Alle berichten door dentoonder

Journal d’ Antoine

Journal d ‘Antoine – Wagen 3.27, Zavata (3)
-Hooggeëerd publiek, Naftadiana geboren in een klooster haar vader was een Poolse beer kijkt U naar de linkerschouder het vlees verdwijnt doctoren en professoren staan verstomd over het wonder plaatskaarten aan de kassa!-

Zo. 8-5 Inferno, een heus zomerzondagavond onweer zojuist. Na de voorstelling vroeg de spreekstalmeester het publiek nog even binnen te blijven. Veiliger binnen dan buiten de tent en heel het terrein kwam blank te staan. Twee aggregaten vielen uit en de helft van de tent in het donker. Alle dieren in paniek, vooraf al, ze voelden het aankomen. Behalve de kamelen, onverstoorbaar als altijd. Ik zag het, mijn caravane staat naast hun tent.

Ma.9-5 Ik zag het echt wel, vanavond, na afloop van mijn act, bij het passeren van de ‘Showbirds’, onder de laag pancake had Kriztina een grote blauwe plek en volgens mij had ze ook nog een blauw oog. Ze probeerde weg te blijven in de schaduw maar ze keek me aan met een blik….

Di. 10-5 Vandaag dan weer mijn vrije ochtend, kwam niets van terecht. Consternatie alom. Het hooggeëerd publiek heeft er niets van gemerkt, uiteraard maar er was wel even paniek. Een van de hoofdacts is er niet meer. Gewoon, ingepakt en weg. ‘Zanzibar Elifanti’. Zeven olifanten, vanmorgen, weg. Gewoon ingepakt en vertrokken, hoe en wat, niemand weet iets. Ik hoop dat diretorre het wel weet. Zal wel weer een geldkwestie zijn. Ik ben benieuwd waar ze opduiken, bij welk cirque. Niets blijft onopgemerkt in deze wereld tenslotte, hoewel er ook veel mysteries zijn.

‘Het geroezemoes van de cité is allang verstomd, niets dringt meer door het duister tot in de caravane van Toni. Stil ligt hij te wachten tot de slaap hem zal bevrijden. Ontsnappen wil hij, weg van die dwingende gedachten. Zodra hij zijn ogen sluit, ziet hij haar, Kriztina. Hoe ze zweeft hoog door de lucht, tollend en draaiend van trapeze Dragan naar trapeze Dranek, in haar nerveus gesneden glittersuit, gewichtloos lijkt het. Dat kleine gespierde lijf en toch zo gracieus. Hoe ze hem aankeek, die eerste keer, die middag aan de Loire, op het zanderige paadje onderaan de kademuur. Met ogen van chocolat en het ravenzwarte haar nu in een lange vlecht. Aan de intense gesprekken op het carpool emplacement en hoe ze vertelde in de wonderlijke mix van Frans en Duits en Oost-Europees.
Hoe vrij ze was, daar hoog in de nok maar gevangen in het leven met Ettore: “Ein Hölle avec cette sadique brute”.
Heel even trok ze haar witte zijden blouse met rouches omhoog en toonde hem haar rug. Bloederige korsten, dwars over oude littekens, kriskras. Ze moest gedresseerd, volgens de leeuwentemmer, dat had ze verteld en ze had hem aangekeken, van heel dichtbij met die vreemde make-up loze ogen.

 De hitte van de zomernacht, geen zuchtje wind, geen koeltje. Zonder erbij na te denken verlaat Toni zijn klamme kooi, sluit behoedzaam het deurtje van zijn rode caravane. In de nacht zonder maan staan de pick-up campers, wanstaltig groot en roerloos, ordeloos verspreid. Er zoemt een aggregaat, er drupt een lekke kraan, er zoemt een airco. In het donker van de open tent silhouetten van kamelen en de geur van mest en stro.
Daar, de leeuwenwagen, de tralies glimmen, geen beweging is te zien, of ja, toch, in het achterste compartiment ijsbeert een leeuwin.
Iets verderop staat massief de enorme truck met oplegger, dreigend met de spoilers op het dak en vele lampen, extra schijnwerpers, de chromen bullbar. In de uitgeschoven living van de camper brandt licht door de lamellen. De raampjes zijn opengeklapt en de harde stem van Ettore klinkt. Toni schuilt in het duister achter de leeuwenwagen, die schommelt door de heen en weer lopende leeuwin. Aan de zijkant, naast hem, steekt vanuit een houder tegen de nachtlucht omhoog, glimmend, de zweep van Ettore’.

Journal d’Antoine

Journal d ‘Antoine – Wagen 3.27, Zavata (2)
-Hooggeëerd publiek, altijd prijs altijd premie spelen maar!-

Di. 3-5 Jammer, m’n wekelijkse vrije ochtend ging even niet door deze week. Verplaatsing. Alweer, het lijkt wel of er steeds sneller verkast wordt. Stond je vroeger nog weleens een aantal weken in dezelfde stad, nu amper een semaine of nog korter. Direttore beslist, als we langer staan, minder publiek. Gingen we weer, heel de handel afbreken. Na de laatste voorstelling meteen weg en dat moet snel. Wegwezen voordat weer een dag stageld betaald moet worden. De romantiek van het circusleven, het zal wel. Vannacht met onze hele handel verhuisd, toute suite. De wanorde was weer groot. Tweeëntwintig stuks, vrachtwagens, pick-up trucks met oplegger en soms met nog twee aanhangwagens erachter, absurde uitschuifbare campers, veewagens, materiaalkarren, de tentwagen, de kassawagen, de plakauto’s, de omroepauto, het hele zooitje en de sleepauto, want er heeft er altijd wel een pech. En dan ik met m’n Dodge met caravane. Bij het eerste daglicht begon de opbouw. Het lijkt een geoliede machine maar het is elke keer weer improviseren, elk terrein is anders. En er gaat altijd van alles stuk.

Wo. 4-5 Vorige week trouwens Kriztina gesproken, voor het eerst, kort. Kwamen elkaar tegen op de kade langs de Loire. Volgens mij is ze niet gelukkig. Heeft het niet gemakkelijk. Bij die Ettore, lijkt me geen makkelijke vent, un brute. Ik herkende haar eerst haast niet, zonder make-up en zonder glitter outfit.

Do. 5-5 Vandaag mijn caravane ingelijfd. Nu ook in de ‘huisstyle’ gespoten. Rood met grote letters Zavata erop. Doen de jongens van de plakploeg, kon ze met moeite tegenhouden, ze wilden m’n zwarte Dodge ook meenemen, echt niet.

Vr. 6-5 Vanmorgen de training van de Showbirds gezien. Kriztina viel een keer verkeerd in het vangnet, viel met een been onder haar en had pijn. Luchtacrobat. Zij is degene die heen en weer vliegt tussen de broers Dranek en Dragan Ardelean, het trapezetrio. Hele mooie show, ander caliber, meer niveau Circue Du Soleil. ’U zal versteld staan!’ Keihard doorgegaan, ze moest van de broers en die Ettore schreeuwde haar boven.

Za. 7-5 Ettore Caolini, wat een etter. Geen wonder dat z’n leeuwen bang zijn voor hem. Leeuwentemmer, maar dan een ouderwetse. Geen wonder dat de dierenbevrijdingsbewegingen er tegen zijn. Geen wilde dieren meer in het cirque. Volgens mij hebben ze hem al eens een te pakken gehad. Z’n ene schouder, een giga litteken, lijkt wel een stuk eruit. Kriztina trouwens ook, zij is ook bang van hem lijkt het.

‘De middag van de date. Kriztina en Toni ontmoeten elkaar, bij het bloc sanitaire op het morsige carpool emplacement, waar op de eindeloze meubelboulevard Cirque Zavatta is neergestreken. En ze vertelt aan Toni haar leven en hij, hij het zijne. Bijna zoals het hoort in het circus, toutes est famille. Zij is de dochter van een Roemeense clown, die een armoedig circusje bestiert: ‘Tiszta’. Min of meer uitgehuwelijkt aan Ettore Caolini. De broers Dranek en Dragan zijn volle neven van Ettore. Nu is ze gekooid, kan geen kant meer op, huwelijk en werk. Gedoemd te blijven zweven tot haar frêle lijf het op zal geven. En haar een baantje als bevallige assistente van Ettore zal resteren. Totdat ze ook daarvoor te oud zal zijn, dan wacht de circuskassa, of het ijs en de popcorn. Met een zucht en een weemoedige glimlach eindigt ze: “C’est la vie”. Waarom vertelt ze dit alles aan Toni, de onbetekenende Equillibrist, met zíjn haveloze kleine caravane, de onbekende ook, geen familie, geen aanbevelingen, geen naam in de variété. Dat vraagt hij zich af, heel kort, waarom. Hij legt het naast zich neer, heel snel. Het verwart hem en het verwarmt hem. Hij stijgt boven zichzelf uit, hij, de onzekere, speelt de rol van de man van de wereld. Hij, ontspannen en goedlachs, maar de vonken in zijn ogen zijn echt en de gevoelens die opwakkeren voor haar ook, oprecht. En nogmaals spreken ze af, same place, same time’.

Journal d’Antoine

Journal d ‘Antoine – Wagen 3.27, Zavata (1)
-Hooggeëerd publiek, U zult versteld staan!-

Di. 26-4 Vandaag m’n wekelijkse vrije ochtend. Het dringt nog niet helemaal door, net als het eerste ochtendlicht dat door het gehavende luxaflexje poogt de caravane binnen te dringen, in welke stad word ik nu weer wakken. Rheims, Orléans of zijn we al in Dijon. Maakt niets uit, eigenlijk. In welke stad we ook zijn, op een gegeven moment sla ik het niet meer op. Al die zones industrielles, afgetrapte weilanden, rafelranden we tegenwoordig worden heen gedirigeerd. Ze lijken allemaal op elkaar. Vroeger, mocht je midden in de stad staan, op de Grand Place, het centrale plein, langs een mooie rivieroever, toen werd je binnen gehaald.

Wo. 27-4 Lekker getraind gisteren. M’n grande truc toch weer verder geperfectioneerd. Ik ben natuurlijk slechts een soort tussen nummer maar ik wil het wel parfait hebben. Beetje jammer dat de hoefslag nog niet schoongemaakt was. Ben niet verzot op kamelenpoep. Ach, ik ken m’n plaats, de Equilibrist, de evenwichtskunstenaar, die zoekt het maar uit. We zullen zien, met het nieuwe programma, straks in de matinee, dan kom ik na de Arabieren. Dan ligt er minder mest.

Do. 28-4 Toch Orléans, mooi stadje. Ik stond op de lijst om mee te gaan met de plakploeg voor de litho’s. En we staan nu eens een keer in een parc. Aan de Loire, tegenover de oude stad.

Vr. 29-4 Volle bak vandaag. Uitverkocht, bijna. Mag ook wel weer eens. De nieuwe acts van cirque Zavatta waren een groot succes. Die van mij aussi…

‘Nadat de staljongens in hun bruingouden overalls in razende vaart de kamelenpoep hadden weggeschept betrad de spreekstalmeester de piste. In onnavolgbaar internationaal taalgebruik kondigde hij aan. In lange zinnen die crescendo elkaar opvolgen en met stijgende stemhoogte eindigde hij met:
“….U zult versteld staan, le plus plus grande spectacle du monde…… Toni Boltini.”
En Boltini oneindig lang aangehouden.

 ‘De onzichtbare band speelt met schetterende trompetten een versnelde versie van de begintune uit de film ‘Once upon a time in the west’. Toni stuitert de piste in, een glimp van een gouden bodysuit, het licht dooft, gevangen in een volgspot klimt de acrobat alsof zwaartekracht op hem geen vat heeft langs een corde omhoog. Uit de nok daalt een klein, rood en rond plateautje neer, behendig zwiept hij daarop over, met swingende heupbewegingen ontdoet hij zich van de zwarte cape die als een vleermuis de diepte infladdert. Met een hand houdt zich even staande aan de kabel, op het heen en weer zwaaiende plateautje. Zijn gezicht gaat half schuil achter een Zorro masker. Schijnbaar ontspannen staat hij, het publiek een brede glimlach tonend, tot de spot langzaam kleiner wordt en verschuift naar een klein vlammetje voor hem op de rand van de cercle. De muziek zwijgt, de spreekstalmeester verzoekt het publiek stil te zijn voor de nu volgende levensgevaarlijke, nog nooit vertoonde grande truc. Het ongelooflijke voltrekt zich, de gouden gedaante in zijn te nauw aansluitende gouden onesie rekt en trekt zich in een onmogelijke houding, staande op slechts zijn handen op het onzeker wiebelig plateautje, met aanzwellend tromgeroffel, hoog boven in de nok van de duistere spelonk die de circustent nu is, om met uiterste krachtsinspanning met zijn mond de brandende kaars te omvatten en hem uitgedoofd, met weer die ontspannen, vonkenspattende grijns te tonen, terwijl de muziek uitbarst in jubelend razendsnelle jazzmuziek. Als een baksteen laat Toni zich langs het corde naar beneden vallen om een ereronde door de piste te rennen, luchtig, zwevend haast, met een arm in die kenmerkende gebogen circushouding, het oorverdovend applaus van het publiek ontvangend om te verdwijnen door het roodgouden fluwelen gordijn dat de spreekstalmeester voor hem openhoudt en duidelijk opgelucht, hem, geheel tegen de ongeschreven circusregels in, een high-five geeft’.

 In de opstelruimte achter het gordijn stond de volgende act te wachten, luchtacrobaten ‘Showbirds’. Ving ik daar een glimlach op van Kriztina Ziarno en was dat tevens een zwaarbewimperde knipoog en zat daar een verleidelijke lonk in die blik?

Droomzee

Het zand dat kookt, kan zand dan koken, vandaag kan dat wel. Het kookt en het brandt mijn zolen van mijn voeten. Haastig ga ik verder, naar het donkere daar. Het strand is van mij vandaag, waar is de mensheid heen, verzwolgen door de zee. Onmogelijk en onvoorstelbaar. Onbeweeglijk ligt de zee daar, de zee, die lijkt geen zee, vandaag. Het water dat lijkt geen water, een vlakte, vloeibaar zout. De zee, zo heel gedwee. De wind ontbreekt, het is ‘zo stil in mij’. Zelfs de meeuwen schreeuwen niet, ze zweven hoog vandaag. Het kokend zand verbrandt mijn voeten, de schelpenstrook die prikt en steekt zijn scherpe gruis. Ik voel het niet, ik ben op weg naar zee vandaag.

Op zoek naar schaduw klom ik de steile duinen in, zocht een pad tussen duindoorn en distel in. Vond een strookje schaduw, de vlierstruik kromgebogen door de westenwind, meer dood dan levend, bood een vlekje schaduw. Een mossig duinvalleitje bij het drooggevallen ven. Geen krokodillen vandaag. Op knisperend rendiermos rustte het vermoeide lijf, kwam de geest tot stilstand. Tekenbeten laten onverschillig, Lym is niet fijn, schaduw wilde ik hebben. Geen gedachten vandaag. Nu, geen tijd voor heimwee, geen weemoedruimte voor spijt en verlangen. Verbergen die gedachten.

De zon brandt gaten in mijn huid. De gevlekte hyena dat ben ik. Een halve liter Carlsberg, de Pfchchch lijkt de stilte te doen schrikken, die wordt verdeeld over mond en lijf, prikkelt over tong en buik. Voel onrust in de benen en laat ze dan hun gang maar gaan. Toe maar, loop maar, ik ga wel mee, vandaag. Onmerkbaar versnelt het lijf, zweeft langs braam en helm en walstro. Het stort zich van de steile afbreuk van het duin, de afslag naar benee.

Ginds, daar waar de zee ophoudt, daar drijft een wolk. Een wolkje, vriendelijk en klein, moederziel alleen. Waar kom jij vandaan, lief klein wolkje en beter nog, waar ga jij heen. Kom maar, geef mij schaduw, ik verschroei vandaag. Het zand is rood, Het zand is goud. Het blikkert in de zon. Driehonderdzeventwintig miljard inimini steentjes in de kleuren rood en geel en zwart en goud. Die zich persen tussen tenen aan mijn voeten.

De vloedlijn is een rechte streep, zwart het blaasjeswier met blauw van visnettouw. Dat gele, dat zal een werkhandschoen zijn, kan ook een slipper zijn, een linker. Zee, waar ben je, je ebt steeds verder weg. Blijf! Ik wil je. Ik zal voorzichtig doen, geen rimpeling zal jou verstoren. Vriendelijk verzoek aan zee, neem me, neem me mee. Neem mij op en laat me drijven, draag me. In jouw koelte wil ik zijn en ik zal dromen en denken aan niets. Vandaag.

Oud nieuw

 

Voortschrijdend inzicht, ook ik heb er last van. Ik, met mijn roots, met ergens toch een zekere aangeboren sympathie voor de boer, ik moet bekennen. In de fam. app bericht ik
– prachtig toch wel, die Nieuwe Natuur –
en ik geef zelfs mijn privacy prijs met de exacte locatiebepaling. Waar ik mijn lichte zomerbroek voorzichtig neervlijde. Tussen dood distelgeprik en vers opkomend hondsdraf dat, kobaltblauw, mooi contrasteert met de wuivend gele korenbloemen.

Enig speurwerk vergde het wel, een plek te vinden op dit overbevolkte eiland zonder menselijke aanwezigheid. Een prestatie op zich, maar nu betreffende dat inzicht. Was ik faliekant tegen: ‘geen moeraskolder in de polder’. Ik ben om, het is mooi en het wordt nog mooier, dit nieuwe natuurgebied. Bovendien, die boeren, de stikstofontkenners – waar is dat probleem opeens heen trouwens – die nog steeds hun bermen en hele velden overspuiten in de kleur Agent Orange. Waar zit dat boerenverstand.

Op dit eiland met 120.000 inwoners op 99,45 vierkante kilometer is het redelijk vol. Waar moet al dat volk heen, met de huidige intelligent lockdown. Alle polderweggetjes en mini stukjes Biesboschnatuur die ik vroeger, pré Coronatijd, op doordeweekse dagen vrijwel helemaal voor mezelf had, zijn drukbezocht.
– was dan ook, net als ik –  appte mijn broer Marten – in Zeeuws Vlaanderen gaan wonen –
Met slechts 105.000 inwoners op 875 vierkante kilometer is het daar iets leger, tja. Voortschrijdend inzicht, Nieuwe Natuur, prima, het Nieuwe Normaal, voor mij, altijd op zoek naar het-alleen-op-de-wereld gevoel, die anderhalve meter, vreselijk.

Aan deze oever van het Noorderdiep waar ook niemand is wordt de stilte plots ruw verstoord. Een koppel meerkoeten heeft eigen ideeën over de liefde en hoe die te consumeren. Een gevalletje MeToo of is het huiselijk geweld. De temperatuur is van dien aard dat het groentransparante water er verleidelijk uitziet. Bevreesd voor bilharzia hoeft hier niet, eerder voor een snoek aan een teen en bovendien, ik heb geen zin in moddervoeten. Het is weer stil nu en er waait een kinderstem hierheen, ginds is een fietspad, en daarachter de zachte brom van een binnenvaarder op de Merwede. Hier te zitten onder een hoge diepblauwe hemel, gezond (denken te) zijn, terwijl de wereld zijn adem inhoudt, terwijl de zon mijn blote voeten schroeit, terwijl duizenden mensen snakken naar adem, het maakt me klein en nederig.

Een stukje verder ligt de oeroude Zuidbuitenpolderse Kade. Een laag dijkje dwars door de polder, (oude natuur) dat tot mijn frustratie altijd Verboden Toegang was en nu opgenomen is in de ‘Nieuwe Natuur’. Er langs loopt een fietspad waar volop wordt gefietst. Bovenop is een onverhard voetpad en aan de achterkant een ruiterpad. Waar ik me lui uitstrek, in het verse gras en lekker uit de wind. Drink wat, app wat, schrijf wat. Een jonge meeuw landt vlakbij. Schuchter komt hij mijn kant op, z’n kopje scheef. Sorry, ik heb niks, ook geen friet ofzo. Het lijkt of ik een leeuwerik hoor, hoog in de lucht en van dat geluid word ik altijd blij, doet aan vroeger denken. Over het fietspad aan de andere kant van de dijk zoemt een scootmobiel voorbij. Ik hoor een vrouwenstem, wegstervend:
“Vanavond eten we worteltjes, of had jij wat anders…..”

Mag die man weg

Voor de halve zool die pro- Trump is: lees niet verder. Of juist wel. Je verstand staat er toch bij stil. Ben ik nu zo dom of ben jij, om van Gaal verder niet te citeren. Het lukt mij niet te begrijpen: waarom komt die idioot voortdurend langs. Je hebt amper de tv aangezet op zoek naar nieuws of iets interessants en daar verschijnt die dombo alweer, die gevaarlijke gek met z’n boeventronie. Ik kan er niet meer tegen. Echt, ik hou er helemaal niet van: schelden in de digitale ruimte, ik wil het liever niet doen, maar ik kan mezelf niet langer tegenhouden, mag die man weg?

De zogenaamde leider van het zogenaamd machtigste land ter wereld. Je zou oprecht gaan twijfelen aan de verstandelijke vermogens van de Amerikaan. ( een twijfel die versterkt wordt door hamsterwoede van wapenaankoop bij coronadreiging ) Fakenews? Wie stemt er op iemand, kiest zo’n tiep om het land te laten regeren, een die uitspraken doet als ‘Grab them by the pussy”. Walgelijk figuur. Dat haar ook…

Bij iedere gebeurtenis van enig belang wordt deze ontsnapte gek getoond, wat hij erover te zeggen heeft. Alsof dat er iets toe doet? Wááróm? Mag die man weg? Deze nepmens die sneller liegt dan zijn schaduw. Gewoon niet meer laten zien, negeren. Is er nu echt helemaal niemand die hem even kan pootje haken? ‘To put it mildly’. Grab deze stripfiguur bij zijn stropdas, verstop zijn microfoon of stuur hem naar Mexico. Die stropdas….

Drie weken geleden bestond Corona niet volgens deze stupide knakker en als het wel bestond had hij alles onder controle zoals nog geen enkel land het ooit onder controle had gehad. Nu zijn de prognoses honderdduizend doden in ‘America First’. Helaas, het is mij onmogelijk immuniteit op te bouwen tegen deze beangstigende gek, sterker nog, ik word allengs allergischer voor deze akeligheid. De lompe griezel die volgens Kapitein Haddock een lelijke Basji Boezoek zou worden genoemd. Drommels, drommels en nogmaals drommels nogeensaantoe.

Mag die man weg? Met z’n rotkop en z’n rotstem. Ik word er letterlijk misselijk van. Ik zeg het nog één keer, hij weg, of ik weg.

 

Leuker kan niet

Bevestigen, akkoord, opslaan en afdrukken. Pffff, het is weer gelukt. Bloed, zweet en tranen. Nou ja, die laatste dan nog net niet. De jaarlijkse ellende van de aangifte. Wat een verschrikking. Zodra de blauwe envelop door mijn brievenbus glijdt, nog voordat die de mat heeft bereikt heb ik al buikpijn. Wat zie ik er tegenop, om dat allemaal te gaan invullen. Opzoeken, waar heb ik het gelaten. Belangrijke gegevens, moet ik goed bewaren. Extra goed, zodat ik ze niet kwijt raak, per ongeluk toch weggooi of ze dus nergens meer kan vinden. Te goed opgeborgen. Heel fijn, steeds minder krijg je nog per post, alles – voor uw gemak – digitaal. Wat een ellende, je moet het niet meer bewaren, maar opslaan. Opslaan als. Archiveren.

Lezen, ik kan het, ik doe het veel. Razendsnel scan ik de pagina’s. Tenminste als die uit letters bestaan. Niet met cijfers, met cijfers heb ik niks. Ik lees ze niet en leuk vind het ik ook niet. Net als archiveren, kan het niet. Ergens moet het zijn fout gegaan. Op de school waar het vak boekhouden nog bestond, werden groene ‘cahiers’ uitgereikt. De linkerpagina was credit, rechts debet, of was het andersom. Daar zal het zijn begonnen, mezelf diagnosticerend. De weerzin, ik wil het niet, het interesseert me niet en die hekel aan cijfers, aan geld, daar is het begonnen.

Wat toch goed uitkomt nu, eens lekker schelden. Op dat gespuis van de ‘Lijfrente’. Aegon geheten, welja, met naam en toenaam gooi ik ze te grabbel. Naming and shaming. Jarenlang werden, volledig automatisch, sommen gelds ergens op een rekening gestort. Delen van het zuurverdiende geld verdwenen naar een ‘Lijfrente’. De naam alleen al. Voorgespiegeld door de ongure boekhouder die over mijn salaris ging, als ‘gunstig, zéér gunstig, heer Toonder’. De Nederlandsche Dienst der Belastingen bood kansen. Voordeeltjes. Eventjes dan, tot voldoende hardwerkende landgenoten er in trapten. Het gunstige voordeeltje verdween. De economische golfbeweging ging aardig op en neer, crisis volgde op crisis. Beleggingsresultaten vielen tegen, losten op als sneeuw voor de zon. De gespaarde som gelds werd zelfs kleiner, verdampte; ‘slechte tijden, heer Toonder’.

Tot tenslotte, het ‘Lijf’ oud genoeg was om in aanmerking te komen voor ’Rente’. Hetgeen rustig vergeten kan worden. Aegon gaat mij niet mijn eigen geld teruggeven. Gewoon lekker vasthouden, een zeer klein sommetje gelds, jaarlijks, zoethoudertje. Om die enkele rotcenten te verkrijgen moest er betaald worden. Je eigen geld terug krijgen, dat kost geld. Aegon hoopt dat dit “Lijf’ gauw doodgaat, kunnen zij de ‘Rente’ houden. Geboefte. Tuig.

Maar, ik dwaal af. Wanneer uitstellen niet langer meer kan en ik met toenemende paniek tenslotte zoveel mogelijk benodigde, onbegrijpelijke overzichten en totalen opspoor, alles zo overzichtelijk mogelijk en in Jip-en- Janneke taal toelicht en het met een zucht van verlichting bij mijn -consulent inlever fluistert een klein stemmetje, amper hoorbaar, in mijzelf:
“Dat had je zelf kunnen doen”.
Immers, met enkele muisklikken accordeert -consulent domweg wat reeds is ingevuld.

Nog langer uitstellen wordt niet op prijs gesteld door mijn financiële partner en zuchtend tik ik ‘Mijnbelastingdienst.’ En ziet: na het gebruikelijke gedonder met de DigiD en niet herkende wachtwoorden, niet verder ‘er in’ kunnen, de ‘meest gestelde vragen’ helpen niet, dan toch opeens openbaren al mijn gegevens, mijn geheimen, bezittingen en schulden zich op het scherm. Ze weten alles al, eng, nogal. Ik hoef niks in te vullen. Box 1, Box 3, dat is gewoon lachen volgens op afstand facetimende helpdeskdochter Martine. Pfffff. Leuk zeg, volgend jaar weer, ik kan niet wachten.

Nothing really matters

Je bevindt je weer in de dwingende schrijfmodus, de dwangbuis van het duiden, het moeten delen. ‘Writen’ –  zoals Peter Buwalda het noemt – het is net als poepen, je daily shit. Je moet het elke dag doen, je wilt het, maar soms lukt het niet. Dan opeens heb je een kapstokje, een woord, idee of een titel. Na de lateavondwandeling (meer dan voldoende social distance), waar je zachtjes neuriede:
“Ik wou dat ik immuun was, o, was ik maar immuun”,
hoorde je de zingende zusjes, waarvan de naam moest worden gegoogeld voor de juiste schrijfwijze: OG3NE. Het grijsgedraaide Bohemian Rapsody zongen zij in een fantastische Close Harmony.

Op het gevaar af, dat dit een column wordt met citaten, Bruce Springsteen was ‘A prisoner of Rock and Roll’ en Grace Jones, ‘Slave tot the Rhythm’, zo is de schrijver gevangen, in zijn hoofd zoekend naar, tja naar wat en waarom eigenlijk. Die Rapsodie bleek verassend veel goede tekst te bevatten;
‘Is this the real life, is this just fantasy’.
Inkoppertje, toepasbaar de huidige situatie. De sluimerende gedachte; wanneer zijn wij aan de beurt, wanneer gebeurt er in dit brave landje nou eens een ramp. Wie had dit kunnen bedenken, huh? Dit dus, de kus des doods. Is dit echt, en nu nóg een maand? En wat daarna, en dáárna, is dan iedereen failliet, weer arm en blut?

Nothing really matters. Zo dacht je er over toen je naar Nepal vertrok. Wat kan je gebeuren, het kan je niks schelen. Als je niet meer terug komt, als je doodvalt of erger. Het is prima zo, mooi geweest, eigenlijk wel lang genoeg geleefd. Een maand doorlopen, verder trekken, geen zorgen, niets aan je hoofd. Slapen, wakker worden, kopje thee, lopen, lopen en lopen. Rondkijken in dat waanzinnige landschap, vriendelijk glimlachen en buigen, Namasté. Sorry, je zit weer in Memory Lane. De Himalaya zien, Kathmandu, Solo Khumbu, Namche Bazar, Dudh Kosi, Gorak Shep, Ama Dablam, Mount Everest, het ultieme doel is dan bereikt. Je had gerust nog drie maanden door kunnen lopen. Je schreef zelfs een brief aan Eega, die je vriend Wim bewaarde, voor wanneer je niet terug zou keren. Tuurlijk, je wilde helemaal niet dood, maar dat onverschillige, dat was wel lekker. Toen.

Rapsody, Wikipedia het maar: gedicht of muziekstuk dat uit contrasterende gedeelten bestaat en toch een eenheid vormt. Zoals dus dit verhaal van een A-viertje lang. Waarin het voor nog meer contrast over je kleinkind J moet gaan. Wat een verschrikking, in de tuin werkend, voortdurend weglopend, anderhalve meterafstand houdend, voor een schattig, ”Opa, opa!” roepend meisje en dat niet even kunnen vasthouden, knuffelen en die heerlijke kleutergeur mogen opsnuiven.
‘Is this the real life?’

 Nu, alles ‘on hold’, in de wachtstand. Al die dingen die je wilde doen, al die plannen. Lionel Terray klimmen in Berdorf, de magische Cathédral, eindelijk de Galenstock, en natuurlijk terug naar Aiguille Rouge. Dan de septembertocht, Richterspitze Oostenrijk, of toch weer eens naar Zwitserland. Wallis, Binntal en dan over de Albrunpas Italië in. Mag je nog het land uit, dit jaar. Of wordt de wereld echt heel klein zoals je laatst ergens las. En misschien het ergste, de tijd, die verstrijkt. Die weinige tijd die je is vergeven, op dit veel geplaagde stukje aarde. Want nu, ik wil nog wel.

Alles is niet belangrijk toch, zolang je maar met elkaar kunt zijn en als het kan gezond. Failliet, weer arm en blut. It really does n’t matter much. David Bowie zong het zo mooi:
‘Let ’s dance, put on your red shoes and dance the blues.
Let ’s dance.’

The Lighthouse

De wereld is te klein geworden. Als in de Kalahari een witte kip een verkeerde scheet laat, ruiken wij hem ook. Een gluiperig griepje of een virusje hier en binnen de kortste keren hebben ze het daar. Functioneringsgesprekje? Even met de Cityhopper op en neer naar Londen. Weekendje weg? Even naar Marathokampos op Samos. Even elkaar eens in de ogen kijken, wie zijn die collega’s daar in Singapore, Dubai en in Delhi? Hop, de lucht in met the Emirates.

Gewoon stoppen ermee, kappen nu. ‘Het most verbode worde’. Al die airplanes naar de sloop, omsmelten maar. Klaar er mee. Geen vrolijke condensstrepen in de blauwe lucht. Vergaderen doe je maar digitaal. Tulpen uit het Westland naar de US, of waar dan ook? Jammer, kweken ze voortaan zelf maar. Of niet. De hemel boven mijn postcode is in dertig jaar nog nooit zo schoon geweest. Het is de winst van het virus. Gierend komen we tot stilstand, noodgedwongen. De lucht en de wegen zijn leeg. We blijven binnen, thuis. De dunne schijf die onze woonplaneet bewoonbaar houdt is te zeer vervuild met methaan of stikstof of CO2 of andere troep.
Er is geen redden meer aan, de broeikas die onhoudbaar warmer wordt. Binnen afzienbare tijd is het ijs op, zowel hoog in de Himalaya als op de Polen. En dat is jammer, misschien net niet voor mij, wellicht voor onze kinderen maar zeker voor die van hen. Nu, zonder verkeer wordt De Randstad weer zichtbaar vanuit de dampkring.

Doe liever niet mee aan ‘het zal mijn tijd wel duren’. Ik maak me zorgen en ben bang. Bang dat de scenario’s waar zullen zijn en ik denk het wel. Er is geen weg terug, tenzij een smerig virusje ons dwingt. Met de Bolsonaro’s, de Poetins en de Trumps gaan we de wereld niet redden. Een pandemie, ten koste van vele mensenlevens, een radicale verandering, is dat de redding van de planeet? Het leven kan zo mooi zijn, ik hou nu eenmaal van dit kleine aardbolletje en het leven, ik heb het leven lief. Liesbeth zong het, raadselachtig en mooi, met Ramses:

‘Ik scheur de rotsen met mijn stralen
Verhoog de meren in de dalen en
Onweersluchten doe ik vluchten, aah als de regen valt
Verberg je ogen in een hand
Voordat m’n glimlach ze verbrandt
M’n vuur, m’n liefde, mijn gouden ogen
’t Is beter als je nog wat wacht
Want even later komt de nacht en schijnt de koele maan’

Het leven is klein nu maar toch: de liguster kleurt weer groen, net als de syringa en de buddleja in mijn tuin en ik hoor de koolmees rommelen in zijn nestkastje hoog tegen de muur. De lage voorjaarszon schijnt tot achter in de kamer, het is de mooiste tijd van het jaar en we zitten binnen, maar het gaat gebeuren, de belofte, straks, de zomer komt er aan, kan ik al zaaien, sla in het kasje, even wachten nog met die tomatenkas. Ze zijn nog niet eens te koop, de kerstomatenplantjes, het vriest nog ’s nachts en zachtjes zing ik mee:

 ‘k hou van de warmte op mijn gezicht
Ik hou van de koperen kleur van je licht
Ik geef je water in mijn hand
En schelpen uit het zoute land
Ik heb je lief, zo lief’

Verassing

“Waar kan ik heen, ik kan niet naar China, daar is het te vol”,
zing ik in mijn hoofd terwijl ik me tegen de nu al dagenlang aanhoudende oostenwind in fiets richting leegte. Althans waar ik die vermoed. Niet in het aangeharkte natuurpark vlak bij de stad, niet aan de andere kant van het eiland bij het natuurpad. Waar kan ik heen, dan maar de polder in, lukraak de fiets ergens aan een boom en dan maar over de kale weggetjes lopen. Ik zal en moet mijn dagelijkse quotum aan beweging hebben. Hoe doen ze dat in Noord-Italië met die lockdown – waar ik vorig jaar nog was en in de Elzas en de Franse Alpen nog korter geleden.

Op ontdekkingsreis, een door mij nog onbetreden pad in een stukje ‘Nieuwe Natuur’. Waar ik eerst zo ‘anti’ was, nu toch wel prettig, het vergroot het wandelterritorium met kilometers. Die landbouwakkers waren mooi, maar je kon er niet in. Ach ja, het is klein vertier, proberen te genieten maar, met wat nog kan met dat Coronagedonder. In het tegenlicht is dit slootkantriet eigenlijk heel erg mooi. Daar, die boer met z’n rooie tractor, met z’n kunstmeststrooier, ook mooi met dit vroege lage licht. Jammer wel, op deze egaalgroene ‘grasfalt’ vlakte zal geen vogel nog een bloemetje of insectje vinden. Niemand in mijn omgeving is gegrepen door ‘C’. Toch, dit isolement is al vreselijk genoeg. Ik als ‘geen mensenmens’ mis iedereen die ik ken en allen die ik lief heb. Voel me eenzaam, heb behoefte aan contact, digitaal blijft toch maar surrogaat.

Achter een dijkje noteer ik; zwaan, wilde eend, smient, waterhoen en een fuut. Een aalscholver vliegt over en toont zijn fraaie profiel, strak afgetekend tegen een onschuldig blauwe lucht. Doorheen de strakke bomenrij, ver weg, het silhouet van de woontoren, vlakbij het huis waarin ik me straks in isolement weer terugtrek. Achter het wuivend riet een vrouw op een dik paard met bruine en witte vlekken als een koe. Ginds in de verte twee zwarte mensfiguren en iets wat heen en weer rent, de bijbehorende hond.

Telefoon: vriendin Lynn, waar ik uithang. Tja, lastig te zeggen, ergens in de natuur. Drie kwartier later liggen wij, Barry, Lynn en ik keurig op voorgeschreven afstand van elkaar in vers voorjaarsgras, kletsend, onderaan de dijk uit diezelfde kille voorjaarswind. Ze hebben wat te eten en drinken mee, ook voor mij. Wat een Fijne Verassing, blij met m’n vrienden.

“Kijk, daar, een fuut!”
En een politieauto die aan de andere kant van de dijk naar beneden rijdt. Nieuwsgierig gluren we over de kruin van de dijk, wat is er aan de hand. Er wordt gezwaaid, ik moet even scherpstellen en herken dan dochter Carol met haar Robin, ongelooflijk. Zitten daar te eten op het bankje. Toeval en Fijne Verrassing nummer twee. Denkbeeldige hugs, knuffels en zoenen later fiets ik weer naar mijn Eega, slalommend tussen alle wandelaars, fietsers, hardlopers en rollerskaters door naar huis. Onze datsja in Zeeland aan de kust is nu verboden terrein, terwijl daar zoveel ruimte is, uitgestrekte stranden vol met leegte en veiligheid.

Eenmaal thuis wordt op de tuinpoort geklopt, dochter Martine met haar Martin en kleinkind J. Dat kindje, nu vijftien maanden oud, draaft zo snel de kleine beentjes willen door de tuin. Ze lijkt te snappen dat de voorgeschreven afstand ook voor haar geldt. Hoe lang moet het nog het duren voordat ik het aantal, van naar schatting duizend kusjes en knuffels die ik haar al gaf, zal mogen uitbreiden? Hoe het ook zij en wat er ook eventueel te gebeuren staat, dit was Fijne Verassing nummer drie.