Alle berichten door dentoonder

in gesprek met (2)

En wederom kwam deze reiziger in aanmerking tot de mogelijkheid van het winnen van een prijs, als dank voor deelname aan het NS panel. Ook nu koos hij voor een gesprek met de president-directeur, de vorige keer was dat met Rogier van Boxtel, nu in de persoon van Wouter Koolmees.
( zie voor het verslag van het gesprek met Rogier hieronder) Veel van de bezwaren en kritiek die hij toen geuit zou hebben staan nog recht overeind, om er nog een aantal andere of nieuwere te noemen zou hem geen enkele moeite kosten.

Wouter, zou hij zeggen, ik heb er alle vertrouwen in dat jij met de beste bedoelingen NS weer op het rechte spoor wilt krijgen, maar toch, heb je even. Voorafgaand zou hij hem al het verslag van Rogier hebben doen toekomen, dan kunnen zij dat alvast overslaan. En iets te lezen voor Wouters thuisreis, in de trein of toch de limo-met-chauffeur?, appt hij hem even de link naar zijn verhaal ‘Treinspotten’, dat weliswaar gaat over een selectie medeforensen, maar toch ook voortdurend hamert op de vele ‘verbazingen’, hij wil het nu geen ergernissen noemen, van de doorsnee reiziger.

Ervanuit gaande dat Wouter inmiddels op de hoogte is van wat het gesprek met Rogier geweest zou kunnen zijn komt hij op de genoemde punten niet terug, niet dat ze opgelost zijn, zeker niet! Bijvoorbeeld het punt van de te lang gemaakte wachttijden op sommige stations, (om zijn inziens vertragingen te kunnen inlopen, en aldus de ‘accuraatheid’ te verhogen) zodat de reistijd onnodig wordt opgerekt. Daaraan gekoppeld het raadsel waarom de trein van een overstap op een ander perron zo vreselijk ver verwijderd van de tunnel onder het spoor door staat opgesteld, dat overstappen zonder sprinten onmogelijk is. Maar goed beste Wouter zou hij zeggen, hij laat zich toch weer verleiden tot. Eigenlijk moest hij beginnen met het droge feit dat treinreizen eigenlijk te duur is geworden. Waarom moet een openbare nutsvoorziening, noodzakelijk in een vol land als Nederland, winstgevend of ten minste kostendekkend zijn. Terwijl het ook nog eens goed is voor het milieu en denk eens aan de kosten van eindeloos nieuwe wegen blijven aanleggen. Nu worden mensen toch de auto in gejaagd. Zeker met twee personen is het domweg goedkoper de auto te pakken.

Hij zou president-directeur complimenteren met zijn plan véél meer treinen frequenter te laten rijden, aanbod; dat werkt. En hij zou hem het simpele voorbeeld uitleggen dat NS het boemeltje Dordrecht – Geldermalsen – Culemborg op ging heffen, te weinig reizigers, onrendabel. Tot Arriva het overnam, vier leuke treintjes per uur. En kijk nu eens , tienduizenden reizigers per dag. En helaas moet hij toch terugkomen op het punt in het gesprek met zijn voorganger. De teloorgang van de korting, pas na negen uur, dat is te verdedigen, maar tot vier ’s middags, zo klantonvriendelijk, dat werkt niet. En ja Wouter, hij zou je op je horloge zien kijken, dat zal toch vast niet voor jou gelden, heb je nog heel even? Hij zou je graag over het debacle van de Fyra willen vertellen en zijn ervaringen daarmee, maar dat kunnen je straks lezen in ‘Treinspotten’.

Tot besluit zou hij hem dan nog willen meegeven, toen Wouter nog minister was van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, over het drama in Zeeland. Mogelijk was hij daar zelfs nauw bij betrokken. Toen de komst van de marinierskazerne in Vlissingen niet doorging werden er enkele goedmakertjes verzonnen. Zo ging er nu elk heel uur een directe treinverbinding, een intercity komen van Vlissingen naar Roosendaal, in plaats van twee keer per uur een stoptrein (sneltrein in NS jargon) Kijk, dat noemt hij dan geen ‘verbazing’ meer, ook geen ergernis, daar wordt hij gewoon boos om. Die verbinding wás er altijd, járen gebruik van gemaakt; Goes – Utrecht, Goes – Amsterdam, Goes – roept u maar. Hij weet het, het is tijd. Nogmaals geachte Wouter, we hebben er vertrouwen in. We voelen het, we zien veel dingen die wél goed gaan. ‘Goede reis’, zou hij zeggen: ‘En bedankt voor het gesprek!’

In gesprek met (gepubliceerd op 18-2-2022)

Als dank voor jarenlange deelname aan NS panel was ik uitverkoren mogelijk een winnaar te zijn van een aantal prijzen. Ik mocht zelf kiezen. Voor het geval dat, in dat geval, ik koos voor de mogelijkheid van een gesprek met President-Directeur Rogier van Boxtel. Waarom wilde ik in geval van winnen deze prijs, werd mij digitaal gevraagd. Wel hierom; reeds meer dan vijftig jaar ben ik treinreiziger, groot voorstander van openbaar vervoer.
En nog steeds voortdurend verbaasd over NS. Had ik Rogier van Boxtel gewonnen, te spreken gehad, dan had ik hem de volgende verbazingen, neen, alhoewel het wel zo is, wil ik het geen ergernissen noemen, medegedeeld.
Rogier, jij – na vijftig jaar, meer dan een halve eeuw, in jouw treinen te hebben gezeten, mag ik je tutoyeren – neemt, sinds je deze baan hebt misschien ook weleens de trein? Ik heb je gewikipediaat en gezien je staat van dienst denk ik wel dat je deugt, jij spoort wel. En zo lang zit je nog niet in dit vak, in het Koninkrijk der Spoorwegen, dus jij kunt er ook niets aan doen.

Tja, waar was ik dan begonnen, als ik jou had gesproken, gewoon maar gelijk van start, groen licht? Wanneer ik hier ter plekke, in mijn wijkstationnetje de trein neem. Ik, met mijn decennia oude NS voordeelchip, kan daar, aan de automaat niets. Stond daar, naast de Arriva kaartjesautomaat er eerst nog een van NS.
Nu niet meer, is weg, alleen die van Rnet en die kent mijn NS kaart niet. Ik ben genoodzaakt de trein te nemen naar het hoofdstation, daar uit te checken, het station uit te gaan en in de NS automaat mijn kaart op te laden. Of bijvoorbeeld het ‘vrijreizen’ kaartje – wat nu toch ook gewoon vier Euro kost – op te waarderen, vervolgens weer in te checken en te constateren dat mijn ‘overstapje’ net vertrokken is.

Ik was er nog even verder op door gegaan, had ik dat gesprek gewonnen. Wanneer ik dan terugreis en overstap op hoofdstation Dordrecht – laat ik maar meteen man en paard, in dit geval man en trein noemen, NS weet toch alles van mij en mijn ‘reisgeschiedenis’, waar is privacy toch heengegaan – op de boemel van Rnet, naar Dordrecht Stadspolders dien ik uit te checken bij NS en in te checken bij Rnet.
Zoals vele tientallen medereizigers, waarvan velen dan net weer hun ‘overstapje’ missen, wegens drukte bij dat gecheck. Daar kun jij natuurlijk niets aan doen, dat is nog een erfenis van mevrouw Melanie Schultz van Haegen-Maas Geesteranus die haar belofte het te stroomlijnen niet nakwam. Laatst was ik in Zwitserland en daar zijn zeer veel verschillende treinmaatschappijtjes, hoeveel precies, dat weet jij beter dan ik, Rogier, maar daar merkt de reiziger hoegenaamd niets en niemendal van.

Mag ik nog even, had ik gevraagd, Rogier, heb je nog heel even? Wat me ook zo verbaast, dat na vijftig jaar de reistijd van Goes naar Amsterdam, die ik als student jarenlang aflegde, nog geen minuut sneller is geworden. Sterker nog, langer, met die stoptrein van het Zeelandstuk.
Ja, zou ik Rogier dan horen zeggen, je kunt overstappen in Rotterdam op de Intercity Plus en dan tegen een kleine vergoeding gaat het een stuk sneller naar Amsterdam. Jaja. Ook pendelde ik heen en weer naar Eindhoven, vanuit Dordrecht en dat kostte precies een uur. Dat lukt niet meer, sukkelen naar Breda, ‘overstapje’ en dan door. Zomaar een half uur langer; de ‘vooruitgang’.

Rogier, ben je daar nog? Ik moet er eigenlijk wel om lachen. Eerst doeken de Spoorwegen de rechtstreekse treinen met buitenlandse bestemmingen op. Nu worden ze met veel halleluja en hoorngeschal weer, héél voorzichtig herintroduceerd.
Concurreren met het vliegtuig? NS spoort niet. Ik zie het al, stiekem zit je op je horloge te kijken, mijn tijd is om. Nog even dit, om niet te worden afgerekend te worden op teveel vertraging, staan de treinen langer stil op sommige stations. Kunnen vertragingen worden opgevangen worden zodat de aankomsttijd toch gehaald kan worden. Ik had je verteld dat ik daar ‘niet vrolijk van word.’

Waarom, beste Rogier, krijgt een reiziger met meer dan vijftig reisjaren, de vaste NS klant, geen voordeelprijs. Zoals bij meer schadevrije jaren, meer noclaim korting? Neen, zelfs het ‘voorrecht’ wat de vaste klant had, het privilege ook in de avondspits met korting te mogen reizen gaat verdwijnen. Het wordt te druk in de trein, NS wil minder reizigers.
Ik ben haast geneigd dan als klant ook maar te verdwijnen. Ergens best grappig, NS, een van de grootste bedrijven van Nederland kon niet voorspellen dat het steeds maar drukker zou worden. En voorzien dat er een constant tekort aan materieel zou zijn.

Geachte heer van Boxtel, bedankt dat ik deze prijs, een goed gesprek, wanneer ik tot de prijswinnaars had behoord, heb kunnen ontsporen.

Onderdanen

Lieve bevolking, zoals U van Ons gewend bent, spreken Wij immer een zorgvuldig samengestelde Kerstboodschap tot U allen. Wij weten het, Wij zijn te laat, het was Ons zwaar te moede, de grijsheid der donkere dagen voor het Kerstfeest, de vele dingen die plaats vinden in de buitenwereld laten Ons niet onberoerd. Indiervoege, om met de Ons te vroeg ontvallen heer Bie te spreken, achten Wij het gepast alsnog op dit tijdstip, de derde Kerstdag zo U wilt, in volle vaart afstormend op een jaarwisseling, een poging te doen U een klein hart onder de ceintuur te steken. Een jaarwisseling waarbij Wij Ons hier ter Paleize dat eerder genoemde hart vasthouden, aangaande een zekere angst voor de Cobra door den brievenbus.

Deze rede is geschreven met de bedoeling Ons tot U te richten en dan niemand uitgezonderd, ja ook tot U, heer Schoof die er tenslotte per slot van rekening ook helegaar niks an kan doen. Kleine kanttekening Onzerzijds, wél uitgesloten zijn geminachte Heer Wilders en geminachte Vrouw Faber. Eerstgenoemde, die na zijn overwinning zich tot de grootse partij mocht rekenen, verklaarde meteen ‘dat niemand het land zou worden uitgezet’, dient per ommegaande heen gezonden te worden naar een guur eiland met weinig tot geen vertier. Vrouw Faber echter wordt gemaand zich te melden in de Goelag Archipel alwaar zij uitstekend werk kan verrichten als Obersturm Kampf Commandant.

Mochten er onder U, Onderdanen, individuen bevinden die maar niet kunnen wennen aan Medeonderdanen met ander huidtype, ander geurtje, andere postcode, ander hoofddeksel en daaraan gekoppeld andere kijk op de wereld met wel of geen geloof, tot Diegenen willen Wij zeggen, wen er maar aan. De grenzen die Wij rondom Ons Koninkrijk hebben laten aanleggen bestaan helemaal niet, alleen in de goeie ouwe Bosatlas zult U ze gewaar worden. Eerdaags vliegen Wij met Onze Gemalin voor een kort bezoek naar Argentinië en Wij kunnen U verzekeren, er is vanuit het hemelsblauw geen enkele landsgrens op Onze aarde zichtbaar. Derhalve, zoals de helaas te vroeg heengegane Thé Lau ten gehore bracht: ‘De wereld is van iedereen’.

Eens te meer beseffen Wij hier, terwijl Wij Ons best doen geen voedsel te verspillen en Ons vanavond zullen buigen over de restanten van de Kerstdis, hoeveel leed er is in de wereld. Heus, U weet het ook als U de goede kranten leest en ter nieuwsgaring op de juiste televisiekanalen afstemt, derhalve dienen Wij hier geen opsomming te houden van de vele brandhaarden in deez wereld. Mocht U Ons in het jaar dat voor Ons ligt betrappen op een samenzijn met Heer Netanyahu, weet dan dat Onze krijgsmacht op een mogelijkheid zint hem te overmeesteren teneinde hem te oordelen in het Vredespaleis alhier.

Rest Ons nog U allen, geenszins uitgezonderd, op de twee reeds eerder genoemden na, U op de valreep van het naar haar eind snellend jaar tweeduizendenvierentwintig een behouden eindejaarsavond met de warme chocolademelk met het welbekende Koninklijk vel en hetzij de oliebol, hetzij de appelflap en weldra de klok ten twaalven zal slaan een helder glas appelsap dan wel een goede champagne van een niet nader te noemen merk hiero.

Próóst!

Paris, Texas

Zonder veel hoop scroll ik door naar andere weerapps, in de hoop daar optimistischer voorspellingen te vinden. Het nadeel van buiten het centrum wonen is dat je om uit te gaan steeds naar datzelfde centrum moet zien te komen. Nu doe ik sowieso alles binnen de stad op de fiets maar om nu in de bios te zitten met een natgeregende broek is niet erg aanlokkelijk. ‘Dan ga je toch met de bus, of met de trein?’ stelt Eega voor en ze wil me zelfs wel brengen. Lief, ook al ziet ze het niet zitten me nog op te halen, ‘s avonds laat. Niets is erger dan een half uur op dat tochtige perron op een trein te moeten wachten dus; op de fiets.

Het Goretex jack en regenbroek doen het perfect, wel stroomt regenwater gestaag mijn schoenen binnen wanneer ik me met harde wind tegen naar de stad worstel. Onder de luifel, tussen de terrasstoeltjes stroop ik de broek af, ook met de tot de heup openritsbare broekspijpen een heel gedoe, niet betaald ‘uitgaansgevoel ‘bevorderend’. Aan de bar zit al een jonge vrouw, ik wil niet pal naast haar gaan zitten dus ik neem plaats op de kruk aan het eind. Koffie! Ik app Harry; ‘aan de bar!’ De snibbige serveerster droogt het zink van de toog, maait bijna mijn koffie en telefoon eraf met de opwerking dat ik aan het werkgedeelte zit. Een minuut later schuift Harry aan en we spreken over de film die wij gaan zien. Recensies gelezen, Halina Rein die ochtend in de krantbijlage, Oscar nominaties, spraakmakend, Nicole Kidman. De snibbige roept dat er twee consumpties aan de bar nog open staan, jaja! Babygirl is kennelijk een erotische thriller, wat gaan we allemaal voorgeschoteld krijgen. Vreemd wel, die middag nog zag ik bij ticketservice dat alleen onze twee stoelen bezet waren, alles was nog groen.

De deur van Zaal Twee is dicht, over twee minuten begint onze film, we gluren naar binnen, de zaal zit vol en er draait een film. Zijn we te laat? Ik check het screenshot dat ik maakte. Nee, film, zaal, tijd, alles klopt. De leuke vent bij de kassa kijkt beter dan wij en leest de datum, het is weer eens zover, ik ben een week te vroeg. Voor de zoveelste keer, een week, of een dag, te vroeg of te laat. Moet ik hulp gaan zoeken? Wat nu, dan maar aan de bar en zuipen? De leuke kassavent weet een oplossing, Paris, Texas begint over twintig minuten, hij ruilt even de tickets om en willen wij, Dordtpas-houders, een gratis drankje en popcorn? Drankje, zeggen wij geen nee tegen, alleen hoe kom ik bij mijn Dordtpas. Gelukkig, gezichtsherkenning werkt ook bij deze app.

Ry Cooder die de uit duizend herkenbare soundtrack speelde is ook alweer zevenenzeventig. Het iconische beeld van Travis, dolend door de Texaanse woestijn met de fantastische zandsteenformaties, met die heerlijke slide guitar sound, is mij altijd bij gebleven. Ik fluister naar Harry, ‘Daar zou ik graag eens willen klimmen’. Tevens bezat ik de elpee ‘Chicken skin music’ en dat is wat ik ook nu bijna krijg bij die allereerste beelden, kippenvel. De film uit 1984 is ‘remastered’ naar een digitale versie met een enorme resolutie dat de beelden, de trage shots van voorbijglijdende landschappen en stilstaande shots nog mooier maakt. Ik was een beetje bang dat zo’n oude film te langzaam zou zijn voor mij, meer iets om thuis op de bank te zien met een boek op schoot. Het verveelt geen moment en veel scenes heb ik kennelijk deleted, komen onbekend voor.

Bij het gratis drankje in de leeggelopen bar delen Harry en ik onze gevoelens, deze film, veertig later revisited, het was de moeite waard. Met wind mee zeil ik door de stikdonkere nacht terug naar huis, niemand in de stad, ik kom geen mens meer tegen, mijn hoofd is gevuld met prachtige kleuren en klanken in plaats van de magere blote billen van Nicole Kidman. En; de regen is gestopt, het is droog.

Als

Als. En dat het raar kan lopen in het leven en je nooit moet denken als… (als*)

Toen ik mijn vorige huis kocht, een oude romantische dijkwoning met veel grond erachter, werd er een paar dagen later aangebeld. Ik woonde er schuin tegenover, benedendijks. Een grote man in een blauwe stofjas stond voor de deur, boven op de dijk zijn grijze Mercedes, stationair draaiend. Hij kwam even betalen zei hij, voor het water en of het toch wel goed was dat hij het kon blijven gebruiken. Stom verbaasd keek ik hem aan. Hij bleek mijn buurman te worden, een vleeshandelaar en de stallen en weilanden naast die van mij waren van hem en water en elektriciteit kwam via mijn schuur naar hem. Hij opende een dikke portemonnee, gevuld met rijen bankbiljetten en begon omstandig geld uit te tellen. Het was teveel zei hij erbij, maar vooruit. Later die week, het nieuwtje dat ik daar ging wonen ging als een lopend vuurtje door het buurtschapje, daar op de uiterste grens van de stad, wilde iemand kippen houden in mijn tuin. Nou nee, die had ik zelf al. Een schaapherder vroeg of zijn schapen in mijn schuur konden. Alle geld was welkom in die tijd dus, vooruit. Twee jaar lang ’s winters twintig schapen en in het voorjaar 40 lammetjes erbij in de schuur. En op het achterste stuk grond kweekte hij aardappels. Met zijn tractor en met stro hoog opgeladen kar reed hij door de tuin, alles kapotrijdend. Dat was ik gauw beu en ik zegde hem de huur op. Voor het stuk grond achterin vond ik een nieuwe huurder, de andere buurman, een hoefsmid die er zijn fraaie Friese paarden liet grazen. Na een paar jaar betaalde Hoefman de huur steeds maar niet, ook niet na herhaaldelijk aandringen. Een buurman van iets verderop had ook interesse, ook hij had Friese paarden. Eens zag ik hem vertrekken, richting de stad, verkleed als Ben Hur, op een gouden Romeinse strijdwagen op twee wielen met een vierspan zwarte paarden ervoor. Ik zegde Hoefman de huur op die vervolgens erg boos was en dat altijd zou blijven.

In de jaren die volgden kwam Vleesman steeds langs en bood duizend gulden voor het achterste stuk weiland. Hoeveel vierkante meter het was wilde hij weten, ik zei altijd dat het duizend vierkante meter was, dat er geen haar op mijn hoofd was die wilde verkopen en dat hij véél te weinig bood. En aan hem wilde ik het zeker niet verhuren, temeer omdat hij steeds aan mijn bomen en struiken op onze grens liet snoeien. Meisjes zijn gek op paarden en die willen ze ‘verzorgen’. Er liepen dus nu altijd meisjes voor de paarden van Ben Hur dwars door de hele tuin op weg naar het weiland, er was geen andere ingang. Ook kwamen er vriendinnetjes mee. En de opa’s en oma’s, op den duur banjerden er hele volksstammen door de tuin. Die tuin die inmiddels was veranderd van een kale moestuinvlakte in een groene oase met veel privacy die ik als nodig had als zonaanbidder. Vleesman stond weer voor de deur en nu bood hij meer geld. Dat zette me aan het denken, hoewel je grond nóóit moet verkopen. ‘Als je je buurman kunt kopen moet je dat altijd doen’, zo luidt een oud-Joods gezegde. Of ben ik nu discriminerend, antisemitisch, grensoverschrijdend bezig. En toch nog maar zo’n oud-Joods gezegde, aan iemand die een bedrijf begint en personeel zoekt: ‘Ik wens je véél personeel’. (personeel = ellende)

We werden het eens over 26000 gulden en dat was veel geld voor een stukje weiland á 0,37 per vierkante meter in die tijd. Maar Vleesman hoopte natuurlijk dat het ooit bouwgrond zou worden. Ik zegde Ben Hur de huur op en ook hij werd erg boos maar niet heel lang. Wel parkeerde hij steeds zijn paardentrailer pal voor mijn uitrit, die ik dan met veel moeite de berm induwde zodanig dat hij net niet van de dijk gleed. Overigens, Vleesman en Ben Hur hadden ook ruzie, dat ging van lek gestoken banden van aanhangers tot aan bedreigingen met hooivorken. Er was altijd wat te beleven op de dijk. Altijd moest ik mijn perceel grond bewaken, aan beide zijden wilden buurmannen graag stiekem de paaltjes verzetten om hun eigendommen uit te breiden. En ook om ongewenste indringers buiten te houden, het is gebeurd dat er koeien door de sloot heen de tuin in kwamen en stonden te grazen in mijn boerenkoolvelden.

Voordat ik bij de notaris binnen ging, stapte ik eerst in de grijze Mercedes die voor de deur van het kantoor stond. Het rook er naar schaap, ik wist dat hij soms in de kofferbak een schaap vervoerde. Daar telde Vleesman uit de dikke portemonnee de biljetten één voor één uit tot een stapel honderdjes. Tienduizend euro contant, zo was afgesproken, dat scheelde hem in de notaris kosten. Maar wel vooraf, had ik geëist. Toen het kadaster naderhand constateerde dat het hier handelde om slechts zevenhonderd vierkante meters was Vleesman nogal boos. Enige tijd later brandde op een nacht zijn schuur tot de grond toe af. Ik probeerde mijn schuur, een aantal meters verderop, wachtend op de brandweer die ik had gebeld, slechts gekleed in mijn onderbroekje nat te houden, in de hoop dat de brand niet zou overslaan. Er bleek een wietkwekerij in gezeten te hebben. De hele boel werd verkocht en de nieuwe buren, twee zwagers, Vors en Bors bouwden er een mooie nieuwe stal.

Na dertig jaar tuinieren, zonnebaden, feesten, fikkiestoken en snoeien en grasmaaien was ik vooral die laatste twee beu en ik verkocht het spul. Bovendien had Hoefman plaats gemaakt voor Hondenvrouw. Hetgeen begon met één hond dijde uit tot twaalf honden die allemaal blaften, jonkies kregen die ook snel leerden blaffen. Doordat Hondenvrouw en Vors en Borsmannen hun percelen grond ophoogden was ik na elke regenperiode genoodzaakt  bepaalde delen van de tuin met een slang van zestig meter naar de sloot droog te pompen. Een jaar eerder had een jonge vrouw de Vors en Bosmannen stal en weilanden gekocht voor een hoog bedrag, er werd gefluisterd zelfs honderdduizend euro. Zij hield er varkens, kippen en paarden in alle soorten en maten. Al die jaren fietste ik er langs, zag met lede ogen mijn oude huisje steeds verder verwaarlozen. Van mijn groene oase waren alleen de randen nog groen, midden in de tuin was een immens huis verrezen, omringd door een groot en saai grasveld. Zij hadden het wel voor elkaar gekregen, het bestemmingsplan bleek gewijzigd en zij mochten bouwen in de tuin. Dat, wat ook ik meerdere malen had geprobeerd en liet onderzoeken en toen onmogelijk was. Totdat opeens de leuke varkentjes, kippen en paarden verdwenen waren in de wei van Paardenvrouw, het stond leeg. Funda bood uitkomst, het was wederom verkocht, nu als bouwgrond voor een bedrag op één euro na van één miljoen. Als……

Als*  Iemand uit mijn naaste omgeving, de persoon wenst anoniem te blijven gebruikte het ‘als’ woord. Een aandringende verzekeringsverkoper mocht langskomen voor een brandverzekering mits hij niet het woord ‘als’ gebruikte. Die avond duurde het gesprek kort, de goede man begon met deze zin;

‘Een goede brandverzekering is belangrijk, als uw huis uitbr…..’
‘Eruit!’
Einde bezoek.

Roerdomp

Harry en ik zeiden het tegelijkertijd: ‘Die wil ik zien!’ Na de extra lange bioscoopreclames van fragrances als Dior en Jean Paul Gaultier – het is november dus alweer tijd om mannen over te halen dure luchtjes aan hunner vrouwen te schenken  – volgt nog een serie trailers van films die binnenkort ‘in dit theater’ te zien zullen zijn. De film ‘de Biesbosch’, die wilden wij zien. Enkele weken later was het zover. De kaartjes kocht ik nu eens niet online, ik kon er eentje gratis krijgen, met mijn zogenaamde Dordtpas. Echter wel aan de kassa af te halen dus zodoende was ik eerder die dag ook al in een miezerig regentje stadwaarts gefietst. En dat was maar goed ook, vrijwel altijd zitten Harry en ik in een nagenoeg lege zaal, nu echter was het een buitengewone drukte. Allemaal leeftijdgenoten, kennelijk moet je om liefhebber van de natuur te zijn een bepaalde leeftijd hebben bereikt. De zaal zat vol.

Biosdirecteur Gert leidde de film in, verheugd dat de film zo’n groot succes bleek en verklapte alvast dat de filmmaker en de boswachter na afloop vragen uit het publiek zouden beantwoorden. Meteen de eerste beelden waren bekend, voor ons als Biesboschkenners, een prachtig beeld van de Zuidhaven. Regelmatig stootten wij elkaar aan, wanneer we iets meenden te herkennen. Alles kwam voorbij, de Dordtse– , Sliedrechtse- en de Brabantse Biesbosch, de Noordwaard en de Tongplaat. De geschiedenis met de Sint Elisabethsvloed in 1421  en de verschillende fasen, van natuur naar landbouw, naar overstromingsgebied voor de veiligheid en meer natuur.

De Dordtse – en de Nieuwe Dordtse Biesbosch, daar mogen ze me geblinddoekt ergens neerzetten en ik vertel je exact waar we zijn. Ook de Noordwaard ken ik als de spreekwoordelijke broekzak. De Brabantse en de Sliedrechtse zijn wat moeilijker bereikbaar, onbegaanbaarder tenzij per boot. Wel kanode ik er. Af en toe kwam boswachter Jacques van der Neut – ‘Ik ken hem goed’, vertrouwde Harry mij toe – in beeld om te vertellen over de bever, het verschil in eb en vloed van vroeger en nu. Er was uiteraard volop aandacht voor de kluut, de grutto, de fuut en vele andere en uiteraard de prachtige ijsvogel. Sfeervolle beelden van betoverende landschappen bij zonsondergang, spectaculaire overstromingen bij hoge rivierwaterstanden. Applaus! En dan de filmer, de boswachter en de directeur onder het witte doek.

Na afloop zaten Harry en ik aan een witte en een rode wijn en ik stootte Harry aan: ‘Kijk, daar heb je van der Neut.’ Onmiddellijk stormde Harry er op af en ze vlogen elkaar in de armen alsof ze elkaar in geen twintig jaar hadden gezien. ‘O’, zei ik enigszins beschaamd; ‘Je kent hem echt heel goed!’ Even later schoof hij bij ons aan tafel en het werd een bijzonder geanimeerd gesprek. Harry stelde me aan hem voor, waarop ik vertelde dat hij ooit, jaren geleden de sleutel van de Zwarte Keet hoogstpersoonlijk bij mij thuis was komen brengen. En hij wist het nog! Daar was nogal wat over te doen geweest, zomaar een sleutel van een griendwerkerskeet, een waardevol cultureel erfgoed  aan iemand geven, onmogelijk. Iets dat mij na lang soebatten was gelukt, onder auspiciën van de NKBV, de Nederlandse Klim- Bergsport Vereniging organiseerde ik ieder jaar op de eerste zaterdag van het nieuwe jaar de zogenaamde Nieuwjaarswandeling. Lunch in de Keet! En zo zat ik opeens met een heuse celebrity binnen de boswachterswereld aan tafel.

Jacques vertelt de ins en outs van de film, vijf jaar aan gewerkt, low budget en hoeveel moeite het kost om bepaalde beelden te maken. Off the record bekende hij dat er ook enkele beelden gekocht zijn. Zoals de close-up van het oog van de zeearend. Gewoon bij iemand thuis die er een in een grote kooi heeft. Zelf heb ik helaas nog nooit een bever gezien, wel talloze bevervraat en – sporen gezien, het duurde jaren voordat ik een ijsvogel zag en dan nog slechts in een flits. Ooit hoorde ik onmiskenbaar van heel dichtbij het bijzondere geluid van de roerdomp. In de film was er een, een dansend, baltsend exemplaar, prachtig. En sinds mijn jongste jeugd héb ik iets met de roerdomp. Tijdens een scoutingkamp viel het roer van ons sloepje er af, dat heette in padvinderstermen; roerdomp.

Cindy

Nu lees ik veel, maar slechts een bepaald soort boeken. Alleen die waardoor ik meteen getriggerd word om – snel – verder te lezen. En liefst niet al te vreselijk dik. Soms ook zijn er periodes dat het niet lukt, lezen. Dan wend ik me tot mijn toevlucht; korte verhalen en verzamelde columns. Ik ontdekte Cindy Hoetmer, was me al eens opgevallen in de slimste mens en in het Volkskrant katern.

Net als Cindy ga ik me vandaag onder de mensen begeven, alleen niet naar mijn stamkroeg, want die heb ik niet en neem het boemeltreintje naar het centrum. Tegenover me zit een vrouw die de zuster zou kunnen zijn van Gerda Havertong en die zachtjes in haar telefoon spreekt. In het gangpad bij de deur  staat een oer-Hollandse knaap van een jaar of zeventien, zo dik dat het lijkt of hij elk moment uit zijn donkerblauwe PME jack kan ploffen. Hij eet een vettig saucijzenbroodje alsof hij dagen niet heeft gegeten. Deze keer let ik bij het uitchecken goed op of ik inderdaad twéé piepjes hoor, anders is mijn OV chip weer zo snel leeg. Onder de luifel schuilen twee mensen voor de koude wind met hun boekenstandaard ‘Wilt u Jezus ontmoeten?’ die mij gelukkig negeren.

In de felverlichte ANWB winkel voel ik zonder veel hoop aan enkele vormeloze donsjassen. Wel reken ik een paar paar goede sokken af. Of ik toevallig lid ben van de ANWB. Toevallig wel ja, puur uit angst om het lidmaatschap op te zeggen, want je zult zien, dan sta je met panne. Ver in de vorige eeuw stopte mijn gele lelijke eend er mee. Voor de vorm deed ik de motorkap open en vrijwel meteen doemde er de redder in nood op, een beüniformde wegenwacht. Van een van de twee bougies was het kapje er af gegaan, een reparatie van vier seconden. Het boek ‘Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar’ van Cindy Hoetmer is snel gevonden in de bieb en ik zijg neer in een klassieke oorfauteuil waar dikwijls een dakloze zit, vlakbij de cv.

Ongericht zwerf ik wat door de stad die al versierd is voor de kerst en zoals altijd even een rondje langs de havens waar de aangemeerde zeilboten en motorjachten nu allemaal opgetuigd zijn met kerstverlichting. De kade langs de rivier sla ik vandaag maar even over, er staat een gure wind. Dan schiet me te binnen dat bij het stadhuis iets nieuws is geplaatst, dat moet ik zien. In meer dan manshoge goudverlichte letters staat de tekst DORDRECHT.

En waarom niet, in mijn niet aflatende zoektocht naar die ene bril stap ik een mij onbekende opticien binnen. Klein maar enorm veel keus, mooie en bijzonder, tevéél zelfs, alle dertien goed! Allebei de opticiens of verkoopsters zijn druk bezig en eentje vraagt met iets Oostblokkerigs in haar stem of ze mij kan helpen. Ik geef het voor de hand liggende antwoord dat ik een bril zoek en krijg een glimlach retour.

Weet je wat, ik neem de bus terug en neem plaats achter een modieus geklede Turkse vrouw. Ze praat met haar dikkige zoontjes aan de andere kant van het gangpad. Ze geeft ze een paar koekjes en ik zie van dichtbij haar getatoeëerde wenkbrauwen. Aangekomen bij mijn bushalte is de bus vrijwel leeg en bij het uitstappen zwaai ik een bedankje naar de jonge blonde chauffeuse.

De Russen komen

Screenshot

Het is toch fantastisch, de Turkse bibliothecaresse mét hoofddoek leidt de spreker van de avond in. Met een begroeting, gedeeltelijk in het Turks; Olaf Koens heeft een tijd in Istanbul gewoond en spreekt de taal een beetje. Toen hij binnenkwam zag ik dat ze al een geanimeerd gesprekje hadden.

Twee dagen later staat het land op z’n achterste benen omdat het kabinet dreigt te vallen, de Marokkaanse staatssecretaris trekt het niet meer. De omgangsvormen, de polarisatie, ze kan er niet meer tegen. Het ging niet over hoofddoekjes, met haar indrukwekkende CV, laatste baan officier van justitie, zou ze daar om lachen. Wat er nu precies is gezegd blijft geheim, want wat er in de ministerraad besproken wordt schijnt niet openbaar te mogen worden.

Knettergek, minder minder minder, grenzen sluiten, het beleid dat ben ik, de integratie is mislukt, Jodenjacht, Kristallnacht, asielcrisis, het land uitzetten, paspoort inleveren, Marokkanen pus in de samenleving, om maar wat te noemen. In de nietszeggende toespraak van de marionet die nu de rol van minister-president speelt, ene Dick Schoof, werd de zin: ‘Er is en was geen racisme in dit kabinet’ welgeteld 21 keer herhaald.

Knettergek, het woord dat onze grote blonde leider binnen de politiek introduceerde blijkt een voorspellende waarde gehad te hebben. We hebben te maken met een knettergekke regering. Belangrijke zaken als het milieu, armoede, energie komen amper aan bod. Gedane beloftes blijken onmogelijk gerealiseerd te kunnen worden. Asiel en de instroom is het belangrijkste onderwerp en waar met de werkelijke cijfers enorm gegoogeld. Natuurlijk, er heerst onvrede in het land, maar die wordt juist aangewakkerd door een groepje knettergekken die gekozen zijn op die loze beloften. Werkelijk niets van de plannen blijkt nu te lukken. Ook het onzalige plan om de BTW te verhogen, gaat uiteindelijk, gelukkig, toch niet door.

De wereld lijkt wel knettergek geworden met overal halve garen aan de macht. Die duizenden burgers de dood injagen in oorlogen of door ontkenning van Corona of klimaatverandering. Fake nieuws is de nieuwe norm die hele landen in de greep houdt, net als het grote complot denken. Welke krant lees je, welk nieuws neem je tot je. ‘In de Volkskrant staan allemaal leugens’, zei een vriend mij. Die vriend  raadde mij ook aan naar Johan Derksen te kijken: ‘Die weet veel’.

Het onderwerp van de lezing in de bibliotheek door Olaf Koens was het ‘conflict’ van Rusland en Oekraïne. Hij woonde jarenlang in Moskou en volgt de oorlog op de voet. Hij haalde die periode van vijftig jaar geleden aan. ‘De Russen komen’, dat was de angst die ons werd aangepraat in de tijd dat ik mijn militaire dienstplicht vervulde. Overigens moesten wij toen ook leren hoe om te gaan met een atoombomaanval; snel een putje graven. En er was daar die zeer interessante (!) instructiefilm; ‘Wie zich camoufleert, leeft langer’.

En nog iets anders; zoiets knettergeks, complete veldslagen worden gevoerd door voetbalsupporters, het is volkomen normaal om een enorme politiemacht in te zetten bij een voetbalwedstrijd.

Ik moet straks even een boek ophalen dat ik reserveerde in de bibliotheek. Wie weet, misschien heeft die – geïntegreerde-  bibliothecaresse wel dienst.

Mindset

Zojuist het boek dichtgeslagen; ‘The Zen of Climbing’ van Francis Sanzaro, dat ik zo snel mogelijk probeerde te lezen. Wat overigens niet meeviel, ik moest nogal eens een woord inspreken in de vertaalapp. Het is misschien een ietwat zweverig onderwerp; Zen en dan ook nog eens in het Engels, best lastig om het goed te begrijpen. Hooguit een paar hoofdstukken per keer kon ik lezen.

Wat mij dus al jaren intrigeert, hoe is je mindset, wanneer je aan een wedstrijd, sportieve activiteit, of zelfs gewoon een training gaat beginnen. Met hoeveel concentratie, ontspanning, rust in het hoofd sta je daar. En dan dus, wat is daar het resultaat van, werkt dat echt. Hoe verhoudt de hoeveelheid training die je hebt gedaan zich tot de hoeveelheid motivatie voor je te leveren prestatie, wat is daar het effect van.  

Soms probeer ik het echt, focus, even stil zijn en concentreren. Goed kijken, hoe loopt de route en vooral, me af te sluiten. Nu is de klimhal wel een heel lastige plek, op de vroege maandagavond is het wat mij betreft ‘a hell of a place.’ Topdrukte, overal klimmers om je heen en een lawaai van jewelste. Al dat geroep en geschreeuw in die holklinkende ruimte, waar soms ook nog, geheel onnodig, k*tmuziek dreunt. Ik probeer het wel, me te focussen en puur geconcentreerd een route in te stappen. Maar er gebeurt teveel, een klimmer laat zich juist vlak naast je zakken, jouw zekeraar is zoveel beter dan jij, of al in de eerste passen zie je even niet hoe je verder moet. En in mijn geval, als 70+ en brave 6A- klimmer, die zelfs amper meer voorklimt, voel je ogen in je rug; kijk die ouwe, die moet ook nog zo nodig….

Het is me al vaak gebleken dat, juist wanneer je niet te hoog inzet, het opeens onverwacht goed gaat. Toen ik nog hardliep, was het dikwijls; nee, het wordt niks vandaag, beetje verkouden geweest, geen tijd gehad, weinig getraind en dan liep ik juist een PR. Soms kwam ik opgefokt aan de start, al opgewarmd en ingelopen, want joggend de afstand van huis naar het parcours afgelegd. Hyper geconcentreerd, als een gek mee met de snelsten en blies ik mezelf op. Een tijdlang werd ik gevolgd door een vriend van me, steeds wist hij me te vinden wanneer ik meedeed aan een prestatieloop / wedstrijd. Hij filmde me met zijn camera en bleef heel indringend vragen wat ik ervan verwachtte, welke tijd, hoeveel ik getraind had en hoe ik ervoor stond. Ik voelde me altijd heel ongemakkelijk, antwoordde ontwijkend en ontkennend en vervolgens liep ik een goede tijd of verbeterde zelfs mijn PR. Ik verdenk hem (psycholoog) ervan dat hij dat juist beoogde, experimentje. Een keer overkwam me iets soortgelijks bij het klimmen. We bekeken een nieuwe route in de hal, wat zou het zijn, welke moeilijkheidsgraad. Ik stond al ingebonden, klaar om te gaan. En er ontstond een groepje, allen keken omhoog en probeerden de zwaarte in te schatten. Een topklimmer, die ik al jaren ken van toen hij nog een tiener was, hoorde ik zeggen:

‘Maar dat kan hij wel hoor, dat is echt een route voor Gerard.’

Ik draaide me om, haalde diep adem en vlóóg omhoog, hoorde ze onder me mompelen en flashte de route. (= onbekende route in één keer uitklimmen) Deze route kostte mijn klimmaten best moeite en mij de volgende keren ook. Hoedan?

Het voert het ver om te zeggen dat ik zoekend ben. Al las ik boeken als ‘Waarnemingen’ van Krishnamurti. Deed een bepaalde vorm van yoga, thuis met de gordijnen dicht en temidden van een groep vrouwen op het strand. En volgde weleens lessen bij een Tai-Chi meesteres. Wat is Zen, hoe kom ik daar en heeft Zen zin. (inkoppertje voor een titel: ‘De zin van Zen.’)

Met de lange rustige duurlopen, meestal tijdens koude donkere winteravonden, kwam ik denk ik, onbedoeld al dicht in de buurt van een staat van Zen. Tijdens een wedstrijd / prestatieloop, ik wilde winnen of in ieder geval constant diegene die voor me liep inhalen, was ik dermate geconcentreerd, alleen maar bezig met lopen, dat dat misschien dan ook wel Zen was. Dat gold tevens voor de eenzame intervaltrainingen die ik mezelf oplegde, wilde ik sneller worden moest ik dat doen (project) en ik deed het met liefde en volle overgave.

Buiten klimmen is wat mij betreft een andere tak van sport. Vind ik indoor meer sport, buiten op een rotswand meer avontuur, ook al is de route keurig behaakt, beschreven en van een bepaald moeilijkheidsniveau. Hier is het, anders dan in de hal niet alleen zoeken van hoe doe je deze pas of hoe kom je bij die greep, maar buiten moet je bovendien ook nog op zoek, waar is een volgende greep en hoe bereik je hem. Eenmaal boven, met hoge hartslag is het zaak goed te blijven nadenken, geen fouten maken, voortdurend opletten dat je gezekerd blijft om veilig te kunnen afdalen. En ik heb het ervaren, in een moeilijke periode in mijn leven waarschuwde ik mijn klimmaat mij in de gaten te houden, ik was er niet bij met mijn gedachten. We klommen buiten, de simpele handelingen van het ombouwen op de standplaats – experience, mooier woord dan ervaring,  zat – maar zelfs op de automatische piloot werkte het niet, mijn hoofd was ergens anders.

Natuurlijk, het boek ‘The Zen of Climbing’ is gericht op klimmers die meer klimmen dan één keer per week. Die echt leven voor de klimsport, constant in de rots te vinden zijn en veel hoger niveau hebben. Het slaat helemaal nergens op dat ik dit boek lees. En toch voel ik dat ook, die drang – weliswaar slechts een bescheiden bezetenheid wat mij betreft – bepaalde routes gedaan te willen hebben. Een aansprekende naam, Fissure Annie in Hotton, Lionel Terray in Berdorf, persé willen doen, een droom inlossen, een gesteld doel behalen. En dan kun je je afvragen, wat is het, respect af willen dwingen, ‘living to the max’, meeslepend leven, of toch gewoon ‘just for the fun’. Wees eerlijk, beken, het is goed voor je ego als je kunt antwoorden als de vraag gesteld wordt; ‘Ik klim’, herkenbaar? Het is gewoon mijn identiteit.

We kennen allemaal de filmpjes van Oosterse ‘masters’, die zich hun hele leven bekwaamd hebben in karate, yoga, of bijvoorbeeld sneller dan het oog kan volgen een bepaalde handeling verrichten met een vlijmscherp mes. Zo kun je je ook jarenlang verdiepen in het klimmen, je bent nooit uitgeleerd. Voor de toeschouwer van buitenaf is het moeilijk de diepere lagen van een tak van sport te begrijpen, hoeveel toewijding erin zit en dat geldt misschien nog meer voor de klimsport. Korfbal, ook zoiets, je moet het gedaan hebben om het te begrijpen. Door buitenstaanders wordt het vaak als een vreemde sport gezien. Zoals een Belgische komiek zei; ‘Korfbal is een denksport, korfballers denken dat het een sport is’. Ik krijg weleens de vraag:  ‘Wordt het nou nooit saai, al dat geklim?’ Aan een voetballer zal die vraag nooit gesteld worden.

Als je eenmaal kunt fietsen hoef je er nooit meer over na te denken, hoe blijf ik overeind, hoe gaat dit, zo volkomen natuurlijk is het geworden. Soms kun je jezelf erop betrappen dat het vanzelf gaat, je lichaam doet het, klimt vanzelf, de volgende beweging volgt automatisch uit de vorige. In je hoofd is er iets dat al onthouden heeft waar de volgende grepen en passen zitten.

Een avondje klimhal is voor mij ook een belangrijk stukje sociale contacten, tussen de diverse routes door is het gezellig kletsen. Ik neem me voor, na lezing van ‘The Zen of Climbing’, het anders te proberen. Niet meer klimmen met als doel dezelfde route uit te klimmen die mijn klimmaat deed, maar aandachtiger, vloeiender, mooier, op zoek naar de flow. En puur genieten van soepel ‘dansen’ op de wand, meer letten stijl dan op gradatie. Niet meer persé, hoe dan ook die 6B willen halen, dat ook accepteren en streven naar meer finetuning. Misschien geen hoger niveau, maar op een andere wijze beter klimmen en vooral, met meer plezier.

Klimmen doe ik bijna dertig jaar (pas laat begonnen) en nog steeds is het een verrassing, hoe zal het deze keer gaan. Natuurlijk, je hebt een bepaald basisniveau, maar de ene keer klim je vijf keer een 6A, en dan nog achter elkaar ook en de volgende keer met moeite één. Dat mysterie blijft boeiend.