Alle berichten door dentoonder

window

Ligt het aan jou, heeft er nog iemand dit, zijn er meer mensen met deze mixed feelings, lijdt er ergens een eenzame typist op zijn/haar/hen koude zolderkamertje achter zijn nieuwe toetsenbordje van haar nieuwe laptopje aan koudwatervrees? Of ben ik alweer de enige? Het zat er aan te komen, de oude pc kraakte in al hen voegen. Zij begon al wat op leeftijd te komen, kuren te vertonen. En traag, tráág, je kon beter koffie gaan zetten en dan ook nog je ochtendwandelingetje rond het Blok maken wanneer je hem aanzette voordat zij enig teken van leven gaf. Zeker wanneer je soms een paar dagen niet naar hen had omgekeken, was weggeweest en er tegenop zag het weer op te starten.

En toch, zij was zo belangrijk voor jou, in jouw leven. Immers, wat wist hij veel van jou, wat had jij haar allemaal al niet toevertrouwd. Zoveel herinneringen bevatte het. In de vorm van foto’s, gedichten en verhalen, in mapjes, in documenten, in mapjes van mapjes verstopt, in geheime laatjes en in vreemde Clouds en onbekende drives en inmiddels onvindbaar verborgen bestanden, die jijzelf ook niet meer kon vinden, hoe lief je het ook vroeg. Natuurlijk lag het niet aan haar interface maar aan user it self, hier een crash, daar een bug, AFAIK, jouw eigen slordigheid, chaoot dat je bent, slecht archivaris. De firewall, Ddos, je browser, het peer-to-peer system, je server, je moederbord, SSD en de GPU of de Ram, het heeft het allemaal, daar ligt het niet aan. Even updaten maar. Oké, Enter en dan kon je beter de volgende morgen terugkomen, zo lang moest het stampen.

Dus dan toch, op naar de gevreesde winkel, die met die hightech. Met al die wachtenden, de clientèle en de schaarse verkoopadviseurs, zeer lang in gesprek blijvend met een koopgrage. Maar weer naar huis gaan, wegvluchtend, uitstellend en googelend en navragend wat is wijsheid, hoe nu. Je wilt niet nogmaals getroffen door malware, niets vermoedend muziek kijkend op Youtube en een ‘politiemelding’ krijgen met een kulverhaal dat tegen betaling van losgeld jouw pc weer de vrijheid zou krijgen. Je moet eraan geloven, mee in de vaart der volkeren, het is jouw Window op de wereld. Jouw vraagbaak, jouw streetview, jouw digimap van o.a. bijvoorbeeld de Alpen. De werklaptop die je je zelf toe-eigende als smartengeld krijg je ook niet meer aan de gang, kabelbreuk. De tablet, hoe fijn ook, blijkt ongeschikt als typemachine. De gezellig zachtzoemende computer gaat vervangen worden.

Hoeveel uur zat je op die ouwe Gispen, in jouw hoekje achter het raam, uitzicht op alles wat er gebeurt in de wijk. Blind typend op het toetsenbord waar haast geen letter meer te zien was. Je zielenroerselen te digitaliseren, zoekend naar info, eindeloos filmpjes Youtubend. Soms wachtend op Word, dat jou niet kon bijhouden met opslaan. Het is even wennen nu, de snelheid van deze nieuwe processor. Het hypersensitieve toetsenbord, slordige typer dat je bent. En schrikken wanneer een strakke mannenstem opeens het zojuist geschrevene voor gaat lezen. Het nieuwe device verrekt het samen te werken met de printer, te oud. Van Brother naar Canon, het lukt Groundcontrol zélf verbinding te maken via Bluetooth en Iphone met Notebook, printen maar. 

Nadat met zachte hand de harde schijven verwijderd zijn wordt de pc, de muis, de printer, het scherm, het toetsenbord, de laptop en nog een tablet en de hele wirwar van snoeren naar het Afvalbrengstation vervoerd en aldaar, met een inwendige snik, achtergelaten in een rolcontainer in een kille container. Dit schrijvende meldt laptoppie dat zij energiebesparing heeft geactiveerd, nog 14 procent, waarop jij onmiddellijk zijn voeding inplugt om nog langer op hen tekeer te kunnen gaan.

Denk vooruit

Vandaag was het zo ver. Hij lag op de mat, door de brievenbus gevallen, ze wisten me te vinden. Nou ja, er stond: ‘aan de bewoners’, even goed hadden ze er mijn volledige naam en initialen opgezet, ‘ze’ weten toch al alles van me. Die coördinator van terrorismebestrijding en veiligheid, de lui van de overheid, FBI of hoe heet die CIA in Nederland. Waar ik gisteren of vorige maand was, zichtbaar op camera’s, en via mijn IPhone op de markt in de stad of onder het viaduct op de N311. En was dat nu laatst een drone boven mijn straat of toch gewoon een UFO, weet de KGB in het Kremlin al met hoeveel personen ik in mijn geïsoleerde halfvrijstaande hoekwoning verblijf, wat mijn waterverbruik is en op welke partij ik stem. Heeft de AIVD nog genoteerd staan dat ik demonstreerde tegen de boeven van Chemours, de neutronenbom en guldens doneerde aan Stichting Onkruid, tegen de nieuwe F16’s en door rood licht reed? Kennen zij mijn zoektermen op internet?

Of ik voorbereid ben, eeh tja, in de berging staat voedsel, daar kan een half tentenkamp in Gaza een week van eten denk ik. Ik moet nog een paar flessen water bijhalen, eigenlijk tegen mijn principe, ons kraanwater is zo oneindig veel klimaatneutraler dan dat aqua in de fles. Om de wc door te spoelen is de singel hier vlakbij, wel uitkijken voor de rivierkreeft, voor je het weet heb je een verstopping. Noodradio, Wakuwaku met zonnepaneeltje, powerbank, batterijen, kaarsen en zákken waxinelichtjes en oja op zolder nog mijn ouwe trouwe campingaz stelletje, misschien een paar tankjes gas aanschaffen. Zwitsers zakmes, zestig meter dynamisch klimtouw, donsjas, donsbroek, slaapzak en ik moet nog ergens een bijl hebben. Dus ja, drie dagen geen internet kan ik wel hebben. Al vaker meegemaakt overigens, geen bereik, in de bergen, of zelfs in België.

Alleen ‘wateroverlast’, daar ben ik eigenlijk banger voor. Als ex-Zeeuw die de Ramp meemaakte, vanuit mijn wiegje weliswaar, maar toch. Op ‘overstroomik.nl’, internet dus, lees ik dat mijn huis tot vier meter onder water komt. Vlucht naar zolder, moet ik volgens de richtlijnen en dat wordt lastig in een huis met twee verdiepingen. Toch maar een rubberboot aanschaffen dan of rénnen (zwemmen) naar de vlakbij gelegen dijk op Deltahoogte. Een depressie die dagen blijft hangen bovenstrooms en plaatselijk overstromingen veroorzaakt creëert een vloedgolf in de Maas. Denk daarbij een westerstorm in combinatie met springvloed, dan hebben wij hier op het eiland een probleem. En dan zijn er nog mensen die beweren dat er geen klimaatprobleem is. Of geen dreiging van oorlog of zelfs in de vorm van sabotage, het onderzees doorknippen van een essentieel kabeltje. Net als die lui die het onzin vonden een vaccin te halen tegen de wereldwijde pandemie.

Om maar te zwijgen van de opruiers, de haatzaaiers, die nog een zetel in de Kamer kregen ook en Domrechtse praat verkopen. Die verkeerde cijfers hanteren, over tsunami’s vluchtelingen roeptoeteren. Geen AZC in my backyard. Gisteren fietste ik zachtjes fluitend door ons vredelievende poldertje en wat zag ik daar, wat viel ontzettend op in het grijsgroene herfstlandschap. Rood-wit-blauw, onmiskenbaar de Nederlandse vlag. Maar niet fier wapperend aan een vlaggenmast of lui uit een raam hangend van een geslaagd Mavodiploma. Neen! Een metalen kastje van een elektrische trafo was in de nationale kleuren geschilderd. En een paar kilometer weer zo’n van kilometers zichtbare driekleur, nu op het kastje van een pompgemaal bij een watergang. In het witte vlak de tekst: ‘AZC, weg ermee’. Daar in de polder staat geen camera, hopelijk heeft de satelliet van Musk die de AIVD least, beelden van desbetreffende spuitgast en sporen ze hem op. Die mag naar de Donbas, even zijn kennis bespijkeren. Sjonge, wat zal ik internet missen straks, schrijven lucht op.

Ik ben Juul

Hallootjes zoals ik Sinterklaas in het journaal soms hoor zeggen en dat klopt niet het is gewoon hallo en hallo met 2 x ll dat weet ik want ik kan al best goed lezen en dat vinnik ook erg leuk. Opa had een leesboekje uit de bibliotheek (wat een moeilijk woord) gehaald maar dat hoeft niet want ik heb al een hoge stapel uit school die moesten weg. Maar nu even iets anders, wat is dat nu allemaal voor gedoe over noodpakketten op dat Sinterklaasjournaal. Ik hoor papa en mama daar ook steeds over en dan zeggen ze ook dat ze daar maar straks over moeten praten anders worden wij bang, ik en Jens. Echt niet! Nog eventjes en dan word ik 7 en heb ik een feestje en mama maakte hele mooie uitnodigingen samen met mij. En als je het niet verder vertelt, ik weet al wat ik van opa krijg, een keertje naar de klimhal met hem, dat wil hij al zolang maar ik was nog niet groot genoeg, nou ja vooruit als hij dat nou leuk vindt. Dat kan er ook nog wel bij, ik zit al op korfbal, elke zaterdag ergens anders spelen, gelukkig nu binnen want de laatste keer toen regende het de hele tijd en dan wordt die bal best koud aan je handen. En oja, ik ben nu klaar met zwemles, ik heb al A, B en C. Soms mag ik Lily even vasthouden maar soms gaat die dan opeens die melk uitspugen maar ik vind haar wel erg schattig en ik mocht de auto van opa op de handrem zetten.

Ik ben Jens
Ik en Juul vragen soms of we naar opa en oma mogen en dan gaan we opbellen en dan mag dat. Ik ga dan voetballen met opa en Juul doet met oma eten maken of zoiets. Of we mogen filmpje kijken tot de wekker van oma gaat. Ik ga op school ook voetballen als de school uit is met de jongens uit de hogere klas ik kan hoog schoppen en met opa voorzet geoefend. En de auto handrem, inknijpen en omhoogtrekken dan kan die niet wegrijden. Mijn papa’s auto heeft dat niet, mama wel. Oma zegt steeds ootoo maar dan zeggen wij neehee, het is auto. Opa heeft altijd die klep voor de zon naar beneden dan kan die beter kijken zegt die maar ik zie dan juist minder want ik moet nog in dat stomme stoeltje waar ik bijna niet meer in pas.
Als Lily er is ga ik haar over haar hoofd aaien en dat moet zachtjes en dat weet ik heus wel. En tekeningen voor haar maken met heel veel hartjes. Pas nog gingen we met allemaal foto’s maken, met een echte fotograaf. Daar in dat bos waar ik toen in het water viel. Ik heb daar niet altijd zin in, al die foto’s, nou ja, als je haar maar goed zit zei opa, daarom had hij zijn pet op. Luister, ik heb een vraag; ‘Mag ik iets belangrijks zeggen?’ Ja? ‘Mag ik iets belangrijks zeggen?’ Haha, het is een grapje van roetveegpiet. Van opa moet ik dit aan papa vragen; ‘Het zit in een boom en het loeit, wat is dat.’ Een nest jonge koeien. Dat is een mop.

Ik ben Lily
Mag ik ook nog even, die J en J zijn zo druk, altijd aan het woord en lawaai maken, maar wel leuk en interessant om naar ze te kijken. Soms mag ik even bij een van hen op schoot, alhoewel, ik heb er niks over te zeggen, het is gewoon van hup! Daar zit ik weer bij iemand, iedereen schijnt dat leuk te vinden om mij vast te houden. Oma had een hele doos opgezocht met speelgoed waar Juul en Jens ook mee hebben gespeeld toen ze zo oud waren als ik nu.
En grappig, mama ook nog met sommige, de hele grote roze Barbie camper was van mama en tante Marinke, daar ben ik nog te klein voor. Als mijn familieleden die nog maar even heel laten en niet verder slopen totdat ik zover ben. Gisteren was het feest, 6 maanden hoorde ik mama zeggen wat dat ook mag betekenen. Hoe dan ook, wat ik wel zo prettig vind is dat ik niet meer de hele tijd in dat smalle zitje moet, joh, ik zat helemaal klem en nu in dit nieuwe ding kan ik beter rondkijken als ze mij weer gaan rondrijden, jammer wel dat dat op de een of andere manier slaapverwekkend is voor mij. Terwijl, overdag heb ik er gewoon geen zin, slapen, veel te interessant allemaal om te kijken of had ik dat al gezegd. En hoe ze het doet, doet ze het, oma krijgt mij toch in slaap, zachte liedjes, hand op mijn hoofd en hup, zo is het weer een tijd voor de volgende fles. Maar die dan ook wel graag; snel!

Stoepiér

‘Goedemorgen heren’, klinkt vanaf een passerende scootmobiel en wij groeten terug. Lekker aan de wandel en meer van dat soort gekeuvel en voordat de bestuurder gas geeft overhandigt hij een kaartje met de woorden; ‘Daar kun je lekker eten.’Aha, en ik vertel Chris over het fenomeen Stoepiér, ik heb het nog heel even meegemaakt, bij Amsterdamse volkszaken voordat het, althans in Nederland, uitstierf. Mannen die je naar binnen praten, In zuidelijke landen nog in zwang bij restaurants. Of soms op de kermis: ‘Een dikke sigaar voor de man die de bel doet rinkelen!

Het kon niet uitblijven, wij, museumbezoekers, moesten erheen, even wachten tot het stof is neergedaald, de grootste hausse overgewaaid. En het stelt niet teleur, dit is genieten, ten eerste al van het gebouw, fijn en wijs dat het niet gesloopt is. Het Fenix museum was ooit een havenloods, de grootste ter wereld, gebombardeerd, afgebrand en wederom opgebouwd, als een Fenix uit de as verrezen, googel ik. En dát het groot is, het koffer doolhof met tweeduizend koffers, ieder met zijn verhaal, we gaan er maar niet in, verdwalen. We komen voor de kunst. De foto’s van The Family of Migrants laat maar weer eens zien dat reizen en vluchten van alle tijden is en overal ter wereld. Het doet je eens te meer beseffen hoe veilig en vreedzaam onze generatie al tachtig jaar leeft, wat een geluk. Er hangen foto’s van Robert Capa en Eva Besnyö, ik zoek ze op. Capa maakte naam met de iconische foto van een rennende en doodvallende soldaat. De quote die ik nota bene zelf ook weleens gebruik – en toepas – blijkt van hem te zijn:
‘If your photo is not good enough, you’re not close enough.’

De Tornado op, de blikvanger, de trekpleister, we halen net de eerste etage, koffie! De tienduizend stappen halen we ruim vandaag, liepen de toeristische omwegroute vanaf het station. Alsof we zwartrijders waren glipten we samen door het poortje, Chris’ zelf geprinte ticket werkte niet, de QR-code dichtgeslibt. Telefoon; of ik met dochter en kleinkind mee wil, wandelen, ik stuur haar een foto van het fabuleuze uitzicht, De kop van Zuid, Hotel New York en de skyline erachter. Voorgrond vulling: de koffie. Nooit, herhaal, nóóit kiekjes maken, even nadenken, scherp blijven. Laat ik over de kunst kort zijn, twee immense zalen, alles gerelateerd aan vluchten, gevaar, rassenscheiding, vertrekken en thuiskomen. Van een hek dat elk half uur met een donderende dreun dichtklapt, tot een stuk Berlijnse muur en een sloep die aankwam op Lampedusa, vol met vluchtelingen, mensen op zoek naar geluk, vrede en veiligheid.

Die drie dingen vallen over ons heen zodra we binnenstappen in het Verhalenhuis Belvedere, de tip van de scootmobiel. Katendrecht 2025, het huis is van alles geweest, café, nachtclub en wie weet wat nog. Nu is het er gezellig huiselijk rommelig, rood-wit geblokte tafelkleedjes, posters overal. De vriendelijke grijsgelokte vrouw wordt nog vriendelijker wanneer Chris het verhaal over de scootmobiel vertelt. Even later brengt de ‘gast’ huiskokkin het eten. Aan menukaarten doen ze niet, dit is het vandaag, rijst met kip of vega, op z’n Indisch. Na het afrekenen, echt goedkoop, mogen we boven kijken en dat is terug in de tijd. Haveloos en verveloos, de muren en de deuren. Het keukentje met beige granieten mini aanrechtje. Op de bovenste verdieping, eigenlijk zijn we al verzadigd, treffen we nog meer kunst en alweer een aardige mevrouw. Op de vraag van Chris of het soms ook een buurthuisfunctie heeft krijgen we alweer een heel verhaal. Bij het verlaten van het pand bedankt hij de grijsgelokte voor het heerlijke eten; Chris, die vergeten ze hier nooit meer. En zulke gastvrijheid, we komen terug.

stemV

‘Zo, ik heb weer aan mijn burgerplicht voldaan’, dacht ik bij het verlaten van het kerkje, ingebouwd in het verzorgingshuis. Een rijtje jong-bejaarden achter de tafels, dik ingepakt tegen de kilte die doorgaans heerst in dit soort ruimtes waar de verwarming alleen op zondag aan mag, zat mij zienderogend in te schatten tot welk stemvee ik zou behoren. Welnu, als ik verklap dat ik het immense vel papier niet heel ver open hoefde te vouwen laat ik hen die eveneens ten stemburele gingen niet in het ongewisse welk vakje ik gedecideerd inkleurde, need I say more; rood.

Het feest der democratie, nou nou wat een feest was het weer die laatste weken. De dames en heren politici die alleen nog maar lijken te kunnen ‘jijbakken’. Een beetje respectvol met elkaar kunnen discussiëren, het zal wel ouderwets zijn. De toenemende verhuftering vindt zijn oorsprong hoe het er heden ten dage in de tweede kamer aan toegaat. En hier weer, dit alles in navolging van de grote blonde lijder. Minder, minder, minder, kopvoddentaks, door elkaar schreeuwen, niet de ander laten uitspreken, het is normaal geworden – doe lekker zelf normaal, knettergék! Deze haatzaaiende politicus (tsunami) wakkert alleen maar argwaan en afkeer aan, door voortdurend onjuiste aantallen te noemen en alles bij elkaar op te tellen, asielzoekers, studenten en expats. Ook zij van die zogenaamd liberale partij goochelde er met cijfers maar wat op los, nareis op nareis op nareis en beschuldigde ook nog even een getatoeëerde zanger van Jodenhaat. Wat is er overgebleven van ons tolerante landje, wat is er gebeurd met het fatsoen, waar is mijn generatie van love en peace heengegaan.

De Minderpoliticus zegt alleen maar tegengewerkt te zijn, tja, democratie is nu eenmaal de dictatuur van de minderheid. Ha, zoals OxfamNovib zegt; ‘wij zijn met meer’. Hij weer: ‘Ik vertegenwoordig twee miljoen kiezers’, kan wel zijn, maar zestien miljoen Nederlanders stemden niet op hem.

In mijn ‘oudste stad van Holland’, een stad zo vol met geschiedenis kreeg die knettergek de meeste stemmen van het Vee. Dat is dan maar zo, het zit hier vol met ‘hardwerkende Nederlanders’, maar wat mij wel verbijstert is dat mensen in mijn omgeving (de mensen thuis) ook op hem stemden. Ik schatte hen in als normale weldenkende, intelligente, sociale, lieve mensen, zij die ook opgroeiden met Woodstock, al of niet vermeende, net iets te laat geboren hippies. Dat er onder hen van mening zijn die nog steeds Israël te moeten verdedigen, het is onbegrijpelijk, waar waren zij al die jaren voor de inval van Hamas. Word ik er boos om, nee, teleurgesteld en verdrietig en dat is eigenlijk nog veel erger.

Dat iemand, zelfs nadat bekend werd dat Tweedekamerleden van Hem een haatdragend facebook account beheerden, nog dat eerste vakje op het stembiljet inkleurt, ik kan er met mijn verstand niet bij, wat een niveau. De domheid regeert.

De dag nadat ik mijn burgerplicht verrichtte, bezocht ik het Fenix museum, met de fototentoonstelling van al die duizenden immigranten, door de jaren heen, de honderdduizenden mensen overal ter wereld die moeten vluchten voor honger, geweld of discriminatie. Als die aanhangers van die partijen met fascistisch gedachtegoed dat nu eens bezoeken, misschien dat zij dan beseffen, hoe goed, hoe veilig, hoe vredig het hier is in dit land, al hun hele leven lang.

Shorts of London

Het was misschien studentikoos maar toch gezellig. Ik weet niet eens meer of er live dixieland werd gespeeld of toch gewoon plaatjes gedraaid. Spotify bestond nog niet in het jaar 1975. Want daarover gaat het in dit onderhavige verhaal. Misschien iets te veel bier en ook te veel onder de indruk van het vlammend rode haar van de vriendin naast me. Een halve eeuw later ben ik er weer eens, het Rembrandtplein in Amsterdam. Het café is er niet meer, alles heeft inmiddels een andere naam gekregen. Ook de gore ‘krul’ waar ik een eens maar nooit meer ervaring net niet beleefde is gelukkig verdwenen. Het standbeeld van Rembrandt staat er nog, de bronzen beelden die lange tijd de Nachtwacht uitbeelden niet meer. Passend bij deze tijd staart Rembrandt nu naar het goud geschilderde beeld van kunststof, ‘De Denker’ van Josefh Klibansky. We zijn op weg naar de Stopera, waar het enige moeite kost om de juiste ingang te vinden. Tenslotte worden we door mijn goede vriend Adrie langs de beveiliging binnen gesluisd voor een korte rondleiding en wie weet een vis-á-vis met burgemeester Femke.

Haarlemmerdijk – Nieuwendijk – Dam – Kalverstraat – Spui – Reguliersbreestraat, alles ademt herinnering. Tip de Bruin, zo’n typisch Amsterdamse zaak uit die tijd, met de goedkope smokings in de etalage, hij is er nog, opgepimpt. Het sjieke Austin Reed, Engelse herenkleding, waar ik werkte niet – sollicitatiegesprek in Krasnapolski – en waar bijvoorbeeld de schoenen zo duur waren dat ik een ras Amsterdammer hoorde kraaien: krijg je er een Cadillac bij kadów? De ordinaire meubelzaak Woltering, mijn eerste baantje waar ik na één week alweer wegwilde, maar ja, ik zou en moest naar Amsterdam. De bloemenkramen bij het Spui waar ik met mijn koude klauwen enorme kerstbomen kocht en die de hele Kalverstraat door sleepte. Tuschinski, waar ik mijn moeder en later mijn latere vrouw verraste met de pracht en praal. De Cineac, de filmtunnel waar je verplicht rookte en ik de onvergetelijke film Midnight Cowboy zag. En dus de Stopera, pas gebouwd na lange protesten. Voorafgegaan door de Nieuwmarktrellen, waaraan ook ik deelnam, maar als pacifist niet met stenen gooide.

Wel nieuw nu, biertje in de zon, op een boot in het water van het Rokin, links, daar was V&D, daar was de Bonneterie, daar nog steeds de luxe sigarenboer Hajenius en nog wat verder Jaeger, dure Engelse dameskleding waar ik ook werkte.
‘Wat is het toch een heerlijke stad’
‘Ja, dat zei je net ook al’, zegt Eega.
We vergapen ons in de Bijenkorf die nóg luxueuzer is. Het Damrak kun je beter mijden, mits je interesse hebt in Nutella, molentjes, stroopwafels of kaas. Hier zat toen, noot vroeger (vroegah) (kúile) zeggen, een brave thee- en koffie zaak met een bepaalde deur. Daarachter bevond zich een geheime disco. Helemaal van die tijd, verlichte dansvloeren, tapijt aan de muur en lichtshows op het ritme van de soulmuziek, want dat was het wat daar gedraaid werd. De roodharige en ik waren meestal de enige blanken en we dansten de vonken uit de vloer. In de spits in de volle tram, net als toen, maar nu naar het Art-hotel; kapot geslenterd.

Eindelijk, sinds zoveel jaar, weer eens in het Stedelijk. Natuurlijk wandelde ik eerder over het vernieuwde Museumplein, dat alweer aan een upgrade toe is zie ik. In de witte plastic wasbak echter was ik nooit. In de kelder eronder biedt de grote zaal een vervreemdende ervaring met een in groen licht gehuld leger van reusachtige figuren. Het museum is kleiner dan in mijn herinnering, een kopje thee met een gebakje veel duurder. We dompelen ons onder in de wereld van de kunst, soms onbegrijpelijk, adembenemend en ook veel van o ja, dit ken ik, hier zie ik het voor het eerst in het echie. Zo ook met ‘peinture á la haute tension’, de neonkus. Toepasselijk na een kort bezoek aan I love Amsterdam.

Monopole

Alleen al voor die naam zou je gaan of anders ook voor het gebouw. Steeds wanneer ik het Stedelijk Museum bezocht gooide ik een bewonderde blik erheen. De voormalige bioscoop in Amsterdamse schoolstijl stond jarenlang leeg. Nu is het verbouwd tot een museum. Komt dat even goed uit, soms moet je als man vluchten, wanneer Eega een club oud-collega’s, kan ook zijn vriendinnen, buurvrouwen of anderzijds gezelligheid te lunchen vraagt. Echt, ik heb het geprobeerd, manmoedig standgehouden, maar je komt er niet tussen, er bovenuit, ze praten allemaal tegelijk en dikwijls ook over onderwerpen waar je als man hetzij geen weet van hebt, geen verstand van of ook liever niets mee te maken wilt hebben. Dan maar op pad.

Schiedam, heerlijke stille stad, of wat kies ik een leuke route uit langs oude grachten en molens. Delft is leuk, Leiden ook en mijn eigen stadje Dordt is volgens kenners een verborgen pareltje. Nou, slenter eens door Schiedam. Monopole stelt niet teleur, er is net genoeg overgelaten van het oude gebouw, Amsterdamschooltegeltjes, versleten trappen en boven herken ik een kamertje waar de filmprojectoren gestaan moeten hebben; rechthoekige uitsparingen in de muur. Het tentoongestelde is net zo vreemd als daarna in het Stedelijk. Hier alles met lichtprojecties, onbegrijpelijk mooi, aan de overkant is het in de linkervleugel ook mooi maar niet erg vrolijk makend. Over alles wat er mis kan gaan, of mis is gegaan in de levens van de diverse kunstenaars, te vroeg overleden kinderen, miskramen enzovoort. Dat komt mij te dichtbij. De andere vleugel zit gelukkig barstensvol abstracte kunst. De koffie is gratis, althans de museumvrijwilligster swipet langs de machine in haar enthousiasme om me uit te leggen hoe het werkt en; het werkt. Het apparatski begint terstond te schenken; ‘Nee, sorry, mijn fout!’

De keus van een eettentje later wordt ook al voor mij gemaakt, een leuke gevel met de naam Gerardus kan ik niet links laten liggen. Het kogelronde zuurtje dat me bij het afrekenen wordt meegegeven spuug ik toch maar in de gracht, De Lange Haven. Ik kan nog niet naar huis, naar Eega met haar natafelende ex-collega’s, langs de grachten dus. Alweer een molen, of is dat die ene die ik net ook al zag? Google leert me dat er nog zeven staan, van de dertig ooit, allemaal even reusachtig hoog. Bij museummolen De Walvis zit een in mooi groen gehulde moslima, met wimpers als molenwieken. Ik zie er wel een leuk plaatje in, maar ja ik ben geen Ted van der Elsken. Wel maak ik een foto van een spreuk op een muur, van Louis Lehmann:
‘Van mij kan men zeggen
dat ik mij verlies
in kleinigheden.
Maar ook
dat ik mij erin vind.

Een beetje stad heeft een Kerkstraat, Nieuwstraat en een Grote Markt en ik doorkruis deze om langs de Schie die stil in de zon ligt te stromen richting NS te slenteren. Het lege plein voor het station gaat opgevuld worden, de bouwkraan geeft aan, dit gaat hoog worden. Nog niet heel lang geleden zouden dit kantoren worden, woningen nu. In de Sprinter, stoptrein was de vroegere naam, probeer ik als enige van mijn telefoon af te blijven. Net voordat we na CS de tunnel inzoeven verzwik ik mijn oog, even niet opgelet, daar staat opeens alweer een wolkenkrabber. Mijn telefoon brengt uitkomst; Post. Echt heel mooi, geïnspireerd op het eronder liggende postkantoor aan de Coolsingel. Dat met die enorme monumentale hal waar ik toen PostNL nog PTT heette, weleens een postzegel kocht. Alweer een aanwinst, deze toren, past goed, in die metropool.                                                                                                                                      

Geluksvogel

’Hó, wacht, ik loop verkeerd, ik moet tussen jullie in’
en hij wurmt zich tussen hen in. De glimlach van de hen tegemoetkomende vrouw doet vermoeden dat zij het door heeft. Daar loopt een vader die op stap gaat met zijn twee dochters. Of meisjes, zoals ze in zijn ogen nog steeds zijn. Ziet hij de ene, slank en modieus gekleed wegstuiven op haar grijsgroene E-Bike denkt hij Goh, wat rijdt daar een leuk meisje. Loopt hij de andere tegemoet, slank en modieus gekleed achter de crème- zwarte kinderwagen, denkt hij Goh, wat komt daar een leuk meisje aan.

De zon schijnt nog, maar het wordt al wat frisser ‘s avonds. Het terras zit vol, gereserveerd ja, maar liever binnen. Ze schuiven aan een leuk klein tafeltje in het kleine restaurantje, de vader wil graag in het hoekje, als het hier straks volloopt zit zijn goede oor aan de goede kant. Het drukke gesprek gaat gewoon verder, nog geen tijd gehad om op het menu te kijken. Hij bedenkt zich, niks nulpunt nul vandaag, rode wijn moet het zijn. Geluksvogel dat hij is, uit eten met twee mooie vrouwen, want dat zijn die meisjes inmiddels, moeders zelfs. Proost! Hij vraagt, waarvoor is dit ook alweer?
‘Voor je verjaardag PA!’
Daar komt de ober alweer, of ze al hebben besloten? Wat, oja, brood met smeersels dan maar. En weer buigen ze zich over tafel, het zit vól, druk gepraat en waar gáát het hier over. Het gaat overál over, de kinderen, gezamenlijke herinneringen, over vroeger, hun jeugd.

De zomer is bezig herfst te worden, het wordt wat vroeger donker. Het kaarsje op tafel dooft uit en de attente ober brengt een nieuw. Het lichtje weerkaatst in de ogen van de dochters en hij denkt wat zijn ze mooi, zijn meisjes, terwijl hij luistert naar hun enthousiaste gekwebbel. Of ze al hebben besloten? Ha, jahoor, hij dacht het al, de een gaat voor de bavette en de ander voor de burger. En zij wisten het ook al, PA! Neemt de kabeljauw.

Op zijn vraag;
‘Beste zangers gezien?’
brandt het los. Als er een ding is wat hij ze heeft meegegeven is het wel de liefde voor muziek. De wijn wordt bijgevuld, ‘Proost PA!’, de wildste avonturen van de twee worden komen ter tafel, maar worden hier niet besproken om hen niet in diskrediet te brengen. Het gaat van festivals, bands en boybands, Eminem, waar PA! Geen fan van was, tot –niet meer bestaande- discotheken. Dat ze laat of te laat – ‘s morgens vroeg pas – thuiskwamen. En ook nog wilde avonturen die PA! tot nu toe niet kende worden verklapt. Ach, ja, hij is ook jong geweest. En wild.
‘Wat ben ik toch een geluksvogel’,
denkt hij weer en hij zegt het nu ook en het scheelt niet veel of hij moet op zoek naar een zakdoek.

Bescheiden als deze vader is wil hij gewoon nog een koffie. Niks ervan, ijs moet het zijn, kom op! Oké, zo’n dame-blanche is wel lekker. Terug naar de auto, door de stad die stil is en verlaten, langs de haven waar het water donker glinstert, onderlangs de scheve toren, die hoog boven hen de koperen klok één keer laat slaan. Hij mag tussen in.

Angela

Begrijp me goed, ik ben zeker geen fan van Angela de Jong, maar wat schreef ze een geweldige column laatst. Die, dat je beter over de Islam kan schrijven dan over de Hond. Ooit waagde ik me er ook aan, iets schrijven over deze plaag. Maar dan gecamoufleerd, enigszins besmuikt. Juist alsof ik heel graag ook een hond zou willen, eentje die niet kwijlt of stinkt. En heel belangrijk, wat ik nog vergat, eentje die niet poept. Je zal toch met je hand verpakt in een plastic zakje zo’n intens vies, zacht en warm vers uitgescheten stuk stront op moeten pakken. En dan daarmee weer naar huis moeten wandelen. Daar is maar één woord voor, Gétverredémme. Maar neehoor, dat vinden we allemaal helemaal niet gek, dat is volkomen geaccepteerd. Net zoals daar staan, een beetje de andere kant opkijkend, of op je telefoon, terwijl jouw dier met lichtgebogen rug zijn drol uitkakt. Dat is gewoon heel gewoon.

Ik schreef ook een verhaal over dr. Deng, die uitgerekend had hoeveel kuub excrementen er inmiddels moeten liggen in de groenstrook naast zijn huis. Zoveel honden in zijn omgeving maal zoveel keer per dag is; een schrikbarende hoeveelheid. Naar beneden afgerond zijn er in Nederland ongeveer 1,8 miljoen honden. In een kleine straal rondom mijn huis tel ik er zo al een stuk of tien. De meeste daarvan blaffen gelukkig niet of bijna nooit. Maar die paar die dat wel doen verpesten het voor de rest. Waarom vinden we dat met z’n allen gewoon? Ik blaf niet, ik maak geen lawaai. Maar de hond mag gewoon blaffen, dat geeft toch niks, ach, laat hem toch. Zoals die buurman die standaard dat zwart-witte ding elke ochtend al voor zeven uur loslaat in zijn tuintje. En dan dus hele buurt wakker blaft; gewoon.

Ik zal, net als Angela, er wel niet over mogen schrijven, maar nu ik ben begonnen ga ik nog even door. De lange lijn. Wat een onding is dat, althans in de handen van veel hondenbezitters. Baasje op de stoep, hondje meters verder aan de lange lijn in de groen (poep) strook aan de andere kant van het fietspad. Alsof ze alleen op de wereld zijn, die fietser moet maar remmen, of zien dat hij er voorbijkomt. Laatst kwam ik zo’n stel tegen, wandelend, verder naar links kon ik niet, steil dijktalud. Letterlijk stilstaan en wachten tot het baasje de lijn inhaalde, de hond naar zich toetrok, grappig lachend en niet begrijpend dat ik niet, zoals hij, stráálverliefd ben op zijn dier.

Nog erger, loslopende beesten. Als wandelaar wandel je veel. Sommige hondenbazen doen dat ook, met dat beest. Het liefst wandel ik door de natuur en het liefst word ik dan niet opeens besprongen door een hond. Of besnuffeld, of benaderd, nieuwsgierig, agressief of enthousiast. Ik weet niet wat dat beest gaat doen dat op mij afkomt, of soms opeens voor me staat. Kwispelend of met grommend met opgetrokken bovenlip. Ik heb daar geen zin, dat hoeft voor mij niet, gek hé, mag dat?

Gelukkig is er in mijn stad één stukje (nieuwe) natuur waar geen honden mogen komen. Dat dat stukje zwaar ter discussie staat is logisch. Hondenbezitters vinden dat niet normaal, zij willen daar ook in mogen met hun dier. Laatst kwam ik er toch zo’n stel tegen en diep, heel diep van binnen dacht ik heel kort aan Angela, hoe zij haar column eindigt. Dat zij op een bepaald moment dan voor een algeheel hondenverbod is. Maar dat natuurlijk niet hardop zegt.

Ik ben Lily

Voor de volledigheid, even voorstellen, eigenlijk heet ik Lily May, maar meestal wordt dat May weggelaten. Ik ben in mei geboren, zodoende, en persoonlijk vind ik dat eerlijk gezegd wel mooi. Misschien komt dat jou, lezer, bekend voor, die titel; ‘Ik ben.’ Nou, dat kan kloppen, eerder verschenen verhaaltjes over Juul en Jens en dat zijn toevallig mijn nichtje en mijn neefje. De namen van mijn pa en ma ga ik hier niet geven, maar die van mijn zusje wel; Luana. Mooie naam hé, maar ja, ik heb haar nooit gekend, want ze is maar achttien dagen oud geworden. Je snapt natuurlijk wel dat dat een heel groot verdriet was. En nu zijn papa en mama extra blij met mij, hihi. (en mijn opa en oma ook natuurlijk) Je kan wel merken, het is allemaal nog erg nieuw en onwennig voor ze, maar wat zijn ze lief. Het liefst houden ze mij de hele dag vast. Ik vind het best hoor, even een huiltje (nooit huilie, huilie zeggen) of hup, daar beland ik alweer in de armen van deze of gene.

Volgens mij woon ik in een fijn huis, klein maar fijn, en in een hele grote tuin. Waarin, als ik het goed begrijp nog heel veel bloemen moeten gaan groeien. Er is nu wel een verschrikkelijk grote groene vlakte, zo ver als ik kan kijken. En die paadjes er doorheen, daar is volgens mij iets misgegaan, niet recht maar met bochten en slingers. En de kamer waarin ik woon is wat jullie, denk ik, gezellig noemen. En misschien goed om te weten, als je zo klein bent als ik, zie je nog niet alles even scherp. Dat boekje met zwart-wit afbeeldingen werkt prima, maar af en toe verschijnen er nieuwe gezichten boven mijn bed, geen idee wie dat zijn en bovendien zijn ze wazig. Ik weet al, als ik dan even glimlach, dat werkt, dan kraaien ze van plezier. Maar verder, eeh tja, ik ben nu precies drie maanden oud en meer weet ik niet hoor.

Oja, schiet me nog te binnen, over een poosje gaan die voornoemde opa en oma op mij passen, nou het zal mij benieuwen. Laatst hoorde ik hem iets mompelen van; ‘we willen allemaal oud worden, maar oud zijn niet!’ Volgens mij een cliché. Die oma schijnt behoorlijk lief te zijn, met oneindig veel geduld, kan nooit nee zeggen en heeft een heel repertoire aan liedjes met rare teksten. Terwijl hij zijn ei kwijt moet met poppenkasten en huizen maken, opvouwbaar en van karton. En in de tuin schijnt er een houten speelhuisje te zijn, nou ja, ik hoop dat dat nog even niet gesloopt wordt, voor mij duurt dat nog even. Oja, nog iets wat ik wel even kwijt moet, nu ik jullie toch spreek. Het begint op te vallen, ze hebben iets met dieren, die ouwelui van mij en dan heb ik het niet over de standaarddieren waar ouders altijd mee aan komen zetten. Jeweetwel, schapen en lammetjes en een koe die dan Boe zegt, neenee, zij zitten meer in de apen-, olifanten- en leeuwen sfeer. Overal van die beesten, op mijn trui, op de deken en de handdoek en zelfs in mijn kamer. En ik ben bang dat dit niet een fase is. Gewoon structureel, dat woord Afrika, dat komt zó vaak langs. Ik heb het idee dat ze daar iets hebben, iets van een jeep met een tent op het dak, wat dat ook zijn mag. We gaan het zien, ben bang dat ik er niet aan ontkom, ik zal eraan moeten geloven, nou ja maar een beetje mee bewegen. Je doet ze er een plezier mee, hop, naar Afrika. Oja, nog iets, Juul had een grote tekening voor me gemaakt, ook al met diertjes, lijkt me wel een lief meisje, Jens ook hoor, lief, maar jongetje dus en ik vermoed dat hij wel een doerak is. Of is dat een ouderwets woord? Schurk dan misschien, zegt opa ook altijd tegen mij.

Beetje jammer wel dat ze niet door hebben dat mijn luier een beetje erg vol is. Misschien is het een idee om schuin te liggen, zodat tie doorlekt. Héé’, wakker worden, mag ik even een klein beetje aandacht? Nu heb ik de naam weinig te huilen, maar in this case, huilen dan maar weer?