
niks te lezen, op het strand / in de schaduw / in de hangmat?
lees dan mijn langere korte verhaal: Hasag
https://bit.ly/2urSHXa

niks te lezen, op het strand / in de schaduw / in de hangmat?
lees dan mijn langere korte verhaal: Hasag
https://bit.ly/2urSHXa

Niks te lezen op het strand / in de schaduw / in de hangmat?
lees dan mijn langere korte verhaal: Yanni, het zeilvrouwtje
https://bit.ly/3oPOnxl

Niks te lezen in huis?
Lees dan mijn iets langere korte verhaal ‘De Waarheit’:
https://bit.ly/3Q6lXLi

Trein spotten
lekker lui lezen op het strand / in de schaduw / in de hangmat
lees via deze link mijn iets langere korte verhaal:
https://bit.ly/3Shf6jZ

Als kind wilde ik boer worden – ik schreef het al eerder – naar het voorbeeld van mijn opa, die boer was. ‘Gemengd bedrijf’ zoals ik op school leerde. Boer zoals toen dus, geen John Deere tractor van pakweg een ton met airco en een halve computer aan boord. Geen melkquotum, luchtwasser, ammoniakvanger en zevenendertig vergunningen. Dus ook zonder eufemistisch: gewasbescherming – bijen en insecten uitroeimiddelen.
Boer zoals toen dus. Met een rijtje trekpaarden (Zeeuwschvlaamsche in dit geval), een groepje koeien in de kruidige wei, een stier in de stal, een paar gezellige varkens, echt scharrelende kippen op het erf, een klein geel hondje, een paar katten, zwaluwen onder de dakgoot en een kerkuil op de hooizolder. Met meidoorn omzoomde paardenweitjes, grote donkere schuren vol met geheimzinnige landbouwwerktuigen, de ploeg, de eg, de hooiomkeerder, de voederbietenmangel enzovoort. In het wagenhuis een aantal karren met rode wielen en een rijtuigje voor zondag.
Protest
Als er iets te protesteren valt sta ik niet vooraan. Wel ben ik het met zoveel dingen, de meeste in de politiek oneens, in principe vrijwel overal tegen zelfs. Toen ik het Rapport van de club van Rome las was ik op toppunt van mijn jeugdige oneindige wijsheid. En wat blijkt nu, een halve eeuw later, het is allemaal waar, het klopt precies wat daarin voorspeld was. Jammer wel dat ik het toen al wist en onze regering niet.
En nu, nu het te laat is doet onze regering nog steeds alsof ze het niet weet. Nu maakt het op wereldschaal natuurlijk vrij weinig uit, stel dat wij hier in dit kleine landje echt maatregelen zouden nemen om de wereld te redden. In Pakistan en Oeganda wil ook iedereen een auto en een koelkast, van milieu, stikstof nooit gehoord. Statiegeld op flesjes, hier na tientallen jaren uitstellen een groot succes – nu de blikjes nog, een van wereldreddende acties waarin onze regering heeft toegestemd, statiegeld, dat woord is in die landen onbekend.
Vlag
Heel erg vaderlandslievend ben ik niet, patriotisme is mij vreemd, van onze driekleur krijg ik geen warme gevoelens, hooguit moet ik iets wegslikken wanneer een sympathieke wielrenster op het ereschavot huilend het Wilhelmus zingend naar de ophijsende vlag kijkt.
Toch moet ik mij bedwingen om niet in lantaarnpalen te klimmen om de prostestvlaggen van de boeren eraf te scheuren. Logisch dat ze hun land niet kwijt willen, dikwijls al generaties in hun bezit.
Echter, je kunt je afvragen of je nog boer bent wanneer je in enorme schuren duizenden varkens of kippen opstapelt. Of dat je met de wetenschap van nu nog steeds je slootbermen of erger nog hele akkers oranje spuit. Het was vijftig jaar geleden al bekend dat ‘gewasbescherming’ onze bijenstand vermoord. Wat wordt hen eigenlijk bijgebracht op die landbouwschool? Is het dommigheid of gemakzucht, kan mij dat milieu nou schelen. Als mijn productie maar groot genoeg is, geld.
Boer
Het romantische beeld zoals dat in mijn herinnering voortleeft klopt uiteraard voor geen meter, het was ook toen gewoon hard werken, lichamelijk zeker zwaarder. Toch weet ik nog de heerlijke geur van de donkere stal met de warme paardenlijven waar we verstoppertje speelden. Hoe de yoghurt smaakte die oma zelf maakte en het water uit de pomp op het erf. En hoe zacht de neus van de bruine ruin Nelly was als ik haar daar een kusje gaf.

Deviation
Op het strand / in de schaduw / in de hangmat?
Lees via deze link mijn iets langere korte verhaal:
https://bit.ly/3cZ0beg

Zandman
Op het strand / in de schaduw / in de hangmat?
Lees via deze link mijn iets langere korte verhaal:
https://bit.ly/3SkSBuK

Alles flex? Hier ff een update:
‘Ow kijk, de mooiste steen van de hééle wereld!’
dat roept mijn zus en ik moet daar een beetje om lachen, aanstelster.
Een klein pokkesteentje in het zand gevonden onder de schommel van de speeltuin en dan meteen weer dit! Wel even wennen trouwens, vies spul, dat zand aan mijn handen, niet prettig om door te kruipen, want dat kan ik inmiddels, kruipen, als de beste. Maar, nog altijd prettiger dan dat natte gras waar opa mij in parkeerde, het is nog vroeg, in de schaduw is dat nog nat, snap dat dan.
Die zus van mij en ik, sorry hoor maar ik moet het even kwijt, van me afschrijven als het ware, ze is me mattie echwel, maar volgens mij hebben wij soort haat-liefde verhouding. Een paar keer per dag, komt ze opeens, op een moment dat ik er totaal niet op bedacht ben, knuffelen en kusjes geven, nogal hardhandig dat wel maar ik ben geen softy.
En even later grijpt ze, de bitch! – even hardhandig- alles uit m’n handen wat ik ook pak. Aan de andere kant, ik leer veel van haar, zo weet ik al wat een pissebed is en een mier. Ze schijnt ook brandnetels te herkennen en daar is iets mee, wat, daar ben ik nog niet helemaal uit.
Kijk, ik begrijp goed, als jongste kijk je altijd wat afgunstig naar het oudere kind, in mijn geval mijn zus, maar leuk is anders, dat zij wel op die freakin’ trampoline mag en ik niet en laatst ook weer zoiets, bij opa en oma, ik moest naar bed en die meid mocht met opa de pony’s gaan voeren ‘bij het vroegere huis van opa en oma’, wat dat ook mag betekenen, maar ik moest naar bed en dat niet alleen maar ook die slaapzak aan en in dat dulle campingbedje – hoezo camping – ik snap niet hoe ze het allemaal verzinnen, zijn ze bang dat ik er uit klim ofzo, ik kan het heus wel.
Voor diegenen die het ontgaan zijn, ik ben jarig geweest, yo!, alweer een heel jaar op deze aardbol en, mensen het was me het jaartje wel, al zeg ik het zelf. En dat het gevierd moest worden, ja, je kent me moeder toch? Bézig man, weken lang knippen en snijden en lijmen en plakken, ik dee maar net of ik niks in de gaten had, ik voelde naadloos aan dat het voor mijn traktatie was bij de ‘kindjes’, neehoor, gekke Henkie, ik zie niks haha. Volgens Juul: ‘stiekem’, wat dat woord betekent? Volgens haar: als je het niet gezien hebt.
En eindelijk, eindelijk, was het zover, je weet het, het hele huis vol mensen die ik niet ken maar die je allemaal willen feliciteren, of nou ja, mij niet maar meer papa en mama. Wel kreeg ik allemaal cadeautjes, en dan denk ik, mens hou toch je geld in je portemonaie, ik kom om in al dat spul, denk toch eens aan het milieu enzo. Vetcool wel dat je ongestoord tekeer kan gaan met die taart die helemaal voor jou is, minder fijn dat dat kennelijk grappig is en iedereen zit te kijken en te lachen. Niks van aantrekken, éten!
Eten, ik doe het graag, ik lust alles. Aardbeien, ook zoiets, schiet me nog even te binnen, Juul mag dan weer met opa meehelpen, aardbeien plukken, terwijl, ik lust ze ook graag. Hoor ik Juul zeggen: ‘We moeten nog wel aardbeien over laten voor papa en mama’. Slijmbal, ik was net begonnen! Nog een nieuw geintje, Juul propt zich in dat kleine duwkarretje en met dat hele gewicht van haar als ballast kan ik ze dan de hele kamer door douwen, de zwarte strepen op de vloer, daar doet oma niet moeilijk over.
Ik moet nu afbreken (hangen – zegt mama in de telefoon) want ik word zo ingeladen. In zo’n lullig stoeltje in de auto. Juul wordt weer helemaal hyper, we gaan naar Het Huisje aan de Zee, wat dat is: ’zee’, geen idee, kan iemand mij daarover bijpraten? Nou ja, misschien dat ik jullie daarover de volgende keer kan inlichten. Later!

Het is kinderachtig en ik weet het en ik kan er niks aan doen maar wanneer er iemand voor me rijdt, in de verte, bij voorkeur een echtpaar op zo’n luie E-bike, dan moet dat ingehaald, d’r op en d’r over. En natuurlijk schijnbaar moeiteloos. Van te voren uiteraard inschatten of ik er dan ook voor kan blijven, of er niet opeens een viaduct opduikt of na een bocht de wind tegen is, want dan komen die luie E-bikers achterover leunend fluitend mij weer voorbij, dat nóóit.
‘Dan maar dood’,
zoals ik eens dacht tijdens de ‘Den Inkelloop’, tien kilometer hardlopen door het gelijknamige natuurgebied waar ik als eerste over de meet kwam. Op de ene fiets gaat het makkelijker dan de andere.
Ik schroef namelijk het gemiddelde rijwielbezit per Nederlander iets op met mijn vier rijwielen, te weten de mosgroene Batavus Torino, randonneur, Sachs 7 versnellingen, de kobaltblauwe Riva, citybike, Sturmy Archer 3 v., de hardblauwe Sparta Athena, hybride, Sharp 3 v. en de ghostzwarte Creme, caféracer, Shimano 7 v. Enkele zijn wegens hoge leeftijd nu te betitelen als duurzaam. (in dierbare herinnering de te vroeg heengegane grijsblauwe Gazelle Tour de l’ Avenir, retroracefiets Campagnolo 12 v.-)
Laatst nog, over de Rampweg op het eiland, terug van een vroege ochtendduik in het voor velen nog steeds te koude, licht Pfas vervuilde, o zo lekker smakende Noordzeewater, met aanvaringskans van een blauwe of witte kwal, een ontmoeting in de verte met de zeehond, terug dus op de Batavus met veel zin in een dampende koffie, windje in de rug, liet ik meerdere echtparen, sommigen Duits aan de helmen te oordelen, mijn achterspatbord zien, waarop lichtsarcastisch de sticker ‘100’ prijkt.
Op het moment van schrijven wordt nog harder gefietst, het grootste fietsspektakel ter wereld waar ik mij lang tevoren op kan verheugen en wat ook de redding van mijn huid is, nog meer zonuren kan niet gezond zijn en ik dus vele vele uren in de schaduw schaamteloos tv kijk. En altijd weer motiveren die Tour de France beelden om ‘met de fiets te rijden’.
De kloof tussen de luie E-bikers en de echte fietsers wordt steeds groter. Normale fietsers worden zeldzaam, zij worden beschouwd als minderwaardige weggebruikers en als zodanig beschimpt – gediscrimineerd; ik wil excuses! – en de tijd is niet ver of zij worden van de fietspaden geweerd en waarschijnlijk – maar daar moet nog op worden gestudeerd door een commissie – worden zij verbannen naar de trottoirs.
Het zal niet verbazen, wij deden een degelijk veldonderzoek, wij zijn van hoor en wederhoor en pedaleerden op een luie E-bike. Een tomaatrode Norta luie E-bike, Bosch middenmotor. Een circuit van vijfenzestig kilometer, getest werden alle energielevels, van Eco tot Turbo, op de stille buitenweg, bebouwde kom, harde wind mee en tegen. Kort werd een topsnelheid bereikt van veertig kilometer. De benen voelden wel dat er bewogen was maar de hartslag was nergens noemenswaard gestegen. De uitstoot van deze rit was 390 gram CO2.
De stroom van dit rijwiel werd geleverd door een van de fijne kolencentrales die nog onlangs, zo’n zeven jaar geleden, door onze verstandige regering met hun vooruitziende bik gebouwd mochten worden, met hun CO2 uitstoot van 25 megaton. Voor de aanschafprijs van deze luie E-bike kan men er honderdvierenzeventig keer een huren, mocht men perse inspanningsloos een parcours van vijfenzestig kilometer willen afleggen. Voorlopig echter zal ik mij energieneutraal voortbewegen, bijvoorbeeld op mijn caféracer om luie E-bikers te passeren en mijn zwarte achterspatbord tonen waar hen de sticker toelacht met de tekst: ‘Nee’.


Ze was zijn blikveld binnengeschoven, opeens, waar kwam zij vandaan. Niet dat hij ergens naar stond te kijken, nietsziend had hij gestaan, wachtend. Hoogstens keek hij bij zichzelf naar binnen, wat was daar te zien. Het duurde dan ook even voordat hij merkte dat de persoon die voor hem stond hem aankeek, dat er sowieso iemand stond, opeens. Vanuit de diepte van zijn denken begon het te dagen, knipperde met zijn ogen, stelde scherp met moeite en probeerde de vrouw, het bleek een vrouw te zijn, te zien.
Was het het tegenlicht, hing er een gordijn tussen hen in, een bewasemde ruit of waren zijn ogen bedekt met dauw. Wel was duidelijk dat het een beeldschone vrouw moest zijn met haar in de kleur van ochtendmist, naarmate hij langer keek ochtendmist op een doordeweekse dag in het vroege voorjaar. Ze kwam dichterbij en ze stak haar hoofd naar voren, ze wilde hem aankijken onder de klep van zijn pet en hij hoorde haar stem, ze sprak tegen hem en nu al voor de derde keer herhaalde zij haar vraag:
‘Is hij echt?’
Niet begrijpend keek hij haar aan en nogmaals vroeg de vrouw met het haast onzichtbare gezicht en het bedauwde haar:
‘Is hij echt, die vlinder?’
Zij was oranje met gele en zwarte vlekjes en langs de rand van haar vleugels zwartbruin. Het was een kleine vos die van grote hoogte, misschien zelfs drieduizend meter, al fladderend en wegwaaiend, geruisloos was afgedaald, doelgericht en na enig zoeken, hij bevond zich op dat moment temidden van duizenden andere festivalgangers, wachtend totdat het podium was omgebouwd en de band zou gaan spelen, exact de goede landingsplaats gevonden had, die ene pet, die van hem. Daar zat ze, haar vleugels decent opgevouwen, doodstil mooi te zijn. Of leek het maar zo, bewogen alleen haar antennes, waarmee ze alle duizenden geuren die zij onderscheidde hier met al die mensen in het park, of gebeurde er meer.
Stuurden haar ragfijne pootjes signalen uit naar bepaalde segmenten in het brein van de man onder de pet, die ene pet die zij feilloos had weten te vinden. Was dat het, waren het de prikkels van de kleine vos, met het haast onmeetbare magnetisme dat de petdrager zo ver weg, zo niet aanwezig leek te zijn.
Zodra de vrouw, na een laatste blik van dichtbij op de vlinder en nogmaals zich bukkend onder de klep van zijn pet hem had aangekeken, verder liep, vervaagde, oploste als het ware, was de petdrager ook vertrokken. Slechts vanuit de verte hoorde hij een vaag gemurmel van de duizenden om hem heen, pakte hij werktuigelijk alweer een grote plastic beker bier aan die zijn vriend onvermoeibaar aandroeg.
Zijn gedachten zweefden hoog boven het veld waar ze tolden en draaiden en wentelden, als een vlinder in een droom, over het leven, geluk of eenzaamheid en bevond hij zich in de bergen waar hij zo stil en gelukkig kon zijn en aan de negen mensen op de wereld die hij liefhad en aan het lepelrekje in de keuken, maar even plotseling was hij aan zee waar de golven omsloegen en zachtjes uitrolden over het oplopende strand. Al deze gedachten vloeiden samen tot een groot samenhangend idee, de vlinder op de pet dat was hij.
Opeens, alsof hij ontwaakte uit een diepe winterslaap deed hij mee, zong hij uit alle macht:
‘Het is zo stil in mij
ik heb nergens woorden voor
het is zo stil in mij’