Duizend jaar geleden heb ik de kust en haar verlaten wilde graag de vrijheid terug was natuurlijk een vergissing niet meer goed te praten wat heb ik haar aanbeden
Minstens duizend jaar daarvoor toen ik aankwam in Gstaad en daar de bergen zag en terugdacht aan de kust aan haar, die lieve schat toen pas drong het tot me door
Duizend jaren lang die eeuw’ge bergen in dit lied dronken, high, verliefd duizelig gelukkig hoe dan ook sinds ik haar verliet opnieuw naar haar verlang
Het lijkt al duizend jaar nog geeneens een week zonder haar is niet te leven de bergen moeten zonder mij weg van hier voordat ik breek razendsnel terug naar haar
Ik ben om. Ik heb het licht gezien. Was het altijd in principe nee, nu heb ik het ontdekt. Daar was de lange hete zomer en grote hoeveelheden warme vrije tijd debet aan. Het dragen van de korte broek. Ontegenzeggelijk, ik ben er nu achter, er kleven vele voordelen aan. Ik was altijd tegen, wegens het ontbreken van de zogeheten Rock & Rollfactor *Lees mijn verhaal:
En mede om, zoals ik alom ter verdediging aanvoerde, geen vrouwen op verkeerde gedachten te willen brengen, wegens de aanblik van mijn benen. Welnu, ik ben van mening veranderd, kwestie van voortschrijdend inzicht. Nogmaals, de ongemeen hoge temperaturen noopten mij, binnenshuis en de onmiddellijke omgeving daarvan, mij vrijelijk kortgebroekt te gedragen. En dat beviel! Voor de duidelijkheid, als je het weten wil, liefst draagt men helemaal geen broek, maar het is de celstraf die men doet terugschrikken. Het is algemeen bekend dat koude lucht daalt. (warme lucht stijgt op) Nu deed zich een merkwaardig fenomeen voor, wellicht te wijten aan de omvang van mijn (gebruinde) dijbenen, er bleek een frisse opstijgende lucht waar te nemen in het kortebroek gedeelte die zich zelfs tot in de verste uithoeken uitbreidde en een weldadige koelte teweeg brengend.
Dan wat betreft die foute gedachten. Kijk, het is mij na die jaren nog steeds niet helemaal duidelijk, het mysterie vrouw en tevens wat nu wel en niet aantrekkelijk gevonden wordt door deze wezens. Houdt men van onbeschadigde jongensbeentjes met weinig tot geen levenservaring, hoe gespierd misschien dan ook, welgevormd voor mijn part, of gaat men voor echte mannenpoten, gepokt en gemazeld, getekend door het leven en de tand des tijds, wellicht wat mager en krom, maar wel behaard en ‘they ‘ve been around’, tja dan kunnen die twee onderdanen van mij toch niet voorkomen dat er bepaalde gevoelens zouden kunnen ontstaan bij het andere geslacht. Zit ik daar mee? Moet ik me daar wat aantrekken, mij schuldig voelen soms? Ik dacht het niet, anderzijds zie ik ook weleens iets voorbij komen dat ik de neiging moet onderdrukken achterom te kijken, hetzij om in de lacht te schieten, of ook soms toch wel te denken; “O lala…”
Het begrip Rock & Roll, ach slechts enkele ouderen van dagen die dat begrip nog iets zegt, dus laat ook maar. En dan nog dit, voor een goed begrip, de door mij gehekelde afritsbroek, daarin zult u mij niet aantreffen, die laat ik aan de outdoortypes, Barbecue-ers en bezitters van een luie E-bike. Tevens is wel noodzakelijk wat kleur op de kortebroekebenen te hebben, ik zal mij ervoor hoeden in het openbaar te verschijnen met benen die haast doorschijnend zijn of in een Ralkleur die men op de muren van wachtkamers aantrof, vroeger dan. De korte broek dus, ook met de nu versneld afsmeltende Groenlandse ijskap, het kan best praktisch zijn in de nabije toekomst.
Vandaag zullen we op deze pagina’s behandelen de grote schrijver de heer Harry Mulisch, die deze week herdacht wordt, tien jaar na zijn dood. En dan met name de vraag hoelang hij nog bij ons zal zijn, hoelang blijven zijn boeken gelezen, verkrijgbaar in de bieb, op de leeslijst staan van examenkandidaten en belangrijker nog, wanneer ontmoette hij Gerard M. den Toonder.
En, het mag geen toeval heten, hoe vaak kruisten hun wegen. Het zal begonnen zijn in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen hij het parmantige Hotel American frequenteerde, soms in het gezelschap van zijn wijze moeder, op een van hun rondwandelingen door Amsterdam dat toen ook al gezellig druk was, maar met meer krakers en hippies en de provincie ontvluchte boeren dan de hedendaagse Japanners en vrijgezellenfeestgangers. Het werd al eens eerder hier gememoreerd, het gezellige getik met gebaksvorkjes en theelepeltjes werd regelmatig overstemd door de omroep met de mededeling ‘Telefoon voor de heer Mulisch’. En dat zijn moeder en hij Harry, hij mocht Har zeggen, maar hield het altijd keurig bij Harry, zagen oprijzen en met rechte rug richting telefoon de zaal zagen doorkruisen.
Bijna wekelijks ook bezocht Mulisch de statige winkel in de Kalverstraat, het enorme pand dat doorliep tot aan het Rokin en het was daar dat voor het eerst contact gelegd werd. Het moet gezegd, vergeleken bij Harry’s ijdelheid verbleekte de zijne, immer keurig gekleed in fraaie tweed sportcolberts, voorzien van de nodige pochetten, dasspelden, horlogekettingen en dikwijls gedragen op, heel gewaagd in die tijd, pantalons, in fijne ribfluweel of honderd procent kamgaren in felle tinten. Bijna geheel handgemaakte Engelse schoenen vervolmaakten zijn outfit. Waarover zij spraken valt terug te lezen in zijn veelomvattend oeuvre en dan met name in de boeken van na 1975.
En dan bij uitstek om de dusver geheim gebleven gesprekken in het Victoriaanse hotel Métropole aan het Place de Brouckére te Brussel. In een stijl die een eclectische mengeling is van neo-classicisme, neo-romaans, Franse en Italiaanse renaissance en empire. In de loop der jaren ontving Métropole voorname gasten als Albert Einstein, Marie Curie, de Amerikaanse staatshoofden Hoover en Eisenhower, kanselier Adenauer, generaal De Gaulle en een onmogelijk op te noemen aantal beroemde acteurs en zangers en zangeressen, zoals onder andere Jacques Brel en dus de Grote schrijvers als Harry Mulisch. Het is niet te zeggen hoeveel uren en dagen en nachten hij, al of niet in gezelschap van Mulisch doorbracht binnen deze uitermate luxueuze muren. Het doet hem dan ook pijn te vermelden dat deze horecagelegenheid, wegens financiële Corona gerelateerde problemen zijn deuren onlangs definitief heeft moeten sluiten.
Lange tijd publiceerde hij niets, treurde hij om het verlies van Harry, was het de teloorgang van het fantastische etablissement daar in het verre Brussel, nu nog verder, onbereikbaar haast door de gesloten grenzen in Coronatijd. En alweer een herinnering aan dat wat ooit was, verdwenen. Was het omdat hij in een andere fase belandde, kwam er even niets uit zijn handen, zowel op papier, digitaal of op het doek? Werkte hij in het geheim aan weer een of ander duister manuscript of was het dat hij zich opnieuw op de poëzie stortte? Niet alles zal bekend worden, vele dingen blijven in het verborgene en vele vragen zullen onbeantwoord blijven. Evenals de mysterieuze dichtregels die hem werden toegeworpen en nog meer stof doen opdwarrelen; ‘ben ik niet die ik was of was ik niet die ben?’
Dat je in dezelfde race rijdt als Max Verstappen. Het is mogelijk. Het kan zelfs dat je vlak achter hem rijdt, dat je zou kunnen winnen. Of dat hij plotseling remt en jij zijn spoiler er af rijdt. Of dat dat niet gebeurt, het gaat allemaal weer net goed. Maar je besluit hem te laten winnen. In je hoofd kan alles.
Die keer dat je het kanaal over zwom. Dat je de K2 beklom – de Everest is te makkelijk – via de achterkant, of in ieder geval via een nieuwe onbekende route. Niemand gelooft het, maar je hebt de foto’s nog.
Je zit in de bioscoop met Maxima, het is uitverkocht. Er zitten dertig mensen verspreid over de zaal, welke film het was ben je vergeten, maar jullie mogen naast elkaar zitten. In de pauze haal je popcorn. Maxima eet lekker mee en haar been drukt tegen het jouwe. Wanneer de aftiteling begint te lopen fluistert ze in je oor, de popcorn is nog niet op: “Wil je eentje er uit mijn navel snoepen?”, zo met dat speciale accent en die stem. “Dan rijden we naar paleis Soestdijk, daar heb ik nog een kamertje laten inrichten”. Eenmaal buiten zet ze met de app op haar telefoon alvast de verwarming aan. “Het is zó’n koud paleis”, zegt ze verontschuldigend. Wanneer ze ook, zegt ze, even de marechaussee moet bellen dat ze poort van slot doen, zeg jij dat je er even over moet nadenken.
Net zoals toen je het kanaal over zwom. De ‘white cliffs of Dover’ doemden op boven de grijsgroene Noordzee golven, je begon moe te worden, je kon nog maar twee dingen zeggen: “Hé, hé”. en je besloot om te keren. Het zijn mogelijkheden, alles kan in het hoofd, doorzwemmen en omkeren. Je zou weer kippen kunnen houden. Een Harley Davidson kopen. Met een zijspan, dan wel een oude, een Liberator met een groot bruin lederen zadel. En van die tassen over het achterwiel, die bijna over de grond slepen, met van die franjes eraan en een beetje kapot en versleten. En jij hebt een bruine leren broek aan, met een oranje streep over de naad. En nee, toch maar zonder, geen zijspan. Je zou Barbra Streisand kunnen interviewen en samen na afloop bij haar in de keuken dat heerlijke liedje ‘Guilty’ zingen, jij met de stem van Barry Gibb uiteraard.
Mogelijkheden in het hoofd, het is zo stom om hier slechts enkele van die onafzienbare hoeveelheid op te schrijven. Het is onbegonnen werk. Ik weet het zeker, jij, lieve lezer of lezeres, dat jij dat ook hebt. Je zit even een paar dagen in lockdown, of gewoon in bed, een uurtje langer op zondag omdat het wintertijd wordt, je ligt daar in een soort van halfslaap en in je hoofd fantaseert die blubberachtige massa er ordeloos en ongecontroleerd op los, het is een chaos daar, het ene moment balanceer je op het randje van een peilloos diep ravijn dat het zweet je uitbreekt en het volgende moment word je opgevangen in de zachte armen van die ene buurvrouw daar iets verderop waarvan je niet wist dat haar armen zo zacht waren en al helemaal niet dat die zo lekker roken, die armen. Of je bent gewoon klaarwakker en je geeft je er aan over, aan je fantasieën of aan je heimwee of aan je liefdesverdriet, of aan gevoelens waar je geen weet van had of net waar je maar zin in hebt.
Of je zit aan tafel in een deftig kantoor, ergens hoog met uitzicht op de Zuidas of in La Défense in Parijs of toch gewoon in Manhattan en je weet dat het gaat gebeuren, dat je zo je handtekening gaat zetten en dat die kilometer strand dan uiteindelijk echt van jou is. Of dat je met jouw schilderij, veilig opgeborgen in je oude verschoten tekenmap, op weg bent naar en even later daadwerkelijk het Museum binnen stapt. Het Museum waar binnenkort jouw schilderij aan de muur hangt en te zien zal zijn voor iedereen die dat maar wil.
‘Kennedy’, zo is het getiteld. Aan het eind van de donkere straat torent het stadhuis op, verlicht met de klokkentoren tegen de zwarte lucht. Waar in een van de zalen ooit muurschilderingen zijn aangebracht door de Dordtse kunstenaar Reinier Kennedy, in welke zaal jouw dochter trouwde. Dat stadhuis is oud, gebouwd in 1383. Nog net geen achthonderd jaar oud, zoals de stad Dordrecht dit jaar herdenkt en ter gelegenheid daarvan mogen de inwoners van de stad van alles inleveren bij dat Museum dat voor hen een verbinding symboliseert met hun stad. Een hele goedkope manier dus om bijvoorbeeld jouw schilderij ‘Kennedy’ in het Museum tentoongesteld te krijgen. Dat is dus gewoon keiharde werkelijkheid en echt helemaal waar. In het hoofd echter, kunnen zich andere mogelijkheden afspelen. (schilderij NTK)
Hij wist het, het was onbegonnen werk en bovendien lastig. Zijn knieën die al zoveel geleden hadden protesteerden snel en daarom doseerde hij de klus waaraan hij tenslotte toch maar was begonnen. Iedere dag vulde hij een gat, een van de vele, tussen dak en muur op de grenier. Met van alles dat voorhanden was, restanten hout, stenen in alle vormen en maten en een beetje cement. Hij was er aan begonnen, nu zou hij doorgaan ook, hij zou de strijd tegen de muizen en de vleermuizen en zelfs die ene marter winnen.
De middag was gereserveerd voor die andere klus. De rij iepen en esdoorns die de wei omzoomden moest hoognodig ontdaan van hedera en de altijd maar voortwoekerende braam en altijd overal die zaailingen. Gedachteloos was hij aan het werk, het was immers al de zoveelste keer dat hij dit deed, het ging op de automatische piloot. Eerst kort snoeien, maar niet te kort, dan had je nog houvast om te trekken, de wortels van de braam moesten de grond uit. Het genoegen, het vooruitzicht van de knetterende fik, de torenhoge brandstapel die het bramenafval zou vormen was er niet. Het mocht niet meer, al die nieuwe regels voor het environnement. Je zou er contraire van worden. Oei, daar schramde hij zich lelijk aan een doorn, een stukje zat nog in zijn hand en voorzichtig peuterde hij het er uit en het was daarom, dat hij even stil was, dat hij de deur van het groene huisje hoorde dichtslaan. Het was moeilijk te zien, de zon stond alweer laag en scheen hem recht in het gezicht. Maar was het werkelijk, het leek of ze daar de hoek omkwam, langs de waterput bij de schuur. En hoorde hij daar de schuif van het blauwe hekje? Zijn hekje? Het zoemde in zijn hoofd: ‘Vous n‘ avez jamais connu l’ amour dont je souffrais, Vous, que j’ adorais….’
‘Vous n‘ avez jamais connu l’ amour dont je souffrais, Vous, que j’ adorais….’
Echt goed zingen kon hij niet, de oude man, zijn stem klonk beverig en hij miste soms een toon. Evenmin beheerste hij de kunst van het bespelen van de twee muziekinstrumenten die op een prominente plaats in de schemerige woonkamer stonden. De ukelele en de accordeon, wanneer hij speelde, met zijn houten vingers de toetsen of de snaren beroerde en de klanken aarzelend door de altijd geopende deur naar buiten stroomden, dan stopten les poulets hun gekakel en hielden hun kopjes schuin. Maar af en toe, uit pure wanhoop, het kon zomaar gebeuren, het was sterker dan hemzelf, dan moest hij dingen kapot maken. Het verdriet, de onbeantwoorde amour, zij, zo vlakbij, om de hoek bij wijze van spreken, in het groene huisje, zo onbereikbaar ver. Soms bleef hij te lang op en dronk teveel van zijn zelfgestookte brouwsels, peren, appels, druiven, combinaties daarvan en ontstak in woede, hakte en zaagde hout, sloeg stapels dakpannen aan gort. En altijd weer die nacht,die lange nacht, wanneer zijn fantasieën opspeelden, dan welde het vanzelf op, dan moest hij schrijven, dichten.
Illusie schop me maak me wakker help me uit mijn droom ik kan het niet geloven
Was het fantasie is het een illusie voel me goed en warm daar jij liet me zo geloven kijk me aan en zeg het me was het utopie maar zal verder moeten ik zou je willen dragen dagen lang over uitgestorven stranden met onstuitbaar dadendrang over lege bergen door verstilde dalen wees niet bang overal ik wil je redden je redder zijn je ridder je veroveren ontvoeren gijzelen desnoods maar liefhebben bovenal
schut me wakker dan zeg het me recht uit blijf hier en loop niet weg ik kan het niet verdragen was het slechts illusie
Het was een samedi enseptembre. Het was zo’n dag met voorzichtig zonlicht dat laag over de heuvels lag en de schaduwen lang en het groen in de struiken en bomen die de velden omzoomden donker maakte en waar in de onderbegroeiing ritselend leven te vermoeden was. De oude man onder de boom staakte zijn werkzaamheden, liet de gevallen walnoten voor wat ze waren en staarde. Rechtte zijn rug en staarde lang, niets ziend in de verte. Als een standbeeld stond hij, een hand boven zijn ogen te midden van zijn poulets die vragend naar hem opkeken, een enkele pikte aarzelend aan zijn broek. Waaraan dacht hij? Aan de druiven die nog geplukt moesten worden, of aan het blauwe hekje dat hij wilde repareren? Kreeg hij een ingeving om een andere werkbank te maken met de tak van de eik die zo wonderbaarlijk was gegroeid?
Die nacht stond la lune roerloos boven de huizen die samen Le Prat vormden, omringd door groene weilanden waarvan het gras leek te glinsteren in de witte licht. Op de zolder van de boerderij lag de oude man in zijn bedstee, het leek of hij sliep. De stilte van de nacht was intens, niets bewoog, de zware bruine koeien lagen bewegingloos, de vogels hielden zich verscholen. Alleen boven zijn hoofd, over de zware balken trippelde iets, een muis, of een relmuis of was het misschien toch een marter?
Wat verderop belichtte de maan een ondiepte in een weiland, van hoog boven bezien een glanzende waterpoel met lelies erin, die wel aan Monet deed denken. Het wateroppervlak rimpelend en dichterbij, lager komend zouden twee waternimfen zichtbaar kunnen worden die zich lui aan de oever wentelden, in het witte nachtlicht hun blanke lichamen als van albast. Een derde ranke gestalte zou glanzend in al haar naakte schoonheid uit het water kunnen oprijzen en zich uitstrekken naast de anderen. Wellicht aten zij iets, druiven of toch walnoten en ook was het mogelijk dat een kleine fles rondging van mond tot mond, eau de vie?
De schaduw van herinnering aan haar aanwezigheid hangt dreigend als een beest hoog boven in de lucht klaar om neer te duiken met zijn klauwen in mijn geest
De droogte van vergetelheid het verdronken sentiment de stilte die ik mijd haar sporen mogen snel verdwijnen de leegte van het niemandsland leeg als drie woestijnen
De echo’s van de werkelijkheid beklijven op mijn ziel de adem van de tijd is als wasem op mijn hart echo’s zullen blijven galmen wonden makend in het vlees
Het was een hitte die alles in bedwang leek te houden en alle energie opslorpte en alles leeg en futloos maakte en de bomen en de vogels hielden zich stil, terwijl de duinen in de verte leken te sidderen door de opstijgende hete lucht boven de akkers.
Zelfs de zee die het kleine stukje land omzoomde, rondom en het tot een eiland maakte hield zich koest en stroomde loom en langzaam er omheen. Wie goed keek kon nog enige beweging ontwaren, heel kort, boven de groene heggen verscheen, naast de witte nog een rode parasol.
Het was de man van het eiland die met enige moeite een zware betonvoet een stuk opzij versleepte en een tweede parasol opzette. De gele steentjes deden zijn voetzolen brandden maar hij lette daar niet op, deed het graag, het eilandvrouwtje hoefde hem niets te vragen, hij wist precies wat ze nodig had. En zo zaten ze even later beiden in hun eigen eilandje van schaduw.
Het was een verzengende hitte die de grond in de akkers deed openbarsten en de bloemen in de tuin van de eilandman verschroeide. Water geven deed hij niet, behalve dan de jonge plantjes, wanneer soms in het voorjaar op het eiland, die vooruitgeschoven post van het vaste land, de regens uitbleven en de wolken overdreven en pas landinwaarts hun lading lieten vallen. Lang stilzitten kon hij niet, sleepte nu emmers ijskoud water aan, vulde het gele opblaasbadje, voor haar en haar vermoeide voeten met die teentjes, hoe vaak had hij die geteld en grinnikte in zichzelf. Nu pas viel hem de bestickering op het gele badje op en weer moest hij lachen, maar anders, cynisch. No Diving or Jumping Shallow Water, het gele badje bleek een levensgevaarlijk badje waarin je kon verdrinken, je nek breken, verlamd raken of levensgevaarlijke verwondingen kon oplopen of zelfs; Dood!
Verschrikkelijk, daar moet je toch niet aan denken! Zonder enig geluid te maken om zijn Eega niet wakker te maken haalde hij een fles bier uit de koelkast en geruisloos opende hij de lade op zoek naar de opener. Het kleine klikken van de dop was toch voldoende, het eilandvrouwtje hoorde het en dacht:
“Moet je nu alweer aan het bier?”
Maar ze zei het niet en deed alsof ze verder sliep.
De hitte deed het blauw van de hemel ietwat verbleken en een zilveren vliegtuig trok er strepen door, vier, die aaneen vloeiden tot een bredere die al snel weer leek op te lossen.
De eilandman zag het gebeuren, dronk met kleine slokjes en verder deed hij niets, rustig de hitte maar verdragen en wat dromen en wat denken. Vlak naast hem zoemde een kleine bij, zoekend naar nectar in de bijna uitgebloede pimpernel, druk in de weer met zijn geel-zwart gestreepte lijfje en het zoemen van zijn vleugeltjes was het enige geluid dat hoorbaar was. Het vliegtuig was verdwenen en de condensstrepen ook.
Hij wist, daar in het oneindige niets waren op dit moment drie raketten van verschillende nationaliteiten onderweg naar Mars, een kleine 500 miljoen kilometer verderop. Hij, als man van het eiland, was vaak op zoek naar het alleen-op-de-wereld gevoel, hoe zou dat zijn, het alleen-op-Mars gevoel?
Het was een hitte waarin auto’s bumper aan bumper stonden op de wegen naar de kust en op de brug naar het eiland en waar mensen op de stranden zich wentelden in met zweet verdunde factor dertig. Hij wierp een blik op zijn vredig slapende Eega, dronk in een teug het restantje bier en dacht aan morgen, dan was het eiland, het strand weer leeg.