
Ik weet niet precies waar ik moet beginnen en al helemaal niet waarom ik u dit allemaal vertel maar misschien dat het mij wat oplucht want ik zit er best een beetje mee. Het begon gewoon allemaal heel onschuldig en het betekent eigenlijk niks. En toch, het laat me niet los, en ik wil het eigenlijk totaal niet maar het lijkt wel of ik behekst ben, kan niks anders meer denken. Hij blijft maar door mijn hoofd spoken. Het was best redelijk weer en ik vond het weleens goed om wat te bewegen, ik doe niet mee aan dat duizendstappengedoe, begrijp me goed. Had ik het maar niet gedaan, was ik maar zoals altijd met de fiets gegaan, was ik hem niet tegengekomen.
Op de Merwekade waaide het hard en de pont naar Rotterdam voer net weg. Het viel me op hoe snel die boot van stilliggen aan dat ponton opeens heel hard gaat. Ik liep daar nog wat over na te denken toen ik hem zag staan. Hij keek ook naar die boot, het is zo’n catamaran, zo heet het volgens mij. Ik zag dat hij stond te kijken en hij zag dat ook van mij. Hij zei er iets over tegen me, ik weet niet meer wat maar ik moest er wel om lachen. Voor ik het wist liepen we samen verder richting de stad. Hij had een heel klein schrijfblokje en een pen in zijn hand en hij mompelde dat hij even iets moest opschrijven. Ik vroeg of hij schrijver was of dat hij boodschappen ging doen.
Ik nam een rode wijn en hij een Belgisch biertje maar zonder alcohol viel me op. Hij stelde voor om even wat te drinken, op het terras waar we net langs liepen. Hij wilde persé achterin zitten, tegen de muur, typisch want dan zaten we dus in de schaduw. En nu zag ik het, hij had wel een slecht gebit. Misschien praatte hij daarom zo onduidelijk. Hij was heel bruin en zijn haar was een beetje te lang maar dat vond ik juist wel grappig. Hij zei sorry en schreef weer een paar woorden op: ‘Ik ben bezig een rondleiding voor te bereiden’. Op mijn vraag of hij gids was kreeg ik ook geen antwoord. Hij vroeg hoe ik heet en of ik in Dordt woon. Zo raar, ik begon te vertellen en ik weet ook niet hoe het kwam maar ik kon niet stoppen met praten. Over mijn werk en dat ik net terug was van vakantie en dat mijn vader voor mijn poes had gezorgd en dat het vliegtuig drie uur vertraging had gehad.
Hij bestelde nog een rode wijn en nu nam hij er zelf ook een. Al die tijd zat hij heel stil mij aan te kijken met een kleine glimlach en hij had lieve ogen en kleine rimpeltjes overal en het was lastig in te schatten hoe oud hij was. Ik vroeg het maar hij gaf er geen antwoord op, niet belangrijk volgens hem. ‘Ik ben elke dag jarig’, zei hij. Hij zei dat hij mijn ogen heel mooi vond en mijn groene jurk ook. En toen moest hij dringend weer iets opschrijven, er schoot hem iets te binnen zei die. Het was voor een groep neven en nichten van hem, die rondleiding. Hij zag er een beetje tegenop, zo’n grote groep en dan met zijn zachte stem. ‘Ben je gids?’ vroeg ik weer en ik vroeg nog een keer hoe hij heette en toen zei hij: ‘Noem me maar Gerard.’ Al die tijd had hij een pet op, volgens mij een beetje vuil, dat vond ik dan wel minder.
Hij ging even naar binnen zei hij, ik kon niet verstaan wat hij zei, naar de wc of afrekenen maar in ieder geval, hij kwam niet meer terug. En meer is er niet gebeurd, het stelt niets voor, maar het lijkt wel of hij me betoverd heeft. Ik heb nog een tijdje zitten wachten, binnengekeken. Zo raar, hoelang heb ik hem nu helemaal gezien? Gesproken? Trouwens, wat heeft hij eigenlijk gezegd, bijna niks. Ik wil hem weer zien, wil hem alles vragen. Ben ik verliefd, is dat het? Het doet pijn, ik ben in de war, kan alleen maar hem denken. Had ik hem maar nooit ontmoet, het is om gek van te worden, ik fiets steeds over de Merwekade, misschien zie ik hem, met die groep neven en nichten.