Stoepiér

‘Goedemorgen heren’, klinkt vanaf een passerende scootmobiel en wij groeten terug. Lekker aan de wandel en meer van dat soort gekeuvel en voordat de bestuurder gas geeft overhandigt hij een kaartje met de woorden; ‘Daar kun je lekker eten.’Aha, en ik vertel Chris over het fenomeen Stoepiér, ik heb het nog heel even meegemaakt, bij Amsterdamse volkszaken voordat het, althans in Nederland, uitstierf. Mannen die je naar binnen praten, In zuidelijke landen nog in zwang bij restaurants. Of soms op de kermis: ‘Een dikke sigaar voor de man die de bel doet rinkelen!

Het kon niet uitblijven, wij, museumbezoekers, moesten erheen, even wachten tot het stof is neergedaald, de grootste hausse overgewaaid. En het stelt niet teleur, dit is genieten, ten eerste al van het gebouw, fijn en wijs dat het niet gesloopt is. Het Fenix museum was ooit een havenloods, de grootste ter wereld, gebombardeerd, afgebrand en wederom opgebouwd, als een Fenix uit de as verrezen, googel ik. En dát het groot is, het koffer doolhof met tweeduizend koffers, ieder met zijn verhaal, we gaan er maar niet in, verdwalen. We komen voor de kunst. De foto’s van The Family of Migrants laat maar weer eens zien dat reizen en vluchten van alle tijden is en overal ter wereld. Het doet je eens te meer beseffen hoe veilig en vreedzaam onze generatie al tachtig jaar leeft, wat een geluk. Er hangen foto’s van Robert Capa en Eva Besnyö, ik zoek ze op. Capa maakte naam met de iconische foto van een rennende en doodvallende soldaat. De quote die ik nota bene zelf ook weleens gebruik – en toepas – blijkt van hem te zijn:
‘If your photo is not good enough, you’re not close enough.’

De Tornado op, de blikvanger, de trekpleister, we halen net de eerste etage, koffie! De tienduizend stappen halen we ruim vandaag, liepen de toeristische omwegroute vanaf het station. Alsof we zwartrijders waren glipten we samen door het poortje, Chris’ zelf geprinte ticket werkte niet, de QR-code dichtgeslibt. Telefoon; of ik met dochter en kleinkind mee wil, wandelen, ik stuur haar een foto van het fabuleuze uitzicht, De kop van Zuid, Hotel New York en de skyline erachter. Voorgrond vulling: de koffie. Nooit, herhaal, nóóit kiekjes maken, even nadenken, scherp blijven. Laat ik over de kunst kort zijn, twee immense zalen, alles gerelateerd aan vluchten, gevaar, rassenscheiding, vertrekken en thuiskomen. Van een hek dat elk half uur met een donderende dreun dichtklapt, tot een stuk Berlijnse muur en een sloep die aankwam op Lampedusa, vol met vluchtelingen, mensen op zoek naar geluk, vrede en veiligheid.

Die drie dingen vallen over ons heen zodra we binnenstappen in het Verhalenhuis Belvedere, de tip van de scootmobiel. Katendrecht 2025, het huis is van alles geweest, café, nachtclub en wie weet wat nog. Nu is het er gezellig huiselijk rommelig, rood-wit geblokte tafelkleedjes, posters overal. De vriendelijke grijsgelokte vrouw wordt nog vriendelijker wanneer Chris het verhaal over de scootmobiel vertelt. Even later brengt de ‘gast’ huiskokkin het eten. Aan menukaarten doen ze niet, dit is het vandaag, rijst met kip of vega, op z’n Indisch. Na het afrekenen, echt goedkoop, mogen we boven kijken en dat is terug in de tijd. Haveloos en verveloos, de muren en de deuren. Het keukentje met beige granieten mini aanrechtje. Op de bovenste verdieping, eigenlijk zijn we al verzadigd, treffen we nog meer kunst en alweer een aardige mevrouw. Op de vraag van Chris of het soms ook een buurthuisfunctie heeft krijgen we alweer een heel verhaal. Bij het verlaten van het pand bedankt hij de grijsgelokte voor het heerlijke eten; Chris, die vergeten ze hier nooit meer. En zulke gastvrijheid, we komen terug.

stemV

‘Zo, ik heb weer aan mijn burgerplicht voldaan’, dacht ik bij het verlaten van het kerkje, ingebouwd in het verzorgingshuis. Een rijtje jong-bejaarden achter de tafels, dik ingepakt tegen de kilte die doorgaans heerst in dit soort ruimtes waar de verwarming alleen op zondag aan mag, zat mij zienderogend in te schatten tot welk stemvee ik zou behoren. Welnu, als ik verklap dat ik het immense vel papier niet heel ver open hoefde te vouwen laat ik hen die eveneens ten stemburele gingen niet in het ongewisse welk vakje ik gedecideerd inkleurde, need I say more; rood.

Het feest der democratie, nou nou wat een feest was het weer die laatste weken. De dames en heren politici die alleen nog maar lijken te kunnen ‘jijbakken’. Een beetje respectvol met elkaar kunnen discussiëren, het zal wel ouderwets zijn. De toenemende verhuftering vindt zijn oorsprong hoe het er heden ten dage in de tweede kamer aan toegaat. En hier weer, dit alles in navolging van de grote blonde lijder. Minder, minder, minder, kopvoddentaks, door elkaar schreeuwen, niet de ander laten uitspreken, het is normaal geworden – doe lekker zelf normaal, knettergék! Deze haatzaaiende politicus (tsunami) wakkert alleen maar argwaan en afkeer aan, door voortdurend onjuiste aantallen te noemen en alles bij elkaar op te tellen, asielzoekers, studenten en expats. Ook zij van die zogenaamd liberale partij goochelde er met cijfers maar wat op los, nareis op nareis op nareis en beschuldigde ook nog even een getatoeëerde zanger van Jodenhaat. Wat is er overgebleven van ons tolerante landje, wat is er gebeurd met het fatsoen, waar is mijn generatie van love en peace heengegaan.

De Minderpoliticus zegt alleen maar tegengewerkt te zijn, tja, democratie is nu eenmaal de dictatuur van de minderheid. Ha, zoals OxfamNovib zegt; ‘wij zijn met meer’. Hij weer: ‘Ik vertegenwoordig twee miljoen kiezers’, kan wel zijn, maar zestien miljoen Nederlanders stemden niet op hem.

In mijn ‘oudste stad van Holland’, een stad zo vol met geschiedenis kreeg die knettergek de meeste stemmen van het Vee. Dat is dan maar zo, het zit hier vol met ‘hardwerkende Nederlanders’, maar wat mij wel verbijstert is dat mensen in mijn omgeving (de mensen thuis) ook op hem stemden. Ik schatte hen in als normale weldenkende, intelligente, sociale, lieve mensen, zij die ook opgroeiden met Woodstock, al of niet vermeende, net iets te laat geboren hippies. Dat er onder hen van mening zijn die nog steeds Israël te moeten verdedigen, het is onbegrijpelijk, waar waren zij al die jaren voor de inval van Hamas. Word ik er boos om, nee, teleurgesteld en verdrietig en dat is eigenlijk nog veel erger.

Dat iemand, zelfs nadat bekend werd dat Tweedekamerleden van Hem een haatdragend facebook account beheerden, nog dat eerste vakje op het stembiljet inkleurt, ik kan er met mijn verstand niet bij, wat een niveau. De domheid regeert.

De dag nadat ik mijn burgerplicht verrichtte, bezocht ik het Fenix museum, met de fototentoonstelling van al die duizenden immigranten, door de jaren heen, de honderdduizenden mensen overal ter wereld die moeten vluchten voor honger, geweld of discriminatie. Als die aanhangers van die partijen met fascistisch gedachtegoed dat nu eens bezoeken, misschien dat zij dan beseffen, hoe goed, hoe veilig, hoe vredig het hier is in dit land, al hun hele leven lang.

Shorts of London

Het was misschien studentikoos maar toch gezellig. Ik weet niet eens meer of er live dixieland werd gespeeld of toch gewoon plaatjes gedraaid. Spotify bestond nog niet in het jaar 1975. Want daarover gaat het in dit onderhavige verhaal. Misschien iets te veel bier en ook te veel onder de indruk van het vlammend rode haar van de vriendin naast me. Een halve eeuw later ben ik er weer eens, het Rembrandtplein in Amsterdam. Het café is er niet meer, alles heeft inmiddels een andere naam gekregen. Ook de gore ‘krul’ waar ik een eens maar nooit meer ervaring net niet beleefde is gelukkig verdwenen. Het standbeeld van Rembrandt staat er nog, de bronzen beelden die lange tijd de Nachtwacht uitbeelden niet meer. Passend bij deze tijd staart Rembrandt nu naar het goud geschilderde beeld van kunststof, ‘De Denker’ van Josefh Klibansky. We zijn op weg naar de Stopera, waar het enige moeite kost om de juiste ingang te vinden. Tenslotte worden we door mijn goede vriend Adrie langs de beveiliging binnen gesluisd voor een korte rondleiding en wie weet een vis-á-vis met burgemeester Femke.

Haarlemmerdijk – Nieuwendijk – Dam – Kalverstraat – Spui – Reguliersbreestraat, alles ademt herinnering. Tip de Bruin, zo’n typisch Amsterdamse zaak uit die tijd, met de goedkope smokings in de etalage, hij is er nog, opgepimpt. Het sjieke Austin Reed, Engelse herenkleding, waar ik werkte niet – sollicitatiegesprek in Krasnapolski – en waar bijvoorbeeld de schoenen zo duur waren dat ik een ras Amsterdammer hoorde kraaien: krijg je er een Cadillac bij kadów? De ordinaire meubelzaak Woltering, mijn eerste baantje waar ik na één week alweer wegwilde, maar ja, ik zou en moest naar Amsterdam. De bloemenkramen bij het Spui waar ik met mijn koude klauwen enorme kerstbomen kocht en die de hele Kalverstraat door sleepte. Tuschinski, waar ik mijn moeder en later mijn latere vrouw verraste met de pracht en praal. De Cineac, de filmtunnel waar je verplicht rookte en ik de onvergetelijke film Midnight Cowboy zag. En dus de Stopera, pas gebouwd na lange protesten. Voorafgegaan door de Nieuwmarktrellen, waaraan ook ik deelnam, maar als pacifist niet met stenen gooide.

Wel nieuw nu, biertje in de zon, op een boot in het water van het Rokin, links, daar was V&D, daar was de Bonneterie, daar nog steeds de luxe sigarenboer Hajenius en nog wat verder Jaeger, dure Engelse dameskleding waar ik ook werkte.
‘Wat is het toch een heerlijke stad’
‘Ja, dat zei je net ook al’, zegt Eega.
We vergapen ons in de Bijenkorf die nóg luxueuzer is. Het Damrak kun je beter mijden, mits je interesse hebt in Nutella, molentjes, stroopwafels of kaas. Hier zat toen, noot vroeger (vroegah) (kúile) zeggen, een brave thee- en koffie zaak met een bepaalde deur. Daarachter bevond zich een geheime disco. Helemaal van die tijd, verlichte dansvloeren, tapijt aan de muur en lichtshows op het ritme van de soulmuziek, want dat was het wat daar gedraaid werd. De roodharige en ik waren meestal de enige blanken en we dansten de vonken uit de vloer. In de spits in de volle tram, net als toen, maar nu naar het Art-hotel; kapot geslenterd.

Eindelijk, sinds zoveel jaar, weer eens in het Stedelijk. Natuurlijk wandelde ik eerder over het vernieuwde Museumplein, dat alweer aan een upgrade toe is zie ik. In de witte plastic wasbak echter was ik nooit. In de kelder eronder biedt de grote zaal een vervreemdende ervaring met een in groen licht gehuld leger van reusachtige figuren. Het museum is kleiner dan in mijn herinnering, een kopje thee met een gebakje veel duurder. We dompelen ons onder in de wereld van de kunst, soms onbegrijpelijk, adembenemend en ook veel van o ja, dit ken ik, hier zie ik het voor het eerst in het echie. Zo ook met ‘peinture á la haute tension’, de neonkus. Toepasselijk na een kort bezoek aan I love Amsterdam.

Monopole

Alleen al voor die naam zou je gaan of anders ook voor het gebouw. Steeds wanneer ik het Stedelijk Museum bezocht gooide ik een bewonderde blik erheen. De voormalige bioscoop in Amsterdamse schoolstijl stond jarenlang leeg. Nu is het verbouwd tot een museum. Komt dat even goed uit, soms moet je als man vluchten, wanneer Eega een club oud-collega’s, kan ook zijn vriendinnen, buurvrouwen of anderzijds gezelligheid te lunchen vraagt. Echt, ik heb het geprobeerd, manmoedig standgehouden, maar je komt er niet tussen, er bovenuit, ze praten allemaal tegelijk en dikwijls ook over onderwerpen waar je als man hetzij geen weet van hebt, geen verstand van of ook liever niets mee te maken wilt hebben. Dan maar op pad.

Schiedam, heerlijke stille stad, of wat kies ik een leuke route uit langs oude grachten en molens. Delft is leuk, Leiden ook en mijn eigen stadje Dordt is volgens kenners een verborgen pareltje. Nou, slenter eens door Schiedam. Monopole stelt niet teleur, er is net genoeg overgelaten van het oude gebouw, Amsterdamschooltegeltjes, versleten trappen en boven herken ik een kamertje waar de filmprojectoren gestaan moeten hebben; rechthoekige uitsparingen in de muur. Het tentoongestelde is net zo vreemd als daarna in het Stedelijk. Hier alles met lichtprojecties, onbegrijpelijk mooi, aan de overkant is het in de linkervleugel ook mooi maar niet erg vrolijk makend. Over alles wat er mis kan gaan, of mis is gegaan in de levens van de diverse kunstenaars, te vroeg overleden kinderen, miskramen enzovoort. Dat komt mij te dichtbij. De andere vleugel zit gelukkig barstensvol abstracte kunst. De koffie is gratis, althans de museumvrijwilligster swipet langs de machine in haar enthousiasme om me uit te leggen hoe het werkt en; het werkt. Het apparatski begint terstond te schenken; ‘Nee, sorry, mijn fout!’

De keus van een eettentje later wordt ook al voor mij gemaakt, een leuke gevel met de naam Gerardus kan ik niet links laten liggen. Het kogelronde zuurtje dat me bij het afrekenen wordt meegegeven spuug ik toch maar in de gracht, De Lange Haven. Ik kan nog niet naar huis, naar Eega met haar natafelende ex-collega’s, langs de grachten dus. Alweer een molen, of is dat die ene die ik net ook al zag? Google leert me dat er nog zeven staan, van de dertig ooit, allemaal even reusachtig hoog. Bij museummolen De Walvis zit een in mooi groen gehulde moslima, met wimpers als molenwieken. Ik zie er wel een leuk plaatje in, maar ja ik ben geen Ted van der Elsken. Wel maak ik een foto van een spreuk op een muur, van Louis Lehmann:
‘Van mij kan men zeggen
dat ik mij verlies
in kleinigheden.
Maar ook
dat ik mij erin vind.

Een beetje stad heeft een Kerkstraat, Nieuwstraat en een Grote Markt en ik doorkruis deze om langs de Schie die stil in de zon ligt te stromen richting NS te slenteren. Het lege plein voor het station gaat opgevuld worden, de bouwkraan geeft aan, dit gaat hoog worden. Nog niet heel lang geleden zouden dit kantoren worden, woningen nu. In de Sprinter, stoptrein was de vroegere naam, probeer ik als enige van mijn telefoon af te blijven. Net voordat we na CS de tunnel inzoeven verzwik ik mijn oog, even niet opgelet, daar staat opeens alweer een wolkenkrabber. Mijn telefoon brengt uitkomst; Post. Echt heel mooi, geïnspireerd op het eronder liggende postkantoor aan de Coolsingel. Dat met die enorme monumentale hal waar ik toen PostNL nog PTT heette, weleens een postzegel kocht. Alweer een aanwinst, deze toren, past goed, in die metropool.                                                                                                                                      

Geluksvogel

’Hó, wacht, ik loop verkeerd, ik moet tussen jullie in’
en hij wurmt zich tussen hen in. De glimlach van de hen tegemoetkomende vrouw doet vermoeden dat zij het door heeft. Daar loopt een vader die op stap gaat met zijn twee dochters. Of meisjes, zoals ze in zijn ogen nog steeds zijn. Ziet hij de ene, slank en modieus gekleed wegstuiven op haar grijsgroene E-Bike denkt hij Goh, wat rijdt daar een leuk meisje. Loopt hij de andere tegemoet, slank en modieus gekleed achter de crème- zwarte kinderwagen, denkt hij Goh, wat komt daar een leuk meisje aan.

De zon schijnt nog, maar het wordt al wat frisser ‘s avonds. Het terras zit vol, gereserveerd ja, maar liever binnen. Ze schuiven aan een leuk klein tafeltje in het kleine restaurantje, de vader wil graag in het hoekje, als het hier straks volloopt zit zijn goede oor aan de goede kant. Het drukke gesprek gaat gewoon verder, nog geen tijd gehad om op het menu te kijken. Hij bedenkt zich, niks nulpunt nul vandaag, rode wijn moet het zijn. Geluksvogel dat hij is, uit eten met twee mooie vrouwen, want dat zijn die meisjes inmiddels, moeders zelfs. Proost! Hij vraagt, waarvoor is dit ook alweer?
‘Voor je verjaardag PA!’
Daar komt de ober alweer, of ze al hebben besloten? Wat, oja, brood met smeersels dan maar. En weer buigen ze zich over tafel, het zit vól, druk gepraat en waar gáát het hier over. Het gaat overál over, de kinderen, gezamenlijke herinneringen, over vroeger, hun jeugd.

De zomer is bezig herfst te worden, het wordt wat vroeger donker. Het kaarsje op tafel dooft uit en de attente ober brengt een nieuw. Het lichtje weerkaatst in de ogen van de dochters en hij denkt wat zijn ze mooi, zijn meisjes, terwijl hij luistert naar hun enthousiaste gekwebbel. Of ze al hebben besloten? Ha, jahoor, hij dacht het al, de een gaat voor de bavette en de ander voor de burger. En zij wisten het ook al, PA! Neemt de kabeljauw.

Op zijn vraag;
‘Beste zangers gezien?’
brandt het los. Als er een ding is wat hij ze heeft meegegeven is het wel de liefde voor muziek. De wijn wordt bijgevuld, ‘Proost PA!’, de wildste avonturen van de twee worden komen ter tafel, maar worden hier niet besproken om hen niet in diskrediet te brengen. Het gaat van festivals, bands en boybands, Eminem, waar PA! Geen fan van was, tot –niet meer bestaande- discotheken. Dat ze laat of te laat – ‘s morgens vroeg pas – thuiskwamen. En ook nog wilde avonturen die PA! tot nu toe niet kende worden verklapt. Ach, ja, hij is ook jong geweest. En wild.
‘Wat ben ik toch een geluksvogel’,
denkt hij weer en hij zegt het nu ook en het scheelt niet veel of hij moet op zoek naar een zakdoek.

Bescheiden als deze vader is wil hij gewoon nog een koffie. Niks ervan, ijs moet het zijn, kom op! Oké, zo’n dame-blanche is wel lekker. Terug naar de auto, door de stad die stil is en verlaten, langs de haven waar het water donker glinstert, onderlangs de scheve toren, die hoog boven hen de koperen klok één keer laat slaan. Hij mag tussen in.

Angela

Begrijp me goed, ik ben zeker geen fan van Angela de Jong, maar wat schreef ze een geweldige column laatst. Die, dat je beter over de Islam kan schrijven dan over de Hond. Ooit waagde ik me er ook aan, iets schrijven over deze plaag. Maar dan gecamoufleerd, enigszins besmuikt. Juist alsof ik heel graag ook een hond zou willen, eentje die niet kwijlt of stinkt. En heel belangrijk, wat ik nog vergat, eentje die niet poept. Je zal toch met je hand verpakt in een plastic zakje zo’n intens vies, zacht en warm vers uitgescheten stuk stront op moeten pakken. En dan daarmee weer naar huis moeten wandelen. Daar is maar één woord voor, Gétverredémme. Maar neehoor, dat vinden we allemaal helemaal niet gek, dat is volkomen geaccepteerd. Net zoals daar staan, een beetje de andere kant opkijkend, of op je telefoon, terwijl jouw dier met lichtgebogen rug zijn drol uitkakt. Dat is gewoon heel gewoon.

Ik schreef ook een verhaal over dr. Deng, die uitgerekend had hoeveel kuub excrementen er inmiddels moeten liggen in de groenstrook naast zijn huis. Zoveel honden in zijn omgeving maal zoveel keer per dag is; een schrikbarende hoeveelheid. Naar beneden afgerond zijn er in Nederland ongeveer 1,8 miljoen honden. In een kleine straal rondom mijn huis tel ik er zo al een stuk of tien. De meeste daarvan blaffen gelukkig niet of bijna nooit. Maar die paar die dat wel doen verpesten het voor de rest. Waarom vinden we dat met z’n allen gewoon? Ik blaf niet, ik maak geen lawaai. Maar de hond mag gewoon blaffen, dat geeft toch niks, ach, laat hem toch. Zoals die buurman die standaard dat zwart-witte ding elke ochtend al voor zeven uur loslaat in zijn tuintje. En dan dus hele buurt wakker blaft; gewoon.

Ik zal, net als Angela, er wel niet over mogen schrijven, maar nu ik ben begonnen ga ik nog even door. De lange lijn. Wat een onding is dat, althans in de handen van veel hondenbezitters. Baasje op de stoep, hondje meters verder aan de lange lijn in de groen (poep) strook aan de andere kant van het fietspad. Alsof ze alleen op de wereld zijn, die fietser moet maar remmen, of zien dat hij er voorbijkomt. Laatst kwam ik zo’n stel tegen, wandelend, verder naar links kon ik niet, steil dijktalud. Letterlijk stilstaan en wachten tot het baasje de lijn inhaalde, de hond naar zich toetrok, grappig lachend en niet begrijpend dat ik niet, zoals hij, stráálverliefd ben op zijn dier.

Nog erger, loslopende beesten. Als wandelaar wandel je veel. Sommige hondenbazen doen dat ook, met dat beest. Het liefst wandel ik door de natuur en het liefst word ik dan niet opeens besprongen door een hond. Of besnuffeld, of benaderd, nieuwsgierig, agressief of enthousiast. Ik weet niet wat dat beest gaat doen dat op mij afkomt, of soms opeens voor me staat. Kwispelend of met grommend met opgetrokken bovenlip. Ik heb daar geen zin, dat hoeft voor mij niet, gek hé, mag dat?

Gelukkig is er in mijn stad één stukje (nieuwe) natuur waar geen honden mogen komen. Dat dat stukje zwaar ter discussie staat is logisch. Hondenbezitters vinden dat niet normaal, zij willen daar ook in mogen met hun dier. Laatst kwam ik er toch zo’n stel tegen en diep, heel diep van binnen dacht ik heel kort aan Angela, hoe zij haar column eindigt. Dat zij op een bepaald moment dan voor een algeheel hondenverbod is. Maar dat natuurlijk niet hardop zegt.

Ik ben Lily

Voor de volledigheid, even voorstellen, eigenlijk heet ik Lily May, maar meestal wordt dat May weggelaten. Ik ben in mei geboren, zodoende, en persoonlijk vind ik dat eerlijk gezegd wel mooi. Misschien komt dat jou, lezer, bekend voor, die titel; ‘Ik ben.’ Nou, dat kan kloppen, eerder verschenen verhaaltjes over Juul en Jens en dat zijn toevallig mijn nichtje en mijn neefje. De namen van mijn pa en ma ga ik hier niet geven, maar die van mijn zusje wel; Luana. Mooie naam hé, maar ja, ik heb haar nooit gekend, want ze is maar achttien dagen oud geworden. Je snapt natuurlijk wel dat dat een heel groot verdriet was. En nu zijn papa en mama extra blij met mij, hihi. (en mijn opa en oma ook natuurlijk) Je kan wel merken, het is allemaal nog erg nieuw en onwennig voor ze, maar wat zijn ze lief. Het liefst houden ze mij de hele dag vast. Ik vind het best hoor, even een huiltje (nooit huilie, huilie zeggen) of hup, daar beland ik alweer in de armen van deze of gene.

Volgens mij woon ik in een fijn huis, klein maar fijn, en in een hele grote tuin. Waarin, als ik het goed begrijp nog heel veel bloemen moeten gaan groeien. Er is nu wel een verschrikkelijk grote groene vlakte, zo ver als ik kan kijken. En die paadjes er doorheen, daar is volgens mij iets misgegaan, niet recht maar met bochten en slingers. En de kamer waarin ik woon is wat jullie, denk ik, gezellig noemen. En misschien goed om te weten, als je zo klein bent als ik, zie je nog niet alles even scherp. Dat boekje met zwart-wit afbeeldingen werkt prima, maar af en toe verschijnen er nieuwe gezichten boven mijn bed, geen idee wie dat zijn en bovendien zijn ze wazig. Ik weet al, als ik dan even glimlach, dat werkt, dan kraaien ze van plezier. Maar verder, eeh tja, ik ben nu precies drie maanden oud en meer weet ik niet hoor.

Oja, schiet me nog te binnen, over een poosje gaan die voornoemde opa en oma op mij passen, nou het zal mij benieuwen. Laatst hoorde ik hem iets mompelen van; ‘we willen allemaal oud worden, maar oud zijn niet!’ Volgens mij een cliché. Die oma schijnt behoorlijk lief te zijn, met oneindig veel geduld, kan nooit nee zeggen en heeft een heel repertoire aan liedjes met rare teksten. Terwijl hij zijn ei kwijt moet met poppenkasten en huizen maken, opvouwbaar en van karton. En in de tuin schijnt er een houten speelhuisje te zijn, nou ja, ik hoop dat dat nog even niet gesloopt wordt, voor mij duurt dat nog even. Oja, nog iets wat ik wel even kwijt moet, nu ik jullie toch spreek. Het begint op te vallen, ze hebben iets met dieren, die ouwelui van mij en dan heb ik het niet over de standaarddieren waar ouders altijd mee aan komen zetten. Jeweetwel, schapen en lammetjes en een koe die dan Boe zegt, neenee, zij zitten meer in de apen-, olifanten- en leeuwen sfeer. Overal van die beesten, op mijn trui, op de deken en de handdoek en zelfs in mijn kamer. En ik ben bang dat dit niet een fase is. Gewoon structureel, dat woord Afrika, dat komt zó vaak langs. Ik heb het idee dat ze daar iets hebben, iets van een jeep met een tent op het dak, wat dat ook zijn mag. We gaan het zien, ben bang dat ik er niet aan ontkom, ik zal eraan moeten geloven, nou ja maar een beetje mee bewegen. Je doet ze er een plezier mee, hop, naar Afrika. Oja, nog iets, Juul had een grote tekening voor me gemaakt, ook al met diertjes, lijkt me wel een lief meisje, Jens ook hoor, lief, maar jongetje dus en ik vermoed dat hij wel een doerak is. Of is dat een ouderwets woord? Schurk dan misschien, zegt opa ook altijd tegen mij.

Beetje jammer wel dat ze niet door hebben dat mijn luier een beetje erg vol is. Misschien is het een idee om schuin te liggen, zodat tie doorlekt. Héé’, wakker worden, mag ik even een klein beetje aandacht? Nu heb ik de naam weinig te huilen, maar in this case, huilen dan maar weer?

Rotterdam de gekste

Direct nadat mijn Eega me uit de auto heeft ‘gegooid’, zij gaat aanstonds inschepen op haar SS Rotterdam, sta ik er middenin. Een brandweerspuit tovert een regenboog over de Castor (boot), de Hoerenloper (brug) en de Montevideo ( wolkenkrabber). Wereldhavendagen, alles wat kan varen of enigszins maritieme trekjes vertoont laat zich hier zien. Daar ligt een lichtgrijs stalen zeiljacht, strak en zakelijk, opleidingsschip van de Marine. Ik zie net de Furie wegvaren, een stoomsleepboot uit 1916. (geboortejaar van mijn vader) In een onmogelijke houding pleegde ik er ooit een klein plasje in het piepkleine wc-tje. Maar wat komt daaraan, ik herken het onmiddellijk en het staat er ook op, het is de Piet Hein. Toen vond ik het een mooi jacht en destijds was het eigendom van Prins Bernard, nu is het gedateerd en niet erg fraai. Te laat, het had een leuke foto kunnen zijn, de boegen lagen even parallel, de Tyde vaart juist weg. Dit is een hypermodern elektrische hydrofoil, gekke combi. Ik kan wel honderdduizend foto’s maken hier, al die schepen afgetekend tegen de strakke skyline van de stad, heerlijk.  

Iets verder doen vijf stoere havensleepboten met namen als Schelde en Hudson, hun kunstjes, keihard aanvaren, dan opeens zich omgooien zodat ze bijna kapseizen en het hele achterdek onder water zetten. Er ligt een Fishermans Friend-blauw ponton met een skatebaan erop. Ik ga aan boord bij een schip dat letterlijk helemaal bedekt is met zonnepanelen, hoe gek wil je het hebben. De zon schijnt, de lucht is blauw, een oranje helikopter in de lucht, gele watertaxi’s en snelle waterbussen en daar komt de enorme Stena-line aangevaren. De A834 (Zr. Ms. Den Helder) laat ik liggen, de rij om aan boord te gaan van dit Marine schip is van Efteling-achtige proporties. Vanaf het ponton met een gigantische hijskraan die zich spiegelt in de blauwe gevel van het grootste gebouw van de stad, De Rotterdam, bezie ik dit gekkenhuis. Op de Erasmusbrug is het nog do-able, maar op de Willemskade wordt het mij te druk. Maar ik wil naar de museumhaven, daar ligt de driemaster De Oosterschelde, helaas, ik mag er niet op. Jammer, ik app een foto van de boegspriet en het vinkennet eronder naar een vriendin, ooit werkte zij erop en voer de wereld over.

De fuik van de Marine sla ik over, vaststaande files van mensen. Met mijn toen nog kleine dochter M bevond ik  mij opeens op een Marineschip. Bij het kanon aangekomen wilden wij snel weg en zij sprak de onvergetelijke woorden: ‘Nee, dat is niks voor ons hé pa?’ Langzaam begin ik nu door mijn hoeven te zakken, het geslenter, de hitte en de drukte. Deze krankzinnige kermis, de lust voor het oog en alle verder aanwezige zintuigen, ik hou ervan. Tijdens de allereerste Sail Amsterdam woonde ik daar en bezocht dat gebeuren, destijds nog te doen qua drukte. Een bemoeizuchtig chefje op mijn werk dacht toen punten te scoren en liet een enorm spandoek drukken voor aan de gevel op het Rokin. Het was in die tijd dat het woord Uitverkoop vervangen werd door SALE, je raadt het al, toen wij het doek uitrolden stond daar met grote rode letters het woord SAIL. Ik moest er nogal om lachen. Ik app een foto van het SS in de verte naar mijn Eega, ze zal nu bijna klaar zijn denk ik. Heel gek, het reuzenrad erachter lijkt van hieraf wel op het dek van dat oude stoomschip te staan.

Nu klim ik de steile trap op naar ‘Het Park’, het is genoeg. Wat een weldadige rust, zondagmiddag, schaduw onder de oude bomen, vogeltjes, vijvers en bruggetjes en, stilte. Zo vlak na de commotie van de demonstratie ‘Wij eisen de nacht terug’, ben ik extra alert en straal nog meer onschuldigheid uit dan gewoonlijk naar de spaarzame dame die het waagt hier te wandelen. Daar, Dijkzigt torent boven de bomen uit en dat daar is het Westin hotel. Zo stippel ik mijn koers uit en laveer richting gele trein naar mijn eigen thuishaven.

Van de Kreeke naar de Kraage

Een groot reünie-ganger was je toch nooit. Zeker niet na die keer dat je er speciaal een flinke afstand voor aflegde en de portier van de plaatselijke schouwburg waar de reünie zich zou afspelen je, enigszins glazig aankijkend antwoordde dat ‘dat gisteren was’. Op de diverse scholen en opleidingen behoorde je niet tot de harde kern, was je een outsider of te vaak afwezig om met wie dan ook een dusdanige band opgebouwd te hebben dat je diegene nog heel graag eens zou ontmoeten. Niet dat je niet nieuwsgierig was hoor, hoe zou het met die of die gegaan zijn, of hoe zouden zij, de vele meisjes op wie je heimelijk min of meer ietwat verliefd was geweest er nu uit zien.

Wat je nooit doet, kon nu wel, appen in de auto. De file was volledig tot stilstand gekomen, een bemodderde vrachtwagen werd uit de sloot gesleurd en je meldde alvast dat je later zou zijn. Het was nog slechts twee jaar geleden, de vorige reünie, zelfde mensen, zelfde plek. Zou het weer nét zo gezellig zijn als toen? Ja dus, warme ontvangst, handenschudden en krampachtig hield je vast aan de nieuwe begroeting, de post-corona hug, niks drie keer zoenen die alle nichtjes je nog probeerden op te plakken. Neef A kwam op je af met een stevig ingepakte koker met de mededeling dat hij een oorkonde voor je had. De schrik sloeg je om het hart, o no, wat krijgen we nou, toch niet weer? Waarom, wat had je gedaan? Eerder dat jaar was je op een samenkomst naar voren geroepen, gehuldigd en tot erelid benoemd. Nu koffie met voetbad, bolus met plakhanden, links en rechts gesprekjes, bekende en onbekende oude foto’s in oude albums bekijken. Nichtje G gaat volautomatisch door over jullie laatste onderwerp van lang geleden, dat je even moet schakelen en denken van oja…  en ha daar is neef B die er de vorige keer niet bij was en heel lang niet gezien.

De oorkonde blijkt een zeer oude prent van de Groothoofdspoort uit jouw stad, aangeschaft door A in een verre stad in Frankrijk. En je kunt niet anders dan de gravure in dank aanvaarden en allen hartelijk welkom heten in die oudste stad van Holland, met de belofte hen rond te leiden. Soep en heerlijke broodjes met neef F en dan in kleine colonne met auto’s naar het startpunt van de wandeling. ‘Geheim!’ volgens de reünie-leiding. De voorspelde regen blijft uit, het wordt alleen maar warmer. Gezellig keuvelend kuiert de groep in wisselende samenstelling door ‘nieuwe natuur’ en plotseling openbaart zich een prachtig uitzicht, over de ‘Kreeke’ en in de verte ‘het dorp’. Met nichtje S haal je herinneringen op, samen logeerden jullie op de boerderij, heel jong nog. De vorige keer poseerden jullie zelfs samen hand in hand tussen de verschoten stenen leeuwen naast de trap van het stadhuis. De stoet houdt halt bij een boom, oja, hier was het, dit is De Plek, de boerderij. Je probeert het, voel je wat? Zindert er iets, heimwee, warme jeugdherinneringen van zólang geleden. Daar moet het wagenhuis gestaan hebben, de hoogstam fruitbomen, het varkenskot en in de wei achter de meidoornheg, jouw lievelingspaard Nelly. En ook deze keer is de plek voor de groepsfoto op het bruggetje over de ‘Kreeke’, wat moeite kost, mensen zijn diep in gesprek nog verderop, anderen gaan er alweer vandoor. Jij schreeuwt de vraag: ‘Wie heeft hier eigenlijk de leiding?’

In het dorp blijkt ‘De Rozemarijn’ er niet op vooruit gegaan, huisjes waar grote gezinnen woonden zijn verworden tot garages. Het schelpenmuseum staat leeg, op één grote doopvondschelp na. Café De Rode Leeuw, op het pleintje waar jij vroeger met je broers stunts uithaalde met de fiets, wordt omgetoverd tot appartementen. Ook werd je hier dikwijls gevraagd ‘van wie judder er één waren’ of noemden ze je ‘jongens van Jan de Wit.’ Daar was de muziektent, de hoefsmid en daar de vijver met de fontein. Sentimentele herinneringen en neef B zegt; ‘Ik mijmer wat áf!’

Grappig in dit verband te melden is dat je dochter bevriend is met een Amsterdamse huisarts, afkomstig uit Philipinne, die nu hij weet dan de oma van je dochter uit Zaamslag kwam, te pas en te onpas je dochter aanspreekt in voor haar onverstaanbaar Zeeuws Vlaams.

Heerlijke chaos om carpoolend terug bij de achtergalaten auto’s te geraken. Eenmaal daar is broer R zijn autosleutel kwijt. Lichte paniek ontstaat en je begint er, berustend, al vanuit te gaan dat het een latertje wordt vandaag, reservesleutel halen, maar wonderen bestaan nog, in een carpoolende auto is een onbekende sleutel gevonden.

Tijd voor de nazit bij de ‘Kraage’. Automatisch verdeelt zich de groep aan tafel, je kunt nu eenmaal niet iedereen spreken, en laten we wel wezen, sommige neven en nichten ken je eigenlijk amper of zelfs niet. En wie schuift daar aan tafel: Tánte! De laatst nog overgeblevene van haar generatie en ze ziet er goed uit en is nog springlevend. Met een stapel nog weer nieuwe oude foto’s, veel van oom F en haar. Oom F was een James Bond-achtige verschijning, had goed een fotomodel kunnen zijn. Zoals neef A zegt: ‘Zij waren vroeger het mooiste stel van Z.’

We nemen een biertje en we nemen er nog één en vooruit, een bitterballetje gaat er ook wel in bij deze gezelligheid. Je zit even bij Tante, bij wie je eens logeerde en op wiens pick-upje je steeds dat plaatje van de bossanova draaide. Ze is op de hoogte want ze vraagt of je nog steeds klimt en of je de Mönch hebt beklommen en de Matterhorn! Jouw voorstel om een tijdelijke groepsapp te maken zodat men de gemaakte foto’s daarheen kan appen, zodat iedereen meteen alle foto’s heeft vindt geen ingang. Niet iedereen doet er aan, appen en er is ook bij anderen de overgang naar Signal. Ingewikkeld allemaal. Her en der word je uitgenodigd om eens op de koffie te komen en anderzijds geldt dat natuurlijk ook; welkom! De reünie-leiding roept stipt om vijf uur: ‘Het is Afgelópen!’, maar we zijn nog lang niet uitgepraat, nog lange niet, nog lange niet…..

Ik ben Juul en ik ben Jens (2)

‘Komtie binnen en ik zeg; ‘Opa, wat heb je dáár nu weer?’ Hij wil altijd opvallen; een witte pleister en wit dotje op z’n arm. Oma zegt dat hij bij de dokter is geweest en dan vragen wij natuurlijk, waaróm?’ Wij mochten dokter zijn, ik de dokter en Jens de zuster. Maar ik had het al snel gezien, laat Jens het maar doen, die pleister eraf trekken. Jens vindt namelijk bloed nogal tamelijk interessant. Het moest snel, volgens opa, in één keer die pleister eraf. Het eerste stukje deetie zelf, héél langzaam en toen rekte z’n vel heel gek uit, nou, en toen was er niks te zien, of nou ja, een héél klein gaatje’.

Nu jij Jens. ‘O, laatst zaten we bij ze in de auto, ‘Oto’, zegt oma altijd  en dat mag niet van ons, het is auto en toen reed er een hele grote zwarte Amerikaanse pick-up voorbij, zo’n Chevrolet RAM. ‘Kijk oma’, zei Juul; ‘Zo’n auto wil ik later ook!’ En toen moesten ze allebei hard lachen, waaróm? En wij zijn op vakantie geweest in Frankrijk en daar hadden ze een hele grote speeltuin en allemaal zwembaden met glijbanen enzo’.

Juul; ‘En ik mocht geen salto duiken maar ik heb wel A en B diploma. Ik vind dansen leuk, op vakantie leer ik allemaal dansjes bij de animatie en toen ging ik het doen bij opa en oma en zag een filmpje van The Spice Girls dat mama vroeger heel leuk vond. Ik weet nog niet precies wat ik ervan moet vinden, ze deden wel heel raar met andere mensen die niet mee dansten. En ik wil ook voor C diploma en ook zeemeermin maar dat mag niet.’

Jens: ‘En d’r was een bosbrand maar die was niet gevaarlijk zei mama en papa deed allemaal tassen in de auto en bij het grote meer zagen we rook daar achter en vliegtuigen kwamen water scheppen en dat gooiden ze op het vuur.

Juul; ‘We gingen even kijken naar Lily, dat is ons kleine nichtje en ik had een grote tekening gemaakt en wij durfden niks te zeggen want ze is zo klein en ze sliep en die handjes zijn zo klein met die nageltjes. De tuin is wel lekker groot, daar kan Jens voetballen’.

Jens; ‘Soms moeten we mee naar Het Huisje Aan De Zee. Oké, daar doen wij niet moeilijk over, wij gaan wel mee, als we maar niet er in moeten, in die zee. Wij gaan krabbenpoten zoeken en zeesterren en kwallen en dan graven we een gat en daar moet die kwal in. Of we maken een hotelkamer boven in de duinen, met allemaal stokjes en handdoeken’.

Juul; ‘Op opppasdag vroegen wij aan opa of het ook zou kunnen dat hij eens één keer een dag geen grapjes zou maken en hij zei goed. Drie keer raden hoelang hield hij dat vol. Gewoon normaal doen, opa, begrijp je het niet? Hij denkt zeker dat hij wel gek kan doen maar als wij eens even lekker willen gillen mag dat absoluut niet. Als we lang op de bel drukken kan hij er niet tegen. Als we bij ze logeren kruipen we ‘s morgens bij ze in bed en toen zei oma dat opa slaapt zonder onderbroek, toen hebben we zo gelachen dat het dekbed bijna kapot ging en de kussens ook. Waaróm?’

Jens; ‘Wat dan wel weer leuk is, is dat speelhuisje achter in hun tuin. Dat kan in en uitgeklapt worden en daar woon ik en Juul is de pakketbezorger en die komt dan allemaal dozen brengen en dan belt ze aan met de bel aan de buitenkant en dan ben ik soms niet thuis en schrijft Juul het op een briefje.’

Juul; ‘We zijn in een hotel geweest en daar was een berg en daar zijn we bovenop geweest en dat was spannend en mama zei dat opa dat best leuk zou vinden. En toen moesten we heel lang naar huis rijden en ik wou het net vragen maar Jens was eerst: ‘Mama? Is het morgen maandag? Mogen we dan naar oma?’