Alle berichten door dentoonder

de oude man en de oude zee

Het was op een late zondagavond aan het eind van de zomer en het was een dag geweest waarin de tijd leek stil te staan net als de hitte van de zon die maar niet kon zakken, die bleef hangen aan een hemel die in brand stond. Het kan ook een zaterdag geweest zijn, ja misschien was het toch een zaterdag, de oude man lette niet meer zo op welke dag of hoe laat het was, hij leefde van dag tot dag.
Het was ook niet belangrijk. Hij keerde terug op die avond en weer viel het hem op hoe stil het was bij zijn huis, in de luwte uit de wind. Terug van een lange dag in de zeewind, er was altijd wind aan de kust en het was goed dat de wind er was, het maakte de hitte draaglijk. Zoals altijd had hij die ochtend gekozen te vertrekken met tegenwind, westwaarts dus en de tegenwind was nauwelijks voelbaar nog, maar hij wist, het zou harder waaien straks, zoals altijd. En hij nam het voor lief dat hij het niet zou zien, dat de zon traag en onherroepelijk zou opstijgen, vanuit zee, zo leek het en de hemel ging kleuren in een lieflijke en beloftevolle roze tint, dat dat alles achter zijn rug zou plaatsvinden. Hij liep en hij liep, een eenzaam spoor in het maagdelijke zand achter zich latend.

De man had een gegroefd gezicht maar het was op een prettige en vriendelijke manier gegroefd. Het was niet door zorgen dat zijn gezicht eruit zag zoals het er uit zag, maar zo was het geworden door het vele turen en de zonuren en het turen in tegenlicht en wind en zon. Het was een vriendelijk en gelukkig gezicht maar als je goed keek en wat langer met hem zou spreken zou je merken dat het een gelukkige man was die toch, diep weggestopt een geheim met zich meedroeg, iets dat hem droevig zou kunnen maken, een verdriet dat hij verborg in het diepste van zijn ziel.

Toen de man met het gegroefde gezicht zeker wist dat het vuur goed brandde en dat zou blijven doen zodat de onderste eierkolen in zijn oude verroeste barbecue lang zouden gloeien schuurde hij met de staalborstel het ijzeren rooster schoon, automatisch en met rustige krachtige halen en als je goed keek was te zien dat hij met zijn gedachten elders was.
Nadat het schoongemaakte rooster in de kleiner wordende vlammen was teruggelegd, ontdeed hij met een snelle haal de vis van kop en ingewanden en sneed met het grote platte mes de vis horizontaal door en bestrooide de sappige witte stukken vlees royaal met zout en olijfolie en wikkelde ze in aluminiumfolie dat hij zo vouwde dat het bootjes leken met een puntje aan de bovenkant.

Terwijl hij zo bezig was vloog een schaduw over hem heen en zonder op te kijken wist de man met het gegroefde gezicht dat het Jonathan was. De mantelmeeuw, een gewone meeuw, zonder bijzondere kenmerken, zoals alle andere meeuwen die zo sprekend op elkaar lijken, maar toch, onmiskenbaar, hij wist, dit was zijn meeuw, zijn Jonathan. Vriendelijk keken de kraaloogjes naar hem, geduldig wachtend tot de restjes vis hem zouden worden toegeworpen.
Zoals hij daar zat, de kleine mantelmeeuw, met zijn witte buik onder de lichtgrijze mantel en zijn gele pootjes en gele snavel, zo rimpelloos en gladgestreken, het was een groot contrast met de oude man in zijn kreukelige verschoten kleren en zijn gegroefde gezicht.

Met het rode Opinelmes wrikte hij de kurk uit een fles witte wijn, schonk een klein mooi gevormd glaasje vol tot het bijna overliep, legde de zilveren pakjes op het rooster en trok een stoel in de schaduw. Voorzichtig nam hij een slokje wijn en op dat moment keken Jonathan en hij elkaar aan, heel even.

once upon

Need I say more, deze twee woorden zeggen genoeg, net als de eerste paar noten van die heerlijke slepende muziek. En ik kon het niet laten toen deze en andere westerns op een zender die ik normaal refuse voorbij kwamen voor de zoveelste keer te bekijken. En ze konden mij niet traag genoeg zijn.
De vele langdurige reclameblokken gaven de kijker steeds ruim voldoende tijd voor een refill van zijn glas met Jack Daniels of anders gestookte havermout. Ennio Morricone, il Maestro voor vrienden, is onlangs overleden op de leeftijd van eenennegentig, die voor een doorsnee cowboy in een spaghettiwestern onhaalbaar was, allang een keer doorzeefd in een vuurgevecht met bandieten of roodhuiden zoals ze toen genoemd werden, met Colts en Winchesters, ter aarde gestort en eenzaam achtergelaten in een gortdroog oranje landschap waar door erosie slechts eenzame zandsteenformaties overeind zijn blijven staan.

Als kind op een leeftijd waar ik van het bestaan van spaghetti nog geen weet had speelde ik al cowboy en indiaantje. Nooit, zoals ik laatst zelfs van een vooraanstaand politicus hoorde, ‘coyboy’ zeggen, het is cow, van koe, dit ten overvloede. En die kende ik al wel, koeien, toen ik als kleine jongen mijn opa hielp de koeien drijven, met een wilgentwijgje, als ze moesten drinken in de Otheense kreek in Zuid Zeeuws Vlaanderen. In die periode dat ik de theelepeltjes snel bij elkaar legde in het doosje, zodat ze zich niet zo alleen zouden voelen droomde ik nog niet van Claudia Cardinale.
Dat kwam pas later, nog na de boeken van Arendsoog en Witte Veder en daarna die van Karl May over mannen met onvergetelijke namen als Old Shatterhand en de man wiens oren werden afgesneden door de Apachen; Sans Ears. In die jaren van mijn roerige leventje dat ik mijn wekelijkse snoepdubbeltje vrijelijk kon besteden en daar tenslotte een bazooka kauwgom voor aanschafte en die nog drie dagen bewaarde, koesterde ik warme gevoelens voor het kleine schattig Indianen stripfigurenmeisje Hiawatha.

In een beetje man schuilt toch een cowboy. Dat symbool voor vrijheid, onaangepast, only the lonely op zijn paard traag verdwijnend aan de horizon, niks geen mondkapje of overdreven handengewas, iedere drie dagen schone sokken, laat staan onderbroek, een vuurtje stokend in de prairie onder je zwartgeblakerde pannetje en een slok Jack Daniels uit je drinkbottle  in de saddlebag. Die je wanneer je de woorden Anderhalve Meter durfde uit te spreken zo vanuit de heup met een enkel schot neerknalden. Van die heerlijke ongeschoren zongestoofde koppen als van Clint Eastwood, Charles Bronson en Henri Fonda. Toen mannen nog man mochten zijn. Zonder Deo.
Met paarden had ik zeker iets, op voornoemde boerderij de grote bruine ruin Nelly, die mij hinnikend begroette wanneer ik kwam logeren en ik haar zachte neus mocht kussen. En later, in ons eigen weiland de gitzwarte Friese hengst Zorro met zijn prachtige lichaam die eens dwars door de omheining brak en dochter Carol in galop achtervolgde door de hele tuin.

Liever wilde ik als kind Witte Veder zijn dan Arendsoog, ook toen al had ik mijn principes, al kende ik dat woord nog niet, ik was voor de underdog, was ook liever Sjimmie dan Sjors.  En nu moet ik aan dit stukje  een eind gaan breien, hoort u ook die langzaamslepende muziek, typerend voor Westerns met zo’n mondharmonica. Heb ik u al verteld dat ook ik diverse van deze mouthharps in mijn bezit had maar daarover next time. To be continued. Er was eens, a time in the west.

* In 2009 verscheen mijn boek ‘Cowboy in Nepal’: https://bit.ly/3eAoSsz

red me

Laat de schilder schild’ren, laat de zanger zingen,
Laat de kapper knippen, laat de rijder rijden
Laat de dichter dichten en de drinker drinken
Red me, red mij
Red me de van duisternis, de slechte nacht
Red me van de afgrond, onpeilbaar diep

Laat de drinker drinken, laat de snijder snijden
Laat de schrijver schrijven, laat de fietser fietsen
Laat die behanger met z’n Franse zanger
Red me, red mij
Red me van de ondergang, de vergetelheid
Red me van de eeuwigheid, doe het snel

Laat de klimmer klimmen, laat de lezer lezen
Laat de zwemmer zwemmen, laat de denker denken
Laat de schipper schippen, de golven golven en de wind toch waaien
Red me, red mij
Red me voor de liefde van mijn hart
Red me van de Franse kust

Laat de loper lopen, laat de drinker drinken
Laat de dromer dromen en red hem niet
Laat de vrijer vrijen tot de zon de maan inhaalt
Red me, red mij
Red me van de schaduw, de kou
Red me van de angst en het verdriet

En laat de dromer dromen en laat hem fantaseren
En laat de lacher lachen en laat de liefde leven
En red me, red mij
En laat me lopen op het strand
En vergeet mij niet, of toch ja, vergeet me maar

Tell me

Natuurlijk, hij zou naar het strand kunnen gaan. Dat zou hij kunnen doen, het was vlakbij, als  de wind goed stond kon je de zee zachtjes horen ruisen, ruiken zelfs. Die zee met het strand erlangs, waar het smal begon maar zich snel verbreedde tot een vlakte die soms lag te zinderen in de hete zon maar waar het ook kon spoken met verstuivend zand in een storm.
Nu niet, de wind lispelde hoog in de bomen langs de witte weg die naar het strand leidde en hier bij het huis was het stil en door een opening  in de bomenrij viel een schuine baan zon in de tuin die de roze rozen deed geuren en warm kleurde. Nee, hij bleef hier nu, naar zee kon altijd en hij aarzelde lang, meer bier of toch weer wijn. De bierfles blonk met grote koude druppels in het licht van de koelkast. Als hij nu de stoel naar voren schoof kon hij nog lang genieten van de zon en bij het koude bier at hij koude en zoute vis en oud stokbrood dat eigenlijk te droog was maar besprenkeld met olie precies goed. En zo zat hij hier en dacht aan haar die hij had liefgehad.
Natuurlijk, hij zou naar haar toe gegaan zijn en alles zou gewoon geweest zijn en rustig en goed en helemaal vanzelf neuriede hij met zijn mond vol vis en zout en bier:
“Tell me how you feel…”

Het strand dat hij kende met zijn steeds veranderende vorm, de lage zandbanken en de ondieptes, de duinen en de nieuwe duintjes op de grote vlakte en de muien waar met eb water in stond dat langzaam zeewaarts stroomde en dat steeds bleef doen tot het weer vloed werd. Hij wist waar de fazanten woonden en de reeën en hij kende de vogels, de visdiefjes, de strandpleviertjes en de scholeksters en de meeuwen. Soms was de vloedlijn blauw, kwallentijd.
In de boom, hoog in zijn tuin, de oude abeel waar soms een tak afbrak, koerde de woudduif die er woonde en de rode steentjes eronder besmeurde met zijn witte poep. Dat hoorde hij, onbewust, tegelijk met de harde en melodieuze zang van de fitis in de kromme hazelaar. Hoorde hij het of was hij op het strand met haar, waar de zon langzaam zakte en haar die hij had liefgehad warm verlichtte, terwijl de zee het strand kuste en waar hij haar in zijn armen had genomen en fluisterend boven het geruis van de golf die uitliep over het natte zand vroeg:
”Tell me how you feel…”

De donkere rode wijn die haar werk deed en de zon die steeds harder leek te gloeien vanonder de bladeren van de abeel op zijn voeten en zijn hoofd en verbrande borst en hij wist het, dat het pijn zou doen in zijn hoofd en overal, maar ook dat hij niet meer zou gaan, naar het strand. Want hij dacht aan haar met haar stem en haar ogen. Hij had haar goed gekend, hij wist hoe ze liep en in gedachten rook hij haar geur en streelde hij haar voeten.
Hij wist hoe ze was als ze wakker werd en uit bed kwam en met haar handen die smal waren een kop hete thee omklemde en naar buiten staarde. En als ze liep hoe haar tenen neerwaaierden in het zand zoals zeeanemonen meebewogen in de ebstroom. Hij dacht aan haar silhouet in het maanlicht tegen het raam en snel verzette hij zijn gedachten. Het strand, de zon, de zee en haar die hij had liefgehad, het was er allemaal, want hij ging nergens meer heen, achter zijn gesloten ogen zag hij alles, de transparantblauwe hemel waar witte wolkjes stilletjes verschoven maar ook het zout en het zand, blinkend op haar huid.

Hij wist dat de zee zich nu langzaam terugtrok van het strand en het zand nat achterliet en glimmend met de sneltrippelende vogels op zoek naar voedsel. Hij wist het precies, de steeds verschuivende getijden zaten in zijn hoofd als een inwendige klok en al sloeg hij weleens een dag over, of het vloed of eb zou zijn, opkomend of afgaand tij. Het zwarte hout van het oude huis was opengescheurd en straalde de opgespaarde warmte van de dag uit in zijn rug.
Op het strand schoof de schaduw van een wolk die toverde met licht en donker en oplichtende fel beschenen vlekken zand en schelpenstroken en ook op de zee, die rustig lag te golven en te blikkeren, ook daar waren donkere schaduwen.

Waltzing Mathilda

‘Waisted and wounded, it ain’t what the moon did
Got what I paid for now’
Kent u dat, soms zomaar uitbarsten in gezang, een of twee zinnetjes, onverstaanbaar, fonetisch gezongen omdat je de tekst niet echt kent. Of zoals Tom Waitz met zijn doorrookte drankstem. Gewoon op een doordeweekse dinsdag, je bent aan het stofzuigen, het mot toch een kéér gedaan niewaar, of bij het wachten tot die pc eindelijk is opgestart en je je hebt voorgenomen je absoluut niet druk te maken. Of bij het zinloos wachten binnen in de veilige omgeving van je zwarte auto bij een stoplicht (nooit verkeerslicht zeggen) dat kennelijk kapot is en nooit meer op groen lijkt te kunnen springen.

Tot hier was ik met dit verhaaltje terwijl in een donkere nacht op het eiland de regen neergutste op het metalen dak van mijn trailer en de wind hem heen en weer schudde en aan de takken van de bomen erboven rukte toen de telefoon oplichtte en ik een appje van mijn broer las:
‘Tante is zojuist overleden’.
Ik was van plan een ingewikkelde column te schrijven over het verschil tussen de versie van Tom Waitz, waar ‘Waltzing Mathilda’ overigens eigenlijk ‘Tom Trauberts blues’ heet en de echte ‘Waltzing Mathilda’, dat een Australische folksong is, met een hoop billabong, jumbuck , swagman en meer van dit soort down under slang.

Een paar dagen geleden was ik nog even bij haar, mijn oude tantetje, een stervend klein breekbaar mensje, negentig jaar oud en vanachter een verdomd –verplicht- mondkapje wisten we niet heel veel te zeggen. Geen kinderen, alle broers en zussen al dood, lag ze daar, eenzaam in dat hoog-laagbed in het tehuis. Een vruchteloze poging haar wat comfortabeler te laten liggen, de eerste doorligplekken verschenen al, voorzichtig gesjor aan dekbed, kussens en haar broze lijfje.
Een laatste groet, een streel over haar intens magere arm en hand, een blik van haar, ‘het is goed zo’ en een mislukte zwaai. Toen ik in een mist van tranen door de lange gangen naar de uitgang vluchtte schreeuwde het in mij, waarom moet dit, zo lijden, wat kan het leven wreed zijn, hoe lang moet dit nog duren, waarom moet een mens zo uitgemergeld dood gaan, kan ze niet gewoon een spuit krijgen, het is toch genoeg geweest.
‘Now I lost my Saint Christofer now that I ‘ve kissed her
And the one-armed bandid knows’

Toen het licht werd kletterde de regen nog steeds op het dak en ik dacht aan mijn dode tante en aan mijn broer die alles moest gaan regelen vandaag en aan mijn moeder die twee jaar geleden stierf en dat ik dat toen ook hoorde van mijn broer en dat ik toen ook hier was op het eiland in de trailer en dat het toen droog was en warm. Over een maand zou ze eenennegentig geworden zijn en ik hoop dat ze in dat lange leven gelukkig is geweest en het gemis en het verdriet wordt nog versterkt door de vreemde tekst die ik beluister en niet te begrijpen is maar dat hoeft ook niet en het is ook niet de bedoeling maar het gevoel is zo precies wat ik voel.
‘I ‘m an innocent victim of a blinded alley
And tired of all these soldiers here
No one speaks English and everything’s broken
And my Stacys are soking wet

To go waltzing Mathilda, waltzing Mathilda
You ‘ll go a-waltzing Mathilda with me’

Blue Asics

Hoe zou het zijn met Jesper Skibby. Altijd leuk om op een verjaardagszit (wie wil er nog koffie of al iets anders?) wanneer het een beetje inkakt, deze vraag op te gooien. Mag ook een andere naam zijn, bijvoorbeeld Claude Qriquielion. Beide oud-wielrenners, Claude is overleden, overigens. Of Derek. Hoe is het toch met Derek Chauvin? Leeft hij nog? Zit hij  nog in de bak of is hij alweer op vrije voeten? Ter opfrissing; hij was die man die, geüniformeerd, beëdigd, als bevoegd gezag, een hand in de zak, doodgemoedereerd, achten halve minuut met zijn knie op de nek zat van George Floyd.

Dit soort verheffende gedachten heb je wanneer je een stukje gaat hardlopen. Wanneer het lekker gaat, je niet met hardlopen bezig bent in het hoofd, je op de automatische piloot loopt. Voor alle duidelijkheid, zover ben ik nog niet. Doorschakelen naar de automatische stand gaat nog niet. Net weer begonnen na, ik durf het niet hardop te zeggen, hoeveel jaar. En nee, ik hoef niks te bewijzen, om enkele vragenstellers te beantwoorden.
En nee, te oud ben ik ook niet. En waarom? Daarom, ik heb er zin in. Klimhallen, grenzen en klimgebieden, alles is gesloten. Om toch te bewegen dan maar fietsen, met Strava. Dat blijkt leuk en met Strava kun je ook lopen. Alle rondjes die je liep kun je nu precies checken, klopt de afstand die je toen schatte? En jahoor, ik ben weer eens niet uniek. Iedereen doet het, Coronagekte. Er is sprake van een nieuwe hausse.  Nog meer mensen bekeren zich tot het heilige hardlopen. Kuddegedrag.

Tot die boom, nog even volhouden, dan ga ik wandelen. En dan weer lopen, tot de bocht. Een herintreder moet doseren, voorzichtig opbouwen. Stukjes lopen, wandelen, lopen. Hartslag en ademhaling, niks aan de hand, blijven laag en rustig. Alleen die kuiten, die spelen op, worden hard, alsof ze op ontploffen staan. Kuddegedrag, ik wil het niet. Ik loop weer en ik denk. Zette mijn instagram niet op zwart voor Black Lives Matter en was niet Je Suis Charlie toen met Hebdo. Toch heb ook ik schoenen gekocht. Runningshoes, Asics, kobaltblauw. Hoeveel kilometers vraten ze, zacht dempend, mijn Asics, altijd wit, toen.
Asics staat voor: Anima Sana In Corpora Sano – gezonde geest in een gezond lichaam. Dat gezonde lichaam, (met hartslag in rust, volgens weer een andere nieuwe app, 45 BPM) ik heb er mijn twijfels over, gezonde geest, dat zeker niet!

Tot die boom, dan ga ik weer wandelen. Mijn kuiten gaan straks openscheuren. Pijn is fijn en bloed moet. DAWA; de aanhouder wint altijd en meer van dit soort clichés flitsen door mijn hoofd en inwendig glimlach ik. Want dit, dit is niet echt afzien. Dit, dit is de pijn van het opnieuw beginnen.
En ik bedenk alvast de laatste zin van het stukje dat ik in mijn hoofd aan het schrijven ben. Hoe zou het zijn met Thierry Baudet? Leeft hij nog? Of is hij al vermoord door Carola? Minister Carola Schouten, volgens hem de sluipmoordenaar van de agrarische sector. En nu ik dit schrijf lees ik dat die Chauvin bewaakt wordt door uitsluitend witte penitentiair bewaarders.

 

streetart

Het was er tochtig en stil. Vreemd stil, voor wie eens over Quai Jean Jaurés flaneerde, zich vergaapte aan de luxueuze jachten. Ook al is het dan aan de Mediterannée, in januari kan het er gewoon heel koud zijn. Waar was het blauw gebleven van die Middellandse zee, grijs als de lucht en grijs als zijn gemoedstoestand. Brutaalweg had hij zijn oude gebutste Jeanneau, net voor de schemer inviel, achteruit in een lege box gemanoeuvreerd. Links torende een luxe jacht boven hem uit, rechts naast hem nog zoiets, niemand aan boord, vrijwel alle schepen waren verlaten. Winter in Saint Tropez. Voordat de havenmeester hem de volgende dag zou ontdekken, was hij alweer vertrokken. Hij moest hier even zijn, op deze plek, hij kon niet anders.

Te lang gewacht, te laat vertrokken. Haast zonder het zelf te beseffen was hij op weg gegaan naar deze kade. Zwierf wat rond, eiland hoppend in de Egeïsche zee, langzaam westwaarts trekkend.  Pas toen hij Kreta oversloeg, bovenlangs zeilend kwam het besef. Ja, ik ben onderweg, ik wil terug, naar die plek waar ik haar zag. En juist toen, toen hij haast wilde gaan maken stak de hardnekkige wind op, de winter Mistral. De wind die het water wild blaast, het koude water boven haalt en die Yanni, de veelgeplaagde Jeanneau gek maakte en deed stuiteren op de golven.

Eenmaal vanuit de relatieve luwte van het zuidelijkste puntje van Griekenland, het eiland Kythira voorbij, kwam hij in de wat langere deining van de Ionische zee. Koers pal west, richting Sicilië. Dagenlang boksen, tegenwind, lange slagen makend. Wilde hij eerst nog Sicilië ronden, romantisch idee, koos hij toch voor de rust van de Golf van Messina. Qua wind en golven dan, niet wat betreft het waterverkeer, wat een drukte. Andere wereld ook, Italië.

De tegenstelling frappeerde hem, de koele afwijzende jachten, de status die ze moesten uitstralen, met het mondaine volkje onderuit op hun loungebanken op het achterdek, het bewonderende volk op de kade geen blik waardig gunnend. Of was het verwonderen, over die andere wereld, windowshoppend, de luxe, de pracht en praal, het snobisme, de buitenkant van de show.
En dan die tekenares, zo puur en zo echt. Hoelang was het nu eenmaal geweest, die middag. Die vrouw, zoals zij daar zat, in de schaduw van de oude plataan, op de esplanade, Quai Jean Jaurés. Zij die hem observeerde, in snelle rake lijnen zijn profiel schetste, krassend op papier. En hoe hij haar observeerde en vastlegde in zijn geheugen, met haar robes longues en in de zomerwind waaiende morceaux de tissu, een chale over de tengere schouders. De eenvoudige artieste op de mondaine boulevard.

De kleine klok in de toren van eglise Notre Dame de l´Assomption de SaintTropez sloeg negen keer. Met een soepele sprong vanaf de achterplecht stond hij op de kade, keek nog een keer om, controleerde de drie landvasten, ja ze lag goed, zijn Yanni. En hij ging op weg, naar de oude plataan. Onder de flappende strohoed had hij haar ogen gezien, blauw, de kleur van de Mediterranée. De zee in de zomer.

 

               

Kwillemniet

Excuses, mijn excuses, ik wist het niet. Ik ben er weleens doorheen gereden, door de Coentunnel. Excuses ook voor Witte de With, vond dat ook zo’n leuke straat. Het waren boeven, natuurlijk, schande. Slavenhandel was iets verschrikkelijks. Het is pas vierhonderd jaar geleden en ik heb ook altijd weggekeken. Slavernij, mensonterend, voor slaaf en slavenhouder. (noem je dat zo?) Ook nu nog worden in sommige landen mensen dermate uitgebuit dat er in feite sprake is van moderne slavernij. In 2016 waren er nog meer dan veertig miljoen ‘slaven’.

Mijn excuses voor mijn onbedoeld etnischgeprofieleer, sorry, ik kwam tenslotte van rechts. Excuses dat ik niet deelnam aan de nieuwste trend, standbeeldjeomverwerpen. Excuses voor Bonifatius, het is wel ver van mijn bed, Dokkum, maar ik heb er gewoon geen goed gevoel bij. Excuses ook aan Sinterklaas, ook ik was ooit Zwarte Piet, notabene in Londen, waar het fenomeen ten tijde van Black Panther volledig onbekend was en van roetveegpiet, laat staan stroopwafelpiet totaal geen sprake was. Soms moet je afscheid nemen van een traditie.

Excuses over mijn verliefdheid op dat Molukse meisje, Maria Watinemo, ik bedoelde het niet kwaad, zat vol met goede bedoelingen. Excuses, voor dat mooie beeld van Michiel de Ruyter op de mooie boulevard van Vlissingen, dat nu bewaakt moet worden. Terwijl, hij had er helemaal niets mee te maken. Het is pas vierhonderd jaar geleden. Echt zó fijn dat ZKHK Willem Alexander excuses maakte voor het vreselijke Nederlandse geweld in Indonesië. Excuses aan de eigenaar van de fiets, het was een damesfiets, een opoemodel die ik ooit gestolen heb. Had dan ook van mijn fiets afgebleven. Excuses, die van Mark Rutte, heel goed hoor, over de rol van de regering bij de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog.

Slavernij is al zo oud als de mensheid, in het oude China en India. De Grieken en Romeinen konden er ook wat van. Maar dus ook aan Hollandse handen kleeft bloed. Zie de ‘Herenhuizen’ aan de Amsterdamse grachtengordel, bijvoorbeeld die in Middelburg en nog menig andere stad. Voornoemde heren Coen en De With verscheepten dus duizenden slaven, althans, mensen die tot slaaf gemaakt werden, excuses. Vierhonderd jaar geleden, maar toch. Standbeelden, ze moeten blijven. Bord erbij, klaar, geschiedenis. Opdat wij niet vergeten. Racisme bestaat, er zijn nog steeds racisten en ik ken er zelfs zelf ook. Excuses voor mijn excuses, maar ja, het is niet mijn schuld, of had ik dat al gezegd.
Beelden omhakken zal racisme niet doen verdwijnen, sorry. De beeldenstorm van 2020. Een beetje stad dient tenminste één beeld te hebben. Wat is Orléans zonder Jeanne d’ Arc en in Koblenz staat prominent, op de samenvloeiing van Rijn en Moezel het enorme beeld Keizer Willem 1, niet zo’n heel prettige figuur, maar vooruit. Hopelijk over enige tijd in Dordrecht op de kop van Stadswerven een prachtig beeld van de stedenmaagd Choëphore.

Dat de geboren Dordtenaren in Den Haag gelyncht werden is niet goed te praten, maar dat Johan nu al sinds 1918 als bronzen beeld op de Visbrug zit, terwijl zijn broer Cornelis er maar zo’n beetje bij staat, het lijkt mij erg vervelend, op den duur. Excuses ook aan de Dordtenaren, die sinds vorig jaar, ondanks protesten van de club ‘Ikwillemniet’, zijn opgescheept met een nieuw standbeeld van Willem van Oranje. Niet alleen is het een wat karikaturaal geval, maar mij viel het laatst op, de pofbroek die hij draagt is van exact eenzelfde snit als die van die zwarte knecht van Sinterklaas.

 

Tureluurs

Niks te doen, klimmen kan nog niet, alle klimgebieden zijn gesloten. Geen strandweer, grijs vandaag.  De zomer is begonnen, maar de lente wás de zomer. Niks te beleven. Op de fiets dan maar. Vogelen. Het is haast niet bevatten, ook voor mijzelf niet maar ik begin het steeds meer te doen. Vogelen. En niet zoals velen door de coronahausse; goh, kijk, er zit een vogel in de tuin, cq op het balkon. En ik word er ook niet overdreven gelukkig van zoals de heer H. Dorresteijn. Maar toch, ik doe moeite, auto, fiets en dan nog een stukje lopen, Plan Tureluur. Ook alweer natuurcompensatie.
Voor door de Deltawerken verloren gegaan buitendijks gebied. Een zogenaamd brakwater schorrengebied. Vanwege lagere stroomsnelheid in de Oosterschelde verdwijnen schorren en zandbanken. De vogels kunnen nu hier terecht.

Op naar het vogelparadijs. Rechts twee bergeenden, verder niets. Links twee bergeenden, erachter nog twee, geen tureluur te zien. Ik moet me tevreden stellen met het informatiebord waarop de vijfentwintig soorten die hier te verwachten zouden zijn.
Ik ken ze allemaal, ongeveer de helft zou ik ook moeten kennen en ‘in het veld’ moeten kunnen benoemen. De rest? Lukt me niet, het restant van mijn nog niet afgestorven hersencellen weigeren domweg alle medewerking. Ze verdommen het gewoonweg, de opnamecapaciteit is niet voldoende. Men zou er tureluurs van worden. Is het de leeftijd, zijn het de opgestapelde promillages.
Mijn alcoholopname laat niets te wensen over. Of is het toch een onderhuidse desinteresse. Want tja, laten we wel wezen, wat is het belang van vogelen. Of het nu een mantelmeeuw is die daar voorbij vliegt of een kokmeeuw, ze lusten allebei friet.

Dit is het dus en ik fiets terug. Vanaf de hoge dijk spot ik een witte vogel, hooggepoot met lange snavel. Wit met zwarte veren op z’n kleed, zal wel een kluut zijn. vogelen. Je zult versteld staan hoeveel vogelaars er zijn en, verbazingwekkend, ook normale weldenkende, zelfs intelligente mensen doen het. Ze staan weleens hinderlijk in de weg, net wanneer je je alleen waant. Aan de andere kant, een groot voordeel, ze hebben geen hond.

Ik boks me terug – need I say more – in de tegenwind op de Schelpweg. Aan de slootkant zit een bergeend met drie jongen. In tegenstelling tot de witte-met-kleurtjes moeder zijn de kleintjes grijs. Vijf meter verder bedenk ik dat dit dé foto kan worden voor het verhaaltje dat ik fietsend al in mijn hoofd aan het schrijven was. Met de camera paraat nader ik de plaats waar ze zaten. De jongen zijn verdwenen onder het riet. Moeders zit aan de overkant rare geluiden te maken. Dan vliegt ze over me heen en loopt vleugelklapperend op de weg. Het lukt, ze wil me weglokken en ik, ik doe mee.

Bij de foto: De Bergeend. (Uit mijn mapje Dode Dieren, Bergeend – Schelpweg, 2020)

Torino (La Tour 7)

Met grote snelheid vliegt hij over de kronkelende schelpenpaadjes, die knoerpen onder zijn wielen. Beetje roekeloos, licht slippend in de bochten. Hoe oud zou deze fiets zijn, de Batavus Torino, een rijwiel in de fraaie tint grijsgroen. Nog uit de vorige eeuw, zeker, misschien wel dertig jaar oud en nu nog grijzer van het schelpenstof.

Fijne oude fiets, zal niet gestolen worden, liggend tegen een duindoorn of schuinsweg in het zand bij een onbemande duinovergang. Toch rijdt hij als een tierelier. Iemand? Tierelier, wat dat is? Zeven versnellingen aan boord, de grootste krijgt men slechts rond met ernstig windje mee. Die zevende, allez, voor Merckstypes als Hinault, Indurain of een Jelle Nijdam.

Parijs – Nice was de laatste koers dit jaar, zelfs zonder slotetappe. Wat een gemis, geen nerveuze Prima Vera, geen verregende voorjaarskoersen. Dat gat vulde ik op met lezen, wielerverhalen, anekdotes, verslagen, alles over de koers. En ikzelf op de fiets. De ghostzwarte caféracer, waar volgens Strava een topsnelheid werd behaald van veertig kilometer. Heel even dan, mijn parkoersen zijn kort, de oude knieën dragen mij slechts nog een spreekwoordelijk rondje rond de kerk.

De Torino, hoe Italiaans ook, Nederlandser kan een fiets niet zijn. Batavus, oerdegelijk. Fietsenmaker sinds 1904, Magneet, Fongers, alles werd Batavus. Ik moet nog zien of mijn Italiaanse racertje zolang meegaat. En voort ging het met de ontwikkeling. De techniek stond niet stil, uitvindingen als de Ergo System stuurpen, de Savety Standaard, alles uitmuntend getest en gepatenteerd. Keer op keer wordt Batavus uitgeroepen tot fiets van het jaar. Het betreft hier geen gevalletje van ‘Wij, van WC-eend’. Menig coryfee, wij noemen hier geen namen, de voornaam is voldoende, Leontien, zij liep, nee fietste haha weg met de Batavus.

Mijn exemplaar is uitgerust met een kilometerteller. Bij de trapas bevinden zich stickers met de specificaties: High Definition. High Qualilty Control. Armor Gloss Frame Protection. Equiped with safety frame protection. Highstyle Lowweight. Op de stang: Torino – Liberté toujours.  En zó is het.

Het spartaanse lederen – met koperen nagels – Brooks zadel werd hardhandig door mij vervangen door een gerieflijker exemplaar, noodzakelijk voor mijn licht uitgevoerde zitbeentjes. Een drupje extra vierge olijfolie liet ik in de trapperas vloeien teneinde de daar aanwezige kogeltjes eens fijns te verwennen en de hinderlijke Tik! te stoppen. Sindsdien fietst onderhavige Batavus weer als een tierelier en geef ik genietend nu en dan volgas om een luie E-biker het nakijken te geven.

Van de Armhoeksweg met vol wind mee draai ik haaks links en ik weet, hier altijd tegenwind. Ginds in de verte lonkt het torentje van Noordwelle, het piept net boven het wuivend veld met gerst. Zolang mogelijk laat ik hem op de zes staan. Pompen, doorgaan, ergens anders aan denken, blijven zitten, puffen en blazen, hoe ver nog, niet kijken, nergens aan denken. Dan eindelijk beschutting, de luwte van het dorp. Uitbollen met die Torino tot de Dorpsring rond de kerk, hier mag het, haaks naar rechts, terug naar de vier. Quattro.