Je bent niet alleen

De suppoost had wel gelijk, hij adviseerde me eerst tot rust te komen alvorens de zaal binnen te gaan. Pas toen ik, na de eerste sensatie, de foto en de selfie, de koptelefoon opdeed daalde er een rust over me neer.

Natuurlijk weer te vroeg vertrokken, dwaal ik door Schiedam. S’dam volgens gele posters. Over de stille Schiekade, waar het water hoog staat en een dikke plak Plastic Soup klotst, door het steegje waar ik een eeuwigheid geleden, steeds enkele dagen doorbracht in de studio van Paul. Toen nog beginnend, nu beroemd modefotograaf. Het blijft nog steeds te vroeg, ik cirkel om het Stedelijk Museum heen en beland in een overdekt winkelcentrum. Zo een waar gemiddelde winkels zich verzamelen en waar muziek zachtjes uit de luidsprekers kwijlt. In de verte ontwaar ik iets, zit al in de ‘kunstmodus’, wat zich bij mij, gepassioneerde pensionado, binnendringt als Kunst. Het is een levensgrote paashaas met een hel aan flikkerlichtjes. Stond deze installatie honderd meter verder, in een witte zaal, dan was het; Kunst.

Het is bijna Pasen, in Dordt vindt binnenkort een ander schouwspel plaats; The Passion. Wie kent het niet, je houdt ervan of je haat het. Hoewel haten in dit verband niet het fijnste woord is. Hoe dan ook, het is er voor iedereen, goed bedoeld en met een prachtige slogan, voor tweeërlei uitleg vatbaar; ‘Je bent niet alleen’. Is Kerst wat verkermismiseerd met de – overigens gezellige kerstmarkten ed. – zo is Pasen dat met die ‘Passion’ toch niet.

Vijf minuten te vroeg check ik mijn Museumjaarkaart in. Neem de kortste weg en jawel, ik ben de eerste. Aan wachten heb ik een pesthekel. Het is mogelijk om helemaal alleen in een zaal te zijn met het schilderij ‘Grey, Orange on Maroon’. Zijn er wachtenden, dan klopt de suppoost na tien minuten op de deur. De schilderijen van Mark Rothko schijnen emoties op te roepen. Mensen gaan ervan huilen, beleven bijzondere sensaties. Emotioneel wrak als ik ben zijn mijn verwachtingen hoog gespannen.

Het zaaltje is verduisterd, buiten dreunt een vuilniswagen langs. Met de ontdekte koptelefoon wordt het stil en ik probeer het te laten gebeuren. Gedachten uit te bannen en alleen maar kijken. Het is een groot doek, blauwgrijs met daarop twee kleurvlakken. Speels geschilderd waar de ondergrond doorheen schemert. Het bovenste vlak een blauwigpaars, het hangt dreigend boven het onderste wat kleiner is, langwerpig in oranjerood. Nu zie ik pas dat er een schaduw hangt, onder dat oranje. Hier zit ik dan, eindelijk. Voor me een echte Mark Rothko. Geboren Rus, Rothkowitz, later naar Amerika gegaan. Apparatski, dat woord dringt zich bij me op, altijd als ik iets Russisch hoor of zie en ik moet daar om glimlachen. Hoe lang zit ik er nu? Hoor ik die suppoost wel kloppen, zo met de koptelefoon op? Tien minuten lijkt me best lang. Dan hoor ik iets anders, in mijn hoofd zing ik; “To be alone with you”, van Bob Dylan. Van de elpee ‘Nashville skyline’, een titel alleen al die meteen allerlei beelden kan oproepen. Maar dan opeens, het oranjerode vlak maakt zich los van de ondergrond en zweeft op me toe.

In de museumwinkel vind ik een kinderstripboek, geïnspireerd op de Rothko schilderijen. Dat boek is voor mij, een nieuw idee, met mijn lieve kleindochtertje niet alleen naar de kinderboerderij en naar de klimhal, nee, kleuren en schilderen gaan we!

Terug naar de trein, loop ik middenover het vreemde plein, het Stadserf, met de welhaast fascistoïde gevels aan beide zijden. Leegte, er is niemand, nou ja, aan het eind een gemeentewerker met een irritante bladblazer. Het stoort me niet, in mijn hoofd zingt het:
To be alone with you
Just you and me
Now won’t you tell me true
Ain’t that the way it oughta be
To hold each other tight
The whole night through
Everything is always right
When I’m alone with you

 

Advertenties

Pressure

Help, het is zover, de Kärchermaffia is terug. Net terug uit stiltegebied Noorwaard overvalt dat des te meer. Een eerste vroege voorjaarsdag en hup daar gaan we weer.

Nu zijn er meer overlast veroorzakende hobby’s, in dit overigens vredelievende buurtje. Voor sommige kan ik, als ik goed m’n best doe, nog wel enigszins begrip opbrengen. Zoals daar zijn, het melken van duiven, het roken van zware sjekkies en of barbecues, het houden van honden en het laten meegenieten met de tuindeuren open van lieden zoals Kroes, Duits en Alberts. Maar dat domme gespuit, onder hoge druk, van elk randje, kiertje, boven-, onder- en achterkantje van alle tuinmeubelen, schuttingen en vlonders, wat is dat toch. Die gekte, ook nu weer, op dit moment, het is vroeg, zondagochtend. Op ditzelfde moment wordt het werk aan de overkant van het grachtje hervat. Hoge druk. Ja, voor je zenuwen zeker.

Het zal aan mij liggen. Ik ben de beroerste niet, Tolerantie is m’n tweede naam. (hoewel)
“Erger je toch niet zo!”
roept mijn Eega, wanneer ik naar binnen vlucht. En probeer me vast te houden aan het credo van mijn broer: ‘Ergert u niet, verwondert u slechts’. Ik ga hulp zoeken. Wil het zo graag begrijpen, wie kan me dat uitleggen. Wat is er toch zo leuk aan. Echt, ik ben ruim van begrip. Bezocht laatst de ‘Pindakaasvloer’ van Wim T Schippers in het Stedelijk museum van Schiedam. Zelfs dat begrijp ik volkomen. Ik kan er niet meer tegen. Ik ga koffie drinken. Naar dat hutje op de hei, of liever nog, op het strand.  Waar dan niemand is, want er moet gespoten worden.

Morgen koop ik ook een gele Kärcher, eentje met veel vermogen. Spuit die vent van z’n terras, zo vanaf mijn balkon, vanover de gracht. Spuit hem zo door z’n schuifpui. En dat dan drie keer. Ik las eens, op bezoek bij een vriendin, een sticker met de tekst; ‘als u hier niet rookt, laat ik geen wind’. Ik maak geen lawaai, ik niet. Mens, kerger u niet.

In dit land houden we niet van verbieden. Liever tolereren, gedogen we. Graag wil ik, met die gedachte achterin, een voorstel doen. De ‘Warme Truiendag’ hebben we net gehad. Misschien kan die leuk opgevolgd worden – tijdens die truiendag is er toch zo weinig energie verbruikt – met de HDS, de HogeDrukSpuitdag. Gewoon, één dag in het jaar mag er gespeeld worden met die gele dingen. En dan loof ik een prijs voor diegene die de leukste naam verzint. Iets in de trant van ‘Landelijke Kärcherdag het Nationale Spuitfestijn’. De prijs, u raadt het al, een bezem.

 

Barre Midwintertocht Light+

Het was zover, het laatste weekend van januari. Traditioneel, hoeveel jaar al, het weekend voor mannen (vrouwen ook), diehards, die geheel vrijwillig een nachtje in de sneeuw gaan liggen. Ergens, verscholen in de bossen van de Hoge Venen wordt men geacht, na een flinke wandeltocht, de nacht door te brengen. Het hoogste punt van België, sneeuw vrijwel zeker gegarandeerd. Mits voorzien van goed spul, Goretex bivakzak, dikke slaapzak, warme kleding etc. is het genieten. Zoniet kan de nacht, de tocht lang duren.

Dit jaar vonden de organisatoren het mooi geweest. Misschien waren er anderen die het wilden voortzetten. Toch, tijdens de Kerstdagen begon het te kriebelen. Altijd die eerste vrijdag na de Kerst, de voorbereiding, zoeken naar een geschikte bivakplek, route uitstippelen, coördinaties vastleggen, dat was zo leuk. Met de vrienden op stap, eitje bakken op de brander. Ze deden het gewoon weer, dichtbij, in gebied Oeverlanden Hollands Diep.

Het laatste weekend van januari. De webcam van Baraque Michel geeft aan: tien centimeter sneeuw. Helaas, daar zijn ze niet. In Regio Rivierenland is het ook wit, vijf centimeter. Op de stranden van Schouwen Duiveland ligt nog minder sneeuw. Hier is het rond het vriespunt, stevige noordenwind tegen maakt het ietwat ‘barder’. Hier geen veenpollen, of eindeloze hellingen zoals in de Hoge Venen, maar mul zand, afgeslagen duinen en een zee die ver is weg ge-ebt. En: nu ze er toch zijn, ze ruimen meteen op. Met vijf man is de grote plastic zak zo gevuld, veel blauwe touwtjes, een werkhandschoen, teenslipper, ontelbare flesjes, halfvergane plastic zakken. Gelukkig staan er steeds meer afvalcontainers bij duinovergangen; lossen!

Eindelijk beschutting in de Meeuwenduinen, tijd voor:
“Als we eieren hadden konden we eieren met spek bakken als we spek hadden”.
Daarna de Boswachterij, nog eindeloos door dat vreemde bos, waar je de zee hoort ruisen. Overnachtingsplaats is het Vogel Vangstation. Een van hen heeft daarvan de sleutel. Dit opent een geheel nieuwe wereld, misschien vangen ze daar weleens een vogel? Neen, soms wel tweehonderd op een dag, met zeer geavanceerde apparatuur. De hele vangst wordt gearchiveerd, geringd en weer vrijgelaten, alles voor de wetenschap.

Voor het echte BMT gevoel kiezen er twee voor buitenslapen in de bivakzak. Binnen, in het kleine zwartgeteerde houten hutje heeft de houtkachel de temperatuur inmiddels opgestookt van nul graden bij binnenkomst tot vijfentwintig nu. In de schemer van de vroege ochtend streelt een kille zeebries de blote billen. De wc is mobiel, een houten kist met bril boven een gegraven gat. Een verfrissende ervaring, midden op het vogelvangterrein. Die oplichtende oogjes daar in het bos, is dat een ree, of toch een wolf? De terugtocht naar het startpunt, richting Brouwersdam is nu met wind in de rug. En iets korter, niet meer de ruime bocht over het strand. En dan blijkt het te kunnen, ook hier is de bewoonde wereld ontwijken goed mogelijk. De laatste restjes sneeuw zijn verdwenen, het was net ver genoeg, BMT light+. Dat plusje staat voor; een stukje opgeruimd strand.

 

Freerider

Soms, heel soms blijft een film hangen, een film die je gerust nog eens wilt zien. En jaren later nogmaals. Een film die beklijft, die misschien zelfs je leven kan bepalen, een mindchanger. ‘Easy Rider’, de roadmovie over twee hippies op hun chopperbikes, heel lang hing een iconische foto van hen aan je kastdeur. ‘Woodstock’ maakte indruk, ‘Sophie’s Choice’ en ‘Toughing the Voide’ met Joe Simpson.

Free Solo. Wat een film, eigenlijk een documentaire, zelden was het zo spannend. Terwijl je weet dat het goed afloopt, hij valt niet. Al tijden volgde je hem, Alex Honnold. Steeds weer doken nieuwe filmpjes op, solo beklimmingen op indrukwekkende wanden. Vroegtijdig werd er promotie gemaakt voor deze film en je wist: die moet ik zien. De route Freerider, 950 meter, solo, zonder enige protectie. Je dacht voorbereid te zijn, dat worden spectaculaire beelden. Je zag al vele foto’s en films van eerdere beklimmingen. En van anderen: Lynn Hill die, vijfentwintig jaar geleden, als eerste El Capitan deed in een dag, freestyle. Hoe vaak bladerde je door haar boek, ‘Steeds Hoger’, staarde je naar de foto’s hoe zij The Great Roof beklom. Onze eigen Jorg Verhoeven die de extreem moeilijke Dehidral Wall deed op El Cap. Ueli Steck, ‘the Swiss Machine’, je woonde zijn presentatie bij, humorvol en met ijzingwekkende beelden. Nog geen jaar later verongelukte hij dodelijk op de Nuptse. Leo Houlding met zijn krankzinnige beklimmingen en basejumps. Je dacht wel wat gewend te zijn, al zoveel gezien.

‘What if he falls?’, de minidocumentaire van de making-off gaf al aan, dit wordt anders. De angst van de filmploeg in beeld gebracht. Niet eens over hoe ze zelf daar hingen, honderden meters lucht onder de voeten. Maar hun angst over Alex, het kleine figuurtje dat, uitgezoomd, vanaf de grond amper zichtbaar is in de enorme wand. Als simpele hobby-klimmer weet je wel wat. Klimmen op wrijving, hoe dat voelt, alleen door dat kleine contactpuntje van schoen op rots. Amper te begrijpen hoe Honnold dat kan, die eerste honderden meters in ‘The Freeblast’. Je zag hem steeds vallen, aan touw oefenend, puzzelend hoe ‘The Boulder Problem’ moest worden opgelost. Met zeventien ‘moves’ op tweederde van de route. Honderd procent geconcentreerd, in een flow, een cocon, komt hij er doorheen. Achterover liggend in het zachte bioscooppluche veeg je je drijfnatte zweethanden maar weer droog aan je broek. Het is nog veel spectaculairder, en de route veel moeilijker dan je je had voorgesteld.

Dan, voor het eerst, lacht Honnold naar de camera, he did it! Kennelijk toch ook opgelucht dat deze passage is gelukt. Dan volgt nog de Enduro Corner. Een onmogelijke spleet, waarin hij zich verklemmend omhoog wurmt en waar geen einde aan lijkt te komen. Die eindigt met slechts ruimte voor enkele vingers. Je gelooft je ogen niet, hoe hij gewoon doorklimt, ijzig kalm. De muziek stijgt naar climaxhoogten, hij is er bijna. De laatste meters doet hij op een drafje. Beelden uitzoomend vanuit een drone. Een klein poppetje kijkt relaxt omlaag, langs de nagenoeg verticale rots, het groene bos in de diepte. Het weerzien met zijn vriendin, hoe hij meteen weer in z’n busje hangt aan het trainingsbord, dat komt niet meer bij je binnen. Het moet even landen, terug uit Yosemite in het zaaltje van The Movies. Free Solo, wat een film, die wil je, dat weet je nu al, over een tijdje heel graag nog eens zien.

Oop

Niemand, echt helemaal niemand kan dat nu eenmaal voorzien. Dat een brandstapel van 48 meter hoog met wat wind uit zee hier en daar een vonkje doet opwaaien, dat verwacht je niet. Daar moet je misschien de leeftijd van de zeer wijzen voor bereikt hebben, vele fikkies illegaal, binnen de bebouwde kom, in je eigen beboste tuin, dikwijls uit de hand gelopen, zelf gestookt hebbende, om dat te weten. Daar moet je Oop, zoals mijn kinderen hun opa noemden, Opa voor zijn. Ingewikkeld intro wellicht om tot dit punt te komen. Eindelijk is het zover, en het is waar, het is bijzonder wanneer die gillende opahormonen eindelijk tot rust komen. Het is daar, het beweegt en het poept en het maakt geluid.

En daarmee samenhangend ook weer die boosheid – met die leeftijd misschien – het niet kunnen begrijpen, dat het allemaal maar door kan gaan. Brandende torens en nitraat bommen in de vorm van vuurwerk. Gewoon weer zeventig miljoen in rook opgegaan. Oudjaarsmiddag fietsend door de polder, in de verte rommelt de stad, als een slagveld in de verte. Die avond, het was nog lang voordat de laatste seconden afgeteld gingen worden, deze Oop werd haast agressief. Weer een Zena Toro, een Thunder Cracker. Bhumm! Ging er maar één procent van die zeventig miljoen naar bijvoorbeeld dat ene doel, stichting Microcare Nepal. En daarvan een heel klein deel naar Rilly Gurung, een jonge weduwe met twee kleine kinderen. Die keien vergruizend met een klauwhamer een paar roepies probeert te verdienen. Als kerverse Oop grijpt zo’n filmpje je dan des te meer aan.

Het leven kan soms kabbelen of ook heftig op en neer gaan. Met hoogtes en dieptes. Soms zelfs in eenzelfde jaar. Steeds weer wordt me gevraagd: Trots? Ben je een trotse opa? Lastig uit te leggen, trots, dan kun je zijn wanneer je iets hebt gepresteerd, een bepaalde afstand binnen in een bepaalde tijd hebt afgelegd, een boek geschreven, een molen exact op schaal met afgebrande lucifers. Trots, een negatieve klank, dan liever blij. Emoties kunnen hoog oplaaien, wanneer een pasgeborene ook nog naar je net overleden moeder blijkt vernoemd. Flauwekul vond je. Maar nu effe niet. Ook niet trots, vertederd is het woord.

Lijstjes heb je als Oop niet, had je die, kon je nu iets afstrepen. De Top 2000, al jaren volg je dat, verslingerd aan muziek. Als kind al, kende je de top veertig uit je hoofd. Elke week de nieuwe halen in de platenzaak. Met je vrienden overhoorde je elkaar, op welke plaats staat nu… Nu eindelijk dan, in het Top 2000 café. Overal camera’s, bijna 24-7 ‘on air’, op tv. Even heel kort meedeinen, in de verte staat, achter glas de dj, die kondigt het volgende nummer aan:
“Op 713, Cat Stevens met ‘Father and son”.
“Die ken ik”, brult Oop naar zijn vrienden, (allemaal Opa’s):
“Ik had die elpee; Teaser and the firecat”.
En je vertelt er niet bij dat je eindeloos dat ene nummer draaide; ‘How can I tell you’ ( that I love you) daarbij wegdromend aan dat ene, dat onbereikbare, betoverende meisje. Waarom zijn er in die lange lijst zoveel totaal onbekende nummers, waar was je toen? Volledig gemist. Hoezo komt bijvoorbeeld Candy Dulfer’s ‘Lily was here’ in de hele lijst niet voor? De onbetwiste nummer één hit aller tijden, staat slechts op een bescheiden 1486ste plaats, Carlos Santana met ‘Europe’. En dan is opeens die camera daar. ‘Everyone will be famous for five minutes’, zoals Andy Warhol zei. Oké, het waren vijf hele trage seconden, je moet ergens beginnen.

Rilly Gurung, in Nepal, hoeft niet beroemd te worden, misschien wordt haar filmpje toch een hit en kan ze die klauwhamer wegleggen. Zie: https://youtu.be/WdjNsLN3ziE

Meet and Griet

Lang van te voren wist ik, inside information, dat ze zou komen, Griet Op de Beeck. Daar moest ik bij zijn. Mijn vriend Wim houdt een plaatsje voor mij vrij. Zoals alle Nederlandse mannen met een beetje gevoel voor taal en bruine ogen was ik voor haar gevallen. Het overrompelende debuut op tv, in de talkshows, het charmeoffensief in ‘Zomergasten’, nog voordat die meeste Nederlanders iets van haar hadden gelezen, was als een mokerslag. Nu komt ze vertellen in Papendrecht en dat kan ze, praten, vertellen. In die prachtige taal van haar, Zuid- Nederlands, noem het Belgisch. Zoals mijn nichtjes spraken toen, die zelfde klank daar in Zeeuws Vlaanderen.

Het zaaltje zit vol, keurige dames, de meeste van zekere leeftijd, een enkele heer. De micro doet het niet, batterijtje leeg, het wordt opgelost en dan steekt ze van wal. Een waterval van woorden zonder een enkele hapering of een eeeh… Meteen ook het diepe in, haar coming out, in die tijd van nog net voor de mee-too hausse. Wat een storm van verontwaardiging veroorzaakte, dezelfde Nederlanders lieten haar vallen. Commercieel effectbejag. Haar verhaal doet alle twijfel teniet. Hoe ze begon als schrijver en nu dan hier staat, achter een grijze katheder op een gestreept tapijt in Papendrecht. Hoe ze hoopt dat wij haar boeken zullen lezen en misschien ook een beetje van haar willen houden.

Gisteren beleefde ik een geheel andere emotie. Op de Kerstmarkt in sprookjesachtig donker Dordt was daar de Sing-a-long. De band speelde hard onder de oprijzende neoclassicistische zuilen van het Stadhuis. Het publiek zong uit volle borst mee met ‘Let it snow’ en ‘Winter wonderland’. De kasseien deinden mee met de meute en het dak ging eraf tijdens de uitsmijter; ‘Merry Xmas Everybody’ van Slade. We schreeuwden letterlijk mee. Leuk en gezellig, maar met Kerst had het weinig meer te maken.

Griet leest een hilarisch verhaal uit ‘Gij nu’. Over een onaangename verrassing die ene Kathleen aantreft in het toilet van haar nieuwe werkgever. En hoe zij dat oplost. En dan weer verder, met haar betoog, ze heeft een boodschap. Die eigenlijk hetzelfde is als dat prachtige gedicht wat ze voordroeg, na die vreselijke aanslag in Brussel met dertig doden. Enkele zinnen hieruit:
Laten we geen engelen zijn, maar als het kan toch ook geen duivels.
Laten we mensen zijn. En helemaal onszelf worden, niet wie we denken dat anderen wilden dat we waren.
Laten we moed houden, durven wankelen en redden wat er te redden valt. Onszelf bijvoorbeeld, en elkaar.
En laten we begrijpen wat de liefde is, onthouden dat dat alles is, of toch bijna.
Laten we durven.

Nadat de micro nogmaals is uitgevallen en Griet ons allen heeft uitgenodigd eerlijk te zijn, niets onder het tapijt te vegen, kijkt ze ons liefdevol aan, met die bruine kijkers. Haar laatste woorden zijn, ook nu: ”Laten we durven:” Mijn vriendin Christa, die Griet ook introduceerde, bedankt haar nu, met: “Lieve Griet” en ik denk een trilling in haar stem te horen. En ik denk dat we dat allemaal zo voelen. Bij het vragenkwartiertje komt Christa naar mij toe, eén blik is voldoende.

Even later moet ik volgas geven, de Merwedebrug op, voeg met geweld in op de N3. Op de radio speelt ‘Driving home for Christmas’ en ik zet de volumeknop op vol. Dat moet.

De Overkant

Jos. Zo nam ze de telefoon op, mijn moeder: “Met Jos”, of; “Met Jos den Toonder.” Hoeveel keer zou ik  dat gehoord hebben. Meestal belde ik haar om de andere dag, een enkele keer elke dag, de laatste jaren. Soms ook sloeg ik weleens een paar dagen over. Dan kon ik het even niet meer hebben, altijd dezelfde verhalen over alle klachten. Naast alles wat ze mankeerde, bedlegerig, de pijnen, steeds blinder wordend en die merkwaardige kwalen die ze had, of dacht te hebben. Zenuwpijn, de drainage, neuropathie. Wanneer ik dan toch weer opbelde, zei ze; “Was je me vergeten?”

Maar ik mis het. Ik mis haar en haar belangstelling en luisterend oor. Al zevenzestig jaar was ze mijn moeder, ze leerde me het leven, het pad. Ze gaf me kleurgevoel, zachtaardigheid. Mijn drift, dat heb ik van een ander, van pa, al negenendertig  jaar dood. Altijd nog praatte ik met hem, als de witte molen opdoemde, achter het viaduct. Met tachtig kilometer rij je erlangs, precies daar, bij de rode beuk, daar is hij begraven. Het sneeuwde toen, de grond was hardbevroren. De hoop grond naast het open graf leek een berg met besneeuwde top. In de verte sloeg de kerkklok, eenzaam, ritmisch en kil. Toen de kist neerdaalde, steeg er een duif op vanuit de boom, symbolisch. Nu ligt zij er ook, Jos, liggen ze er samen.

 ‘Ample make this bed.
Make this bed with awe;
In it wait till judgment break
Excellent and fair.

Be its mattress straight,
Be its pillow round;
Let no sunrise’ yellow noise
Interrupt this ground’.
-Emily Dickinson-

Het was een warme middag en het waaide. De rode beuk liet zijn blaadjes ritselen. Ik las met luide stem, om mijn emoties te overschreeuwen, een gedicht voor. ’De allerlaatste reis.’ Ik was gespitst op weer een teken, een duif of iets van die andere zijde. Pas later realiseerde ik het me. Dat moment op de onderste flanken van de Matterhorn, enkele weken eerder, toen op mijn omkeerpunt, dat was het geweest. Toen ik me afvroeg of ze nog leefde. Precies dat, op het moment dat ik de laatste, hoogste foto wilde maken en mijn moeder belde, wachtte op: ”Met Jos”, verschool de top die al die dagen helder in zicht was geweest, zich in een wolk. Ik zag er toen al een symboliek in en nu des te meer. ‘De allerlaatste reis’ verwaaide in de wind. Het verkeer op de Patijnweg ruiste, verstoorde de stilte van deze mooie grond.

 De allerlaatste reis
En ik zal gaan.
En de vogels zullen blijven zingen en mijn moestuin zal blijven
met zijn groene boom en zijn witte waterput.

 Alle avonden zal de hemel blauw zijn en vredig en zullen de klokken van de klokkentoren luiden zoals ze vanavond luiden.
Ze zullen sterven, zij die me liefhadden en elk jaar weer zal het dorp veranderen
en in de hoek van mijn bloeiende moestuin zal mijn ziel rondzwerven, nostalgisch.

 En ik zal gaan, en ik zal alleen zijn, ontheemd, zoals de groene boom,
zonder witte waterput, zonder blauwe en vredige hemel.
En de vogels zullen blijven zingen.
– El viaje definitivo – Juan Ramón Jiménez, 1905-

 De grote stad lonkte naar me, weg uit de provincie en Jos kwam wat graag logeren. We zwierven door de stad, Hotel Americain, het Concertgebouw, de Bijenkorf, het Rijks en het Stedelijk, naar de film in Tuschinsky. We gingen naar Parijs. Ik stuurde haar op schilderles, talent, ze had het wel. Later zocht ik haar weer op, ze wachtte me op met haar witte Golf of rode Panda voor een lunch, ergens in die provincie. We zaten aan haar geliefde Westerschelde, daar aan de overkant wisten we haar geboortegrond. Bijna drie maanden is het nu, toen ze vertrok naar de overzijde. En het went niet erg. Rouwen, het is een proces wat tijd kost. Het moet slijten zeggen ze. En het zijn fasen, waar je doorheen moet. En daar hoort kennelijk ook spijt bij. Had ik niet beter dit, of had ik niet beter dat. Ben ik tekort geschoten? Zo fiets je genietend door de polder die in de greep raakt van de herfst. Zo fiets je met beslagen brillenglazen. Is het verdriet, gemis, of schuldgevoel? Jos was dus al negenendertig jaar alleen, taalde niet naar een andere man. Ze miste Pa nog altijd. ”Later, zullen we samen zijn”, zei ze. Op het laatst wist ze dat toch niet meer zo zeker.

Het went nog niet, steeds wil ik haar bellen, het zit zo diep in mijn systeem. Even vertellen, wat er gisteren was. Die volgende dag, na de begrafenis, wilde ik haar bellen hoe het was. Toen bedacht ik me, o nee, dat kan niet meer, ik heb haar nummer niet. Wanneer ik voorbij rijd en in de verte de rode beuk zie, zal ik zwaaien, in gedachten naar haar, naar Jos.

 Als liefde zoveel jaar kan duren…. 
dan moet het echt wel liefde zijn…….
ondanks de vele kille uren…
de domme fouten en de pijn….
-Herman van Veen-