
Het was al vroeg begonnen, was hij daarvan wakker geworden of door het daglicht dat onbeschroomd want de gordijnen waren opengebleven schaamteloos naar binnen stroomde of toch van het gefluit en het gesjilp en het gekwetter. Met zijn ongewassen naar slaap geurende lijf en ogen die het nog niet lukten scherp te stellen stommelde hij de trap af, steunzoekend aan de leuning. Ook de schuifpui stond open en voorzichtig liet hij zich zakken in een lage tuinstoel, nog vochtig en koud van de dauw.
Hij wist zich omringd door de gevederde vrienden zoals hij ze noemde, cliché, maar dat kon niks schelen. Zoals niets hem kon deren deze dagen, teveel gedronken gisteren, op stap geweest en eenmaal thuisgekomen nogmaals teveel gedronken om te vergeten wat hij net had gedaan. Maar dat was gisteren en gisteren is geweest. De mussen en de mezen kwetterden, de koolmeesjes en de pimpelmeesjes vlogen af en aan. In de hoge boom verderop repeteerde de houtduif zijn gekoer. De ochtendzon was al heet en zweet parelde over zijn buik. Eigenlijk moest hij zich gaan herpakken, douchen, iets aantrekken, koffie.
De jonge musjes, net zo groot als hun ouders lieten zich door hen voeren. Op het terras vlak voor hem, brutaal en totaal niet schuw. Met opengesperde bekjes en ongeduldig trillende vleugeltjes. Verbaasd keek hij het aan, kijk nou die rakkers, das lekker makkelijk, in plaats van zelf op pad te gaan. Daar was het echtpaar Turkse tortel geland, trippelend in hun duifgrijze verenpakjes lukraak pikkend naar onzichtbare hapjes. Af en toe keken ze naar hem, nadenkend als het ware, de kopjes scheef, met het zwarte bandje in de nek en die lieve oogjes. Hij rekte zich uit en ontdekte hoog in de lucht rondcirkelende zwaluwen en nog hoger een enkele gierzwaluw. Achter zich hoorde hij het gepiep van de kleine schooiertjes uit het nestkastje. Om de paar minuten vloog er een papa of mamakoolmees met voer rechtstreeks het kleine gaatje in. Arme beestjes, ze hadden het er zo druk mee, ze zagen er niet meer uit. Vanonder de vlinderstruik klonk geritsel, dat kon alleen maar de merel zijn, rommelend in het gevallen blad, is hier nog een lekkere worm ofzo? Het was al te laat voor haar ochtendconcert, vanavond maar weer. En dat tikken daar op het straatje, die geduldige lijster, hij had weer een slak gevonden.
Het was heel even schrikken toen het zonnescherm zich langzaam uitvouwde, maar het zingen, fluiten, kwelen, krassen, koeren, sjilpen, snateren en kwinkeleren ging al snel weer verder. Met een kop koffie en een groot glas water zeeg hij amechtig opnieuw neer, nu op de bank in de schaduw van het scherm. De familie mus maakte ruzie in de liguster. De tortelduifjes vlogen op, gingen een tuintje verder op bezoek. Op de armleuning zat het brutale roodborstje. Nippend van de koffie staarde hij naar het nieuwsgierige vogeltje dat zo heel dichtbij hem zat. Was het een teken, dacht ‘zij’ nu aan hem, wilde ze hem liefde geven of troost. Of mogelijk ook vergeving. Spijt, onmerkbaar schudde hij zijn hoofd nee, spijt heb je alleen van de dingen die je niet deed. Even plotseling als het roodborstje kwam was het opeens weer verdwenen. Misschien moest hij een nieuwe start maken, het kon nog, opnieuw beginnen, vergeten, het roer omgooien, verder. Dan klonk van bovenop het dak het gekrakeel van de ekster; ‘ékékékékék!’ Hmm, eerst maar eens douchen en scheren, iets aantrekken.