Au bout sombre de la rue

Het was een samedi en septembre. Het was zo’n dag met voorzichtig zonlicht dat laag over de heuvels lag en de schaduwen lang en het groen in de struiken en bomen die de velden omzoomden donker maakte en waar in de onderbegroeiing ritselend leven te vermoeden was. De oude man onder de boom staakte zijn werkzaamheden, liet de gevallen walnoten voor wat ze waren en staarde. Rechtte zijn rug en staarde lang, niets ziend in de verte. Als een standbeeld stond hij, een hand boven zijn ogen te midden van zijn poulets die vragend naar hem opkeken, een enkele pikte aarzelend aan zijn broek. Waaraan dacht hij? Aan de druiven die nog geplukt moesten worden, of aan het blauwe hekje dat hij wilde repareren? Kreeg hij een ingeving om een andere werkbank te maken met de tak van de eik die zo wonderbaarlijk was gegroeid?

Die nacht stond la lune roerloos boven de huizen die samen Le Prat vormden, omringd door groene weilanden waarvan het gras leek te glinsteren in de witte licht. Op de zolder van de boerderij lag de oude man in zijn bedstee, het leek of hij sliep. De stilte van de nacht was intens, niets bewoog, de zware bruine koeien lagen bewegingloos, de vogels hielden zich verscholen. Alleen boven zijn hoofd, over de zware balken trippelde iets, een muis, of een relmuis of was het misschien toch een marter?

Wat verderop belichtte de maan een ondiepte in een weiland, van hoog boven bezien een glanzende waterpoel met lelies erin, die wel aan Monet deed denken. Het wateroppervlak rimpelend en dichterbij, lager komend zouden twee waternimfen zichtbaar kunnen worden die zich lui aan de oever wentelden, in het witte nachtlicht hun blanke lichamen als van albast. Een derde ranke gestalte zou glanzend in al haar naakte schoonheid uit het water kunnen oprijzen en zich uitstrekken naast de anderen. Wellicht aten zij iets, druiven of toch walnoten en ook was het mogelijk dat een kleine fles rondging van mond tot mond, eau de vie?

Echo


De schaduw van herinnering
aan haar aanwezigheid
hangt dreigend als een beest
hoog boven in de lucht
klaar om neer te duiken
met zijn klauwen in mijn geest

De droogte van vergetelheid
het verdronken sentiment
de stilte die ik mijd
haar sporen mogen snel verdwijnen
de leegte van het niemandsland
leeg als drie woestijnen

De echo’s van de werkelijkheid
beklijven op mijn ziel
de adem van de tijd
is als wasem op mijn hart
echo’s zullen blijven galmen
wonden makend in het vlees

Lange zomers

Lange zomers lang
had hij van haar gehouden
op de fiets of in het brandend zand
bloedend streelde zij zijn hand

Lange zomers lang
had hij tot haar gebeden
op terras en in een dode stad
van de liefde ladderzat

Warme zomers lang
dacht hij dat hij droomde
haar lange adem in de nacht
teder, hees en warm en zacht

Lange zomers warm
lui liggen in een donker park
privé concert alleen voor haar
de sterren hadden geen bezwaar

warme zomers warm
door bergen en door dalen
door een bedreigende vallei
op hoge heuvels vol stampij

Voeger waren zomers lang
aan vreemde oevers zwerven
bekende hij haar schuld
gebroken ziel en geen geduld

Vroeger duurde even lang
nooit meer de vergiffenis
ademloos voorgoed schaakmat
solo op het eindeloze pad

Bange zomers lang
klinkt haar stem nog in zijn oor
haar liefde was een steenlawine
zijn hart verwerd een bloedmachine

Lange zomers bang
de toekomst is gevlogen
elke berg kent zijn ravijn
en zo eindigt dit refrein

No Diving

Het was een hitte die alles in bedwang leek te houden en alle energie opslorpte en alles leeg en futloos maakte en de bomen en de vogels hielden zich stil, terwijl de duinen in de verte leken te sidderen door de opstijgende hete lucht boven de akkers.
Zelfs de zee die het kleine stukje land omzoomde, rondom en het tot een eiland maakte hield zich koest en stroomde loom en langzaam er omheen.  Wie goed keek kon nog enige beweging ontwaren, heel kort, boven de groene heggen verscheen, naast de witte nog een rode parasol.
Het was de man van het eiland die met enige moeite een zware betonvoet een stuk opzij versleepte en een tweede parasol opzette. De gele steentjes deden zijn voetzolen brandden maar hij lette daar niet op, deed het graag, het eilandvrouwtje hoefde hem niets te vragen, hij wist precies wat ze nodig had. En zo zaten ze even later beiden in hun eigen eilandje van schaduw.

Het was een verzengende hitte die de grond in de akkers deed openbarsten en de bloemen in de tuin van de eilandman verschroeide. Water geven deed hij niet, behalve dan de jonge plantjes, wanneer soms in het voorjaar op het eiland, die vooruitgeschoven post van het vaste land, de regens uitbleven en de wolken overdreven en pas landinwaarts hun lading lieten vallen. Lang stilzitten kon hij niet, sleepte nu emmers ijskoud water aan, vulde het gele opblaasbadje, voor haar en haar vermoeide voeten met die teentjes, hoe vaak had hij die geteld en grinnikte in zichzelf. Nu pas viel hem de bestickering op het gele badje op en weer moest hij lachen, maar anders, cynisch. No Diving or Jumping Shallow Water, het gele badje bleek een levensgevaarlijk badje waarin je kon verdrinken, je nek breken, verlamd raken of levensgevaarlijke verwondingen kon oplopen of zelfs; Dood!
Verschrikkelijk, daar moet je toch niet aan denken! Zonder enig geluid te maken om zijn Eega niet wakker te maken haalde hij een fles bier uit de koelkast en geruisloos opende hij de lade op zoek naar de opener. Het kleine klikken van de dop was toch voldoende, het eilandvrouwtje hoorde het en dacht:
“Moet je nu alweer aan het bier?”
Maar ze zei het niet en deed alsof ze verder sliep.

De hitte deed het blauw van de hemel ietwat verbleken en een zilveren vliegtuig trok er strepen door, vier, die aaneen vloeiden tot een bredere die al snel weer leek op te lossen.
De eilandman zag het gebeuren, dronk met kleine slokjes en verder deed hij niets, rustig de hitte maar verdragen en wat dromen en wat denken. Vlak naast hem zoemde een kleine bij, zoekend naar nectar in de bijna uitgebloede pimpernel, druk in de weer met zijn geel-zwart gestreepte lijfje en het zoemen van zijn vleugeltjes was het enige geluid dat hoorbaar was. Het vliegtuig was verdwenen en de condensstrepen ook.
Hij wist, daar in het oneindige niets waren op dit moment drie raketten van verschillende nationaliteiten onderweg naar Mars, een kleine 500 miljoen kilometer verderop. Hij, als man van het eiland, was vaak op zoek naar het alleen-op-de-wereld gevoel, hoe zou dat zijn, het alleen-op-Mars gevoel?

Het was een hitte waarin auto’s bumper aan bumper stonden op de wegen naar de kust en op de brug naar het eiland en waar mensen op de stranden zich wentelden in met zweet verdunde factor dertig. Hij wierp een blik op zijn vredig slapende Eega, dronk in een teug het restantje bier en dacht aan morgen, dan was het eiland, het strand weer leeg.

Jonathan

Nee, een albatros was hij niet
– zat daar totaal niet mee –
ook geen Jan van Gent
of pinguïn, pelikaan
was er immers aan gewend

Op het land of boven zee
of heel hoog in de lucht
eindeloos lang kon hij zweven
bewegingsloos zijn vleugels
daaruit bestond zijn leven

Altijd op zoek naar eten
vis of krab of patates frites
lange dagen, vele uren
wat lust hij niet
eind’loos in de diepte turen

Vissersschepen, oorlogsschepen
boulevards en lege stranden
hij bezag het allemaal
bruidspaar in het park
speurend naar z’n avondmaal

Bommen en granaten
oude man op zwarte fiets
plastic soup en olievlekken
file zonder eind
mammoettankers lekken

Bosbrand en tsunami
liefde in een duinpan
uitbarstende vulkanen
bliksem, hel en donder
vretende varanen

Hoog boven de middellandse zee
enorme ravage van Beiroet
ammoniumnitraat
dat ook in Dordrecht ligt
is men daar paraat?

Tien asielzoekers op een vlot
rode zon die ondergaat
mooie vrouw op een balkon
noordpool zonder ijs
grote roze luchtballon

Wereldleiders met een laag IQ
luxueuze witte jachten
vlakke zee of hoge golven
geelstinkende fabrieken
klimmers onder ijs bedolven

Kind in een woestijn
vliegtuigstrepen in de lucht
vreugde, blijdschap en verdriet
geen vis vandaag
dan wordt het toch weer friet

Jonathan beziet het allemaal
slaakt zijn schorre schreeuw:
“Tjáááá, ik ben nu eenmaal
slechts een simp’le  mantelmeeuw”

 

Gedekt model

Ontsnapt, hij was ontsnapt, uit de knipgrage handjes van de barbier. En hij had al zijn haar nog, tenminste zolang de voorraad strekte, dat wat nog voorradig was.  Hij vluchtte weg, enkele geknipte haartjes hadden zich een weg weten te vinden langs het griezelige kapmanteltje en kriebelden onder het zwarte T- shirt over zijn rug die ernstig bezweet was. Snel, pet en zonnebril op en weg van dat vreselijke oord waar een bedwelmende lucht hing van lotions en gel, hairspray en andere haarproducten.

Eigenlijk, hij wist het, moest hij hulp zoeken. Zijn angst begon traumatische vormen aan te nemen. Ging hij al nooit graag, altijd uitstellen, het was nu erger dan ooit. Was ook dit terug te leiden naar vroeger, was het daar ontstaan? Dat hij lang haar wilde en zijn vader niet? Dat het een erfenis was uit de tijden van verzet? Dat het meer was, een gevoel van onoverwinnelijkheid, zolang de manen ongeknipt bleven? Niet gekortwiekt? Een vogel die men kortwiekt kan niet vliegen.

Het is niet uit te leggen. Zoals zijn kat, Romeo, haarfijn aanvoelde dat het mandje met het luikje zou leiden naar de dierenarts en daar met geen mogelijkheid, tenzij na een worsteling met bloedige verwondingen in te krijgen zou zijn, zo verzette hij zich innerlijk tegen zichzelf wanneer hij tenslotte toch ooit de gang met lood in de schoenen naar de ‘Salon’ zou gaan afleggen.

In een grijs verleden, in de ‘Hoofdstad’ wonende nota bene, bleef hij enkele keren per jaar zijn kapper van vroeger bezoeken, in een dorpje op het platteland, klein en pittoresk. Hoewel hij de op hun beurt wachtende boeren achter zijn rug rare dingen hoorde mompelen wanneer hij kapper Renee, ‘gedekt model, meneer?’, toestemming gaf zijn nieuwe coiffure ‘met de föhn te doen’.
In een latere periode wendde hij zich tot Karl, een kleine goedgemutste en op latere leeftijd uit de kast gekomene en zelfs toen hij verhuisde naar de andere kant van de middelgrote provinciestad, bleef hij deze knipper trouw. Op zaterdagochtenden bereikte zijn auto snelheden tot negentig kilometer per uur door de stille woonwijken teneinde exact vijf minuten voor openingstijd binnen te stappen, de eerste klant te zijn, mede om de verleiding te weerstaan een beduimelde Panorama of Nieuwe Revue open te slaan.

Tot op een gezegende dag een verleidelijke kapster hem vroeg met haar klantvriendelijke stem, hij droeg zijn haar toen, wegens vermeende dunne plekken op de kruin en wijkende haargrens op het voorhoofd, kort tot zeer kort:
“Zal ik het eens met de tondeuse doen, meneer?”
En dat gaf de doorslag, hij zag het licht, een nieuwe, kapperloze toekomst openbaarde zich, onmiddellijk ging hij over tot aanschaf van zulk een apparaat. Haast een decennium lang behandelde hij zichzelf, schoor dat het een lieve lust was, experimenteerde met de diverse standen die deze machine in zich had.
Tot op een dag dat een inzicht bij hem begon te dagen. Waarom  eigenlijk, droeg hij zijn haar zo kort, wat kon het hem schelen? En zo gebeurde het dat het begon te groeien, het haar. En wat bleek, er zat nog leven in, hij was niet kaal, het ontkiemde en het groeide en het bloeide en het was prachtig. Nog dezelfde tint die hij zich herinnerde toen hij jong was, donkerblond en na een lange zomer zonverschoten en nog net zo dun of dunner.

De consequentie van dit besluit, hoewel, het gaat vanzelf, men hoeft er niets voor te doen, was uiteraard dat hij zich vroeg of laat weer tot de schaar moest wenden, ingekapseld door een glibberig kapmanteltje, overgeleverd aan de knipselkunst van een wildvreemde Belinda of Chantal, het gevaar van buiten komen met model bloempot, die rondflitsende schaar rakelings langs je linkeroorlel, kortom, dat dit zou leiden tot het bekende uitstellen spreekt voor zich.
Dat quarantainemaanden daar aan meewerkten ook. Maar toch, het was gelukt. De kritische en goedkeurende blik van zijn Eega sprak boekdelen, snel, groeien met dat haar.

adele

Adele
Op slag van sluitingstijd
jij daar aan de overkant
het is warm en laat in deze bar
op zoek naar narigheid
ik lijk wel niet goed wijs
jij alleen en ik kijk je aan
door de bodem van mijn glas
Jack Daniels, ja met ijs

‘Hello, it’s me
I was wondering if after all these years you’d like to meet’

 Bijna is het sluitingstijd
en ik zag je kijken
vier seconden net te lang
lieverd, ik heb spijt
die cocktail staat je goed
pina colada kleurt bij je haar
roken mag niet ben ik bang
je kon het heel, heel gracieus

‘Hello?’

Straks is het sluitingstijd
‘k zie je kijken in de spiegel
je blik gevuld met wrok
ik voel het hoe je lijdt
checkt je IPhone net te vaak
lieverd, wat is er tussen ons
kon ik je gedachten lezen
je neemt een grote slok

 ‘Hello, can you hear me?
I’m in California dreaming about who we used to be’

Het is al bijna sluitingstijd
je glas is leeg, mijn vingerknip
de barman begrijpt het snel
nieuwe cocktail snel bereid
warm en donker hier in de bar
hij wijst, je kijkt naar mij
laatste ronde, de barman roept
je ogen groen staan sip

‘Hello?’

Echt nu haast al sluitingstijd
je staart, maar zie je mij?
Adele echoot in mijn hoofd
‘Hello, hello, hello’
de muziek is al heel zacht
dus nog altijd haat en nijd
mensen trekken jassen aan
verdwijnen in de nacht

‘Hello, how are you?
It’s so typical of me to talk about myself, I’m sorry’

Nu is het sluitingstijd
vastgesnoerd hier aan de bar
het rode skai kleeft aan mij
eindelijk dan toch bevrijd
het sprookje eindl’ijk uit
je pakt je tas je kijkt niet meer
en zie ik je in spiegelbeeld
als ik mijn ogen sluit

‘Hello from the outside
At least I can say that I’ve tried’

Vaporetto

Nooit zou hij gelukkig zijn, zou hij denken aan Holland
zou hij niemand zijn, dichterbij komen of een ster zijn

Nooit spreekt hij af of haalt hij in
krijgt hij een prinsessenbehandeling
geeft hij iets cadeau of maakt hij schoon
meer zal hij stralen

Nooit meer wil hij zich verstoppen of verslapen of verschonen
nooit meer nooit naar de dokter, of een nieuwe vrouw
of heup

Wel gaat hij ervoor klaarstaan, altijd!
altijd oil of Olaz, driemaal daags
en op de koffie bij zijn moeder

Nooit meer tot ridder geslagen
zal hij muilen met Maxima of Eva Mendes,
Venetië betreden, te voet of per vaporetto
nooit meer zal hij een rol spelen
onweerstaanbaar zijn

Wel altijd zichzelf zijn en geen flauwekul verkopen
maar eerlijk zijn, niet cynisch en normaal
en nooit meer wakker liggen, zwetend, jong en naakt
apathisch lachen, zelfs geen glimlach
nooit meer zoeken naar een zwarte coltrui
de waarheid of de grenzen van het onbetamelijke
Brigitte of een vergezicht of een vergeten herinnering
nooit meer naar de film gaan, een moeilijke Franse uitgezonderd

Nooit meer trappen lopen, naar de hel of kinderen krijgen
bomen planten, brutale bekken geven
Franse boeken lezen of kuilen graven in Zeeuwse stranden
tranen drogen, onverstaanbaar zingen, welnessen bezoeken
pingpong spelen, nadruppelen of gebonden soepen eten
of moppen tappen

Wel altijd het goede doen, emoties tonen, luisteren
stofzuigen en op tijd de sokken in de was
nooit meer zal hij een boek uitgeven, gele zwembroek passen
en vrij zijn, echt vrij en zich thuis voelen in zijn lichaam
en jong zijn en vrijen totdat de haan kraait in de morgen, drie maal
Een vierduizender beklimmen or play the piano or the saxophone
nooit meer het dragen van lang haar of het roken van een joint
grappa drinken met Paolo Belucci of een John Deere besturen

Nooit meer wakker worden na een bepaalde nacht, met verkeerslawaai achter de balkondeuren van een hotel aan Avenue General Leclerc
nooit meer zuiver zijn en rein en nooit meer spijt hebben van de dingen die hij niet deed, niet overleven in de jungle
en niet overgeven
aan zijn eigen zwakheid
zijn leven is vluchtig als het pluisje van een paardenbloem,
iets meer, maar niet veel

Altijd zal hij gelijk hebben of krijgen in ieder geval
en liefde, dat vooral, de liefde
en hardlopen, heel hard.

piazza

Het was al herfst en hij zag het niet
gloeiend gouden graan op heuvelland
zwart stonden de cipressen
volgas over kronkelwegen
Als de zomer herfst wordt

Het was nog zomer maar al bijna herfst
fonteinen ruisten door de stilte
hitte hing in de piazza
haastten door de kronkelstegen
Als de vriendschap liefde wordt

Herfstfase van het leven
tekent littekens op de ziel
zoektocht naar erkenning en bescherming
ontkenning en ontdekking
het point of no return
het gouden graan geoogst
de akkers kaal en leeg
Als de schaduwen dan langer worden
zwart de avond valt
Als het leven trager wordt

Het was al herfst en hij wist het niet
vertrokken, weg van zijn verleden
leeg is zijn piazza
slippend over glad plaveisel
Als de herfst winter wordt

Hij was al in zijn herfst en hij wilde ’t niet
doodlopend naar de horizon
het doolhof van de liefde
tastend aan gesloten deuren
Als de liefde winter wordt

Gevangen

Want zij telt de uren
en ze lacht erbij
haar ziel zal gereed zijn
en zo wacht ze alle dagen
achter de gesloten muren
van haar kloppend hart
en ze lacht, van binnen

Want hij weet het
en het doet hem beven
zijn angst doet hem talmen
en hij zal zwak zijn
alles is vergeven
door zijn kloppend hart
en hij weet, van binnen

Want zij ademt licht
en ze is een vreemdeling
vertwijfeling sluipt binnen
haar geest staat stil
en het wordt warm in haar
bij het kloppend hart
en haar adem doet wat raar

Want hij rijdt verder
en hij belt of klopt niet aan
zijn twijf’ling en de aarzeling
en hij is beetje dom
kan geen woorden vinden
in zijn kloppend hart
en keert dan toch maar om

Want zij weet het al
en ze dooft het licht
genade zal haar wapen zijn
en strijkt haar haren glad
alles gaat ze hem vergeven
opent haar kloppend hart
en ze is het wachten zat

Want hij is terug
en hij is vol overgave
zonde van verspilde tijd
en maakt zijn lippen nat
haar slaaf en gevangene
bonkend nu zijn kloppend hart
en hij weet: gehangene