Alle berichten door dentoonder

zwarte berg

Zwarte Berg

De maan doet het niet vanavond. Het pad is nauwelijks zichtbaar, gelukkig is het van een iets lichter gesteente. Behoedzaam zoek ik mijn weg omhoog, langzaam, om de hartslag laag te houden. Mijn ogen zijn al aan het donker gewend, ik liet het dorp achter me. Het is verleidelijk om achterom te kijken. Hoe lieflijk het daar ligt met zijn pinkelende lichtjes in de diepte. Ik doe het niet, ik kijk voor me. Gelukkig ben ik nu boven de boomgrens, uit het donkere bos. Ik weet, hier begint het al, het uitzicht. Scherpe kammen en pieken overal. Hoe hoger je gaat, hoe meer er tevoorschijn komt. Maar de maan doet het niet en er is niets te zien, zelfs geen contour, niets.

Traag ga ik verder, ik struikel niet, het pad voegt zich naar mijn voeten. De ademhaling wordt zichtbaar, kleine wolkjes lichten witjes op, heel even. Het is kouder hier, uit het bos. De kille gletsjer is voelbaar. De haakse bocht zie ik pas wanneer het heel zwart wordt, een donkere rotsmuur waar ik bijna tegenop loop. Toch wil ik de Petzl niet aandoen. Ik loop er omheen en zie de nachtelijke hemel. Slechts enkele sterren gaan aan en uit. Daar waar geen ster te zien is, daar staat de berg. Ik voel de magnetische kracht van zijn nabijheid. De Zwarte Berg.

Als kind al werd ik erdoor beïnvloed, geïndoctrineerd. Ik tekende veel en op de kleurdoos van Caran d’Ache was de berg. Getooid in een ijspantser tegen het onwerkelijk Alpenblauw. Het was onoverkomelijk, ooit zou ik er op staan. En het is zinloos, honderden, duizenden gingen mij al voor. Het is geheel overbodig, het betekent niets. Toch, hier ga ik, ik ben op weg. In dit overweldigende landschap, wat zich verhuld in diepe duisternis, loopt een klein mens met een verhoogde hartslag, bang en verheugd. Het bloed kolkt warm door zijn aderen, alle zintuigen op scherp. De Berg, de heuvels ervoor, zijn gletsjer en de bergen erachter, tot aan de verre horizon, het laat ze onverschillig. Koel en afwijzend, spottend haast. Het kleine mens hoopt op mededogen, dat hij wordt toegelaten.

Mooi, ik zie het Fixseil al, het vaste touw. Even was er twijfel, was dit het Japanse Couloir, daar moet je rechts aanhouden. Maar was wat rechts? Ik had het eerste en tweede couloir toch al gehad? Opluchting! Ik zit goed. Het toch wat lastige begin van de instap, de spanning, die eerste twintig meter klim je verkrampt van zenuwen. Het is volslagen windstil. De hevige duisternis verlicht zich wat en een zacht licht verschijnt achter de horizon. Ik zie nu de contour oprijzen, de zwarte wand tekent zich af tegen een lichter wordende hemel. Onherkenbaar silhouet in dit vertekenend perspectief. Duizend stijgijzerkrassen op grijze rots wijzen hier de weg. Daarboven lijkt een hoekig profiel zichtbaar. Als dat de Lasvoyhut is, moet dit Untere Soymeleplatte zijn. Dat is op 4000 meter en het klopt precies met mijn geluksgevoel, tot ongekende hoogten gestegen.

De Schulter, de beroemde schouder. Hier neem ik, voor het eerst, pauze. En ook voor het eerst, nu kijk je zo de noordwand in. Griezelig en diep. Een dun windje stijgt op. Een klein stukje verder vind ik beschutting en het is zo stil. De koffie uit de oude thermos is inmiddels lauw maar smaakt voortreffelijk. Recht voor me is opeens een streep zon. Fel, en in een enkele minuut staat de zon rond boven de horizon. Het lijkt of het ook meteen iets warmer is. Ik schuif wat op, laat klimmers passeren. Zachte stemmen, rinkelende karabiners, de geur van de berg. In mijn hoofd zingt Bob Dylan ‘Girl from the north country’en ik hoor het aarzelende gitaarspel:

Well, if you go when the snowflakes storm
When the rivers freeze and summer ends
Please see for me if she’s wearing a coat so warm
To keep her from the howlin’ winds.

Please see for me if her hair’s hanging down
If it curls and flows all down her breast
Please see for me if her hair’s hanging down
That’s the way I remember her best.

Ik zoek mijn zonnebril op en breek een stuk keiharde Toblerone. Het is nog een klein uurtje tot de top. Vanaf hier is een lang stuk beveiligd met dik touw. Ik zou nog door kunnen gaan. Naar de top van de Zwarte Berg.

de gelukkige boer

image1-1

Het is zo’n dag die weerman Erwin Kroll goed kon waarderen. Echt weer, zon, wolken, een felle korte bui en dan weer zon. Het wilde maar geen herfst worden, maar nu gaat het dan toch eindelijk beginnen. Daar moet ik bij zijn. De polder door op weg naar de Biesbosch. Een natte polder die prachtig opblinkt in de lage zon. Paarden die tussen het gevallen blad zoeken naar gras. Toch weer jammer, nog steeds geen camera gekocht sinds de vorige stuk ging. De zon speelt met het licht en de bomen op de Provinciale weg. Het tegenlicht op de lange Zuidendijk, tussen de bomenrijen door op glimmende akkers links en felgroen gras rechts.

In de Biesbosch steken wilgen hun zwarte takken met grijsgroene bladeren tegen een lucht die regen voorspelt, in prachtig contrast. De Nieuwe Merwede stroomt er vrolijk op los. Een binnenvaarder met schoongespoelde dekken vaart langs en maakt met zijn hekgolf het riet vrolijk aan het dansen. Het pad gaat landinwaarts en ernaast kruipt een moddersloot onder een wirwar van gevallen bomen. Een knalblauwe ijsvogel flitst voor me uit, nooit eerder zo dichtbij. De zon schijnt en het regent. Ik inspecteer de lucht, het is tijd voor het regenjack. Een kort buitje als sfeerverhoger, dit is de Biesbosch. Er staan nu veel prullenbakken en toch ligt er nog rommel. Ik neem het maar mee, steeds naar de volgende prullenbak, ik kom er toch langs.

Vlak bij het fietspad gekomen hoor ik een tractor brommen, achter de dijk. Even verderop baan ik me een weg dwars door de wildernis van bramen, wilgjes en balsemien. Ik wil naar de strekdam en het lichtbaken. Nog door wat geknakt riet en ik sta aan de oever. Hier is een bever aan het werk geweest, een flinke wilg is doorgeknaagd en van hele takken is de bast opgevreten. Duidelijk zijn ook sleepsporen te zien, richting rivier. Aan elke boom in de omtrek is geknaagd. Bevers zullen na ganzen en reeën de volgende plaag gaan worden.

Het slingerpad voert me terug richting fietspad en weer hoor ik tractorgebrom. Ik breek me door het griend en spring over de sloot. Een eindje verder weet ik een opstapje om over het prikkeldraad  te klimmen, de dijk is steil en het gras is glad. Daar beneden rijdt de tractor, hij ploegt. Het is een Ford, jammer, gewoon Ford, geen Massey Ferguson of een John Deere. Hij is blauw met gele wielen en de ploeg is rood. Drie scharen blikkeren met een flits wanneer hij aan het eind van de akker keert. Ach, shit, m’n telefoon kan ook fotograferen.

Terug over de Nieuwe Merwedeweg, over een afstand van drie kilometer vind ik 46 bierblikjes in de berm. Een tas heb ik niet bij me, ik kan ze niet meenemen. Ik verzamel ze en met enig heen en weer lopen leg ik ze op hoopjes bij elkaar. Misschien haal ik het een keer op. Volledig zinloos en ik weet het. Maar ik erger me er zo aan. Ik snap het niet. Ik kan het niet begrijpen. Welke idioot doet dit? Denkt die mafkees dat ze wel zullen vergaan of zo? In de blauwe Ford die schuin hangt in de ploegvore zit de boer, hij moet zich vasthouden, zo scheef hangt de tractor. Hij draagt een blauwe overall. De zon schijnt nu weer en maakt lange schaduwen. De verse klei glinstert, verderop is een veld nog groen. De bomenrij langs de weg kleurt zijn bladerdak in geel en oranje. In de verte is het licht diffuus, de boerderijen staan met onscherpe contouren. Blauwe lucht en snelle wolken, Erwin Krolweer. Het is geweldig. Honderd meter verder komt de tractor me weer tegemoet. Moeiteloos snijden de ploegscharen door de grond. De boer kijkt achterom naar zijn rechte voren. Het kan niet anders, de boer is gelukkig.

bokje in de Pala’s

p1050254

Bokje in de Pala’s
nu, november 2016 gepubliceerd in Hoogtelijn

“Gondeltje gepakt heren? Tja, het is slecht weer hè”
zegt Aad, zachtjes. We schieten in de lach, het is altijd leuk om commentaar leveren, wanneer je op een terras zit, of in dit geval lekker binnen bij de kachel. Die heren stommelen de hut binnen, de sneeuw van hun kleren kloppend. Wij gloeien nog na, van onze tocht en van trots, dat het gelukt is. ‘Bolver Luigi’. Een Via Ferrata in de Pala Dolomieten.

Het wordt het de hele week redelijk weer, het beetje sneeuw dat we boven zien liggen, vanaf de hoogvlakte ‘Alti Piano delle Pale di San Martino’, zal donderdag wel zijn verdwenen. Eerst doen we de VF Porton, de VF Velo heen en weer en via de Sentiero Alpinistico Nico Gusella terug naar Rifugio Pradidali, 2278 m. Hevig dagje en onze nieuwe klettersteigsets klikken soepel open en dicht. In de stilte tussen de verticale kloven klinkt dat zo lekker. De kabel en de stalen treden van de Porton zijn nog lichtgrijs: ook nieuw! We genieten van het gevoel van hoogte, het groene dal in de diepte contrasteert mooi met het Dolomiet.

Dan nog een dag even iets anders, La Fadustra, 2939 m. Een makkelijke berg vlakbij de hut. Relaxt omhoog wandelen langs een lange brede graat, waarbij we hinderlijk gevolgd worden door een opdringerig geitenbokje. Wanneer we op de top zitten horen we hem klaaglijk blaten beneden ons. Hij wil ook een Sultana. Helder zicht op de overkant van de Alti Piano naar de ‘Matterhorn van de Dolomieten’: de Cima delle Pale, 3184 m. en de Cima delle Vezzana, 3192 m. Het ziet er goed uit, na de klettersteig hopen we die laatste, de hoogste top van de Pala’s nog even mee te pikken. En dat rode blinkende stipje, dat is de bivakhut, Bivacco Fiamme Gialle, 3005 m. Als we daar eens konden komen!

We strijken neer op het terras van Rifugio Rosetta Predotti, 2581 m. en wie hebben we daar: Bokje! Hij loopt juist de schoenenhal in. Nadat hij weggejaagd is gaat hij lekker op een tafel liggen. We happen relaxt in een biertje en laden ons op voor de volgende dag. En dat is nodig want die morgen ligt er toch opeens een laagje sneeuw op de tafeltjes. Schrikken! We gaan toch. Trekken iets meer kleren aan, verlaten de hut waar alles nog in volledige rust is en roepen:
“Bokje!”

We dalen af, onder de gondel bij Col Verde door en ronden het massief. Hier ligt bijna geen sneeuw. De eerste meters van de Bolver Luigi ook niet. Hoe het er boven uitziet? Geen idee, alles zit potdicht. De eerste meters van 270 hoogtemeters vrij rotsklimmen. Al snel verandert dat, er ligt steeds meer sneeuw en ik roep naar beneden:
“Er sluipt wat twijfel binnen mannen”.
Wanneer we tenslotte bij het begin van de kabel komen ligt er een stevige laag op alles wat een beetje uitsteekt. Die kabel leidt 480 meter haast verticaal omhoog en hij zit stevig onder het ijs. Zonder sneeuw en ijs is dit pittig rotsklimmen en nu is het een graadje lastiger. Zonder een woord te wisselen werken we ons gestaag naar boven. Het wordt spannend, gaat dit ons eigenlijk wel lukken? Omkeren gaat echt niet. Hogerop wordt de rots meer verijsd en ik hoop dat de voorspelde neerslag nog even uitblijft. Af en toe waait het open en zien we het dorp San Martino di Castrozza, 1500 meter lager. Er volgen enkele passages die haast onneembaar zijn, het ijs op de kabel is messcherp en de minuscule treetjes zitten vol met ijs. Soms is het lang zoeken voor er een handgreepje gevonden wordt. Handschoenen uit en dan weer handschoenen aan. Ik vraag Rienk verder voorop te gaan en krijg meteen de volle laag ijs in mijn nek wanneer zijn karabiners de kabel schoonschrapen. Het is lastig, met het ijs op de kabel heb je geen grip, toch wil je steeds een handje aan de kabel. De afstanden tussen de pennen zijn lang. Het is soms puur hijsen. Wordt het nu overhangend of lijkt het maar zo?

In de dichte mist is het puzzelen hoe we bij het bivak komen, zojuist zagen we het even liggen. We vinden het en vieren dat met onhandige mannenhugs. Hoe blij kun je zijn met een armetierig hok. Negen bedjes, stoffige dekens en een stompje kaars. Even uit de koude wind, uithijgen, eten en de stijgijzers aan. Lang kunnen we niet blijven, wat voor weer wordt het? We moeten de steile kom nog ronden tussen de twee Cima’s naar de afdaalgoot, het Valle dei Cantoni die nu weer vol sneeuw ligt. Door een gat in de bewolking zien we de wonderlijke kale vlakte van de Alte Piano.

Die avond begint het langzaam harder te sneeuwen. Wij zitten met rode oortjes binnen, gloeien van trots en kijken misprijzend naar mensen die met de gondel boven zijn gekomen, twintig minuutjes verderop.
“Kijk dat stel, zij is van de Koopgoot, hij meer van de puingoot”.
We trakteren ons op een Grappa con Pere en slapen vast, nu de spanning van ons af is gevallen. De volgende morgen ligt er een dik pak op het terras. Wat een geluk, het was gisteren kantje boord, nu zou het ondoenlijk zijn. We pakken in en ook wij lopen nu naar de gondel. De bordjes volgend in een volledige white out. In de gondel proberen we nog een glimp van onze route op te vangen. Bolver Luigi, de Cima’s en Bokje zijn onzichtbaar.

Pala Dolomieten – Pale di San Martino
De Pala’s lijken haast nog ruiger dan de andere gebieden in de Dolomieten. De merkwaardige hoogvlakte, waar omheen de massieven liggen, heeft iets weg van een maanlandschap. Deze bergen en wanden hebben namen die voor klimmers en klettersteigers tot de verbeelding spreken. Voor klimmers, maar ook wandelaars, zijn er zeer veel mogelijkheden. Hoewel de wandelaar die het hoger opzoekt al snel een Via Ferrata tegenkomt.

Uitgangspunt voor dit gebied is bijvoorbeeld San Martino di Castrozza.
Vanaf Utrecht is dit via Innsbruck en Bolzano zo’n 1100  kilometer.
In het dorp zijn veel overnachtingsmogelijkheden.
En camping Sass Maor, Via Laghetto 48 – 38054 (www.campingsassmaor.it)
Het is mogelijk om de auto hier tegen betaling te parkeren. (niet goedkoop, wel veilig)

Er zijn verschillende opties om de Pala’s in te trekken.
Vanaf de camping (1470m) is het 4 uur lopen naar Rifugio Pradidali. (2278 m)  800 meter stijgen.
Of met de kabelbaan vanuit het dorp naar de Alti Plano, via Col Verde naar Rosetta, van hier loop je in een kwartier naar Rifigio Rosetta Predotti (2581m)
Bij het kabelbaanstation is ook parkeermogelijkheid.

De Via Ferrata’s
VF Porton, kwalificatie: moeilijk.
Vanaf Rif. Pradidali, goed afgezekerd met kabels en treden, het laatste stuk lastig en niet gezekerd, zeer losse puinhelling in een kloof tot Passo Porton (2480 m.)
VF Velo, kwalificatie: moeilijk.
Vanaf Passo Porton, minder lastig en zeer goed afgezekerd.
Deze leidt naar Rifugio della Madonna (2358m.)
Sentiero Alpinistico Nico Gusella, kwalificatie: licht.
Vanaf Passo Porton, deels ongezekerd met fabuleus uitzicht op het dorp in de diepte.
De steile afdaling is wel gezekerd, en leidt vanaf Passo di Bal, terug naar Rif. Pradiali of terug naar San Martino di Castrozza.
Bolver Luigi, kwalificatie moeilijk.
Deze Ferrata behoort tot de mooiste van de Dolomieten.
Vanaf Rif. Rosetta Predotti of vanaf kabelbaan tussenstation Col Verde te bereiken.
Te overbruggen hoogteverschil bijna 800 meter. Pas na enige tijd vrij rotsklimmen bereikt men de kabel. De tussenafstanden tussen de bevestigingspunten van de kabel zijn ver uit elkaar. Stalen treden slechts op een enkel punt. Een touw kan nuttig zijn.
Via Bivacco Fiamme Gialle (3005 m) naar Passo di Travignolo (2938 m) Van daaruit is de hoogste top van de Palagroep bereikbaar, de Cima della Vezzena ( 3192 m) Stijgijzers komen soms van pas.

Accomodaties
Rifugio Pradidali, CAI, http:www.rifugiopradidali.com
Tel Gestore 0039 348 2455732 Tel Rifugio 0039 0439 64180 E-Mail pradidali@libero.it
Rifugio Rosetta Predotti, CAI, http:www.rifugiorosetta.it/eng/index.htm
Rifugio Rosetta – Fam. Lott Mariano Pale di San Martino | Dolomites Trentino | Italy,
Tel 0439 68 308 | Mobile +39 349 533 1742 E-mail info@rifugiorosetta.it

Kaarten
Tabacco 1:25000 Pale Di San Martino
Kompass-kaart nr. 76 Pale di San Martino
Gidsen
Rother Klettersteige Dolomieten Wanderführer
Cicerone – Via Ferrata’s of the Dolomites: Vol.2

 

No – go waterbus

image1

Laten we wel wezen, en blij zijn. Blij met de Waterbus. Wat een fantastisch idee is dat toch, degene die dat bedacht heeft verdient de Nobelprijs voor de Waterbus.  – Jaren geleden, toen er nog auto’s waren met bumperstickers, voor hen die dat niet kennen; in die tijd deelde men zijn mening door middel van stickers op de achterbumper, toen dus, was de er slogan: ‘Vervoer over water, de juiste weg.’ Bedoeld om de binnenvaart te promoten, veelal door angstige schippers, bang voor de in aanbouw zijnde Betuwelijn. Die Betuwelijn, die nu, elf jaar nadat de eerste trein erover reed, ook dit jaar nog steeds verliesgevend is, 250 miljoen slechts. – dit alles terzijde, de Waterbus, wie heeft dat bedacht, geweldig plan.

Na een aarzelende start, wisten steeds meer mensen hem te vinden. Het aantal forenzen, dat dagelijks gebruikt maakt zou nog beter kunnen, maar vooral in de zomer zit de Waterbus tjokvol. Met groot plezier stap ik aan boord. En voel de versnelling, wanneer de Waterbus vertrekt. Je wordt haast in de kussens gedrukt alsof je met de Cityhopper een dagje naar Londen vliegt. Nog altijd kan ik genieten wanneer ik In Rotterdam de Dordtse Waterbus zie aankomen, machtig gezicht, de catamaran met de snelle lijnen, zo onder de Eramusbrug door. Akkoord, ze worden ouder nu, ze moeten nodig een verfbeurt. En ik ga hier ook niet klagen over de vele stops die de Fastferry maakt op de route Dordt – 010. Die naam bestaat ook niet meer, terecht, het was verworden tot een Slowferry.

Nee, het is anders, wat mij stoort. Dat schitterende ponton, zo ’n mooi ontwerp. Strakke lijnen, goede kleurstelling. Wanneer je arriveert (NB: ‘veert’, knipoog, knipoog) aan de Dordtse oever, met zo’n snel schip, er meert ook juist de Waterbus uit Papendrecht aan en de golven klotsen nog na van de zojuist vertrokken Waterbus naar Sliedrecht, valt meteen een raarhouten kot op. Midden op de terminal, want dat is dat ponton in feite, daar staat al maanden een misbaksel van spaanplaat. Waarom?

Je gaat van boord, je wandelt langs de schitterend matgrijze reling en dan zie je het. Wat doen die vreemde veilingkisten daar? Een lange rij oude kisten met verdord, dood groen erin. Waarom? En dan ben je er bijna, het is een lange terminal, met een nauwelijks voelbare deining. Je bent bijna aan wal. Tussen twee prachtig matgrijze vlaggenmasten staat in fraaie letters: Riedijkshaven. En wat is dat daarboven? Een lelijk spandoek is er gespannen aan steigerpijpen; ‘Welkom in Dordrecht’. Waarom?

Wie heeft dat bedacht? Kielhalen die bedenker, twee keer, de Waterbus is een catamaran, 2 x kielhalen.

Reaguurder, nieuw woord van 2016. Ik wil dat niet zijn, ik wil dat niet worden ook. Daarom verpakte ik mijn ergernisje als bovenstaand en stuurde in naar Waterbus. Het duurde even en warempel, ik kreeg antwoord, van iemand met de mooie naam Roxanne. En dan kun je niet boos blijven, zij belooft beterschap. In alle drukte van de dagelijkse operatie is er soms te weinig aandacht voor de aankleding. Het spaanplaten kot verhulde de bouw van een nieuwe kiosk. En de hovenier gaat de veilingkisten aankleden dan wel vervangen. Wat mij betreft mogen die totaal irrelevante kisten worden afgezonken.

Binnenkort maar weer eens inschepen, lekker stukkie varen.

doelgroep

 

image1-1

Ligt het nou aan mij, ben ik toch weer wat allergisch, of is het echt stoffig. De ouwe kokostapijten hier zijn ietwat vezelig. Teylers Museum in Haarlem schijnt het oudste museum van Nederland te zijn. Ik ruik iets, ouderdom, zowel van het gebouw en ook zijn bezoekers. Dat is het, nu pas bedenk ik het.

Vanuit het prachtige station van Haarlem, stap je zo het intens lelijke stationsplein op. Linksaf en dan rechts de Jansweg op, zegt mijn telefoon, en na de brug links, rechts de Bakenessergracht op. En daar zie ik een naambordje op een deur, het brengt de conference van Toon Hermans boven. ‘mevrouw Loofhutjes, mevrouw Schroothamer, mevrouw Zwaarmaker, mevrouw Stofregen.’ Ik schiet bijna in de lach, binnenpretjes en ik kan niet voorkomen dat een glimlach zich over mijn (smalle) gezicht uitspreidt. De tegemoetkomende vrouw kijkt me bevreemd aan en gaat van de stoep af. Mevrouw Scheurwater, denk ik en ik lach bijna hardop.

Met de museum jaarkaart, het ‘vrij-reizen-kaartje’ van NS en het bijna gratis buskaartje voor senioren, op weg naar het station, pas ik naadloos in het profiel. De geur in het eeuwenoude pand wordt versterkt door de bezoekers, het grijze pensionerende volkje brengt zijn eigen geur mee. In de oude zalen met fossielen, wetenschapsinstrumenten is vrijwel niemand. Men dromt samen bij de schilder Jan Weissenbruch. Ook ik ben daar op af gekomen. In die zaal, vol mooie schilderijen en, laat ik het voorzichtig zeggen, ouderen, besef ik het. Ik behoor tot de doelgroep.

Na de hectiek van de ‘de Kaap’, fotomuseum Rotterdam, Fenix Food Factory, Posse en SS Rotterdam, alles een geheel eigen – ander – publiek trekkend, ben ik wel weer toe aan wat eenzaamheid. Dat is in dit volle landje moeilijk verkrijgbaar, neem dus genoegen met ‘allenigheid’. Op naar de Biesbosch, de Brabantse. De zomer is voorbij, het is maandag en lekker lelijk weer; het zal niet druk zijn.

Tegenwind op het lange pad in de grienden, dat is mooi, meer kans voor ree spotting. Hier is niemand, gegarandeerd. Wat is het toch mooi. De berenklauw steekt zijn uitgebloeide kroon hoog de lucht in, het is zoet van springbalsemien en alles is verschoten en verkleurd in speciale Biesbosch kleuren. Het waterniveau is heel laag en ik kan het niet laten, ga van het pad, loop dwars door een droogvallen stuk. Verende bodem. Zuigend. Zeven zwanen vliegen met lawaaierig scharnierende vleugels over. Ginds een reiger in het wit, dat heet zilverreiger.

Kom ik toch opeens een vent tegen en even later twee jongetjes, die zich betrapt voelen, in het riet. En hoor ik daar stemmen? Ik ruik kampvuurrook. Maar liefst dertien boten liggen in het haventje. (13!) Ach ja, dat is waar ook, het is herfstvakantie. Shit, ben ik hier niet alleen. Ik troost me met de gedachte dat het bootjesvolk, die doelgroep, meer van het varen is, het zijn geen wandelaars. Later, in een ander deel, waar ik me wel volstrekt alleen waan, kom ik toch weer zo’n verrekte vogelspotter tegen. Hij loopt scheef van zijn zware telelens. Ik inmiddels ook, heb een volle tas verzameld met blik, karton en plastic rotzooi.

Ik fiets maar weer richting pont. Midden in de uitgestrekte, nog kale vlakte, ontstaan uit het plan: Ruimte voor de Rivier, zie ik ze al van verre. Merkwaardig, een groepje nonnen en ze zwaaien vrolijk naar me. Ik zwaai terug en dichterbij komend versperren ze me de weg. Giechelend en in Belgisch accent vragen ze de weg. Ze zijn met zeven, allen jong, volmaakt make-up loos, grijze pijen aan met wit kapje en op gymschoenen.  Met een oude kaart van het gebied, zoals het was, willen ze over het pad waar ik net uit kom naar het museum. Dat pad loopt dood. Mijn uitleg doet ze erg lachen. Ik waarschuw; het is nog ver lopen. Maar daarvoor zijn ze hier! Honderden meters verder fietsend zit de glimlach op mijn hoofd er nog. Mijn dag is zo mooi nu.

 

zomergekte op den loswal

p1070908
Het is op de warmste dag in de maand september, als ik de weermensen – weermannen en weervrouwen mag geloven, dat ik me naar de Loswal begeef. Nu woon ik al meer dan de helft van m’n leven zeer dicht bij deze Wal, maar ik moet bekennen dat er dagen voorbij gaan dat. En het is er gek. Het is druk, op het water en op de Wal. Oorspronkelijk was de Loswal een loswal. Een plat stukje in de dijk langs het Wantij, om het laden en lossen te vergemakkelijken. Aardappels, voeder- en suikerbieten, in ieder geval; oogst. Dat werd geladen op binnenvaartscheepjes.

Nu is het er een gekte. Op het water en op de Wal wordt gerecreëerd. Enthousiaste honden springen in het water om stokken op te halen die hun baasjes er voortdurend in gooien. Kinderen gillen, spetteren en zwemmen boven en onder water. Het is heet, de zon blikkert op het bruingroene Wantijwater dat ondoorzichtig blinkt en waarin zich ergens een enge snoek verstopt. Een te dik echtpaar pruttelt voorbij in een te klein bootje, sudderend in hun eigen vet. Een witgeverfd en lelijk kruisertje tuft langs. Het hangt een beetje scheef, de vrouw zet koffie binnen, maar de gordijntjes zijn netjes en wit. Op de Wal roept een vrouw met bakfiets en hakjes haar zoontje:
“Noa, kom, Noa, we gaan, Noa, kom nou.”

Een rood speedbootje komt er aan, ter hoogte van de Wal gaat het gas er op en het maakt niet noodzakelijke bochten. De honden en de kinderen deinen in de golven. De bikinimeisjes op de achterbank van het speedbootje gillen. Het is midden september maar het lijkt hoogseizoen. Er hangt een vakantiesfeer hier op de Wal. Er is een lichte stroming in het water, vanuit de stad, het is dus vloed. Twee donkergroene Zalmschouwen met hengels. Aan de overkant een geluidloze kano. Van de andere kant nadert een slanke, lichthouten sloep van de Roeivereniging. Twee roeiers in kleurige polo’s zitten achter elkaar en bewegen hun riemen exact gelijk. Op het bankje zitten de echtgenotes met grijs haar. Zij bedienen het roer, hebben de touwtjes in handen.

Toen, alweer een tijd geleden, het havenplateau en steigertje opgepoetst moest worden, vreesde ik het ergste. Het viel mee, het ongepolijste is gebleven, het is niet te aangeharkt geworden. De nieuw geplaatste slagboom bij de trailerhelling was opmerkelijk snel verdwenen. Daar glijdt een lange zwarte sloep met achterover leunend echtpaar statig voorbij, de Nederlandse vlag achterop tipt steeds het schroefwater. Mevrouw lacht minzaam naar het volk aan de Wal. Dat volk vergaapt zich aan wat voorbijvaart, zelf leunend op fiets of scootmobiel. Hier wordt nog het originele Dordts gesproken. Er komt een motorkruiser aan. Zwart met brons. Hij vaart langzaam maar aan alles is te zien dat hij hard kan, heel hard. Naar binnen kijken kan niet, de ramen zijn zwart. Plots zwenkt hij linksaf, de Merwegoot in. Nu komt de achterzijde in zicht en daar stapt een vrouw naar buiten, ook haar jurk is zwart. Zij hangt alvast de stootwillen op. Daartoe moet ze steeds bukken. Wanneer ze klaar is, trekt ze met een snelle beweging de onderbroek uit de bilspleet en strijkt daarna het zwarte jurkje glad. Een hond snuffelt aan de achterkant aan mijn been. Ik roep:
“Hé!”
Dan duwt hij zijn natte neus in mijn kruis, ik deins achteruit en roep, harder nu:
“Zeg hé!”
“Hij doet niks hoor, “
zegt een lange slungel. Twee andere hondenbezitters knippen hun peukjes in het water, roepen de honden bij zich en gaan naar het Acht Uur Journaal. Een oude sloep in reggaekleuren vaart langs, zacht klinkt Senegalese muziek; Youssou n’Dour meen ik te herkennen. Het juppenvolk aan boord met blinkende zonnebrillen ligt relaxt onderuit. Ongetwijfeld spreken zij over zeer interessante onderwerpen, wereldproblemen, het milieu en zo. Ook ik ga maar naar huis en fiets zeer langzaam weg van de Wal. Op de Wantijdijk geef ik voorrang aan een stoet senioren. De voorste heeft een oranje hesje aan. De laatste heeft ook een hesje aan, oranje, van de ANWB.

By fair means

p1000911

‘ich wollte einmal hoch hinaufsteigen um tief in mich hinabzusehen’
# Reinhold Messner

Enigszins beduusd zitten we aan tafel. Overdonderd door zoveel schoonheid, luxe en deze geheel andere wereld. Net terug van drieduizend meter, uit de Dolomieten, waar het koud was, nu in museum Firmian van Reinhold Messner. Het is hier in Bolzano 32 graden. Het terras is overschaduwd, de cappuccino van een barista, de schaal met fijne Italiaanse antipasti enorm en de broodjes en brochette vers. Het museum is overweldigend mooi. Een eeuwenoude kasteelruïne hoog boven de stad. Opnieuw ingericht met strak Cortenstaal. Er moet een leger stylisten aan het werk zijn geweest, getuige de fijne details. Reinhold Messner, wiens boeken in mij het vuur voor de bergen deden ontbranden, is inmiddels uitgegroeid tot een levende legende.

Eerder die week wandelden we door het Vallunga, waar het eerst groen was en later grijs en geel en stenig, naar Rifugio Puez 2475m. De Geisler Gruppe in de Dolomieten. Probeerden in het piepkleine Lager waar twaalf man lag, een paar uur slaap te pakken. Om de volgende dag op tijd te vertrekken, op weg naar Sassongher 2665m. Thuis, op de kaart leek dat amper tweehonderd meter hoger dan de hut. En dat was ook zo, maar hier bleek het een fraaie vrijstaande berg te zijn, waarvoor we eerst diep in een ravijn zouden moeten afdalen.

Rifugio Puez krijgt een onvoldoende. Het valt me steeds weer op, haakjes in berghutten zijn zeldzaam. Ze zijn er gewoon niet, hier ook weer, drie kleerhaakjes op twaalf bedden. Zijn ze te duur of zo? Heeft die huttenwaard zelf wel eens in zijn Lager geslapen? Onprettige hut trouwens, de schoenen moeten daar, (logisch) maar de stokken ginds en de rugzakken op de gang, liggend in een  kast waar ze niet in passen. Toiletten: te weinig, wasgelegenheid: nauwelijks. Maar ja, een overnachting kost dan ook slechts tien Euro. In de Stube is het overvol en een hels lawaai. Wij, met onze diepzinnige – en flauwekul gesprekken moeten ook hard schreeuwen om verstaanbaar te zijn. Maar de Grosse Weisse smaakt goed.

lees hier verder:

By fair means

 

Panorama Laat

IMG_7593 - kopie
Of ik meeging? Een paar dagen de bergen in. Daar hoefde ik niet lang over na te denken. Er ging wel gekampeerd worden. O. Nu kampeer ik graag, maar de bergen in vanaf een camping, dat werkt niet. Steeds opnieuw die hoogteverschillen te moeten overbruggen, dat zinloze heen en weer geloop. Ik aarzelde, maar het vooruitzicht er weer te zijn, in de bergen, ik zei ja.

Verhit vallen we neer op het buitenterras van de Karlsbader Hütte 2261m. Wat we willen drinken, vraagt een leuk dienstertje en of we niet liever binnen willen zitten. Nee, we willen even afkoelen, antwoorden we allemaal tegelijk. Ik wapper me met mijn hand koelte toe en zeg:
“Heiss!”
Waarop zij lachend antwoordt:
“Danke.”

Via de Rudi Ellerweg, een ‘gesicherte Steig’ kwamen we omhoog. Er stond een bordje bij: ‘Nur für Geübte’. We zijn met z’n vieren, mijn broertje, zijn zoon en een vriend van de zoon. Twee ‘jonge honden’, om die vervelende, in dit verband vaak gebezigde term, maar eens eenmalig te gebruiken. Het was de bedoeling onderweg een Klettersteig mee te nemen, maar het weer werkte niet mee. Bovendien, ik dacht er het mijne van, te laat en te ver. De lunchplek was fraai, een voortopje: Hohes Törl op 2230 meter. Simone, zo heet ze, volgens de menukaart, komt vragen of we blijven slapen. Het antwoord is ontkennend;
“Leider nicht.”
Weer lachen natuurlijk.

De spetterregen zwelt aan tot een heuse stortbui en er klinkt een enkele donderslag. Natgeregende wandelaars en klettersteigers haasten zich naar de hut. Op die menukaart staat ook een foto van Nima, Nepalese naam en een sterk Nepalees uiterlijk. Even later komt hij buiten een sigaretje roken. Ik kan het niet laten en knoop een gesprekje aan. Inderdaad, Nepalees, uit de omgeving van Lukla. Waar wij langskwamen op weg naar de Everest. En vanwaar wij terugvlogen, Lukla, in de top tien van de gevaarlijkste vliegvelden ter wereld. Straks aan het eind van het seizoen gaat hij terug naar zijn familie. Wij zeggen dat we met hem meewillen. Het blijft maar regenen, tenslotte is het aankleden en weg. In hoog tempo, deels via de ‘Fahrweg’, de landweg waarover de hut bevoorraad wordt en ook weer even via de Steig, de afsteker, steil, om de vervelende lange lussen te vermijden. Rien en Bart beginnen nu de voordelen van het verblijven in een hut in te zien. De ‘meerwaarde’ ervan, zoals zij het noemden.

lees verder:

Panorama Laat

Deviation

Naamloos

Zinq
Die eerste zin is heel belangrijk, die moet meteen goed zijn. Dat dacht de oudere columnist, terwijl hij kleine slokjes nipte van zijn consumptie. Een glas met een bodempje gele vloeistof waaraan hij water en suiker had toegevoegd, een van die Franse geheimen. Hij verdeelde de aandacht tussen zijn telefoon en de twee jonge meiden die aan een tafeltje verderop zaten. Beiden bekeek hij even ongeïnteresseerd. De meisjes sloegen geen acht op de wat morsige man, wiens haar ongeorganiseerd over zijn schedel lag, die een onregelmatige baardgroei had en een zorgelijke uitdrukking op zijn gezicht bewaarde. Zorgelijk is het woord wat hier van toepassing is en er was een frappante gelijkenis met Bob den Uil, voor wie hem nog kent. De klok in de lage toren van de kerk die la Place de la Magdaleine domineerde, sloeg onwerkelijk hard een korte melodie, ter kennisgeving dat zeer binnenkort de klok drie uur zou gaan slaan. Het was een van die laatste zomerdagen, het was al warm, maar ergens leek het nog wat onbetrouwbaar, de wind was kil en zou het nu echt wel droog blijven. En inderdaad, het betrok, waar kwamen opeens die wolken vandaan en regende het. Als één man verrees het terraspubliek en vluchtte het café binnen. Er vormde zich een lange rij voor de kassa op de bar. De norse vrouw die hier voor kastelein speelde, vond het belangrijker om de televisie te programmeren. De oudere columnist stond voor me, hij draaide zich naar me om en zei iets , wat ik verstond als:
“Payer “en “Attender”.
Uit zijn haar drupte regenwater, links en rechts, onregelmatig. Maar de laatste zin ook, had de oudere columnist gedacht, die laatste zin, die moet ook goed zijn, heel belangrijk.

Ongemak, maar wel Frans ongemak
De uitbater van hotel Le Chapeau Rouge is een Marokkaan, die waarschijnlijk al langer in Frankrijk woont dan dat hij in Marokko had gewoond. Had hij daar wel gewoond trouwens? De stoppels op zijn kaken zijn net zo kort en grijs als boven op zijn hoofd.  Hij is vriendelijk en goedlachs. Waarschijnlijk omdat hij weet dat zijn hotelmuren dun zijn en het dus gehorig is. Dat het niet lekker ruikt op de gangen en er nauwelijks verlichting is in de kamers. Het ontbijt is goed, dus vergeef je hem de ongemakken. De eerste nacht is wennen, je schrikt, valt er iets? Het is de buurvrouw, die in de aan de kamer grenzende kast een jurkje of een niemendalletje op een hangertje doet. Ook aan de neerdruisende stortvloed uit de boven gelegen toiletten kun je moeilijk gewoon raken. Het idee, van die substanties die daar op enkele centimeters langs jouw overhemden in de hangkast razen.

lees verder:

Deviation

 

Met de Bus

P1060720 - kopie
Nou, dan ga ik maar met de bus. Mijn kind heeft de auto mee en ik heb geen zin om weer met de fiets te gaan. En met de bus in Dordt, dat is een oefening in geduld. Ik stel me erop in en wat blijkt: ik raak haast, bij wijze van spreken, in een staat van Zen. Glimlachend kijk ik naar buiten. De bus is vrijwel leeg, hij rijdt uiterst langzaam, anders is hij te vroeg, ligt hij voor op het schema. Soms stopt hij bij een halte, niemand stapt in of uit. Wacht een tijdje, onhoorbaar trekt hij dan weer op; Hybride. Toch, in slaap vallen lukt niet. Steeds als er weer een halte nadert, knalt een vrouwenstem door de stilte. Zij zegt de naam van de volgende stop en dat op geheel eigen wijze, ze spreekt de naam uit zoals je het schrijft. Dat levert soms volstrekt onbegrijpelijke namen op, alsof je in een onbekende stad bent.

We staan al een tijdje stil bij een lege halte. Ik kijk de straat in en de zijstraat. Niemand te zien, niets beweegt. Iedereen is aan werk of slaapt. Dan komt er opeens een man de hoek om draven, de buschauffeur had hem in het voorbij rijden gezien en gewoon gewacht. Volgende halte. Twee bejaarde mannen stappen moeizaam in. Allebei hebben ze twee draagtasjes, met van die vakjes waar flessen in passen. En die zitten er ook in, wijn en fris en nog iets, twaalf flessen per persoon. Boodschappen gedaan bij de goedkope super en nu weer met de -bijna- gratis bus terug. De chauffeur wacht tot ze helemaal zitten. Nu naderen we het centrum en wordt het iets drukker. Achter me ploft iemand neer die ruikt naar natte hond, een oude Rottweiler ofzo. Traag rijden we verder, daar passeren we al voor de derde keer diezelfde man op de fiets, kind met helm achterop. De chauffeur zwaait naar collega’s in tegemoet komende bussen alsof hij ze drie jaar niet heeft gezien. Aan de andere kant van het gangpad neemt nu een verstokte roker plaats. Ja, ze zijn er nog en deze rookt nog na, de damp slaat uit zijn poriën. Drum, of toch Zware van Nelle. Een oudere dame vraagt de weg aan de chauffeur. Die legt het omstandig uit, ze begrijpt het maar half, zie ik aan haar lichaamstaal. Opeens stopt de bus, niet bij een halte, maar dicht tegen de stoep.
“Als de dame er hier uit gaat, is het maar een klein stukkie terug en dan rechts”.
Wat een service van deze chauffeur.

Een ding is jammer, die lelijke groene bus. Laatst was ik in een Franse stad van ongeveer dezelfde grootte als Dordt. Daar reed een tram, met een bijzonder fraaie vormgeving en in een heel aparte kleur: brons. Stijlvol openbaar vervoer. Wat zou dat chic zijn, een gestroomlijnde mat bruinzilveren bus, lijn 3 door de binnenstad.

Ik ben in het centrum, stap uit en niet zonder de chauffeur te groeten, die me in zijn spiegel aankijkt:
“Bedankt!”
In de stad is het precies goed, niet te druk maar zeker niet uitgestorven. Ik wandel doelloos door de winkelstraten. Voel de leegte van het definitief gesloten warenhuis, toch jammer. Haast vanzelf kom ik weer langs het havenfront. Verbaas me over de enorme afmeting van een binnenvaartschip, is dit nog wel een schip voor binnen? Een zeiljacht kan maar niet aanmeren, de wind waait het steeds van de kade weg. Het echtpaar op een reeds aangemeerd jacht kijkt toe. Pas na herhaaldelijk roepen van de vrouw op de voorplecht, komen ze in actie. Met de toegeworpen lijnen, zo heet dat in het jargon, wordt het jacht aan de kant getrokken.

Ik denk dat ik de bus terug naar huis neem, dat is wel zo relaxt. Kris kras door de stad slenter ik naar de bushalte. Dan blijkt de volgende bus over precies 24 minuten te komen. In een klap, werkelijk in diezelfde seconde is het weg, mijn ingedaalde rust. Binnensmonds mompel ik bepaalde woorden, was ik nu toch maar met de fiets.