
Hoe vaak je ‘de film ook terugspeelt’, wat er nu in die split second gebeurde, daar kom je nooit meer achter. Er waren getuigen, zij hebben het gezien, maar toen was het al gebeurd. Ook zij kunnen het niet zeggen, het gaat te snel. En te onverwacht. Feit is wel dat het leven er opeens totaal anders uitziet. Die ene seconde zorgt voor een grote verandering. Was ik niet geconcentreerd genoeg, liep ik teveel op de automatische piloot. Schoot er een steen weg, gleed ik uit, of plaatste ik mijn Leki-stok niet goed.
Het boek waar ik soms in las de laatste maanden; ‘Wachten, een levenshouding’, van Dirk De Wachter, was dat alvast een aanwijzing, of een teken aan de wand? Want dat is wat ik nu genoodzaakt ben te doen. Wachten, op herstel, totdat het gebroken kuitbot weer is geheeld. Weken gewacht op de operatie. Nu weken wachten tot de volgende foto, uitsluitsel. Weken binnenzitten met mooi weer, nergens heen kunnen, dat been niet mogen belasten. Dan waarschijnlijk nog meer wachten, misschien met loopgips, of beginnen met revalideren.
De eerste weken niet kunnen lezen, het hoofd te vol. Te druk ook, op en neer naar het ziekenhuis en de niet aflatende stroom mails van dat hospitaal. Met afspraken en ‘folders’, met uitleg. Die zo lastig te openen zijn met die DIGID-muur wegens dat verrekte AVG. Zoveel bezoek en lieve kaartjes en appjes en belletjes. Het gedoe met de te declareren kosten bij de verzekeringen. Het leren lopen met stokken en manoeuvreren met de rolstoel. En dan, nadat het allemaal een beetje geregeld is, met pijn en moeite alle bagage en stinkend wasgoed weggewerkt, dan neemt ook het bezoek af. Dan begint het wachten.
Ik heb altijd haast. Eigenlijk ben ik heel lui, daarom doe ik altijd alles snel; meer tijd om lui te zijn. Dat lui zijn uit zich dan in veel tijd voor mezelf hebben, veel dingen doen elke dag. Buiten zijn en bewegen en elke dag iets maken, een schilderij of een verhaaltje, desnoods alleen een redelijke foto. Geen dag verkwisten, zonde van de tijd. En dat is het, dat gevoel, heb niet veel tijd meer. En ik wil nog zoveel. Maar ik moet wachten.
En ik moet anders redeneren, ik heb nog geluk gehad, het was niet ál te steil, daar waar ik van het pad viel. Vijftig graden misschien en ik belandde op de volgende lus van het zigzag-paadje. Was de val iets eerder geweest, nog boven het met kabels beveiligde deel en daarna het vrij-afklimmen stukje dan had er een helikopter moeten komen. En goed dat het niet het scheenbeen was, dan kun je absoluut niet meer lopen. Nu moesten we nog honderdtwintig meter afdalen, naar een stenig bergweitje en daar een beekje doorwaden, een boomstambrug met enkele ontbrekende plankjes en toen nog zestig meter omhoog naar de hut. Dat was geen feest, over die kilometer deden we tweeënhalf uur.
Moet ik nog ouder worden om dat te kunnen, vertragen, slow-down. Gewoon rustig leven, kallempies an allemaal. Gewoon krantje lezen, naar buiten kijken, hé daar is onze merel weer in de tuin en dan eens kijken wat er zoal te koop is in de supermarkt en bij welke gezellige caissière ik ga afrekenen, nee niet met de zelfscan, dat gaat veel te snel.
Alle tijd nu om dat boek ‘Wachten’ maar eens uit te lezen en ook om er een verhaaltje uit te persen. Gewoon omdat het kan, zittend in de rolstoel aan tafel en dan naar de printer rollen die verderop het juist uitspuugt. Morgen het nog eens herlezen, die correcties, die kunnen wachten. Geduld.