Schaduw

De krokus (crocus) en dan bedoel ik voornamelijk de krokus die in het voorjaar bloeit, ( nooit voorjaarskrokus zeggen want dat woord heeft een dubbele betekenis) daar heb ik iets mee. Er zijn 220 soorten krokussen. De krokus die in de herfst bloeit zeg mij dan weer niets.

Iedere dag zie ik op social media de foto die ik die dag plaatste een jaar geleden. De avondklokfoto, in het donker net voor negen uur bij mij in de omgeving gemaakt, vandaag nummer 53. Op dat moment wist ik niet dat het er maar liefst 106 zouden worden. Ergens had het iets leuks, eropuit op zoek naar iets geks, vervreemdend, de lege straten, een verlaten bushalte, een eenzame hardloper op weg naar huis, een gesloten winkel. Het had ook iets spookachtigs en we vonden het erg. Het was nieuw en onbekend, zoals een jaar eerder toen corona begon. Wat kwam er op ons af, wat ging er gebeuren. Zoals ik vluchtte, de Franse Alpen uit, snel terug naar Nederland, vlak voor de eerste lockdown en omdat dat land ‘op slot’ ging. Het was allemaal erg.

Nog niet eens zo heel lang geleden schreef ik een verhaaltje over onze generatie. Hoe uitzonderlijk goed wij het hebben. Nooit een oorlog meegemaakt. Geen tsunami, overstroming, aardbeving, geen vulkaanuitbarsting, oké af en toe een storm, maar geeneens een tornado of orkaan. Nog iets langer geleden perste ik er een verhaaltje uit of we het komend jaar niet konden overslaan, toen het nieuws werd overheerst door een zekere Trump. Dat was heel erg. ‘Mag die man weg en of er nou eens niemand aan zijn stropdas kon trekken’. Met liefde zou ik, een vredelievend persoontje, het zelf gedaan hebben.

Zoals die eerste maanden van Corona (nooit Covid-19 zeggen, dat is alleen voor virologen) de zon onafgebroken scheen, zo schijnt die zon nu weer terwijl er zich iets nog veel ergers voltrekt. De zon schijnt, maar in mijn hoofd is het continue bewolkt. Over alles ligt een schaduw. Terwijl ik met mijn geliefde Eega over een lichtgeel strand loop en een schattig baby zeehondje met ons mee zwemt. Wanneer ik op een windstille avond een rondje polder fiets, mijn grappige kleindochter onderaan de glijbaan opvang, in een verse schuimkraag hap achter het glas van een terras terwijl het carillon van de Grote Kerk zijn klanken over de vredige stad uitstrooit, voortdurend is er dat het gevoel. Nog geen dag rijden verderop is de hel uitgebarsten. Dát is pas erg.

Hoe langer ik daar over nadenk, het is niet voor te stellen. Hoe moet dat zijn, de deur van je huis dichtdoen en vertrekken, misschien voor altijd. Een koffer met kleren mee, een slaapzak, wat eten. Waar ga je heen. Alles achter laten en maar hopen dat je niet getroffen wordt en dat je huis niet wordt geraakt. Dat is verschrikkelijk erg.

Altijd ben ik weer blij wanneer ik een krokus zie, het is nog koud maar opeens zijn ze daar, boven de grond. Een symbool, zó, de winter is voorbij, dat hebben we weer overleefd. De zomer, het goeie leven komt er aan. Normaal gesproken zou ik nu nog blijer zijn, het mondkapjes – en aanverwantegedonder is voorbij, maar ja, die verrekte schaduw. De krokussen in het parkje stonden daar zo onwetend en onschuldig, net zo onschuldig als het volk, waarvan het leven opeens in een hel is veranderd.

Wat één gevaarlijke gek toch kan bedenken, het is niet te bevatten, waarom. Ik denk dat ik nu begin te begrijpen wat haat is. Ik, als pacifistisch figuurtje, ik doodde wel eens een zieke kip of een overtollige haan en dat was niet fijn om te doen. Toch, ik zou er geen moeite mee hebben, met die stropdas. Om de ondergang, de ellende te doen stoppen, er is kennelijk geeneen generaal in het Kremlin of iemand uit zijn staf die het durft, om vele mensenlevens te redden. Een stropdas in de vorm van een kogel, precies tussen die twee, te dicht op elkaar staande ijskoude ogen. Als de bom valt, de mensheid wordt weggevaagd en de fall-out is neergedaald en de ergste kou verdwenen, dan zal hier en daar, heel voorzichtig een teer krokusje weer de kop opsteken, vast en zeker.

Ik ben Jens (2)

Vermoeiend allemaal maar er zit niets anders op dan maar weer mee te gaan, om ‘home alone’ scenes te vermijden. Zul je net zien, zou ik voor de eerste keer zo’n zwemparadijs van binnen zien, mag ik er niet in, iets met die vlekken op mijn vel en met mijn oren. Het is de bedoeling dat we een paar dagen ergens anders gaan wonen, geen idee waarom maar papa en mama (nooit ‘mijn ouwe lui’ zeggen als je nog geen 1 bent) hebben er veel zin in geloof ik. Eerst zouden we naar de sneeuw gaan maar met die mondkapjes ging dat niet. Mijn ouders zijn gek op sneeuw, wat ze daar toch in zien, ik begrijp het niet.
Nu dus naar een huisjesParc, raar, eerst zien en dan geloven. En let maar op, het zit er dik in, gegarandeerd dat we ergens pannenkoeken gaan eten en dan niet in een echt gewoon huis maar iets met een speeltuin en kabouters en ook met treintjes enzo. En Juul en ik maar doen of we het allemaal heel gewoon vinden en lekker en dankbaar. ‘Dankbaar moet je zijn, nederig en klein’, hoorde ik laatst mijn opa zingen – als je dat zingen kan noemen – een héél oud liedje van Robert Lang of zoiets.

En oja, opa en oma moeten natuurlijk ook weer mee, ’t zal eens niet. Zij is gewoon heel lief hoor, altijd, maar hem, kweenie, hij is niet onaardig, echt niet, maar ik kan hem niet peilen, speelt hij nou een rol of is hij echt zo, ieder geval, beetje gek istie wel. Soms zit ik hem minuten lang aan te staren en dan zie ik hem denken; ‘Wat gaat er in dat hoofdje om’. (’t mijne hihi) Gelukkig is er in dat huisjesParc geen klimmuur anders moeten wij er weer aan geloven, worden we naar boven gepraat.  

En dan nog dit, laatst werd ik opeens ergens binnen gereden in een huis, heel groot met allemaal nóg ouwere opa’s en oma’s. Er was iets met mijn oma, ze kreeg heel veel grote bloemen en kadootjes en mooie kaarten en iedereen wou met haar praten en dag zeggen en mama moest bijna een beetje huilen en tante Corrie ook een klein beetje en opa ook haast bijna. Al die ouwe oma’s zaten om mij te lachen terwijl ik daar onder de tafels door kroop.
Nu moet je weten dat ik een beetje mijn eigen stijl heb, het zou me niets verbazen wanneer ik de kruipfase gewoon oversla, ik loop nu al een beetje. Kruipen vind ik niks, heb ik niks mee, Omrollen en tijgeren, mijn moeder zegt dan: ‘Ik ga stuk’. En ik ontwikkel een aardige snelheid al zeg ik het zelf, een soort schoolslag, zijdelings, op het droge. (Zwembad is voor mij no- go area, iets met mijn oren, weetjewel)

Juul was ook mee, zat daar maar aan die tafel een beetje te puzzelen en mooi te wezen, alsof ze heel braaf is. Ik zal eerlijk gezegd blij zijn als ze straks eens een dagje naar die baazesschool is waar ze het de hele godsganse dag over heeft. Kan ik mijn speelgoed tenminste even iets langer dan drie en halve seconde vast houden. Nou ja ik hoop nu maar de glijbaan daar bij dat huisjesParc niet al te hoog is. En dat er niet van die deuntjes en gekmakende melodietjes zijn die tussen je oren in gaan zitten. Aan de andere kant, als dat alles is.
Aan mijn leeftijd kleven ook voordelen, je hoeft je over de meeste dingen geen zorgen te maken, er is een hoop waar ik geen verstand van heb, en moeilijke woorden en enge dingen zoals Corona en Covid en nu weer Oekraïne. Hopelijk hebben ze daar bij die huisjes wel schommels, hou ik van, gewoon domweg een beetje schommelen en wegdromen.

Dit verhaaltje ga ik zéker niet aan Juul laten lezen, ik weet nu al wat ze dan zou zeggen, haar nieuwste spreuk: ‘Wat vind je er zelf van?’

And the wind

Voor een voorspelbaar type als ik ligt het voor de hand om, wanneer het regent, ‘Singing in the rain’ te zingen. Dat doe ik dan weer niet maar wel wanneer het waait, ‘And the wind cries, Mary’. En het heeft dit jaar al wat gewaaid, je zou er schor van worden met al die stormen en als ze dan ook nog Corrie gaan heten, een van de vele koosnaampjes die ik bezig voor een van mijn vele dochters. (Corrie – meteoroloog uit 1964)
Voor diegene bij wie er geen belletje gaat rinkelen, het prachtige nummer (uitgebracht 5 mei 1967, twee dagen later zou ik zestien worden) van Jimi Hendrix met net zo’n rare songtekst als dit verhaaltje wordt. Er zijn namelijk teveel touwtjes aan vast te knopen.

Toen ik enkele jaren later werd rondgeleid door Winchester en omgeving in zuidelijk Engeland onder begeleiding van Elisabeth and Mary bleef die laatste aan dat liedje kleven. Ook uit die tijd stamt de song ‘Winchester Cathedral’ – onder andere gezongen door Petula Clark en Frank Sinatra – dat weliswaar minder iconisch uitgroeide, maar voor mij onlosmakelijk werd. Tevens troonden zij ons (mijn broertje was er ook) mee naar The Winchester Castle waar zich de Round the Table van King Arthur * bevindt en uiteraard de oudste pub van de hele United Kingdom – waar iedere stad er wel een van heeft – hier echter The Royal Oak geheten en wij hectoliters Lager, Bitter, Stout en Shandy moesten drinken.
* Of het nu de echte ofwel een replica betreft, daar zijn de geleerden het niet over eens.

Terug naar Jimi Hendrix. Eens stapte ik in bij een van mijn vele schoonzonen in zijn luxe wagen en bevond ik mij onmiddellijk omringd in full stereo en op volle sterkte met het nummer ‘Hey Joe’ van Jimi Hendrix, het eerste nummer van een van mijn afspeellijsten op YouTube. Verbaasd moest ik bekennen dat hij – alweer – hoger steeg in mijn achting en sympathie, zo’n jongere generatie, ook hij, liefhebber van Jimi Hendrix. De zingende vriendin deelde met mij digitaal de lijst zoals de top tien van de Top 2000, anno 2021 er voor haar uit zou moeten zien en alweer tot mijn verbazing trof ik in die lijst het nummer ‘All around the watchtower van Jimi Hendrix’, dat als tweede nummer van mijn afspeellijst op Spotify staat. Onnodig te zeggen dat ook zij nog hoger steeg in mijn lijst.

De door mij toegestane ruimte om een licht chaotisch verhaaltje op te schrijven mag niet meer zijn dan een A- viertje dus voor enkele stukjes tekst van ‘And the wind cries, Mary’ van Jimi Hendrix is waarschijnlijk geen plaats meer, ik moet ook nog even meedelen dat een latere vriendin met bijna dezelfde naam als in dit liedje, leefde aan de overkant van het altijd winderige IJ, in het nu steeds hipper wordende Amsterdam Noord, dus je begrijpt dat ik ook toen…juist.
Volgens welingelichte bronnen is Mary de tweede naam van de toenmalige vriendin van Jimi Hendrix. Het nummer is amper gerepeteerd alvorens het werd opgenomen. Na het ruziën over haar kookkunst en het smijten met kookpannen en het weglopen van Mary, bleek dat toen zij terugkwam Jimi Hendrix deze tekst had geschreven. Boze tongen beweren dat Mary ook kan staan voor marihuana, mogelijk is de wonderlijke tekst hierdoor enigszins beïnvloed. Voor alle duidelijkheid neem ik hieronder toch een couplet op;
‘A broom is drearily sweeping
Up the broken pieces of yesterday’s life
Somewhere a queen is weeping
Somewhere a king has no wife
And the wind it cries Mary’

Nu maar even wachten, lieve lezers, tot een volgende storm aanwaait, ik sta niet voor de gevolgen in maar de kans is aanwezig, mocht je denken te horen in het fluisteren van de wind, enkele strofen met dichterlijke teksten als bovenstaand, dat ik het ben.

Amigo

(Toeristische Tips -Nr. 63)

Wegens werkzaamheden afsluiting Merwedebrug voor alle fietsverkeer op twee wielen wordt een tijdelijke pontverbinding ingezet, tussen Dordrecht en Papendrecht. Daar moest uw razende reporter bij zijn. Tevens gratis en met een veerdienst geheten Riveer. Hoe vaak ik ook van wal steek met een van de pontjes, in welke richting ook, het blijft leuk en doet mij herinneren aan mijn Zeeuwse jeugd. Toen daar nog geen sprake was van Zeelandbrug en andere bruggen en dammen. De leukste oversteek – en de langste – was die van Hoedekenskerke naar Terneuzen, drie kwartier, door de kronkelige vaargeul over de Westerschelde. Ik ruik nog de vreemde mix van drooggevallen slik met zeewier, soep, koffie en kroketten, als ik er maar aan dénk.

Via het enigszins unheimische gebied, langs de bajes en inmiddels volgebouwde voormalig kale vlaktes en een noodbruggetje lukte het mijn zwarte rijwiel in te schepen. Geen gezeur over mondkapjes, eventuele aerosolen verwaaiden hier snel. Het duurde lang voordat we vertrokken, aan boord slechts twee andere passagiers, net als de matroos trots op de bolling van de buik onder de winterjas, ‘allemaal zelf betaald’. Een keurige, nerveus ogende onlangs gepensioneerde man, kennelijk nu te laat voor de oppas van zijn Papendrechtse kleinzoon. De andere varensklant zijn tegenpool, het niet lulle maar poetse type in een roestige bruine overall die vroeger ketelpak werd genoemd, in eerste oogopslag zou je denken, werkzaam op een van de werven langs de rivier, maar zijn mutsje, uilenbrilletje en grijze baard gaven aan, hier heb je te maken met een beeldend kunstenaar.

Het dek trilde en langzaam draaide het bootje weg, ons een blik gunnend op de ruïne van Huis ter Merwe, nu vanaf een nooit geziene kant. We schommelden door de hekgolf van de zojuist gepasseerde binnenvaarder met de gebruikelijke naam ‘Vertrouwen’. Hoog boven ons de  Merwedebrug waar enkele haarscheurtjes werden dichtgelast, zodat ons taferelen van een instortende Morandibrug zoals in Genua bespaard blijven. Daar gleden we al de luwte in van de Koolhaven naast het appartementengebouw Huis De Merwede.

Indien het mogelijk is op de fiets te slenteren, dan deed ik dat, ik slenterde, kuierde op mijn gemakje – kuieren, dat is het verticale luieren, volgens mijn goede vriend Toon Hermans – over de dijk die eerst Visschersbuurt heet en verderop Kerkbuurt door Papendrecht. Dat tikkeltje vreemd gevormde dorp dat steeds maar verder uitbouwt de polders in en al haast aan Sliedrecht is vastgegroeid. Toch is er een jaloersmakend winkelcentrumpje, met alles voor de consument. Akkoord, de oude binnenstad van Dordrecht heeft meer sfeer, maar het winkelbestand is daar, zacht uitgedrukt, armoedig. De zon scheen laag en schetterend over de rivier en bemoeilijkte het zicht op Dordt. De wind verlaagde de gevoelstemperatuur en herinnerde mijn vingertoppen aan de frostnip die zij ooit opliepen. Vanaf deze oever viel het profiel van de gloednieuwe Prins Clausbrug (wat een originele naam ook weer) toch wat tegen, hopelijk staat hij vaak open want dan wordt het een iconisch beeld.

Na enkele meters op het Merwehoofd was duidelijk, veel van de sokkels op de kunstboulevard waren inderdaad leeg, het geld van Papendrecht is op, waar zijn de beelden gebleven. Achterom kijkend zag ik de gestroomlijnde Waterbus catamaran aanmeren. Opeens kreeg ik haast, keerde om en met wind mee zeilde ik met grote snelheid de boulevard af, de brug over en de boot op. Maar waar was de gele paal, inchecken en waar was mijn mondkapje, wapperend met mijn OV chipkaart moest ik terug, de pont af, met het risico dat mijn geliefde tweewieler zelfstandig zou oversteken. Op het ponton stond een nieuwe, blauw. Oja, Waterbus heet nu Blue Amigo.

Abstract

In de serie Rare verhalen is dit er weer zo een, waar het precies heen zal gaan, ik weet het niet, lastig om op te schrijven en wellicht ook om te volgen voor de willekeurige lezer. Een zoektocht naar de verbinding tussen muziek, schilderkunst en literatuur en daarbij mijn stokpaardje (er is een hele kudde stokpaardjes) het aspect toeval. In de docu over schilderes Joan Mitchell (geb.1925) werd mij plots duidelijk dat ze er zijn, die verbanden, ze zijn, met enige fantasie, te leggen en die toevalligheden zijn er ook. En ik zag de schoonheid van haar abstracte schilderijen, mede door de uitleg hoe zij haar gevoelens er in kwijt kon, haar rouw en haar liefde. Of ook, naar aanleiding van een gedicht.

Begreep ik het eerst verkeerd en dacht dat het om Joni Mitchell (geb.1943) ging. Niet lang geleden vond ik na heel lang zoeken de oude LP die ik zocht, titel: ‘Clouds’, cadeautje voor de zingende vriendin. Haar stem lijkt wel wat op die van Joni. De laatste track hierop is ‘Both sides now’, in de hoop dat zij dit ook mooi zou vinden om te zingen. (ik mompelzing hiervan per ongeluk soms enkele flarden wanneer er niemand in de buurt is) tevens bekijk ik de dingen graag ook van een andere kant)

‘But now they only block the sun
They rain and they snow on everyone
So many things I would have done
But clouds got in my way’

Schilderen, schrijven, musiceren, zo privé, een geheim uit jouw eigen brein, waarvan je toch graag wilt dat het gezien, gelezen of gehoord wordt, de gêne voorbij. Was ik daarom zo ontroerd, toen zij dit digitaal met mij deelde, zo kwetsbaar, hoe ze ietwat timide, soms heel hoog en ook heel laag zong, zichzelf begeleidend op de gitaar. Dat ze dat durfde. Zoektocht naar verbanden en/of toeval , dit wordt een abstract verhaal. Clouds, Joni, Joan en de song die vriendin voor mij zong: ‘Unchained Melody’. Ongeremde melodie. (uit 1965 – zij was nog niet eens geboren toen) Zoek ik te ver, denk ik te abstract.

Niemand mocht het atelier van Joan betreden. Ook ik ken een schilderes met een Verboden Toegang atelier, schrijven is jezelf blootgeven, zij heeft dat met haar schilderwerk. ‘Alles wat je schrijft is autobiografisch’ volgens Woody Allen. Mijn moeder was geschokt toen ze mijn verhaal ‘De Waarheit’ las. Er komt seks in voor en een moord. Dat ik, haar zoon, dát kon bedenken. Ik zei haar dat ik me enorm had ingehouden, dat ik heel veel meer kon verzinnen.
Alles autobiografisch? In feite wel, je hebt het ten slotte zelf bedacht. Terug naar abstract, het begrip. Is poëzie in het schrijven dan abstract – zoals als jazz in muziek. Wanneer je je gevoelens kwijt moet en je grijpt naar de pen, kun je dat misschien kwijt in poëzie. Is abstract in schilderkust doorgeslagen impressionisme. ‘Both sides now’ is, zoals veel songteksten poëtisch vervreemdend. Misschien, zoals gedichten, geschreven in een flow, zoals bij een schilderij het penseel opeens zijn eigen weg vindt, of de tekst maar doorratelt op het toetsenbord en de muzikant niet te stoppen is met zijn scheurende solo.

‘I’ve looked at life from both sides now
From win and lose and still somehow
It’s life’s illusions I recall
I really don’t know life at all’

De zoektocht naar verbanden is misschien niet echt gelukt, te ver gezocht. Maar is dat erg, welnee, je moet blijven zoeken in het leven. Dat denk ik dan, zo zie ik het, maar je kunt het ook anders zien.

Selfie

In een tijd waarin het ‘C-woord’ het leven en al het nieuws bepaalt ben je al snel blij met wat ander nieuws. Niet dat je vrolijk wordt van Poetin en zijn expansiedrift. (klein mannetje – grote…drift?) De oorlogsdreiging die verdween naar de achtergrond door alle berichten over Me-too. En nu dus die explosie van ongevraagde selfies, hierna te noemen DP’s. Nu heb ik in mijn leven veel vergissingen begaan, maar tot het nemen van zulk een selfie heb ik mij (ik kan me vergissen ) bij mijn weten nooit verlaagd.

Er wordt nu in hoog tempo veel blootgelegd, massa’s vrouwen schijnen er mee belaagd te worden. Psychologen en andere zielenknijpers bevolken de talkshows over de Waaromvraag, hoe komt een man ertoe dit te doen. En wat hopen ze er mee te bereiken, macht of seks of aandacht. Persoonlijk heb ik er al moeite mee een enigszins normale foto van mezelf te plaatsen als profielfoto. Sterker nog, een selfie maken is voor mij ondoenlijk, zijn mijn armen te kort, ik krijg mijn vingers niet in de bocht voor het afdrukknopje en als het al een keer lukt heb ik een uitdrukking op mijn aangezicht die getuigt van opperste concentratie, hetzij een gemaakte grijns met de lippen angstvallig dichtgeknepen of door de lensvervorming een nog onsympathieker neusgedeelte.

En dan die geschokte, diep beledigde vrouwen. Hieronder treft u enige handreikingen hoe om te gaan met eventueel te ontvangen DP’s. Wanneer het een collega betreft, screenshot, de naam van de afzender en desbetreffende eigenaar staat er nota bene boven, Hup, onmiddellijk naar het kopieerapparaat en printen maar, naar believen op A4 voor in de kantine, de garderobe of deur van de directeur. Of Hup, de foto in het lijstje op het dressoir van opa en oma er uit, DP erin en pontificaal op je bureau naast die van de kinderen en  de hond.
Of nog eenvoudiger en voor de hand liggend, delen met, in enkele klikken stelt u DP voor aan de diverse gezamenlijke appgroepen. In het geval u een gelukkige bent – kennelijk goed in trek – ( zoniet kan men zich al haast gaan afvragen, ligt het aan mij, ben ik niet aantrekkelijk genoeg of ken ik ‘alleen maar nette mensen?) die er al een hele serie mocht ontvangen, denk eens aan de diverse mogelijkheden. Zoals bijvoorbeeld het kwartetspel: mag ik van jou van Afdeling Personeelszaken de Ali en heb jij ook van Inkoop de Overmars? Jaaa, kwartet!

Er schijnt inmiddels al een scheurkalender te zijn met 365 DP’s. Mijn verstand staat er werkelijk bij stil, overigens net zo goed als bij die ‘artsen’ die nu vader blijken te zijn van hele series kinderen bij hele series vrouwen, wat bezielt deze mannen? Stel, in een vlaag van verstandsverbijstering sta je met de broek op de enkels voor de grote spiegel op de overloop, je hebt het zaakje net scherp op de korrel, klaar om af te drukken, wordt er geroepen:
“Frits! Waar blijf je nou, de soep staat al lang ingeschonken”.

Lang geleden alweer, Balkenende was nog aan de macht, was er die andere leus, ‘Zo gaan we niet met elkaar om’ en de kernwoorden ‘Normen en Waarden’. Tijdens een bespreking op het werk over de omzet, de bedrijfscultuur vond een manager het nodig om rond te vragen over dit onderwerp. Als laatste was ik aan de beurt en ik was het zó beu, dat gedoe, dat gezeur met die normen en die Balkenende en die waarden en zo en ik flapte eruit:
“De eerste de beste die nog één keer de woorden normen en waarden in zijn bek durft te nemen sla ik op zijn smoel”.

Althans, ik bedacht dat ik dat eigenlijk had willen zeggen, toen ik me haastte om de laatste trein te halen van Den Haag naar huis waar mijn wettige echtgenote de echtelijke sponde in een onschuldige slaap al lag voor te verwarmen. In deze tijd waarin het tevens bon ton is om excuses te maken voor zaken als slavernij, discriminatie, Anne Frank, Japan, Indië, Michiel de Ruyter, minder minder minder, Piet Hein, politioneel geweld en Columbus, wil ook ik graag mijn welgemeende excuses maken aan een ieder in mijn omgeving die zich in zijn of haar verleden beledigd heeft gevoeld.

De fok te loevert

Wat gaat het leven snel, alweer een weekend weg, oppassen, boodschappen, APK, tandarts, schildercursus-huiswerk, lekkage. Het leven na het leven van werken wordt niet echt veel rustiger. Lockdowns of avondklokken, alles draait op volle snelheid door. Nu stormt alweer, bijna, het voorjaar aan, de tuin schreeuwt om aandacht evenals die akelige kozijnen die verf willen, meer verf. En ik wil juist zo graag de fok te loevert zetten.

Even niks, even tijd voor jezelf, de zeilen in schaar, drie weken rechtdoor, van Kaap Finisterre naar de Azoren en door naar de Bahama’s. Lijkt mij, als landrot geweldig. Niks te doen, geen volle agenda, helemaal geen agenda zelfs. Af en toe een zonnetje schieten met de sextant hoeft ook niet meer, die automatische piloot doet het prima, de stuurinrichting stuurt het roer, dolfijnen aan bakboord, een vliegende vis komt laag over, oppassen dat je niet al te bruin wordt. Zolang je niet tegen een container of een orka aanbotst en er niet plotseling een tropische orkaan buiten het orkaan seizoen losbarst of een tsunami van een vulkaan ver weg langskomt, het volmaakte niets.

De fok te loevert, het grootzeil en de fok allebei volledig ‘uitgeboomd’, en met de wind achter; ‘voor de wind’. Excuus voor de zeiltermen. De fok te loevert heeft u al begrepen, synoniem voor rust. Wanneer de zeilen zo staan spreekt men ook wel over ‘de muts’ of / het ‘melkmeisje’. In het leven van een pensionado anno nu is het voortdurend oploeven, scherp aan de wind. Ik weet wel, we doen het allemaal zelf. We willen zoveel, genieten, ten volle, het najagen van wind. Tot er iets voorvalt, dat er opeens een gijp is, onverwacht. De giek klapt om en snel reageren is geboden. De fok moet bak, of de steven gewend, je gaat overstag;
“Klaar om te wenden, Ree!”

Een mensenleven geleden zeilden wij op het Veerse meer, meestal met slecht weer, alleen wanneer het waaide, want aan stilliggen hadden we een hekel. Soms voor de wind, maar dan was het ook hard werken op het onstabiele bootje. Voor de wind is de werking van de kiel, in ons geval het zwaard, minimaal en moesten we extra oppassen niet om te slaan. Het is net als het leven alweer, alles lijkt ‘smooth’ te gaan, beetje balancerend wel in wankel evenwicht tot er opeens een windvlaag is of toch die container die je, net onder het wateroppervlak niet zag aankomen.

De Boodschappenanalfabeet

Gelukkig zijn ze vlakbij, de winkels. Alvast voor straks, op rollaterafstand. Al die nieuwigheid van bezorging aan huis, de Jumbo, de Plus, de Appie, die gekke karretjes van Picknick, daar ben ik nog veel te jong voor.
Ik wil blijven bewegen. En voor die flitsservice, Gorilla en zo, alweer te oud vrees ik. Niet dat ik het zo leuk vind, de boodschappen, verre van. Dat gedoe met die karretjes en die muntjes, ik heb geen cash meer op zak, en al die mensen die in de weg lopen, die gezellig lopen te boodschappen, ik heb het al moeilijk genoeg.

Kijk, het gaat redelijk, wanneer ik gewoon eten ga kopen voor de warme maaltijd. Dan neem ik nog wat koekjes mee, oja de thee was op en toch ook nog maar een zak chips voor de zekerheid. Maar dan, ik heb na lang zoeken een recept gevonden. Tenslotte moet ik voor de lieve vrede en voor mijn lieve Eega ook eens iets ánders koken. Dan begint de ellende, zoete aardappels, waar liggen die?

Kikkererwten, waarom niet gewone erwten, kokosmelk, waar kan ik dat vinden, hoe ziet dat er uit? Gember, dat weet ik denk ik wel, maar garam massala, wat is dat? Totale paniek. Was ik eerst pertinent tégen mondkapjes, nu vind ik het juist prettig, heerlijk anoniem slalom ik steeds sneller door de gangpaden, binnensmonds mopperend.

“Dan vráág je het toch gewoon even? “
weet ik nu al dat Eega zal zeggen. Maar ja, man hé, liever totaal hopelessly lost raken dan de weg vragen in the middle of nowhere.
Er zit niks anders op, dan maar het recept aanpassen, mijn gebrekkige fantasie de vrije loop laten. Nog erger zijn de boodschappenlijstjes die ik van Eega meekrijg, althans, ik schrijf ze zelf op. Hoe zij het voor elkaar krijgt om met goed gevulde fietstassen  thuis te komen, zónder lijstje en niks vergeten, is mij een volslagen raadsel. Maar die artikelen, die opgaaf, dat allemaal te vinden, ik ben gelukkig met mijn mondkapje.
Soms, uit pure wanhoop neem ik dan maar wat anders mee. Ook niet goed, zag ik dat dan niet, dat daarnaast, in dat vak aan de overkant de aanbieding stond. En die aardappels, hartstikke duur. Koeienletters, ernaast, twee voor één prijs. Nog erger was de tijd van de Mantelzorgboodschappen. Die vreemde levensmiddelen, griesmeelpudding, havervlokken. ‘Mooie gele andijvie om rauw te eten’. Terugdraaiende roeryoghurt in dat lichtblauwe pak.

Nu ook weer, net terug. Net op tijd kon ik nog naar links zwenken, ze zat er, mijn lievelingskassière. Ze is net iets mooier dan de anderen, nooit geeft ze enig blijk van herkenning, maar bij haar voel ik me op mijn gemak. Jammer wel dat ook zij een mondkapje draagt. En jammer dat er een echtpaar stond, een bejaard. De man, met visgraat winterjas van net na de oorlog, maar hij was nog goed, had als taak de kar vast te houden. De vrouw met Iron Lady permanentje hield de ogen strak gericht op het beeldscherm of de prijzen wel allemaal klopten. Pas daarna werden alle boodschappen een voor een in de winkelwagen, goed bewaakt door de man, overgebracht. Gaf mijn kassière me daar nu een blik van verstandhouding?

Bij het leegmaken van mijn tas waaien de zegels er uit. Oja, die zegels, altijd die vragen, of ik koopzegels wil en ook voor het boodschappenpakket en ook de frummels, smurfels of de dinges?
Liefst zou ik overal nee op zeggen, maar goed gedresseerd als ik ben wil ik de zegels kopen, wat een gedoe, zó 2021. Op mijn briefje zie ik nu ook de dingen die ik vergeten ben. Ik hoor het ze al zeggen, straks als ze thuis komt:
“Ooooh, wat ben jij bent toch een boodschappenanalfabeet”

Het leven als film

De legendarische uitspraak van Forrest Gump
‘life is like a box of chocolate’
is maar al te waar. Wat maak je toch veel mee in het leven en niet alles is even leuk. Wanneer de bioscopen gesloten zijn verlang je er des te meer naar om even in een donkere zaal je voor twee uurtjes te verliezen in een andere werkelijkheid. Even uit de film van je eigen leven stappen. Dat maar voortdendert, soms als spannende actiefilm en dan weer als een langzame roadmovie.

Er zijn gebeurtenissen die je bijblijven, maar er zijn er ook die zo snel mogelijk vergeten dienen te worden. Je wilt meer zien van die ene scene, die zo romantisch leek te gaan worden, met een happy end. Of juist niet, een korte blik van een scenario waar je niet mee geconfronteerd wilt worden, ‘un film noir’, of erger nog de horrorfilm. Van die momenten dat je denkt, huh, gebeurt dit echt, ben ik dat. Het leven is immers één groot toneelstuk, een rollenspel.
Toen ik voor het eerst een fiets jatte, spannend. En later, er waren nog geen camera’s die overal alles zagen, die rode MG cabriolet, stukje joyriding, nog spannender. Of die nacht dat ik meeging, tegen mijn zin, maar mijn nieuwsgierigheid niet kon bedwingen en mijn gêne overwon.
Was ik dat? Achteraf, allemaal scenes, als bevroren beelden uit een film. Hoogtepunten uit het leven om nooit te vergeten, de foto van de stapel boeken op de tafel bij de boekhandel; mijn boek. Of de aanblik van de kust die eindelijk opdoemde aan de horizon, na al die weken van lichte ongerustheid op zee.

Momenten van geluk, het geluid van de leeuwerik hoog in de lucht, ik lag, een kind nog, in de schaduw onder de boerenkar terwijl mijn opa verderop met twee zware trekpaarden de akker aan het ploegen was. Of van schrik, toen ik ze op de Eerste Hulp hoorde zeggen dat hij (ik dus) geen reflexen in de benen  vertoonde.
Sommige voorvallen zijn te onwaarschijnlijk, ontmoetingen te toevallig om waar te zijn. Als je het zou lezen, zou je denken, nee dat kan niet, dit verzin je niet. Toen de dansvloer voor ons alleen was in die dampende club en wij in die never ending groove waren en we ons achteraf afvroegen of het echt gebeurd was. Toen wij de vrijheid proefden en de zon scheen en de zee ruiste zoals hij nooit eerder had geruist en toen we ons op grote hoogte bevonden en de wereld onder ons nog donker was en de eerste lichtjes in de diepte begonnen te bewegen en haar ogen onvoorwaardelijke liefde beloofden.
Minder mooie momenten, die je snel probeert weg te stoppen in het laatje, of is het al een kast vol met ‘deleted scenes’. Van droefenis en schaamte en van rouw en verloren liefde en van spijt. Dat pijnlijke blauwtje, die oerstomme vergissing, iedereen zal ze hebben, maar jij hebt die van jou en die zijn geheim. Er zijn herinneringen die zich hebben vastgezet in het geheugen. Er zijn er bij die je onthoudt omdat ze je ooit verteld zijn en waarvan het nu lijkt dat jij ze nog zelf weet. Of zoals bij een droom die even bij je blijft en langzaam vervaagt als een flauw maneschijnsel bij een bewolkte hemel.

Ik hou van films met een open einde, dat het je bezig houdt, hoe zou dit aflopen, wat gaat er gebeuren. Een ding in het leven weten we zeker, deze film is eindig, ooit stopt het echt. Soms abrupt, of aangekondigd, of ellendig traag. Tot die tijd hou ik vast aan dat open einde, nieuwsgierig, hoe het zou kunnen zijn. Welk scenario staat er voor jou in het storyboard.
‘you never know what you gonna get’.

Schapentellen

Het is weer zover, het gaat wederom niet lukken. En wanneer hij zich realiseert dat hij dat denkt; ik kan niet in slaap komen, dan lukt het helemaal niet meer. Gedachten tuimelen over elkaar heen in het hoofd. Het is er te vol, het bevindt zich in memory lane en wel op het paadje naar Eega. Niet dat dat zo erg is, integendeel, sweet dreams en steeds verder terug in de tijd graaft hij zich. Hij ziet het zo weer voor zich, hoe haar paardenstaartje op en neer danste, toen ze samen hard liepen op het smalle polderweggetje en hoe hij daar in al zijn overlopende verliefdheid zo om moest lachen.
En als ze wandelden en de zon scheen en zij haar sandaaltjes droeg, of waren het teenslippers, en hoe haar teentjes bij elke stap zachtjes omhoogwuifden als zeeanemonen in het heldere water voor de kust bij Bonaire op een diepte van dertig meter.

Een ander deurtje in het geheugen schuift opzij en toont hoe zij zwaaide, net zoals die Belgische televisiepresentatrice na Kapitein Zeppos zwaaiend afscheid nam van de jeugdige kijkertjes toen, zo zwaaide zij met twee handen tegelijk waarachter haar glimlach zich verborg, haar kleine handen die op geheimzinnige wijze ergens vanuit haar lange donkere cape kwamen.
Hoe zij opeens op een donkere herfstavond opdook in het volle licht van de halogeenlamp hoog aan de Amsterdamse gevel van het enorme pand waar hij eenzaam nog laat aan het werk was en een bliksemflits door zijn lichaam sidderde bij deze onverwachte ontmoeting. Lang vergeten herinneringen poppen op in zijn schedel als het kaarslicht ontstoken door een zondige misdienaar in een koude kerk. Hoe ze bij hem achterop de oude damesfiets zonder licht, net als Rutger Hauer en Monique van der Ven, door de stad kriskrasten, lachend en vrolijk en net dat beetje onbezorgd en aangeschoten.

Zoals dat gaat in halfslaap is er geen systeem in te ontdekken, hij krijgt het niet voor elkaar, het tolt maar door en hij weet het. Ook dat de zinnen die nu vanzelf ontstaan met woorden wel in zijn woordenschat aanwezig, doch ongebruikt die nu schitterend op hun plaats vallen, zinnen waarvan hij weet dat die de volgende morgen verdwenen zullen zijn. En weer hoort hij het geluid, de zee die onhoudbaar dichterbij kwam en die het strandje waar ze lagen zou opslokken en hoe ze op het laatst snel omhoogklommen over de gladde rots, nadat ze zich gehaast aankleedden en het bodempje witte wijn waarvan ze ieder nog een slok namen. Het zout van de zee en haar lichaam, het natte zand en wijn.
Hoe op de dansvloer van Bar the Laughin’ Ghost de lange pony van het zwarte haar dat haar ogen haast bedekte, glansde en het grijs erin zilver leek. Hoe haar zelfgemaakte meubels en kunst aan de muur in haar kamertje hem toen haast ontroerden en de vlam nog hoger stookten.

Hij draait zich om in het krakende oude bed dat men zo romantisch vindt en ziet de groene fosfor cijfers van de wekker kwart voor drie aanwijzen en luistert naar de rustgevende slaapgeluidjes van Eega vlak naast zich. Dat gaat een wel heel kort slaapje worden realiseert hij zich en neemt zich voor nu echt in slaap te gaan vallen.
Natuurlijk, hij zou uit bed kunnen sluipen en de goed verstopte slaappil die hij van een vriendin had gekregen; ‘hier, probeer deze maar eens’’, nu eindelijk dan eens innemen. Onhoorbaar schuift een ander laatje open in de diepten van zijn dichtgeslibte geheugen. Opeens, waar komt dat vandaan, ziet hij haar weer zitten achter het spinnewiel en hoe ze met die kleine handen van de vette schapenvacht een ragfijne wollen draad spon. Het is mogelijk dat dat het is, niet het bekende ‘schaapjes tellen’ waardoor hij opeens in slaap valt, maar misschien het ritme van haar voet waarmee ze het spinnewiel aandreef en het eentonig snel draaien van het rad.
Een diepe, weliswaar korte slaap waarin hij mogelijk verder droomt over Eega of misschien ook over andere zaken die hij hier nu liever voor zich houdt en waarvan het meeste alweer vervaagd is voordat hij goed en wel beseft dat hij wakker is, het ochtend is en hij er uit mag.