Kleine vos

Ze was zijn blikveld binnengeschoven, opeens, waar kwam zij vandaan. Niet dat hij ergens naar stond te kijken, nietsziend had hij gestaan, wachtend. Hoogstens keek hij bij zichzelf naar binnen, wat was daar te zien. Het duurde dan ook even voordat hij merkte dat de persoon die voor hem stond hem aankeek, dat er sowieso iemand stond, opeens. Vanuit de diepte van zijn denken begon het te dagen, knipperde met zijn ogen, stelde scherp met moeite en probeerde de vrouw, het bleek een vrouw te zijn, te zien.
Was het het tegenlicht, hing er een gordijn tussen hen in, een bewasemde ruit of waren zijn ogen bedekt met dauw. Wel was duidelijk dat het een beeldschone vrouw moest zijn met haar in de kleur van ochtendmist, naarmate hij langer keek ochtendmist op een doordeweekse dag in het vroege voorjaar. Ze kwam dichterbij en ze stak haar hoofd naar voren, ze wilde hem aankijken onder de klep van zijn pet en hij hoorde haar stem, ze sprak tegen hem en nu al voor de derde keer herhaalde zij haar vraag:
‘Is hij echt?’
Niet begrijpend keek hij haar aan en nogmaals vroeg de vrouw met het haast onzichtbare gezicht en het bedauwde haar:
‘Is hij echt, die vlinder?’

Zij was oranje met gele en zwarte vlekjes en langs de rand van haar vleugels zwartbruin. Het was een kleine vos die van grote hoogte, misschien zelfs drieduizend meter, al fladderend en wegwaaiend, geruisloos  was afgedaald, doelgericht en na enig zoeken, hij bevond zich op dat moment temidden van duizenden andere festivalgangers, wachtend totdat het podium was omgebouwd en de band zou gaan spelen, exact de goede landingsplaats gevonden had, die ene pet, die van hem. Daar zat ze, haar vleugels decent opgevouwen, doodstil mooi te zijn. Of leek het maar zo, bewogen alleen haar antennes, waarmee ze alle duizenden geuren die zij onderscheidde hier met al die mensen in het park, of gebeurde er meer.
Stuurden haar ragfijne pootjes signalen uit naar bepaalde segmenten in het brein van de man onder de pet, die ene pet die zij feilloos had weten te vinden. Was dat het, waren het de prikkels van de kleine vos, met het haast onmeetbare magnetisme dat de petdrager zo ver weg, zo niet aanwezig leek te zijn. 

Zodra de vrouw, na een laatste blik van dichtbij op de vlinder en nogmaals zich bukkend onder de klep van zijn pet hem had aangekeken, verder liep, vervaagde, oploste als het ware, was de petdrager ook vertrokken. Slechts vanuit de verte hoorde hij een vaag gemurmel van de duizenden om hem heen, pakte hij werktuigelijk alweer een grote plastic beker bier aan die zijn vriend onvermoeibaar aandroeg.
Zijn gedachten zweefden hoog boven het veld waar ze tolden en draaiden en wentelden, als een vlinder in een droom, over het leven, geluk of eenzaamheid en bevond hij zich in de bergen waar hij zo stil en gelukkig kon zijn en aan de negen mensen op de wereld die hij liefhad en aan het lepelrekje in de keuken, maar even plotseling was hij aan zee waar de golven omsloegen en zachtjes uitrolden over het oplopende strand. Al deze gedachten vloeiden samen tot een groot samenhangend idee, de vlinder op de pet dat was hij.

Opeens, alsof hij ontwaakte uit een diepe winterslaap deed hij mee, zong hij uit alle macht:
‘Het is zo stil in mij
ik heb nergens woorden voor
het is zo stil in mij’ 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s