Crackers, Bazooka’s en Cobra’s, speelden voor Trumpje en keken wie er langst geen oog of vinger verloor. En zo doe ook ik graag mee met de nieuwe geboren traditie, – en nu citeer ik vrijelijk een cabaretier – de traditionele jaarlijkse discussie over het jaarlijkse wel of geen vuurwerkverbod. Volgens wijze politici die ons land besturen wil het volk dit, we willen knallen, het milieu verpesten, lekker zinloos geld verspillen.

Traag wandelde en fietste ik terug, dwars door een droomlandschap van grillige wilgen die opdoemden in dichte mist. Bij de aanlegsteiger zat het zo potdicht dat ik me even afvroeg of de pont nog wel zou varen. Werkelijk niets te zien of te horen. Tot een zacht brommen hoorbaar werd en pas bij het aanmeren een vage contour in beeld kwam. Gelukkig, ik hoefde niet via Werkendam en Gorinchem terug.

Ieder jaar melden er zich enkele mensen aan die zin hebben in een frisse neus, stukje wandelen na al die feestdagen, nieuwsgierig zijn naar een onbekend stukje natuur vlak bij huis, of sterke verhalen hebben gehoord over bizarre waterstanden. Met de Nieuwjaarswandeling gaan Kees en Rienk sowieso elk jaar mee, dit keer zijn er negen aanmelders waarvan drie zich weer afmelden, dat maakt een club van zes. Prima.
Het is droog, niet erg koud, de bruggetjes liggen boven water en precies modderig genoeg. Gezellig keuvelend maken mensen, klimmers en wandelaars, die elkaar wel en niet kennen, het rondje. Het is niet te ver, alleen het weer, dat is een beetje saai, geen sneeuw, of storm met jagende wolkenluchten, grijs, waar de zon zich niet doorheen geschenen krijgt. Tocht tradities, pakweg duizend Rivierenlanders gingen nog niet mee naar de overkant: zaterdag 2 januari 2021, nieuwe kansen.

Op die mistige oudejaarsdag groef ik de sleutel op in een van de vele ‘handige’ zakken van m’n jack, het hangslot zag er hetzelfde uit en jawel hij paste nog, de sleutel van de Zwarte Keet. De griendwerkerskeet uit 1912, gerestaureerd in 2000, waarvan de sleutel tijdens de eerste zaterdag van het nieuwe decennium van 2020, alle goede voornemens ten spijt, nog thuis op het nachtkastje lag, vergeten.