In mijn cel

Op de binnenplaats baadt de zwarte merel vrijmoedig in een grote doopvontschelp. De ochtendzon schijnt ongehinderd door de hoge ramen van de refter. Ik hoef, nee, kán en wil nergens heen. ‘My home is my castle’ is nu verworden tot ‘my home is my monastary’.

Kennelijk mag de bezorger nog zijn ronde doen, de Volkskrant lag al vroeg op de kokosmat. Ik nestel me in de zetel, zo dat de zon mijn voeten kan verwarmen, die luxe veroorloof ik mij wel. Een mok met thee en de krant, van A tot Z, alle tijd in deze stilte. Ik ga er van genieten, perfect isolation. De huidige constitutie is nu eenmaal van dien aard dat binnen blijven is geboden. Volgens enkele van mijn dochters schijn ik altoos op zoek te zijn naar het alleen-op-de-wereld-gevoel. Welnu, binnen deze muren moet dat lukken. Wat te denken van Dominicus, lijkt mij wel een mooie naam. Mijn habijt, of pij bestaat slechts uit een afgeragde joggingbroek en een pillende hoody.

Onthechten en onthaasten. Ik ga iedereen vergeten, loslaten. Een tijdlang nadenken, kalmte in het hoofd en hart. Morgen, dan zal ik in mezelf afdalen, en zien wat daar te vinden is. Hoeveel liefde en zorg en woede en jaloezie en haat. Dat alles moet ik kwijt en oefenen in geduld. Ascese en onthouding, geen zondige gedachten, hoewel. Neen! Reinheid en een zuiver leven. Maar dat is morgen, vandaag nog ga ik reizen en dansen en zingen. Hier achter de abdij hoort niemand mij en het galmt zo lekker. Ik heb veel ideeën  voor deze tijd. Heerlijk reizen in mijn hoofd, dat wordt genieten. Ik wilde altijd al eens naar Damascus. En Casablanca en Odessa, Teheran en Dar es Salaam. En bovenal die imaginaire ontmoetingen met geliefden en onbekenden, de goede gesprekken die wij gaan hebben.

Het leven nu is klein en overzichtelijk. Misschien is het goed voor ons mensen, voor de aarde. Straks zal ik eenvoudig wachten, tot de klok vier keer slaat. Dan zal ik afdalen in de kelder en een gekoelde fles boven halen. Rustig zal ik hem ontkurken, een fijne Trappist en met engelengeduld kleine slokjes drinken. Alleen die vier uur klok, die zal ik aanhouden, verder niet het keurslijf van het kloosterleven. Ik hou niet van orde en regelmaat en ritme. Ja, wel van ritme, in muziek. Muziek, jaah, ook die zal dreunen hier in de arcade, waar de avondzon in mei al binnendringt. Ik heb nog boeken, een voorraad in de kasten, sommige nog ongelezen. Mijn oude vriend Harry stuurde een gedicht, van Herman Hesse:

‘Nun der Tag mich müd gemacht,
soll mein sehnliches Verlangen
freundlich die gestirnte Nacht
wie ein müdes Kind empfangen.

Hände, lasst von allen Tun,
Stirn, vergiss du alles Denken,
alle meine Sinne nun
wollen sich in Schlummer senken.

Und die Seele, unbeacht,
will in freien Flügen schweben,
und im Zauberkreis der Nacht
tief und tausendfach zu leben’.

De merel laat zijn vleugels drogen, uitgespreid in de zon. Aan de kale pruimenboom waar nu drie bloesempjes voorzichtig bloeien, hangt een koolmees. Ondersteboven. Onwillekeurig neurie ik:
“Om manipadmé hum”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s