Alle berichten door dentoonder

geluk is een issue

Net als het groenere gras bij de buren. Je zit weer in je bureaustoel, je klikt wat mails weg, nog anderhalf uur voordat je het pand mag verlaten. Er is weliswaar een bedragje digitaal bijgeschreven op het heilige loonstrookje. Best fijn, maar toch, je zou liever ergens anders zijn. In de bergen, om maar wat te noemen, gek, dat komt gewoon als eerste weer bij je op. Of dat leuke pleintje, toen met die platanen, weet je nog, waar dat windje goddelijk langsstreek, met die koude rosé en die cellist, die traag en vloeiend van die vaag herkenbare Italiaanse opera melodieën speelde.
“Gelukkig waren we toen hé”.

Na uren zwoegen en klauteren waren we eindelijk op die top, we konden er net op, met z’n tweeën, of juist die andere, die hele brede, toen ook ja, die met die sneeuwgraat. En hoever konden we kijken, in het dal was het al donker aan het worden, het leek alsof we vlogen, of we de snelheid van de omwenteling konden voelen en de zon, die kon toveren met kleur en die maakte jou nog mooier.
“O, dat was zo’n geluksmoment”.

Een gewone zomeravond fiets je door de polder. Het graan staat kontjeshoog, het geel steekt warm af tegen groene dijken. De bomen staan stil, niets is er te horen, er staat geen zuchtje wind. Het is vrede hier. De weg kronkelt in lome bochten door het landschap, de ondergaande zon blinkt in de sloot je tegemoet. Een fluwelen paard laat zich even strelen bij het hek van de wei. Boven de bomenrij in de verte zweeft een luchtballon, recht boven je verwaait een oude condensstreep van een vliegtuig. Een vliegtuig vol mensen, op zoek naar geluk. Naar een pleintje of een strand waar dat te vinden is. Het nog groenere gras bij de buren.

In ieders leven komt dat moment, dat je denkt, is dit het? Is dit alles, ben ik op de helft, hoelang heb ik nog? Dat wordt dan, meestal tijdelijk, opgelost door die marathon te lopen, een nieuwe liefde te zoeken, toch nog dat motorrijbewijs te halen.

‘Ga zitten want ik wil eens met je praten
Ik ben allang niet meer zo blij als toen
Nee schrik maar niet, ik wil je niet verlaten, nee
Er is iets en ik kan er niks aan doen

 We komen niets te kort, we hebben alles
Een kind, een huis, een auto en elkaar
Maar weet je lieve schat wat het geval is, ah
Ik zoek iets meer, ik weet alleen niet waar

 Is dit alles?
Is dit alles?
Mmm, Is dit alles wat er is

Is dit alles?
Is dit alles?
Is dit alles wat er is, yeah’

 Het liedje van Doe Maar, Henny Vrienten was toch nog maar vierendertig toen hij dit schreef. Iedereen wil zo graag gelukkig zijn. In de sleur van alle dag besef je niet, het reeds te zijn. Gelukkig zijn of tevreden is wel een wereld van verschil. Een dooddoener die ik eens hoorde: geluk is wanneer je merkt: ik heb geen pijn. Iets mooier is: Geluk is de afwezigheid van pijn. Volgens mij: geluk kun je niet zoeken, dan vind je het niet. Je moet het tegenkomen, gewoon toevallig of per ongeluk. Alleen, dan moet je het ook zien liggen. Je moet stoppen, oppakken en je in stilzwijgende verwondering realiseren, goh, dit is het, dit is zo’n moment. Wat een geluk, ik voel het, ik ben gelukkig. Nog mooier, wanneer je het kunt delen, of zelfs kunt doorgeven. Aan de ander.

Herintreder

Herintreder

Het strand strekte zich uit tot aan de einder waar hij de zee vermoedde. En leeg was het, langzaam om zijn as draaiend, leeg als een woestijn. Een raakvlak tussen hemel en horizon leek niet te bestaan, het was een niets, waar licht scheen uit te stralen, geheimzinnig. Het zand dat flonkerde in het diffuse licht van de verborgen zon. Wel was er de wind en het geluid van de wind, een vriendelijk suizelen, maar golvend, aanwakkerend en dan weer zachter wordend, fluisterend. Mompelend kleine woordjes in zijn oor. Eindeloos kon hij hier verder gaan over deze vlakte en in zijn gedachten. Het slenteren en het trage terugdenken, steeds dieper herinneren.

De time-out die een vergissing bleek. Zo goed dat hij weer was begonnen. Niet alleen voor zijn lichaam, dat magere, pezige karkas waarin hij al zolang woonde, dat onhoudbaar ouder werd, waarin hij zich eigenlijk niet thuis voelde. Klimmen, die beweging die al haast een tweede natuur was, hij was het gaan missen. Gedacht dat het tijd was om te stoppen, toen, dat het niet waar was, dat het wel kon. Goed voor dat lijf en beter nog voor zijn binnenste, interne, intiemste gedachten. Gesterkte spieren voor een rechte rug en sterke geest. Zoals de marathonloper uitstraalt, ik loop die magische ultieme afstand. Zoals de ex-klimmer zich echt een ex-klimmer voelde, zo voelde de klimmer zich weer Klimmer, hij die omhoog gaat en die gloeide van binnen en steeds rechter strekte hij zich, onmerkbaar was zijn tempo omhoog gegaan en betrapte hij zich erop te zingen:
‘It ’s a dark night and it ’s lonesome, the moon gives no light’. 

 Het uitspansel in tere lichtblauwen die verliepen van turkoois naar een bijna geel vlakbij zee, leek te deinen en alsmaar hoger te worden. Een scholekster kruiste zijn pad, razendsnel trippelend op hoge rode poten met een trappelend krabbetje in de snavel. De klimmer zag dit alles niet. Hij worstelde, hoever was het nog, vier meter? De reddende rand met het relais. Voelde hoe de kracht wegvloeide, de verzuring kwam op. De enige remedie was snel doorgaan, geen acht op slaan. Taste nogmaals rechts, zocht naar iets van grip. Korrelige randjes, net te klein, aflopend. Vlug terug, hij greep het setje, rustte, probeerde het althans. Hijgend likte hij langs zijn lippen, kurkdroge mond. Hij herhaalde nogmaals dezelfde moves, met minder overtuiging. Rustte weer, nog langer. Dan toch maar die ene voet links en ver omhoog, uitdrukken, draaien tot het rubber zich vastgreep, zoog aan het steen. Rechtervoet op het minieme steentje en stootte, echt heel hard, zijn knie. Rechts hoog pakken nu, graaien, ja iets van grip met twee vingers en links is daar dan toch opeens een bak voor vier hele vingers. Linkervoet schoot weg maar dat gaf niet want de flow was terug en met vloeiende bewegingen bereikte hij de standplaats, klikte zich, met toch iets van opluchting vast.

De grijze streep van de stilliggende weggeëbde zee verbreedde zich en een licht ruisend mummelen drong zich op. Glimlachend zag de klimmer, herintreder, levendig voor zich hoe hij door de straten wandelde, terug van grote hoogten. De mondaine stad met rijke Japanners en andere toeristen die droomden van diezelfde hoge bergen. Hoe hij nonchalant een ijsje, cappuccino of nee toch maar meteen een halve liter Paulaner wegklokte. Die diepgevoelde vriendschappen en het blindelings vertrouwen op z’n klimmaten, eerlijk en intiem, hoe had hij daarvan afscheid kunnen nemen. Keek nog een keer om, hoewel hij wist dat er niemand was. Trok zijn kleren uit en stapte het koele water in, over de traag dalende bodem die troebel opborrelde en het water ondoorzichtig maakte. De vriendelijke en langzaam omvallende golfjes die hem omarmden en de zon die nu doorbrak met schuine stralen en het water tot aan de lage einder deed oplichten en zo wilde hij het hebben.

zie Ex-klimmer: https://wp.me/p4CCMR-yZ

Ooh, ooh, ooh

Ooh, ooh, ooh
Dat, en minder mooie woorden borrelen geheel vanzelf in mij op. Dus toch. Het vertrouwen in mijn Engelse ‘quick erected’ tentje was al danig afgenomen. Bij de laatste trip leek de binnenzijde van het doek wat aan het wegrotten. Thuisgekomen zette ik de tent op in de tuin, en de straffe straal van de tuinslang erop. De test slaagde.

Nu dwing ik mezelf weer eens voor te klimmen. Die ‘voorklimangst’, die moet ik kwijt. Over een maand hoop ik routes te doen, hoog in de Franse Alpen. ‘Modern Times, ‘Mani Puliti’ en misschien zelfs ‘Maudits Bl’ Héros’. Multipitch climbing; routes met meerdere, of zelfs vele touwlengtes. Chamonix in de diepte, aan de overkant de Mont Blanc. Bart, Eveline en ik op Aiguille Rouge, een droom die eindelijk uitkomt. Nu eerst de werkelijkheid in de vorm van keiharde, soms wat glad afgeklommen Belgische rots.

Massief Beez, secteur Centenaire. We zijn met achttien klimmers, ik ken er acht. Gaandeweg herken ik er nog vier (die helmen…) uit de klimhal. Robert en ik doen een paar routes die allen ‘Sans Nom’ heten, die ik daarna voorklim, inderdaad, makkelijk. Een hagedisje klimt gelijk met me op, steeds vragend achterom kijkend: zeg hé, kom je nog? Ja hallo, ik moet nog even een setje inklikken. ‘Sound of music’, ‘Toto Coelho’, ‘Bananarama’, iets moeilijker en dan ‘La Bibiche’, te moeilijk, voor mij dan. Bekende namen inmiddels. De zon schijnt warm op de rots, de voorspelde regen blijft uit. Af en toe raast een trein vlaklangs. Van boven is er mooi zicht op de Maas. Wij verkassen met z’n tweeën naar een andere secteur, ‘Jonction’. Na ‘Crocodile Dundee’ klim ik ‘Eve-Line’ voor. Het is broeierig warm en van het laatste stukje, glad en heel licht overhangend zweet ik. Ik zweet! Plots verdwijnt de zon en er komt wind. Op het relais maak ik stand met mijn nieuwe gadget, standplaats- en abseilschlinge in één. Zeker Robert na met mijn nieuwe reverso en voel de eerste spetters. In de aanzwellende regenbui bereiden we de abseil voor. Gehaast, maar zonder fouten te maken. Een korte felle bui en het is klaar met klimmen. Wandel- en goeiegesprekkenmaatje Eva neemt afscheid en gaat naar huis. Helaas, geen goeiegesprekken vanavond.

Ooh, ooh, ooh. Tijdens de volgende bui blijkt mijn tent lek. Eerst een plekje, dan aan de andere kant, vervolgens laat de hele naad los. Redden wat er te redden valt. Dweilen met de handdoek en de theedoek. Alles op het ultralight matje, dat past eigenlijk niet. Tijdens de BBQ, kliminstructeurs blijken ook uitstekend te kunnen BBQ-en – hamburgers, worstjes, geitenkaas in spek en het hoogtepunt; banaan met chocolade (eens at ik ook de geBBQ-de bananenschil op, dat bleek niet goed) – komen er doemscenario’s voorbij. Dat ik vannacht moet vluchten uit mijn blankstaande tent. En hoelang die nacht zal duren, hier onder het afdak bij de BBQ. Hoe lang is het geleden, dat ik wakker werd in een plas water? Of de nacht doorbracht in een bushokje, in een park of zomaar ergens achter een muurtje? Die kou, die weet ik nog.

Klimmaat Robert verleent mij gastvrij onderdak. ‘That’s where klimmaats are for….’ Het regent heel de nacht, gestaag en soms hard. De camping, la Cascade de Jausse doet haar naam eer aan. De naburige waterval begint steeds harder te ruisen. Ondanks Robert’s inmiddels alom beruchte decibelsnurk slaap ik goed. Geen stress om voortdurend de tent en het grondzeil te moeten checken. Duncan Laurence met zijn lied ‘Arcade’ en het aanhoudende ‘Ooh, ooh, ooh. Loving you is a losing game’ wat dagenlang in mijn hoofd rondzong, blijkt die avond het ietwat rare festival te winnen. Niets van gemerkt.

Mijn geliefde tentje, dat zich razendsnel liet opzetten en afbreken, prop ik als een natte dweil in zijn hoes. En met een inwendige snik laat ik hem vallen in de grijze waterdichte afvalcontainer van de camping.

Blessed

‘Blessed are the one way ticket holders’. Soms betrap ik me er op dit soort zinnen te zingen, half geneuried, onverstaanbaar, zodat Eega vraagt:
“Wat zeg je?”
Deze, maar ook vele andere strofen uit de songs van Joan Baez. Alle momenten, dat ik vroeger naar de hoezen van haar elpees staarde, bij elkaar opgeteld, moeten dat uren zijn geweest. Nu pas, nu ik haar Google, zie ik dat, toen de Elpee Vol.2 werd opgenomen, ik nog maar tien jaar was.

Tim Knol, die knakker uit Tukkerland komt opeens langs met fantastische Bluegrass muziek, Country & Western-achtig, sneller en hoog gezongen. Herinnert me aan de tijd dat wij ‘into‘ folkmusic waren. The Flying Burrito Brothers, The Dubliners, de Nederlandse band CCC inc. Alles vervlochten met en beïnvloed door ons ideaal beeld van het hippie-dom. Zagen films als Easy Rider, Woodstock en liftten naar Isle of Wight. Hoopten nog iets te vinden van de sfeer van the Isle of Wight festival waar Joan Baez optrad met Bob Dylan. Net te laat geboren, would-be hippies als we waren.

‘Blessed are the midnight riders.’ Blessed zijn de muziekliefhebbers. Zij die op reis gaan, reizen door hun muziekgeheugen. Hoe mijn broertje en ik naar Commander Cody and his Nashville Friends gingen, country rock, in Musis Sacrum, Arnhem en hoe wij met z’n tweeën de zaal afbraken. Hoe ik met mijn vriend Harry, Tom Waits zag optreden in hotel Americain, Amsterdam; onvergetelijk. De elpees van Bob Dylan werden grijs gedraaid en de onbegrepen teksten zongen wij fonetisch mee. ‘Blowin’ in the wind’ tot vervelens toe, dagelijks met m’n broertjes tijdens de afwas. Beatles films als ‘A hard days night’ en ‘Help’ in een andere periode. ‘Yesterday’ zong ik toen al, nog heel jong. Later prefereerde ik de versie van Charles Aznavour. Nu hoor ik die zelfs liever in het Frans: ‘Hier encore’. Tot verbijstering van mijn dochters bekende ik dat op mijn jongentjesslaapkamer destijds een poster hing van Rob de Nijs. Met zijn ‘The Lords’, allen in smoking. Overigens, ernaast hing Sandy Shaw. Die kenden de dochters dan weer niet. Hoe alle Nederlandse bands als Brainbox, Super Sister, The Shoes, Cuby & the Blizzards optraden in het naburige dorp. Hoe wij ‘s nachts als bezetenen dansten in de muziekkelders in Nijmegen, of met mijn vriendin Marja als enige blanken in de souldiscotheek aan het Damrak. Of gebiologeerd door mijn eigen dansende schaduw op de staldeur van het schuurfeest. Of onder de volle maan, in het water van het Veerse meer.

Het Bimhuis, centrum toen voor improviserende jazz, in een obscuur zaaltje achter de Amsterdamse wallen, de intellectuele levensfase. Chicagoblues, breedlachende zwarte muzikanten in glimmende pakken in het Rotaanhuis, down and out at night. Lazy Sunday afternoons, in het Vondelpark liggen met het Festival of Fools, Jango Edwards en het werktheater. The Stones in Ahoy met Mick Jagger onder handbereik.

‘Blessed are the blood relations’. Het is vroeg en zondag, Eega slaapt nog en in de ontplofte logeerkamer weet ik een dochter, ook diep in slaap. De zon schijnt door de halfopen schuifpui en verwarmt m’n blote voeten. Hoe gelukkig kun je zijn, wanneer je kind dat je ver weg waande, in Zambia of Botswana, opeens voor je staat en drie weken blijft logeren. Joan Baez klinkt op de achtergrond met ‘Diamonds and rust’.

‘Rain will come and winds will blow.’ Nog zo’n zin die soms opeens uit het niets opkomt en min of meer verstaanbaar door de keuken galmt tijdens het stofzuigen.

‘Sans Issue’

 

Harry weet hier de weg, dat is duidelijk. We zitten al even op de stille buitenweg, de N158. Met hoge snelheid door onoverzichtelijke bochten. Dat kan, het is donker en eventuele tegenliggers zie je nu aankomen. De zwarte Volvo ruikt de stal: gas! De D895 op, ik begin het te herkennen. Niet rechtsaf naar Alprat maar links, D231. Steeds kleiner worden de weggetjes. Bordjes flitsen voorbij, Bellevue, Le Priou, zoef, daar stond het. Rechts aanhouden, La Grange Picassoux, Le Priou rechtsaf, ’sans issue’. Ja, dit is het, het weggetje, oja, de watertoren. We zijn er, er brandt licht, net boven het bollende weiland. Josette wacht op ons en de open haard brandt. Ondanks de files in Antwerpen en Parijs – de vreemde contouren van Notre Dame – toch op de aankomsttijd die de navigatie voorspelde. Negen uur rijden vanuit de drukke Randstad naar de leegte van departement Charente.

Op m’n sokken sluip ik de zolder af om Harry niet wakker te maken. Meteen maar een rondje om het huis, alles is er nog. De oude muren, verweerde deuren, schuren vol drogend stookhout, maar bovenal de stilte. Wat een rust.

Met Mi-lou wadend door het hoge gras voor een eerste verkenning. Eerst naar de buxus, vier jaar geleden met liefde door haar geplant. Dood, hartstikke dood. Aan de andere kant is nog een buxusheg, een oude, tussen de wei en de wijngaard. Dood, maar hier woekert de meekrap. Meekrap? Wow, wat leuk, zo vaak gehoord vroeger, dat woord, nu zie ik het voor het eerst. En ik voel het, inderdaad, akelig spul. Verder, de ceder, een grote statige boom, ook doodgegaan. Langs het schapenweitje, waar, na vele jaren maaien dusdanig verschaalt, nu bloemen bloeien en orchideeën en gebrande orchis. De fruitbomen waarvan ik de vorige keer, in september, dacht dat ze dood waren, zijn fris lentegroen en al uitgebloeid. Alleen de kweepeer bloesemt nog. We dalen het holle weggetje af naar de beek, nieuwsgierig gevolgd door een kuddetje jonge koeien. Om de poten te breken dendert nog zo’n clubje aan de overkant enthousiast de heuvel af. Terug over een dichtgroeiend paadje horen we de nachtegaal. Beter gezegd, Mi-lou hoort het:
“Dit, en dit, dat is een nachtegaal’.
En verderop nog een, mooi.

Die middag begrijp ik waarom plantsoenwerkers zo vaak op hun schoffel leunen en in dit land nog vaker. Spitten, het is niet te doen, die grond zit vol stenen. En zit er geen steen, gaat het ook niet. Inspectie van de septictank, de deksels moeten vrijgemaakt, graven maar. Boven ons cirkelt een buizerd – Mi-lou ziet alles – en veel hoger, nog een.

Naar de Bricolage voor een houtkachel. De badkamer moet warmer, de elektrische kachels voldoen niet. Een sterke knaap van het walhalla wat zo’n Frans tuincentrum is, deponeert de zware kachel zo op de achterbank van de auto. Een constante warmte is belangrijk voor Josette. Zij brouwt, of is het stookt, in ieder geval fabriceert allerlei sterke drank. Van fruit uit eigen tuin, bomen nog geplant door monsieur Vincent, of zoals op het hekje staat: 20-100. Stapels stookhout in de wei mag ik naar de houtschuur bij het huis kruien. Prettig, weer eens lichamelijk bezig te zijn. Bovendien, je wordt hier zo verwend, de maaltijden zijn een feest, want Frans en bijzonder.  Blij dat ik wat kan doen, me nuttig maken. En er zit systeem in de stapels hout, labels vermelden keurig van welk jaar ze zijn.

Een proeverijtje noemt Harry het. Vanavond wit, staand rond de tafel met het gebloemde zeil gaan de glazen rond, ik probeer verschil te ontdekken. Vinoloog wil Harry worden. En zoals het is met alles, wat je niet kent, de diepere lagen kunnen diep zijn. Om iets van wijn te leren kennen, moet je studeren. En proeven en dat doen we. Bij de lunch, bij het diner en daarna. En nog later komen de kleine glaasjes van Jo. Eau de vie. Pastis, wat ik Pernod noem, ik zie de gele driehoekige asbakken voor me wanneer ik het proef, heerlijk en zacht. Josette, de alchemist van de Charente. Er knapt een tak in de haard en het portret van monsieur Vincent met zijn haan Antoine kijken zwijgend toe.

De septictank wordt goedgekeurd, de geiser gerepareerd, de kachel brandt, alles lukt vandaag. De loeizware schuurdeur terug in zijn scharnieren gehefboomd, ook dat gaat goed. Ik ga nog even het cement checken wat ik de vorige keer onder de pannen smeerde. Volgens Marcel op het operafeest van Harry:
”Verdomd daar heb je hem, de diehard metselaar”.
Het zit er nog en keihard, niet weggepoeierd. Later vallen Harry en ik binnen bij Anna, in Alprat heeft zij sinds kort een galerie. Ik vond haar al iets artistieks hebben, ze maakt prachtig werk, aquarellen en schilderijen met collages. Tevens bezichtigen we het huis, met de kelders en de tuin, waarin de fraaie kerk van Alprat omhoog torent. Ook dit huis ademt sfeer, dat specifieke Franse.

Er zijn wilde plannen, het groene huisje gaat iets groter worden. Heel veel groter, de gigantische schuur wordt verbouwd. Hopelijk houdt de enorme balk die plotseling is doorgezakt het nog even vol. Het zijn hele wilde plannen.

Mi-lou en ik ontdoen de rij essen in de wei van hedera, de klimop, die als je even niet oplet tot in de kruin groeit. We worden geroepen, buurman Freddy is op bezoek. Met een heerlijke fles Rince Cochon, Belgisch bier uit Oudenaarde. Een al even heerlijk stadje waar het fantastische museum van de geweldige Ronde van Vlaanderen is. Ieder heeft zo zijn interesses. Daarna maakt de zaagtafel in hoog tempo behapbaar hout voor het nieuwe kacheltje. Hoe leuk is het om op de plee te zitten, starend in de vlammen naast je.

De laatste avond wordt de tafel extra mooi gedekt. Anna en Christof komen eten. Er wordt witte wijn geschonken en rode wijn. De maaltijd smaakt uitstekend, Christof vertelt over zijn dagje naar Parijs en hoe er geen belangstelling was voor zijn oude jaargangen Paris Match. Over Jardin de Luxembourg en Rue de Rivoli en meteen krijg ik weer dat speciale gevoel, noem het heimwee. En de glazen mogen niet leeg zijn, rode wijn. Zondag is het markt in het dorp, dat gaat druk worden. Jammer, wij vertrekken toch weer te vroeg.

Sloot ik vier jaar geleden m’n verhaaltje af met de scene dat vier biologen vertederd keken naar een gevonden egeltje, nu kijken we verschrikt naar een toornslang, die vlak voor de voeten van Harry wegkronkelt. Tijdens het ontbijt, roep ik, zoals Freek Vonk:
“Kijkkijkkijkkijkkijk!”
Ik zie een reetje, ze lijkt over de heg naar binnen te kijken. Iedereen stormt naar buiten. Net als bij de avondmaaltijd, wanneer Josette de zon vlammend ziet ondergaan, het golden hour.

Alles is nog in diepe rust, ik verlaat stilletjes het huis. Sluit het blauwe hekje van ferme Vincent en loop het weggetje af. Nu pas valt het me op dat het daalt en blijft dalen, tot aan het dorpje Alprat. Langs het bordje ‘sans issue’. Het is ochtendfris en weer valt me de totale stilte op. Nou ja, heel ver weg blaft een hond. Even denk ik dat er regen aan komt. Het is, ook ver weg nog, een auto, die me wat later voorbij raast. Bijna jammer dat ik geen stress meer heb, als je die hier niet kwijt raakt. Wat een prachtig tekstje, mijmer ik: dat ‘sans issue’. Veel mooier dan ‘cul de sac’. Het heeft hier een driedubbele betekenis. Het modieuze: “Ja, dat is wel een issue”. Die heb je hier niet, als je al kwesties had, zullen die hier in Le Prat snel verdwenen zijn. Letterlijk vertaald staat issue voor resultaat. Het bordje lijkt te zeggen, zinloos dit weggetje in te gaan.

Vlak voor het dorp keer ik om en het is goed te merken dat Le Priou op een traag stijgende heuvel ligt. Een heel fijn regentje begint te vallen, het lijkt of het nog stiller wordt. Vlak voor me dwarrelt een takje naar beneden, het doet me opkijken. Een valk zweeft vanuit de boom geluidloos naar het dal.

De zegen van muziek

Alweer diezelfde sterreclame. Wat is dat voor muziek, met die intrigerende zangmelodie. Bij de witte Volvo XC40 – de wat vervreemdende sfeer en die vrouw met een profiel waar dat van de auto in is te herkennen. Het is ‘My favorite things’ uit de Sound of Music, door de Zweedse singer-songwriter Jenny Abrahamson. Het blijft lang in mijn hoofd hangen maar op een prettige manier. Zoals ook dat van ‘onze’ inzending aan het Songfestival straks. Vraag me geen namen, zanger of titel, de sound is lekker.

De lage zon schoof warm en langzaam door de auto die rustig de kronkelende weggetjes nam. Voorin zaten mijn vrienden Bram en Carlijn, we spraken niet. Moe en voldaan waren we, na een weekend klimmen op harde Belgische rots. Vol schalde een mij onbekende extended version van ‘Brothers in Arms’ door de auto. Alle drie waren we gelukkig. Op dat moment wist ik het al, dit is weer zo’n moment, dit blijft je bij. Hoor je dit nummer jaren later weer, denk je hier aan terug. Het wonder van muziek. Die je kan raken. Het toeval, ik zit wat op Youtube muziek te kijken. Een van de zangeressen uit het achtergrondkoortje speelt opeens mondharmonica, en hoe! Wie is dat? Indiara Sfair, ze tovert blues uit dat kleine mondharpje op een ongelooflijke manier. De zegen van muziek. Die ook een vloek kan zijn. Dagenlang zong mijn vriend Wim: “Alle duiven op de Dam”, als een mantra, die ene zin.

Wat zou ik graag eens los gaan op een drumstel, in een geluiddichte kamer. Ik weet zeker dat ik het kan. Denk ik. En moet ik het hier nog hebben over mijn liefde voor Carlos Santana? Muziek kent zoveel emoties. Verbonden aan herinneringen. Het kippenvel, de opwinding, wanneer dan eindelijk, eindelijk na lang wachten en met opgebouwde spanning bij een live concert, de eerste tonen klinken van ‘Angie’, de Stones of het kenmerkende gitaarrifje van The Edge, U2. Of wanneer vriendin Eefje met haar heldere stem weer een nieuw nummer heeft ingezongen op Soundcloud.

Het duurde een tijdje voordat ik het begreep, toen mijn vriend Harry me liet luisteren naar Reggae. Een half mensenleven later wil hij me laten kennismaken met opera. Ik sla zijn uitnodiging voor een concert af; niets voor mij. Tot gisteren, ik ben bekeerd, ik ben om, nu begrijp ik het. Harry was jarig, hoewel ik hem dus al, zo lijkt het, mijn hele leven ken, weet ik niet eens zijn verjaardag. Hij bereikte een bepaalde leeftijd en dat moest gevierd, groots. Boven in het bloedhete zaaltje van The Movies had iedereen zich verzameld, het stond eigenlijk te vol, niemand had afgezegd. Opera per Tutti trad op. Een trio van sopraan, mezzo sopraan en een tenor en een piano. Op een meter afstand van mij zong Mylou Mazali in een gouden japon, gepassioneerd en op volle operasterkte het eerste lied. Verbijsterd en aan de grond genageld kon ik niet anders doen dan, tja, het was meer dan luisteren, me laten overweldigen. Plots draaide ze zich naar mij en toastte met me, de welkomstchampagne in mijn hand. Totaal overrompeld keek ik in haar ogen van smaragd, met goud omrand.

Stukken uit Carmen, La Traviata, Eliser d’amore werden gezongen. Sommige bleek ik zowaar te kennen, zoals Il Barbiere di Seviglia. Het Casta Diva, Norma uit Bellini, wat ook Maria Callas zong, zo vol van drama. Ik liet me meevoeren op de golven van gevoel, verstaanbaar is opera niet erg. Ik voelde humor en verdriet, sensualiteit en wanhoop, liefde. Vergat de heftige spierpijn in mijn lijf, kon bijna niet meer staan, na een dag intens klimmen in de ijskoude wind, die gisteren om de rotsen van Freyr had gehuild. En hoe ik het ook probeerde, slikte en vocht om mijn ogen droog te houden, toen na afloop Harry, met verwrongen gezicht en natte oogjes Mylou omhelsde en bedankte, het lukte niet.

Je bent niet alleen

De suppoost had wel gelijk, hij adviseerde me eerst tot rust te komen alvorens de zaal binnen te gaan. Pas toen ik, na de eerste sensatie, de foto en de selfie, de koptelefoon opdeed daalde er een rust over me neer.

Natuurlijk weer te vroeg vertrokken, dwaal ik door Schiedam. S’dam volgens gele posters. Over de stille Schiekade, waar het water hoog staat en een dikke plak Plastic Soup klotst, door het steegje waar ik een eeuwigheid geleden, steeds enkele dagen doorbracht in de studio van Paul. Toen nog beginnend, nu beroemd modefotograaf. Het blijft nog steeds te vroeg, ik cirkel om het Stedelijk Museum heen en beland in een overdekt winkelcentrum. Zo een waar gemiddelde winkels zich verzamelen en waar muziek zachtjes uit de luidsprekers kwijlt. In de verte ontwaar ik iets, zit al in de ‘kunstmodus’, wat zich bij mij, gepassioneerde pensionado, binnendringt als Kunst. Het is een levensgrote paashaas met een hel aan flikkerlichtjes. Stond deze installatie honderd meter verder, in een witte zaal, dan was het; Kunst.

Het is bijna Pasen, in Dordt vindt binnenkort een ander schouwspel plaats; The Passion. Wie kent het niet, je houdt ervan of je haat het. Hoewel haten in dit verband niet het fijnste woord is. Hoe dan ook, het is er voor iedereen, goed bedoeld en met een prachtige slogan, voor tweeërlei uitleg vatbaar; ‘Je bent niet alleen’. Is Kerst wat verkermismiseerd met de – overigens gezellige kerstmarkten ed. – zo is Pasen dat met die ‘Passion’ toch niet.

Vijf minuten te vroeg check ik mijn Museumjaarkaart in. Neem de kortste weg en jawel, ik ben de eerste. Aan wachten heb ik een pesthekel. Het is mogelijk om helemaal alleen in een zaal te zijn met het schilderij ‘Grey, Orange on Maroon’. Zijn er wachtenden, dan klopt de suppoost na tien minuten op de deur. De schilderijen van Mark Rothko schijnen emoties op te roepen. Mensen gaan ervan huilen, beleven bijzondere sensaties. Emotioneel wrak als ik ben zijn mijn verwachtingen hoog gespannen.

Het zaaltje is verduisterd, buiten dreunt een vuilniswagen langs. Met de ontdekte koptelefoon wordt het stil en ik probeer het te laten gebeuren. Gedachten uit te bannen en alleen maar kijken. Het is een groot doek, blauwgrijs met daarop twee kleurvlakken. Speels geschilderd waar de ondergrond doorheen schemert. Het bovenste vlak een blauwigpaars, het hangt dreigend boven het onderste wat kleiner is, langwerpig in oranjerood. Nu zie ik pas dat er een schaduw hangt, onder dat oranje. Hier zit ik dan, eindelijk. Voor me een echte Mark Rothko. Geboren Rus, Rothkowitz, later naar Amerika gegaan. Apparatski, dat woord dringt zich bij me op, altijd als ik iets Russisch hoor of zie en ik moet daar om glimlachen. Hoe lang zit ik er nu? Hoor ik die suppoost wel kloppen, zo met de koptelefoon op? Tien minuten lijkt me best lang. Dan hoor ik iets anders, in mijn hoofd zing ik; “To be alone with you”, van Bob Dylan. Van de elpee ‘Nashville skyline’, een titel alleen al die meteen allerlei beelden kan oproepen. Maar dan opeens, het oranjerode vlak maakt zich los van de ondergrond en zweeft op me toe.

In de museumwinkel vind ik een kinderstripboek, geïnspireerd op de Rothko schilderijen. Dat boek is voor mij, een nieuw idee, met mijn lieve kleindochtertje niet alleen naar de kinderboerderij en naar de klimhal, nee, kleuren en schilderen gaan we!

Terug naar de trein, loop ik middenover het vreemde plein, het Stadserf, met de welhaast fascistoïde gevels aan beide zijden. Leegte, er is niemand, nou ja, aan het eind een gemeentewerker met een irritante bladblazer. Het stoort me niet, in mijn hoofd zingt het:
To be alone with you
Just you and me
Now won’t you tell me true
Ain’t that the way it oughta be
To hold each other tight
The whole night through
Everything is always right
When I’m alone with you

 

Pressure

Help, het is zover, de Kärchermaffia is terug. Net terug uit stiltegebied Noorwaard overvalt dat des te meer. Een eerste vroege voorjaarsdag en hup daar gaan we weer.

Nu zijn er meer overlast veroorzakende hobby’s, in dit overigens vredelievende buurtje. Voor sommige kan ik, als ik goed m’n best doe, nog wel enigszins begrip opbrengen. Zoals daar zijn, het melken van duiven, het roken van zware sjekkies en of barbecues, het houden van honden en het laten meegenieten met de tuindeuren open van lieden zoals Kroes, Duits en Alberts. Maar dat domme gespuit, onder hoge druk, van elk randje, kiertje, boven-, onder- en achterkantje van alle tuinmeubelen, schuttingen en vlonders, wat is dat toch. Die gekte, ook nu weer, op dit moment, het is vroeg, zondagochtend. Op ditzelfde moment wordt het werk aan de overkant van het grachtje hervat. Hoge druk. Ja, voor je zenuwen zeker.

Het zal aan mij liggen. Ik ben de beroerste niet, Tolerantie is m’n tweede naam. (hoewel)
“Erger je toch niet zo!”
roept mijn Eega, wanneer ik naar binnen vlucht. En probeer me vast te houden aan het credo van mijn broer: ‘Ergert u niet, verwondert u slechts’. Ik ga hulp zoeken. Wil het zo graag begrijpen, wie kan me dat uitleggen. Wat is er toch zo leuk aan. Echt, ik ben ruim van begrip. Bezocht laatst de ‘Pindakaasvloer’ van Wim T Schippers in het Stedelijk museum van Schiedam. Zelfs dat begrijp ik volkomen. Ik kan er niet meer tegen. Ik ga koffie drinken. Naar dat hutje op de hei, of liever nog, op het strand.  Waar dan niemand is, want er moet gespoten worden.

Morgen koop ik ook een gele Kärcher, eentje met veel vermogen. Spuit die vent van z’n terras, zo vanaf mijn balkon, vanover de gracht. Spuit hem zo door z’n schuifpui. En dat dan drie keer. Ik las eens, op bezoek bij een vriendin, een sticker met de tekst; ‘als u hier niet rookt, laat ik geen wind’. Ik maak geen lawaai, ik niet. Mens, kerger u niet.

In dit land houden we niet van verbieden. Liever tolereren, gedogen we. Graag wil ik, met die gedachte achterin, een voorstel doen. De ‘Warme Truiendag’ hebben we net gehad. Misschien kan die leuk opgevolgd worden – tijdens die truiendag is er toch zo weinig energie verbruikt – met de HDS, de HogeDrukSpuitdag. Gewoon, één dag in het jaar mag er gespeeld worden met die gele dingen. En dan loof ik een prijs voor diegene die de leukste naam verzint. Iets in de trant van ‘Landelijke Kärcherdag het Nationale Spuitfestijn’. De prijs, u raadt het al, een bezem.

 

Barre Midwintertocht Light+

Het was zover, het laatste weekend van januari. Traditioneel, hoeveel jaar al, het weekend voor mannen (vrouwen ook), diehards, die geheel vrijwillig een nachtje in de sneeuw gaan liggen. Ergens, verscholen in de bossen van de Hoge Venen wordt men geacht, na een flinke wandeltocht, de nacht door te brengen. Het hoogste punt van België, sneeuw vrijwel zeker gegarandeerd. Mits voorzien van goed spul, Goretex bivakzak, dikke slaapzak, warme kleding etc. is het genieten. Zoniet kan de nacht, de tocht lang duren.

Dit jaar vonden de organisatoren het mooi geweest. Misschien waren er anderen die het wilden voortzetten. Toch, tijdens de Kerstdagen begon het te kriebelen. Altijd die eerste vrijdag na de Kerst, de voorbereiding, zoeken naar een geschikte bivakplek, route uitstippelen, coördinaties vastleggen, dat was zo leuk. Met de vrienden op stap, eitje bakken op de brander. Ze deden het gewoon weer, dichtbij, in gebied Oeverlanden Hollands Diep.

Het laatste weekend van januari. De webcam van Baraque Michel geeft aan: tien centimeter sneeuw. Helaas, daar zijn ze niet. In Regio Rivierenland is het ook wit, vijf centimeter. Op de stranden van Schouwen Duiveland ligt nog minder sneeuw. Hier is het rond het vriespunt, stevige noordenwind tegen maakt het ietwat ‘barder’. Hier geen veenpollen, of eindeloze hellingen zoals in de Hoge Venen, maar mul zand, afgeslagen duinen en een zee die ver is weg ge-ebt. En: nu ze er toch zijn, ze ruimen meteen op. Met vijf man is de grote plastic zak zo gevuld, veel blauwe touwtjes, een werkhandschoen, teenslipper, ontelbare flesjes, halfvergane plastic zakken. Gelukkig staan er steeds meer afvalcontainers bij duinovergangen; lossen!

Eindelijk beschutting in de Meeuwenduinen, tijd voor:
“Als we eieren hadden konden we eieren met spek bakken als we spek hadden”.
Daarna de Boswachterij, nog eindeloos door dat vreemde bos, waar je de zee hoort ruisen. Overnachtingsplaats is het Vogel Vangstation. Een van hen heeft daarvan de sleutel. Dit opent een geheel nieuwe wereld, misschien vangen ze daar weleens een vogel? Neen, soms wel tweehonderd op een dag, met zeer geavanceerde apparatuur. De hele vangst wordt gearchiveerd, geringd en weer vrijgelaten, alles voor de wetenschap.

Voor het echte BMT gevoel kiezen er twee voor buitenslapen in de bivakzak. Binnen, in het kleine zwartgeteerde houten hutje heeft de houtkachel de temperatuur inmiddels opgestookt van nul graden bij binnenkomst tot vijfentwintig nu. In de schemer van de vroege ochtend streelt een kille zeebries de blote billen. De wc is mobiel, een houten kist met bril boven een gegraven gat. Een verfrissende ervaring, midden op het vogelvangterrein. Die oplichtende oogjes daar in het bos, is dat een ree, of toch een wolf? De terugtocht naar het startpunt, richting Brouwersdam is nu met wind in de rug. En iets korter, niet meer de ruime bocht over het strand. En dan blijkt het te kunnen, ook hier is de bewoonde wereld ontwijken goed mogelijk. De laatste restjes sneeuw zijn verdwenen, het was net ver genoeg, BMT light+. Dat plusje staat voor; een stukje opgeruimd strand.

 

Freerider

Soms, heel soms blijft een film hangen, een film die je gerust nog eens wilt zien. En jaren later nogmaals. Een film die beklijft, die misschien zelfs je leven kan bepalen, een mindchanger. ‘Easy Rider’, de roadmovie over twee hippies op hun chopperbikes, heel lang hing een iconische foto van hen aan je kastdeur. ‘Woodstock’ maakte indruk, ‘Sophie’s Choice’ en ‘Toughing the Voide’ met Joe Simpson.

Free Solo. Wat een film, eigenlijk een documentaire, zelden was het zo spannend. Terwijl je weet dat het goed afloopt, hij valt niet. Al tijden volgde je hem, Alex Honnold. Steeds weer doken nieuwe filmpjes op, solo beklimmingen op indrukwekkende wanden. Vroegtijdig werd er promotie gemaakt voor deze film en je wist: die moet ik zien. De route Freerider, 950 meter, solo, zonder enige protectie. Je dacht voorbereid te zijn, dat worden spectaculaire beelden. Je zag al vele foto’s en films van eerdere beklimmingen. En van anderen: Lynn Hill die, vijfentwintig jaar geleden, als eerste El Capitan deed in een dag, freestyle. Hoe vaak bladerde je door haar boek, ‘Steeds Hoger’, staarde je naar de foto’s hoe zij The Great Roof beklom. Onze eigen Jorg Verhoeven die de extreem moeilijke Dehidral Wall deed op El Cap. Ueli Steck, ‘the Swiss Machine’, je woonde zijn presentatie bij, humorvol en met ijzingwekkende beelden. Nog geen jaar later verongelukte hij dodelijk op de Nuptse. Leo Houlding met zijn krankzinnige beklimmingen en basejumps. Je dacht wel wat gewend te zijn, al zoveel gezien.

‘What if he falls?’, de minidocumentaire van de making-off gaf al aan, dit wordt anders. De angst van de filmploeg in beeld gebracht. Niet eens over hoe ze zelf daar hingen, honderden meters lucht onder de voeten. Maar hun angst over Alex, het kleine figuurtje dat, uitgezoomd, vanaf de grond amper zichtbaar is in de enorme wand. Als simpele hobby-klimmer weet je wel wat. Klimmen op wrijving, hoe dat voelt, alleen door dat kleine contactpuntje van schoen op rots. Amper te begrijpen hoe Honnold dat kan, die eerste honderden meters in ‘The Freeblast’. Je zag hem steeds vallen, aan touw oefenend, puzzelend hoe ‘The Boulder Problem’ moest worden opgelost. Met zeventien ‘moves’ op tweederde van de route. Honderd procent geconcentreerd, in een flow, een cocon, komt hij er doorheen. Achterover liggend in het zachte bioscooppluche veeg je je drijfnatte zweethanden maar weer droog aan je broek. Het is nog veel spectaculairder, en de route veel moeilijker dan je je had voorgesteld.

Dan, voor het eerst, lacht Honnold naar de camera, he did it! Kennelijk toch ook opgelucht dat deze passage is gelukt. Dan volgt nog de Enduro Corner. Een onmogelijke spleet, waarin hij zich verklemmend omhoog wurmt en waar geen einde aan lijkt te komen. Die eindigt met slechts ruimte voor enkele vingers. Je gelooft je ogen niet, hoe hij gewoon doorklimt, ijzig kalm. De muziek stijgt naar climaxhoogten, hij is er bijna. De laatste meters doet hij op een drafje. Beelden uitzoomend vanuit een drone. Een klein poppetje kijkt relaxt omlaag, langs de nagenoeg verticale rots, het groene bos in de diepte. Het weerzien met zijn vriendin, hoe hij meteen weer in z’n busje hangt aan het trainingsbord, dat komt niet meer bij je binnen. Het moet even landen, terug uit Yosemite in het zaaltje van The Movies. Free Solo, wat een film, die wil je, dat weet je nu al, over een tijdje heel graag nog eens zien.