Geduldsnak

Iemand zei laatst jou zo’n rustig tiep te vinden. Inderdaad, den rust zelve, dat ben je, in gezelschap van den medemens. Tot je weer alleen bent. Sleutels kwijt, of de bril, waar heb je je telefoon nu toch gelaten. Je wilt weg. En wel nu. En wel met deze drie attributen. Tierend vlieg je steeds sneller in stijgende paniek doelloos her en der zoekend door het huis tot alles verzameld is en je met enige vertraging en met licht verhoogde hartslag tenslotte op pad gaat, inwendig jezelf uitlachend en je lichtjes voor jezelf generend, waar was dat nou voor nodig, al die opwinding. Geduld, dat schijnt men te kunnen hebben.

Geduld, dat schijnt men te móeten hebben, tot het over is, men weer vrij kan ademhalen en rond lopen en uitbreken uit de gevangenis. Tot de maskers kunnen worden afgelegd, tot de grenzen open gaan. Geduld tot de vrijheidsbeperkingen opgeheven zijn. Geduld, dat is nu net iets dat je niet hebt. Wees gerust, in deze column zul je het woord Co-, het Qua-woord en aanpalende begrippen niet aantreffen. Neen, het handelt hier om geduld. Geduldig wachten.

Geduld, wanneer de pc traag opstart, Windows acht het nodig weer iets te moeten ‘bijwerken’. Doe dat ’s nachts, pokkeding! Wanneer je even wilt inloggen in de digitale bibliotheek en heel fijns, voor de zoveelste keer het wachtwoord niet herkend wordt; ‘helemaal klaar’ ermee, met die pokkebieb. (haha) Wachten, ook zo iets. Geduld. Op die vertraagde trein, kwaaier kunnen ze je niet maken. Honderdduizenden kilometers spoor vlogen onder je door. Aan vertraging wende je nooit – dat je nog lééft. Het verbaast je zelf eigenlijk zelf ook.

En dan nog iets, als er iets is waar je niet tegen kunt, dan is dat verplichtingen en beperkingen. Bordjes Verboden Toegang, autoritair gedrag, maar hierover een andere keer. Neen. Opgelegde vrijheidsbeperking. Kijk, oké, je moest wel, werken, om de opengesperde mondjes van je bloedjes van kindjes te voeden, dat begreep je ook wel, het kostte zoveel tijd.

Als een der uitverkorenen mag ik over Zeeuwse stranden dolen. De avondzon geelt het droge zand en diepblauw zijn zee en lucht. Een klein windje streelt het helmgras. In de luwte achter een jong duintje kan ik zitten. Bewegingloos als een Apache zwartvoetindiaan staar ik nietsziend naar diepte achter de horizon, leeg en vol met Zen. Geduld, dat ben ik.

Naarmate je minder ging werken kwam steeds meer het verlangen. Snakken naar rust, rustig, langzaam, verdraagzaam leven. Aandachtig, vredig, vriendelijk. Leek je gezonder. Alweer zoveel jaar verder, niet werkend, flierefluitend levend kun je zeggen, dat is niet gelukt. Je moet steeds meer nog van alles. En nu, de tijd tikt verder, de tijd raakt op. Je kunt geen kant op. Alles moet maar wachten, kostbare tijd die gaat verloren.

Voor jou geldt, je snakt naar geduld, had je het maar, je bent er zo een, een echte geduldsnakker.

Journal d’ Antoine

Journal d ‘Antoine – Wagen 3.27, Zavata (3)
-Hooggeëerd publiek, Naftadiana geboren in een klooster haar vader was een Poolse beer kijkt U naar de linkerschouder het vlees verdwijnt doctoren en professoren staan verstomd over het wonder plaatskaarten aan de kassa!-

Zo. 8-5 Inferno, een heus zomerzondagavond onweer zojuist. Na de voorstelling vroeg de spreekstalmeester het publiek nog even binnen te blijven. Veiliger binnen dan buiten de tent en heel het terrein kwam blank te staan. Twee aggregaten vielen uit en de helft van de tent in het donker. Alle dieren in paniek, vooraf al, ze voelden het aankomen. Behalve de kamelen, onverstoorbaar als altijd. Ik zag het, mijn caravane staat naast hun tent.

Ma.9-5 Ik zag het echt wel, vanavond, na afloop van mijn act, bij het passeren van de ‘Showbirds’, onder de laag pancake had Kriztina een grote blauwe plek en volgens mij had ze ook nog een blauw oog. Ze probeerde weg te blijven in de schaduw maar ze keek me aan met een blik….

Di. 10-5 Vandaag dan weer mijn vrije ochtend, kwam niets van terecht. Consternatie alom. Het hooggeëerd publiek heeft er niets van gemerkt, uiteraard maar er was wel even paniek. Een van de hoofdacts is er niet meer. Gewoon, ingepakt en weg. ‘Zanzibar Elifanti’. Zeven olifanten, vanmorgen, weg. Gewoon ingepakt en vertrokken, hoe en wat, niemand weet iets. Ik hoop dat diretorre het wel weet. Zal wel weer een geldkwestie zijn. Ik ben benieuwd waar ze opduiken, bij welk cirque. Niets blijft onopgemerkt in deze wereld tenslotte, hoewel er ook veel mysteries zijn.

‘Het geroezemoes van de cité is allang verstomd, niets dringt meer door het duister tot in de caravane van Toni. Stil ligt hij te wachten tot de slaap hem zal bevrijden. Ontsnappen wil hij, weg van die dwingende gedachten. Zodra hij zijn ogen sluit, ziet hij haar, Kriztina. Hoe ze zweeft hoog door de lucht, tollend en draaiend van trapeze Dragan naar trapeze Dranek, in haar nerveus gesneden glittersuit, gewichtloos lijkt het. Dat kleine gespierde lijf en toch zo gracieus. Hoe ze hem aankeek, die eerste keer, die middag aan de Loire, op het zanderige paadje onderaan de kademuur. Met ogen van chocolat en het ravenzwarte haar nu in een lange vlecht. Aan de intense gesprekken op het carpool emplacement en hoe ze vertelde in de wonderlijke mix van Frans en Duits en Oost-Europees.
Hoe vrij ze was, daar hoog in de nok maar gevangen in het leven met Ettore: “Ein Hölle avec cette sadique brute”.
Heel even trok ze haar witte zijden blouse met rouches omhoog en toonde hem haar rug. Bloederige korsten, dwars over oude littekens, kriskras. Ze moest gedresseerd, volgens de leeuwentemmer, dat had ze verteld en ze had hem aangekeken, van heel dichtbij met die vreemde make-up loze ogen.

 De hitte van de zomernacht, geen zuchtje wind, geen koeltje. Zonder erbij na te denken verlaat Toni zijn klamme kooi, sluit behoedzaam het deurtje van zijn rode caravane. In de nacht zonder maan staan de pick-up campers, wanstaltig groot en roerloos, ordeloos verspreid. Er zoemt een aggregaat, er drupt een lekke kraan, er zoemt een airco. In het donker van de open tent silhouetten van kamelen en de geur van mest en stro.
Daar, de leeuwenwagen, de tralies glimmen, geen beweging is te zien, of ja, toch, in het achterste compartiment ijsbeert een leeuwin.
Iets verderop staat massief de enorme truck met oplegger, dreigend met de spoilers op het dak en vele lampen, extra schijnwerpers, de chromen bullbar. In de uitgeschoven living van de camper brandt licht door de lamellen. De raampjes zijn opengeklapt en de harde stem van Ettore klinkt. Toni schuilt in het duister achter de leeuwenwagen, die schommelt door de heen en weer lopende leeuwin. Aan de zijkant, naast hem, steekt vanuit een houder tegen de nachtlucht omhoog, glimmend, de zweep van Ettore’.

Journal d’Antoine

Journal d ‘Antoine – Wagen 3.27, Zavata (2)
-Hooggeëerd publiek, altijd prijs altijd premie spelen maar!-

Di. 3-5 Jammer, m’n wekelijkse vrije ochtend ging even niet door deze week. Verplaatsing. Alweer, het lijkt wel of er steeds sneller verkast wordt. Stond je vroeger nog weleens een aantal weken in dezelfde stad, nu amper een semaine of nog korter. Direttore beslist, als we langer staan, minder publiek. Gingen we weer, heel de handel afbreken. Na de laatste voorstelling meteen weg en dat moet snel. Wegwezen voordat weer een dag stageld betaald moet worden. De romantiek van het circusleven, het zal wel. Vannacht met onze hele handel verhuisd, toute suite. De wanorde was weer groot. Tweeëntwintig stuks, vrachtwagens, pick-up trucks met oplegger en soms met nog twee aanhangwagens erachter, absurde uitschuifbare campers, veewagens, materiaalkarren, de tentwagen, de kassawagen, de plakauto’s, de omroepauto, het hele zooitje en de sleepauto, want er heeft er altijd wel een pech. En dan ik met m’n Dodge met caravane. Bij het eerste daglicht begon de opbouw. Het lijkt een geoliede machine maar het is elke keer weer improviseren, elk terrein is anders. En er gaat altijd van alles stuk.

Wo. 4-5 Vorige week trouwens Kriztina gesproken, voor het eerst, kort. Kwamen elkaar tegen op de kade langs de Loire. Volgens mij is ze niet gelukkig. Heeft het niet gemakkelijk. Bij die Ettore, lijkt me geen makkelijke vent, un brute. Ik herkende haar eerst haast niet, zonder make-up en zonder glitter outfit.

Do. 5-5 Vandaag mijn caravane ingelijfd. Nu ook in de ‘huisstyle’ gespoten. Rood met grote letters Zavata erop. Doen de jongens van de plakploeg, kon ze met moeite tegenhouden, ze wilden m’n zwarte Dodge ook meenemen, echt niet.

Vr. 6-5 Vanmorgen de training van de Showbirds gezien. Kriztina viel een keer verkeerd in het vangnet, viel met een been onder haar en had pijn. Luchtacrobat. Zij is degene die heen en weer vliegt tussen de broers Dranek en Dragan Ardelean, het trapezetrio. Hele mooie show, ander caliber, meer niveau Circue Du Soleil. ’U zal versteld staan!’ Keihard doorgegaan, ze moest van de broers en die Ettore schreeuwde haar boven.

Za. 7-5 Ettore Caolini, wat een etter. Geen wonder dat z’n leeuwen bang zijn voor hem. Leeuwentemmer, maar dan een ouderwetse. Geen wonder dat de dierenbevrijdingsbewegingen er tegen zijn. Geen wilde dieren meer in het cirque. Volgens mij hebben ze hem al eens een te pakken gehad. Z’n ene schouder, een giga litteken, lijkt wel een stuk eruit. Kriztina trouwens ook, zij is ook bang van hem lijkt het.

‘De middag van de date. Kriztina en Toni ontmoeten elkaar, bij het bloc sanitaire op het morsige carpool emplacement, waar op de eindeloze meubelboulevard Cirque Zavatta is neergestreken. En ze vertelt aan Toni haar leven en hij, hij het zijne. Bijna zoals het hoort in het circus, toutes est famille. Zij is de dochter van een Roemeense clown, die een armoedig circusje bestiert: ‘Tiszta’. Min of meer uitgehuwelijkt aan Ettore Caolini. De broers Dranek en Dragan zijn volle neven van Ettore. Nu is ze gekooid, kan geen kant meer op, huwelijk en werk. Gedoemd te blijven zweven tot haar frêle lijf het op zal geven. En haar een baantje als bevallige assistente van Ettore zal resteren. Totdat ze ook daarvoor te oud zal zijn, dan wacht de circuskassa, of het ijs en de popcorn. Met een zucht en een weemoedige glimlach eindigt ze: “C’est la vie”. Waarom vertelt ze dit alles aan Toni, de onbetekenende Equillibrist, met zíjn haveloze kleine caravane, de onbekende ook, geen familie, geen aanbevelingen, geen naam in de variété. Dat vraagt hij zich af, heel kort, waarom. Hij legt het naast zich neer, heel snel. Het verwart hem en het verwarmt hem. Hij stijgt boven zichzelf uit, hij, de onzekere, speelt de rol van de man van de wereld. Hij, ontspannen en goedlachs, maar de vonken in zijn ogen zijn echt en de gevoelens die opwakkeren voor haar ook, oprecht. En nogmaals spreken ze af, same place, same time’.

Journal d’Antoine

Journal d ‘Antoine – Wagen 3.27, Zavata (1)
-Hooggeëerd publiek, U zult versteld staan!-

Di. 26-4 Vandaag m’n wekelijkse vrije ochtend. Het dringt nog niet helemaal door, net als het eerste ochtendlicht dat door het gehavende luxaflexje poogt de caravane binnen te dringen, in welke stad word ik nu weer wakken. Rheims, Orléans of zijn we al in Dijon. Maakt niets uit, eigenlijk. In welke stad we ook zijn, op een gegeven moment sla ik het niet meer op. Al die zones industrielles, afgetrapte weilanden, rafelranden we tegenwoordig worden heen gedirigeerd. Ze lijken allemaal op elkaar. Vroeger, mocht je midden in de stad staan, op de Grand Place, het centrale plein, langs een mooie rivieroever, toen werd je binnen gehaald.

Wo. 27-4 Lekker getraind gisteren. M’n grande truc toch weer verder geperfectioneerd. Ik ben natuurlijk slechts een soort tussen nummer maar ik wil het wel parfait hebben. Beetje jammer dat de hoefslag nog niet schoongemaakt was. Ben niet verzot op kamelenpoep. Ach, ik ken m’n plaats, de Equilibrist, de evenwichtskunstenaar, die zoekt het maar uit. We zullen zien, met het nieuwe programma, straks in de matinee, dan kom ik na de Arabieren. Dan ligt er minder mest.

Do. 28-4 Toch Orléans, mooi stadje. Ik stond op de lijst om mee te gaan met de plakploeg voor de litho’s. En we staan nu eens een keer in een parc. Aan de Loire, tegenover de oude stad.

Vr. 29-4 Volle bak vandaag. Uitverkocht, bijna. Mag ook wel weer eens. De nieuwe acts van cirque Zavatta waren een groot succes. Die van mij aussi…

‘Nadat de staljongens in hun bruingouden overalls in razende vaart de kamelenpoep hadden weggeschept betrad de spreekstalmeester de piste. In onnavolgbaar internationaal taalgebruik kondigde hij aan. In lange zinnen die crescendo elkaar opvolgen en met stijgende stemhoogte eindigde hij met:
“….U zult versteld staan, le plus plus grande spectacle du monde…… Toni Boltini.”
En Boltini oneindig lang aangehouden.

 ‘De onzichtbare band speelt met schetterende trompetten een versnelde versie van de begintune uit de film ‘Once upon a time in the west’. Toni stuitert de piste in, een glimp van een gouden bodysuit, het licht dooft, gevangen in een volgspot klimt de acrobat alsof zwaartekracht op hem geen vat heeft langs een corde omhoog. Uit de nok daalt een klein, rood en rond plateautje neer, behendig zwiept hij daarop over, met swingende heupbewegingen ontdoet hij zich van de zwarte cape die als een vleermuis de diepte infladdert. Met een hand houdt zich even staande aan de kabel, op het heen en weer zwaaiende plateautje. Zijn gezicht gaat half schuil achter een Zorro masker. Schijnbaar ontspannen staat hij, het publiek een brede glimlach tonend, tot de spot langzaam kleiner wordt en verschuift naar een klein vlammetje voor hem op de rand van de cercle. De muziek zwijgt, de spreekstalmeester verzoekt het publiek stil te zijn voor de nu volgende levensgevaarlijke, nog nooit vertoonde grande truc. Het ongelooflijke voltrekt zich, de gouden gedaante in zijn te nauw aansluitende gouden onesie rekt en trekt zich in een onmogelijke houding, staande op slechts zijn handen op het onzeker wiebelig plateautje, met aanzwellend tromgeroffel, hoog boven in de nok van de duistere spelonk die de circustent nu is, om met uiterste krachtsinspanning met zijn mond de brandende kaars te omvatten en hem uitgedoofd, met weer die ontspannen, vonkenspattende grijns te tonen, terwijl de muziek uitbarst in jubelend razendsnelle jazzmuziek. Als een baksteen laat Toni zich langs het corde naar beneden vallen om een ereronde door de piste te rennen, luchtig, zwevend haast, met een arm in die kenmerkende gebogen circushouding, het oorverdovend applaus van het publiek ontvangend om te verdwijnen door het roodgouden fluwelen gordijn dat de spreekstalmeester voor hem openhoudt en duidelijk opgelucht, hem, geheel tegen de ongeschreven circusregels in, een high-five geeft’.

 In de opstelruimte achter het gordijn stond de volgende act te wachten, luchtacrobaten ‘Showbirds’. Ving ik daar een glimlach op van Kriztina Ziarno en was dat tevens een zwaarbewimperde knipoog en zat daar een verleidelijke lonk in die blik?

Droomzee

Het zand dat kookt, kan zand dan koken, vandaag kan dat wel. Het kookt en het brandt mijn zolen van mijn voeten. Haastig ga ik verder, naar het donkere daar. Het strand is van mij vandaag, waar is de mensheid heen, verzwolgen door de zee. Onmogelijk en onvoorstelbaar. Onbeweeglijk ligt de zee daar, de zee, die lijkt geen zee, vandaag. Het water dat lijkt geen water, een vlakte, vloeibaar zout. De zee, zo heel gedwee. De wind ontbreekt, het is ‘zo stil in mij’. Zelfs de meeuwen schreeuwen niet, ze zweven hoog vandaag. Het kokend zand verbrandt mijn voeten, de schelpenstrook die prikt en steekt zijn scherpe gruis. Ik voel het niet, ik ben op weg naar zee vandaag.

Op zoek naar schaduw klom ik de steile duinen in, zocht een pad tussen duindoorn en distel in. Vond een strookje schaduw, de vlierstruik kromgebogen door de westenwind, meer dood dan levend, bood een vlekje schaduw. Een mossig duinvalleitje bij het drooggevallen ven. Geen krokodillen vandaag. Op knisperend rendiermos rustte het vermoeide lijf, kwam de geest tot stilstand. Tekenbeten laten onverschillig, Lym is niet fijn, schaduw wilde ik hebben. Geen gedachten vandaag. Nu, geen tijd voor heimwee, geen weemoedruimte voor spijt en verlangen. Verbergen die gedachten.

De zon brandt gaten in mijn huid. De gevlekte hyena dat ben ik. Een halve liter Carlsberg, de Pfchchch lijkt de stilte te doen schrikken, die wordt verdeeld over mond en lijf, prikkelt over tong en buik. Voel onrust in de benen en laat ze dan hun gang maar gaan. Toe maar, loop maar, ik ga wel mee, vandaag. Onmerkbaar versnelt het lijf, zweeft langs braam en helm en walstro. Het stort zich van de steile afbreuk van het duin, de afslag naar benee.

Ginds, daar waar de zee ophoudt, daar drijft een wolk. Een wolkje, vriendelijk en klein, moederziel alleen. Waar kom jij vandaan, lief klein wolkje en beter nog, waar ga jij heen. Kom maar, geef mij schaduw, ik verschroei vandaag. Het zand is rood, Het zand is goud. Het blikkert in de zon. Driehonderdzeventwintig miljard inimini steentjes in de kleuren rood en geel en zwart en goud. Die zich persen tussen tenen aan mijn voeten.

De vloedlijn is een rechte streep, zwart het blaasjeswier met blauw van visnettouw. Dat gele, dat zal een werkhandschoen zijn, kan ook een slipper zijn, een linker. Zee, waar ben je, je ebt steeds verder weg. Blijf! Ik wil je. Ik zal voorzichtig doen, geen rimpeling zal jou verstoren. Vriendelijk verzoek aan zee, neem me, neem me mee. Neem mij op en laat me drijven, draag me. In jouw koelte wil ik zijn en ik zal dromen en denken aan niets. Vandaag.

Oud nieuw

 

Voortschrijdend inzicht, ook ik heb er last van. Ik, met mijn roots, met ergens toch een zekere aangeboren sympathie voor de boer, ik moet bekennen. In de fam. app bericht ik
– prachtig toch wel, die Nieuwe Natuur –
en ik geef zelfs mijn privacy prijs met de exacte locatiebepaling. Waar ik mijn lichte zomerbroek voorzichtig neervlijde. Tussen dood distelgeprik en vers opkomend hondsdraf dat, kobaltblauw, mooi contrasteert met de wuivend gele korenbloemen.

Enig speurwerk vergde het wel, een plek te vinden op dit overbevolkte eiland zonder menselijke aanwezigheid. Een prestatie op zich, maar nu betreffende dat inzicht. Was ik faliekant tegen: ‘geen moeraskolder in de polder’. Ik ben om, het is mooi en het wordt nog mooier, dit nieuwe natuurgebied. Bovendien, die boeren, de stikstofontkenners – waar is dat probleem opeens heen trouwens – die nog steeds hun bermen en hele velden overspuiten in de kleur Agent Orange. Waar zit dat boerenverstand.

Op dit eiland met 120.000 inwoners op 99,45 vierkante kilometer is het redelijk vol. Waar moet al dat volk heen, met de huidige intelligent lockdown. Alle polderweggetjes en mini stukjes Biesboschnatuur die ik vroeger, pré Coronatijd, op doordeweekse dagen vrijwel helemaal voor mezelf had, zijn drukbezocht.
– was dan ook, net als ik –  appte mijn broer Marten – in Zeeuws Vlaanderen gaan wonen –
Met slechts 105.000 inwoners op 875 vierkante kilometer is het daar iets leger, tja. Voortschrijdend inzicht, Nieuwe Natuur, prima, het Nieuwe Normaal, voor mij, altijd op zoek naar het-alleen-op-de-wereld gevoel, die anderhalve meter, vreselijk.

Aan deze oever van het Noorderdiep waar ook niemand is wordt de stilte plots ruw verstoord. Een koppel meerkoeten heeft eigen ideeën over de liefde en hoe die te consumeren. Een gevalletje MeToo of is het huiselijk geweld. De temperatuur is van dien aard dat het groentransparante water er verleidelijk uitziet. Bevreesd voor bilharzia hoeft hier niet, eerder voor een snoek aan een teen en bovendien, ik heb geen zin in moddervoeten. Het is weer stil nu en er waait een kinderstem hierheen, ginds is een fietspad, en daarachter de zachte brom van een binnenvaarder op de Merwede. Hier te zitten onder een hoge diepblauwe hemel, gezond (denken te) zijn, terwijl de wereld zijn adem inhoudt, terwijl de zon mijn blote voeten schroeit, terwijl duizenden mensen snakken naar adem, het maakt me klein en nederig.

Een stukje verder ligt de oeroude Zuidbuitenpolderse Kade. Een laag dijkje dwars door de polder, (oude natuur) dat tot mijn frustratie altijd Verboden Toegang was en nu opgenomen is in de ‘Nieuwe Natuur’. Er langs loopt een fietspad waar volop wordt gefietst. Bovenop is een onverhard voetpad en aan de achterkant een ruiterpad. Waar ik me lui uitstrek, in het verse gras en lekker uit de wind. Drink wat, app wat, schrijf wat. Een jonge meeuw landt vlakbij. Schuchter komt hij mijn kant op, z’n kopje scheef. Sorry, ik heb niks, ook geen friet ofzo. Het lijkt of ik een leeuwerik hoor, hoog in de lucht en van dat geluid word ik altijd blij, doet aan vroeger denken. Over het fietspad aan de andere kant van de dijk zoemt een scootmobiel voorbij. Ik hoor een vrouwenstem, wegstervend:
“Vanavond eten we worteltjes, of had jij wat anders…..”

Mag die man weg

Voor de halve zool die pro- Trump is: lees niet verder. Of juist wel. Je verstand staat er toch bij stil. Ben ik nu zo dom of ben jij, om van Gaal verder niet te citeren. Het lukt mij niet te begrijpen: waarom komt die idioot voortdurend langs. Je hebt amper de tv aangezet op zoek naar nieuws of iets interessants en daar verschijnt die dombo alweer, die gevaarlijke gek met z’n boeventronie. Ik kan er niet meer tegen. Echt, ik hou er helemaal niet van: schelden in de digitale ruimte, ik wil het liever niet doen, maar ik kan mezelf niet langer tegenhouden, mag die man weg?

De zogenaamde leider van het zogenaamd machtigste land ter wereld. Je zou oprecht gaan twijfelen aan de verstandelijke vermogens van de Amerikaan. ( een twijfel die versterkt wordt door hamsterwoede van wapenaankoop bij coronadreiging ) Fakenews? Wie stemt er op iemand, kiest zo’n tiep om het land te laten regeren, een die uitspraken doet als ‘Grab them by the pussy”. Walgelijk figuur. Dat haar ook…

Bij iedere gebeurtenis van enig belang wordt deze ontsnapte gek getoond, wat hij erover te zeggen heeft. Alsof dat er iets toe doet? Wááróm? Mag die man weg? Deze nepmens die sneller liegt dan zijn schaduw. Gewoon niet meer laten zien, negeren. Is er nu echt helemaal niemand die hem even kan pootje haken? ‘To put it mildly’. Grab deze stripfiguur bij zijn stropdas, verstop zijn microfoon of stuur hem naar Mexico. Die stropdas….

Drie weken geleden bestond Corona niet volgens deze stupide knakker en als het wel bestond had hij alles onder controle zoals nog geen enkel land het ooit onder controle had gehad. Nu zijn de prognoses honderdduizend doden in ‘America First’. Helaas, het is mij onmogelijk immuniteit op te bouwen tegen deze beangstigende gek, sterker nog, ik word allengs allergischer voor deze akeligheid. De lompe griezel die volgens Kapitein Haddock een lelijke Basji Boezoek zou worden genoemd. Drommels, drommels en nogmaals drommels nogeensaantoe.

Mag die man weg? Met z’n rotkop en z’n rotstem. Ik word er letterlijk misselijk van. Ik zeg het nog één keer, hij weg, of ik weg.