Freerider

Soms, heel soms blijft een film hangen, een film die je gerust nog eens wilt zien. En jaren later nogmaals. Een film die beklijft, die misschien zelfs je leven kan bepalen, een mindchanger. ‘Easy Rider’, de roadmovie over twee hippies op hun chopperbikes, heel lang hing een iconische foto van hen aan je kastdeur. ‘Woodstock’ maakte indruk, ‘Sophie’s Choice’ en ‘Toughing the Voide’ met Joe Simpson.

Free Solo. Wat een film, eigenlijk een documentaire, zelden was het zo spannend. Terwijl je weet dat het goed afloopt, hij valt niet. Al tijden volgde je hem, Alex Honnold. Steeds weer doken nieuwe filmpjes op, solo beklimmingen op indrukwekkende wanden. Vroegtijdig werd er promotie gemaakt voor deze film en je wist: die moet ik zien. De route Freerider, 950 meter, solo, zonder enige protectie. Je dacht voorbereid te zijn, dat worden spectaculaire beelden. Je zag al vele foto’s en films van eerdere beklimmingen. En van anderen: Lynn Hill die, vijfentwintig jaar geleden, als eerste El Capitan deed in een dag, freestyle. Hoe vaak bladerde je door haar boek, ‘Steeds Hoger’, staarde je naar de foto’s hoe zij The Great Roof beklom. Onze eigen Jorg Verhoeven die de extreem moeilijke Dehidral Wall deed op El Cap. Ueli Steck, ‘the Swiss Machine’, je woonde zijn presentatie bij, humorvol en met ijzingwekkende beelden. Nog geen jaar later verongelukte hij dodelijk op de Nuptse. Leo Houlding met zijn krankzinnige beklimmingen en basejumps. Je dacht wel wat gewend te zijn, al zoveel gezien.

‘What if he falls?’, de minidocumentaire van de making-off gaf al aan, dit wordt anders. De angst van de filmploeg in beeld gebracht. Niet eens over hoe ze zelf daar hingen, honderden meters lucht onder de voeten. Maar hun angst over Alex, het kleine figuurtje dat, uitgezoomd, vanaf de grond amper zichtbaar is in de enorme wand. Als simpele hobby-klimmer weet je wel wat. Klimmen op wrijving, hoe dat voelt, alleen door dat kleine contactpuntje van schoen op rots. Amper te begrijpen hoe Honnold dat kan, die eerste honderden meters in ‘The Freeblast’. Je zag hem steeds vallen, aan touw oefenend, puzzelend hoe ‘The Boulder Problem’ moest worden opgelost. Met zeventien ‘moves’ op tweederde van de route. Honderd procent geconcentreerd, in een flow, een cocon, komt hij er doorheen. Achterover liggend in het zachte bioscooppluche veeg je je drijfnatte zweethanden maar weer droog aan je broek. Het is nog veel spectaculairder, en de route veel moeilijker dan je je had voorgesteld.

Dan, voor het eerst, lacht Honnold naar de camera, he did it! Kennelijk toch ook opgelucht dat deze passage is gelukt. Dan volgt nog de Enduro Corner. Een onmogelijke spleet, waarin hij zich verklemmend omhoog wurmt en waar geen einde aan lijkt te komen. Die eindigt met slechts ruimte voor enkele vingers. Je gelooft je ogen niet, hoe hij gewoon doorklimt, ijzig kalm. De muziek stijgt naar climaxhoogten, hij is er bijna. De laatste meters doet hij op een drafje. Beelden uitzoomend vanuit een drone. Een klein poppetje kijkt relaxt omlaag, langs de nagenoeg verticale rots, het groene bos in de diepte. Het weerzien met zijn vriendin, hoe hij meteen weer in z’n busje hangt aan het trainingsbord, dat komt niet meer bij je binnen. Het moet even landen, terug uit Yosemite in het zaaltje van The Movies. Free Solo, wat een film, die wil je, dat weet je nu al, over een tijdje heel graag nog eens zien.

Advertenties

Oop

Niemand, echt helemaal niemand kan dat nu eenmaal voorzien. Dat een brandstapel van 48 meter hoog met wat wind uit zee hier en daar een vonkje doet opwaaien, dat verwacht je niet. Daar moet je misschien de leeftijd van de zeer wijzen voor bereikt hebben, vele fikkies illegaal, binnen de bebouwde kom, in je eigen beboste tuin, dikwijls uit de hand gelopen, zelf gestookt hebbende, om dat te weten. Daar moet je Oop, zoals mijn kinderen hun opa noemden, Opa voor zijn. Ingewikkeld intro wellicht om tot dit punt te komen. Eindelijk is het zover, en het is waar, het is bijzonder wanneer die gillende opahormonen eindelijk tot rust komen. Het is daar, het beweegt en het poept en het maakt geluid.

En daarmee samenhangend ook weer die boosheid – met die leeftijd misschien – het niet kunnen begrijpen, dat het allemaal maar door kan gaan. Brandende torens en nitraat bommen in de vorm van vuurwerk. Gewoon weer zeventig miljoen in rook opgegaan. Oudjaarsmiddag fietsend door de polder, in de verte rommelt de stad, als een slagveld in de verte. Die avond, het was nog lang voordat de laatste seconden afgeteld gingen worden, deze Oop werd haast agressief. Weer een Zena Toro, een Thunder Cracker. Bhumm! Ging er maar één procent van die zeventig miljoen naar bijvoorbeeld dat ene doel, stichting Microcare Nepal. En daarvan een heel klein deel naar Rilly Gurung, een jonge weduwe met twee kleine kinderen. Die keien vergruizend met een klauwhamer een paar roepies probeert te verdienen. Als kerverse Oop grijpt zo’n filmpje je dan des te meer aan.

Het leven kan soms kabbelen of ook heftig op en neer gaan. Met hoogtes en dieptes. Soms zelfs in eenzelfde jaar. Steeds weer wordt me gevraagd: Trots? Ben je een trotse opa? Lastig uit te leggen, trots, dan kun je zijn wanneer je iets hebt gepresteerd, een bepaalde afstand binnen in een bepaalde tijd hebt afgelegd, een boek geschreven, een molen exact op schaal met afgebrande lucifers. Trots, een negatieve klank, dan liever blij. Emoties kunnen hoog oplaaien, wanneer een pasgeborene ook nog naar je net overleden moeder blijkt vernoemd. Flauwekul vond je. Maar nu effe niet. Ook niet trots, vertederd is het woord.

Lijstjes heb je als Oop niet, had je die, kon je nu iets afstrepen. De Top 2000, al jaren volg je dat, verslingerd aan muziek. Als kind al, kende je de top veertig uit je hoofd. Elke week de nieuwe halen in de platenzaak. Met je vrienden overhoorde je elkaar, op welke plaats staat nu… Nu eindelijk dan, in het Top 2000 café. Overal camera’s, bijna 24-7 ‘on air’, op tv. Even heel kort meedeinen, in de verte staat, achter glas de dj, die kondigt het volgende nummer aan:
“Op 713, Cat Stevens met ‘Father and son”.
“Die ken ik”, brult Oop naar zijn vrienden, (allemaal Opa’s):
“Ik had die elpee; Teaser and the firecat”.
En je vertelt er niet bij dat je eindeloos dat ene nummer draaide; ‘How can I tell you’ ( that I love you) daarbij wegdromend aan dat ene, dat onbereikbare, betoverende meisje. Waarom zijn er in die lange lijst zoveel totaal onbekende nummers, waar was je toen? Volledig gemist. Hoezo komt bijvoorbeeld Candy Dulfer’s ‘Lily was here’ in de hele lijst niet voor? De onbetwiste nummer één hit aller tijden, staat slechts op een bescheiden 1486ste plaats, Carlos Santana met ‘Europe’. En dan is opeens die camera daar. ‘Everyone will be famous for five minutes’, zoals Andy Warhol zei. Oké, het waren vijf hele trage seconden, je moet ergens beginnen.

Rilly Gurung, in Nepal, hoeft niet beroemd te worden, misschien wordt haar filmpje toch een hit en kan ze die klauwhamer wegleggen. Zie: https://youtu.be/WdjNsLN3ziE

Meet and Griet

Lang van te voren wist ik, inside information, dat ze zou komen, Griet Op de Beeck. Daar moest ik bij zijn. Mijn vriend Wim houdt een plaatsje voor mij vrij. Zoals alle Nederlandse mannen met een beetje gevoel voor taal en bruine ogen was ik voor haar gevallen. Het overrompelende debuut op tv, in de talkshows, het charmeoffensief in ‘Zomergasten’, nog voordat die meeste Nederlanders iets van haar hadden gelezen, was als een mokerslag. Nu komt ze vertellen in Papendrecht en dat kan ze, praten, vertellen. In die prachtige taal van haar, Zuid- Nederlands, noem het Belgisch. Zoals mijn nichtjes spraken toen, die zelfde klank daar in Zeeuws Vlaanderen.

Het zaaltje zit vol, keurige dames, de meeste van zekere leeftijd, een enkele heer. De micro doet het niet, batterijtje leeg, het wordt opgelost en dan steekt ze van wal. Een waterval van woorden zonder een enkele hapering of een eeeh… Meteen ook het diepe in, haar coming out, in die tijd van nog net voor de mee-too hausse. Wat een storm van verontwaardiging veroorzaakte, dezelfde Nederlanders lieten haar vallen. Commercieel effectbejag. Haar verhaal doet alle twijfel teniet. Hoe ze begon als schrijver en nu dan hier staat, achter een grijze katheder op een gestreept tapijt in Papendrecht. Hoe ze hoopt dat wij haar boeken zullen lezen en misschien ook een beetje van haar willen houden.

Gisteren beleefde ik een geheel andere emotie. Op de Kerstmarkt in sprookjesachtig donker Dordt was daar de Sing-a-long. De band speelde hard onder de oprijzende neoclassicistische zuilen van het Stadhuis. Het publiek zong uit volle borst mee met ‘Let it snow’ en ‘Winter wonderland’. De kasseien deinden mee met de meute en het dak ging eraf tijdens de uitsmijter; ‘Merry Xmas Everybody’ van Slade. We schreeuwden letterlijk mee. Leuk en gezellig, maar met Kerst had het weinig meer te maken.

Griet leest een hilarisch verhaal uit ‘Gij nu’. Over een onaangename verrassing die ene Kathleen aantreft in het toilet van haar nieuwe werkgever. En hoe zij dat oplost. En dan weer verder, met haar betoog, ze heeft een boodschap. Die eigenlijk hetzelfde is als dat prachtige gedicht wat ze voordroeg, na die vreselijke aanslag in Brussel met dertig doden. Enkele zinnen hieruit:
Laten we geen engelen zijn, maar als het kan toch ook geen duivels.
Laten we mensen zijn. En helemaal onszelf worden, niet wie we denken dat anderen wilden dat we waren.
Laten we moed houden, durven wankelen en redden wat er te redden valt. Onszelf bijvoorbeeld, en elkaar.
En laten we begrijpen wat de liefde is, onthouden dat dat alles is, of toch bijna.
Laten we durven.

Nadat de micro nogmaals is uitgevallen en Griet ons allen heeft uitgenodigd eerlijk te zijn, niets onder het tapijt te vegen, kijkt ze ons liefdevol aan, met die bruine kijkers. Haar laatste woorden zijn, ook nu: ”Laten we durven:” Mijn vriendin Christa, die Griet ook introduceerde, bedankt haar nu, met: “Lieve Griet” en ik denk een trilling in haar stem te horen. En ik denk dat we dat allemaal zo voelen. Bij het vragenkwartiertje komt Christa naar mij toe, eén blik is voldoende.

Even later moet ik volgas geven, de Merwedebrug op, voeg met geweld in op de N3. Op de radio speelt ‘Driving home for Christmas’ en ik zet de volumeknop op vol. Dat moet.

De Overkant

Jos. Zo nam ze de telefoon op, mijn moeder: “Met Jos”, of; “Met Jos den Toonder.” Hoeveel keer zou ik  dat gehoord hebben. Meestal belde ik haar om de andere dag, een enkele keer elke dag, de laatste jaren. Soms ook sloeg ik weleens een paar dagen over. Dan kon ik het even niet meer hebben, altijd dezelfde verhalen over alle klachten. Naast alles wat ze mankeerde, bedlegerig, de pijnen, steeds blinder wordend en die merkwaardige kwalen die ze had, of dacht te hebben. Zenuwpijn, de drainage, neuropathie. Wanneer ik dan toch weer opbelde, zei ze; “Was je me vergeten?”

Maar ik mis het. Ik mis haar en haar belangstelling en luisterend oor. Al zevenzestig jaar was ze mijn moeder, ze leerde me het leven, het pad. Ze gaf me kleurgevoel, zachtaardigheid. Mijn drift, dat heb ik van een ander, van pa, al negenendertig  jaar dood. Altijd nog praatte ik met hem, als de witte molen opdoemde, achter het viaduct. Met tachtig kilometer rij je erlangs, precies daar, bij de rode beuk, daar is hij begraven. Het sneeuwde toen, de grond was hardbevroren. De hoop grond naast het open graf leek een berg met besneeuwde top. In de verte sloeg de kerkklok, eenzaam, ritmisch en kil. Toen de kist neerdaalde, steeg er een duif op vanuit de boom, symbolisch. Nu ligt zij er ook, Jos, liggen ze er samen.

 ‘Ample make this bed.
Make this bed with awe;
In it wait till judgment break
Excellent and fair.

Be its mattress straight,
Be its pillow round;
Let no sunrise’ yellow noise
Interrupt this ground’.
-Emily Dickinson-

Het was een warme middag en het waaide. De rode beuk liet zijn blaadjes ritselen. Ik las met luide stem, om mijn emoties te overschreeuwen, een gedicht voor. ’De allerlaatste reis.’ Ik was gespitst op weer een teken, een duif of iets van die andere zijde. Pas later realiseerde ik het me. Dat moment op de onderste flanken van de Matterhorn, enkele weken eerder, toen op mijn omkeerpunt, dat was het geweest. Toen ik me afvroeg of ze nog leefde. Precies dat, op het moment dat ik de laatste, hoogste foto wilde maken en mijn moeder belde, wachtte op: ”Met Jos”, verschool de top die al die dagen helder in zicht was geweest, zich in een wolk. Ik zag er toen al een symboliek in en nu des te meer. ‘De allerlaatste reis’ verwaaide in de wind. Het verkeer op de Patijnweg ruiste, verstoorde de stilte van deze mooie grond.

 De allerlaatste reis
En ik zal gaan.
En de vogels zullen blijven zingen en mijn moestuin zal blijven
met zijn groene boom en zijn witte waterput.

 Alle avonden zal de hemel blauw zijn en vredig en zullen de klokken van de klokkentoren luiden zoals ze vanavond luiden.
Ze zullen sterven, zij die me liefhadden en elk jaar weer zal het dorp veranderen
en in de hoek van mijn bloeiende moestuin zal mijn ziel rondzwerven, nostalgisch.

 En ik zal gaan, en ik zal alleen zijn, ontheemd, zoals de groene boom,
zonder witte waterput, zonder blauwe en vredige hemel.
En de vogels zullen blijven zingen.
– El viaje definitivo – Juan Ramón Jiménez, 1905-

 De grote stad lonkte naar me, weg uit de provincie en Jos kwam wat graag logeren. We zwierven door de stad, Hotel Americain, het Concertgebouw, de Bijenkorf, het Rijks en het Stedelijk, naar de film in Tuschinsky. We gingen naar Parijs. Ik stuurde haar op schilderles, talent, ze had het wel. Later zocht ik haar weer op, ze wachtte me op met haar witte Golf of rode Panda voor een lunch, ergens in die provincie. We zaten aan haar geliefde Westerschelde, daar aan de overkant wisten we haar geboortegrond. Bijna drie maanden is het nu, toen ze vertrok naar de overzijde. En het went niet erg. Rouwen, het is een proces wat tijd kost. Het moet slijten zeggen ze. En het zijn fasen, waar je doorheen moet. En daar hoort kennelijk ook spijt bij. Had ik niet beter dit, of had ik niet beter dat. Ben ik tekort geschoten? Zo fiets je genietend door de polder die in de greep raakt van de herfst. Zo fiets je met beslagen brillenglazen. Is het verdriet, gemis, of schuldgevoel? Jos was dus al negenendertig jaar alleen, taalde niet naar een andere man. Ze miste Pa nog altijd. ”Later, zullen we samen zijn”, zei ze. Op het laatst wist ze dat toch niet meer zo zeker.

Het went nog niet, steeds wil ik haar bellen, het zit zo diep in mijn systeem. Even vertellen, wat er gisteren was. Die volgende dag, na de begrafenis, wilde ik haar bellen hoe het was. Toen bedacht ik me, o nee, dat kan niet meer, ik heb haar nummer niet. Wanneer ik voorbij rijd en in de verte de rode beuk zie, zal ik zwaaien, in gedachten naar haar, naar Jos.

 Als liefde zoveel jaar kan duren…. 
dan moet het echt wel liefde zijn…….
ondanks de vele kille uren…
de domme fouten en de pijn….
-Herman van Veen-

Alleen de wind weet

De man zonder zorgen stapte in zijn zwarte middenklasser en vertrok. Zachtjes neuriënd, Racoon op de radio met ‘No mercy’, reed hij de straat uit, een straat waar op een enkele moeder-met-kind, een papa met pappadag na, alle bewoners aan het werk waren. ‘No mercy for the king, no mercy for the soldier’. Even aarzelde de man, links of rechts, sloeg toen resoluut rechtsaf. Zwaaide naar de bakker met zijn ouderwetse, of was dit retro, elektrische bakkerskar. Relaxed reed hij als een man zonder zorgen door zijn wijk, verouderde nieuwbouw, waar de eerstgeplante bomen alweer gekapt werden. Langs het sfeervolle winkelcentrum reed hij, waar zojuist geopende winkels gesloten dreigden te worden. Sfeervol met een concept, wat in de jaren dat het gebouwd werd, al gedateerd aanvoelde. Maar, zo dacht de man, terwijl hij vaart minderde voor de, de zebra overstekende rollator, en hij glimlachte daarbij, bij het vaart minderen:
“Ach, misschien vinden we dit later dan weer wel mooi”.

Bij het optrekken plette zijn rechtervoorband een plastic flesje Spa of van een ander merk. Daar doemde het ziekenhuis op, het was er vreemd stil, het parkeerterrein leeg. Failliet, van de ene op de andere dag gesloten. Patiënten zoeken het zelf maar uit. Grappig, dacht de gezonde man, hoe in dit rijke land dingen gebeuren, die zelfs in de armste landen onbestaanbaar zouden zijn. Derde wereld praktijken. Nu was het zaak even op te letten, ging hij nu meteen de rondweg op of toch maar via de stad? Toch maar even uitstellen, besloot hij. Destination unknown. Ja, dat was het, het moest zolang mogelijk geheim blijven. Wachtend op groen licht trommelde hij op het stuur. Neuriede, nee zong mee met Wende: ‘Alleen de wind weet, wat alleen de wind weet’. En stopte er abrupt mee, voelde het, de auto naast hem keek. Een melkwitte VW Golf, een vrouw met verschoten blond haar lachte naar hem. Hij lachte ook, beschaamd en Groen! gaf gas, meer dan hij gewoonlijk deed. Merkte dat hij bloosde en miste de afslag, gleed de rondweg op, weliswaar nu de andere richting op. Noordwaarts. Perfect! Dacht de man zonder zorgen.

Jammer dat de toegestane snelheid hier honderd was, liever reed hij tachtig nu, of nog langzamer. Het zonlicht viel heel cliché met gouden strepen doorheen de bomenrij die het bladeren deed regenen. In de spiegel zag hij het oranjegeel opwaaien in zijn kielzog. In gedachten was hij ver weg. Traag reed hij over de Strip. Vanaf Los Angeles (El.Ee.) naar Vegas en dan door naar Monument Valley. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes tegen de laagstaande zon. Langzaam passeerde hem een auto, het was de vrouw met het blondverschoten haar. Even keek hij opzij en het leek of ze lachte, alweer. Hij kreeg het er warm van en gaf iets gas bij. Wel op voldoende afstand, bumperkleven, o neen, daar hield hij absoluut niet van.

Sophie Verhoeven vertelde op het elf-uur journaal dat Brazilië een nieuwe president had gekozen. De ultrarechtse Bolsonaro, de homofobe, racistische oud-militair.
“Toch jammer”,
dacht de man, terwijl hij net als de Golf voor hem, de linker clignoteur aanklikte.
“Toch jammer, dat ze die Bolsonaro toen niet meteen echt helemaal dood hadden gestoken”.
Langzaam kwam hij tot stilstand. In de achteruitkijkspiegel keken twee ogen hem aan. Noordzee-met-mooi-weer-blauw. Het geeloranje knipperen van de richtingaanwijzer deed deze ogen ritmisch oplichten. Hij glimlachte weer en terwijl de jingle van Beterbed.nl door de zwarte middenklasser schalde, trok hij op, sloeg linksaf, gaf meer gas en voegde keurig in op de A16. Vrijwel synchroon met de melkwitte Golf. Zorgeloos.

 

About Schmidt

Laten we het erop houden dat de winkel waar het hierover gaat Schmidt heette. En dat het een winkel was met gebruiksartikelen. Een reeds lang geleden opgerichte winkel, die in de vestigingsplaats en tot ver daarbuiten, goed bekend stond. Zodat je wist, dat je goedkeurende blikken kon verwachten, wanneer je nonchalant vermeldde, dat het hier handelde om een gebruiksartikel dat je onlangs bij Schmidt had aangeschaft. Het spreekt voor zich dat de vestigingsplaats in het fijne deel van het land was gepositioneerd. Ook de familie Schmidt was van het keurige soort, welgesteld, oud geld. Dat de oude meneer Schmidt in de oorlog misschien niet helemaal zuiver op de graat was geweest, zand erover.

De zoon die hem opvolgde, moderniseerde en deed de zaak verder opbloeien, meerdere filialen werden geopend. Met zijn gulle lach stond hij altijd met een nul voor. Naar zijn personeel toe was hij eveneens bijzonder hartelijk: “Alles goed thuis?, Jawel meneer, dank u voor de navraag.  Fijn, fijn, en met de vrouw ook? Prima meneer. Goed zo en met de kinderen? Ik heb geen kinderen, meneer. Mooi zo, fijn, fijn.”  Meneer Schmidt verkocht zijn goedlopende winkel aan een buitengewoon betrouwbare firma in een naburig buitenland. Zelf trok meneer Schmidt, een verstandig mens, ook de grens over. Daar was gunstiger; ‘om wat spek op de botte te houwe’.

Sommige personeelsleden kwamen en bleven, anderen vertrokken bijzonder snel. Een die lang bleef was Smit. Binnengehaald voor een laag salarisje. Smit werkte hard, hij had overduidelijk lol in zijn werk. Reisde stad en land af en behaalde goede resultaten. Dat bleef niet onopgemerkt en de zonen van meneer Schmidt, die inmiddels de firma hadden teruggekocht, waren wat blij met Smit. Om hem tevreden te houden gaven de heren Schmidt hem steeds wat meer salaris. Niet teveel, dat spreekt voor zich. Zoals het goede middenstanders betaamt, streken zij, de heren Schmidt, bij voorkeur zoveel zelf mogelijk op. Smit was vijfentwintig jaar aan de zaak. Dat werd groot gevierd en Smit kreeg het: bruto – netto.

De twee zonen, de heren Schmidt kregen mot, onenigheid in de familie. Het vergaarde kapitaal dreigde op te lossen, het verdampte. De handel zakte ineen. Meneer Schmidt junior en meneer Schmidt junior voerden een schrikbewind uit onder hun personeel. Wee degene die hen in de weg zat. Zij werden weggepromoveerd, naar een ver filiaal. Zij werden getreiterd en gesard, tot ze vanzelf ontslag namen. Voorbij, de goede tijden van weleer, de zaken gingen steeds slechter. Hun wegen scheidden. Voor Smit braken donkere tijden aan. Door de tanende verkoop was er minder budget voor inkoop. Door de beperkte voorraad werd er minder verkocht. Zodoende kon er minder worden ingekocht.

Op Smit had meneer Schmidt jr. geen vat. Smit ging zijn eigen weg, zoals hij al zoveel jaren deed. Min of meer eigen baas. Op kantoor geroepen, ‘kanteur’, in de gênant bekakte spreektaal van de Schmidt’s, zat hij met een kleine glimlach om de lippen. Hij fantaseerde, zag het voor zich, de enigszins verwassen boxershort die, onder het bureau, zich om de knokige knieën van zijn werkgever vouwde.

‘About Schmidt’, de film over de werknemer die met pensioen gaat, met in de hoofdrol, Jack Nicholson. Die alles keurig achter laat voor zijn opvolger. Die drie weken later nog eens terug gaat, zou alles goed gaan zonder hem? Hij vindt het antwoord buiten; alle ordners, facturen, alles van de pensionado, in de container gedonderd.

Zo voelde Smit zich, buiten gedonderd. Achtendertig jaar had hij gewerkt, zijn leven gegeven aan de fijne familie Schmidt, de gegoede familie, meneer Schmidt jr., vroeg uit bed om op tijd te zijn. De hele dag volgas. Pas laat kwam hij weer thuis, ver na de avondfile. De ene na de andere vestiging sloot zijn deuren. Steeds minder werk had Smit. Nog een wurgcontractje had hij. Tot hij er zelf de brui aangaf, moegestreden. Een slap en vochtig handje van meneer Schmidt jr. bij de achterdeur, in de steeg. Dat was zijn afscheid. “Beste vent, als je nog eens in de buurt bent, loop effe binne voor een kop koffie

Stopman8

Het kost enige moeite om het pension te vinden. Pension Stopman8. Het Zwitserse dorpje is klein en compact. De eeuwenoude houten huizen zijn dicht opeen gebouwd. De straatjes ertussen smal en steil op- of aflopend. In de beschrijving werd aangeraden bij de kerk te parkeren en dan lopend op zoek te gaan. En dringend wordt verzocht – Unbedingt! – slechts aan te bellen bij de echte Stopman8.

Aarzelend gaat de deur open en een lange man kijkt ons vragend aan. Op de vraag of hij Herr Liebermann is komt een knikje. De uitgestoken hand wordt al even voorzichtig beantwoord. Eenmaal binnen, in de keuken, biedt hij ons water of Cola aan en schenkt dat razendsnel in. Daar zitten we, aan de keukentafel en plichtmatig stelt hij enkele vragen over onze reis die wij even formeel beantwoorden. Door de ongemakkelijkheid van de gastheer voelen wij ons niet bepaald op het gemak, proberen het ijs te breken. Ook dit huis is van keihard, zwart verweerd larikshout, hierbinnen is daar niets van te merken. Witte gestucte muren, lichthouten deuren die wel nieuw lijken. De keuken is wat gedateerd maar licht en alles is brandschoon. Opeens grijpt Liebermann achter zich een klein boekje met ouderwetse doordrukvelletjes. Dat wordt met grote snelheid door hem ingevuld en afgescheurd. Afrekenen, contant of pin? En o ja, natuurlijk mogen wij de kamer zien.

Voor ons uitlopend dirigeert hij onze auto naar de privéparkeerplaats. Met onnavolgbare bewegingen wijst hij hoe ik moet rijden door de steegjes, tot ik met de nodige moeite op een schuin aflopend stukje grond parkeer. De kamer is gemeubileerd met een mix van tweedehands hotelstoelen en -bedden. Twee verschillende dekbedden. Op het bureautje ligt een stapeltje rafelige handdoeken in diverse kleuren. Maar, het is alles heel schoon. Verschoten posters aan de muren, Berlijn, New York en de Middellandse zee. Het ene raam biedt uitzicht op het balkon van de overburen, zo dichtbij dat het haast is aan te raken. Het andere op de witte kerktoren die, ook vlakbij, boven de huizen uitsteekt. Daarachter de hoge horizon van bergen, ook niet ver weg.

De volgende ochtend blijkt de tweede badkamer verrassend nieuw. In de keuken is voor drie personen gedekt. Liebermann ontbijt met ons mee. En weer is het stil en proberen wij opnieuw de spanning te breken. Ik moet een glimlach onderdrukken, hoe hij zijn boterham besmeert, vliegensvlug en uiterst nauwkeurig. Gisteravond ontdekten we dat alle huizen en schuurtjes voorzien zijn van hetzelfde logo: Stopman8. Mijn vraag of hij gaat uitbreiden – grapje – wordt heel serieus beantwoord. Opeens komt hij los en vertelt. Dit alles was het boerderijtje van zijn ouders, ze hielden schapen. Schapen zijn vies, ze stinken en leveren niets op, volgens hem. Postzegels, daar loopt hij warm voor. Hij verzamelt ze. We spreken over de teloorgang van de posterijen, verdwijnende brievenbussen. In elk Zwitsers dorp een Hotel Post, de postkoets. De Stockalperweg, de oude postweg, die de GGE bewandelde, hij kent het. Hij weet alles. En wandelen, dat deed hij ook, naar Santiago onder meer.

Eigenlijk hebben we haast, we moeten door, naar de Matterhorn. Maar we komen niet weg voordat we het museum hebben gezien. Hij kiept de kruimels uit de broodzak in zijn mond en gaat ons voor naar zijn museum. Rammelende sleutelbossen en daar gaat de poort open van zo’n zwarte schuur. Snel knipt hij wat lampjes aan en wat tevoorschijn komt, het is ongelooflijk. Letterlijk alles is bewaard, het gereedschap van de boerderij, beitels, zagen, allerlei zeisen, sleden waarmee men in de bergen werkte. Dan gaan we naar een andere afdeling. Postzegels en de voettocht naar Santiago, uitputtend gedocumenteerd. Maar het mooiste moet nog komen. Zijn wiegje, de kinderstoel, alles uit zijn jeugd. Leesboekjes, tekeningen. Met als klapstuk, Liebermann opent de deur van een zeer oude kast en daar liggen, keurig in het gelid, opgevouwen, plank na plank, al zijn kinderkleertjes. Pension Stopman8, echt, een aanrader!