Weinig slaap, veel gedachten op de slaapzaal

182 Zo makkelijk en snel we eerder die week een topje ‘pakten’, zoveel tijd en moeite zal het morgen gaan kosten. Het Basslerjoch 2829m. namen we terloops even mee, onderweg naar de volgende hut. Vanaf de Schrimmennieder, de pas die je overgaat van de Regensburger Hütte naar de Franz Senn Hütte. Volgens het gele bordje was het maar 20 minuten. Het stelde dus niets voor maar we kunnen wel wat bijschrijven………

Morgen, dan gaan we de Ruderhofspitze 3474m. op, de hoogste berg van dit gebied, het Stubaital.

Wat kun je veel bedenken en je herinneren wanneer je niet in slaap kunt vallen. Op deze volle slaapzaal lukt me dat niet. We liggen hier met minstens 80 man, op zolder in twee lange rijen. Het mindert slechts langzaam, het geroezemoes, geritsel, gestommel van langssluipende mensen met een tandenborstel. Deze hut heeft 200 slaapplaatsen, daarvan zijn er nu 166 bezet. Wij kiezen ervoor zo half september te gaan, meestal is het dan rustig in de hutten. Soms zelfs zijn we de enige gasten. Net deze week is hier een seminar voor alpine artsen, 80 in totaal.

Dit gekkenhuis is even wennen. Toen we hier arriveerden zat het terras vol, er was even zelfs geen plaats voor ons. En dan die enorme zolder, waar wij slapen, wat een zootje! Middenin een lange smalle doorloop met aan weerszijden de rijen bedbakken. Daarvoor en erboven hangend de chaos van rugzakken, kleding en materiaal. Toch went het snel en het heeft ook wel iets grappigs. Bovendien liggen wij helemaal aan het eind, hebben we nog enige privacy. Kees en Aad slapen al. Vlak bij me ligt Aad met zijn oordoppen in. Hij maakt korte snurkgeluidjes. Het stoort me niet, integendeel, ik vind het rustgevend. Mijn broer Rienk, net als ik ook een slechte slaper, is met zijn koplampje op nog druk bezig met zijn aantekeningen. Vreemd, ook al ben je lichamelijk eigenlijk heel moe, de slaap wil maar niet komen. Ik ga wat verliggen. Het dakraam boven me liet eerst een stikdonkere sterrenhemel zien, maar nu schijnt een fel maantje me precies in het gezicht.

Na dat Basslerjoch was het nog lang afdalen naar deze hut. Die onzichtbaar bleef, achter een vooruitstekende bergrug. We dachten wat af te korten, door niet het omtrekkende pad te volgen. Staken rechtdoor naar beneden door blokkenterrein. Dat werd echter steeds lastiger, ik dacht nog even een been te breken door een omvallend blok, het bleef beperkt tot bloed. Aad, die het pad had gevolgd arriveerde gelijk met ons onderaan. Vanaf daar was het frustrerend lang de hoogtelijnen volgen, slingerend langs vele inhammen in de rug, waar blijft die hut? Ik droeg nu het touw, het was mijn beurt. Bijna vijf kilo extra bovenop je rugzak, dat merk je wel.

Gek eigenlijk, je neemt zo weinig mogelijk mee, de rugzak moet licht zijn. Dan ga je de hoogste top van de week op en dan lig je ’s nachts te denken;
“Heb ik alles?”
Alle ballast uit de rugzak laat je in de hut en toch moet er ook weer veel mee. Jack, fleece, zonnebril en – crème, handschoenen, stijgijzers, gordel en het ijzerwerk, helm en het touw.
Er is schitterend weer voorspeld en na de verzekering van Mannfred, onze gids;
“Nicht nötig”,
heb ik de regenbroek en bivakzak eruit gegooid. Merkwaardig, je bent op vakantie, geen zorgen en toch heb je het druk. Je moet zoveel. Je komt pas laat terug in de hut, amper tijd voor een biertje, je moet aan tafel; eten! Je wilt even wassen, een niet stinkend shirt aantrekken. Waar zijn die schone sokken gebleven? Je wilt alles graag klaar hebben voor het vroege vertrek de volgende morgen. En na het eten een paar koppen koffie drinken, niets missen van het gezellige napraten in de Stube. De kaart bestuderen voor de route van morgen. Vanavond jóuw pinda’s op tafel en jóuw borrel, het moet op, wég met die ballast. Maar waar heb ik dat spul nou weer gelaten. Zoeken, rommelen met je koplamp op in het schemerdonker van het Lager. De logistiek van de rugzak, je krijgt het niet onder de knie.

85Ah, zo lig ik te mijmeren, ik kan niet, wíl nog niet slapen, ’t is nog te vroeg. Die verrekte Hüttenruhe al om tien uur; Ik Heb Nog Géén Slaap! Morgen dus de Ruderhofspitze, een dag van elf uur. Ik had Mannfred gevraagd of hij geen leuke top wat dichterbij in de aanbieding had. Maar heel stellig had hij beweerd; het is wel twee uur langer dan vandaag maar minder zwaar. Wat was het geweldig. Eerst steil naar boven, de hut bleef lang in zicht.In het vroege ochtendlicht was een herfstsfeer te ontdekken, een ander licht dan ’s zomers. Wat omfloerst, wat zachter en het beloofde een warme dag. De rotsen en het groen al wat verkleurd, de vochtige ochtendtemperatuur, alles gaf aan dat de zomer echt voorbij was.

Aad riep naar Rienk:
”Op 11 uur, een zwarte roodstaart.”
Wat verderop zagen ze een weer een ander vogeltje en het werd uitvoerig besproken. Allebei zijn ze vogelliefhebbers. Maar ik dacht, zijn we hier nu in bergen of zijn we aan het vogelaren? Even later werd weer een vogel gesignaleerd en ik riep plagend;
“Geef mij maar een kip!”
Het groen maakte plaats voor rots, alle kleur verdween. Blokken in pasteltinten. Klauteren, dit alles was ooit gletsjer; de Innere Sommerwandferner. Gelukkig eindelijk wat minder steil. Het werd zelfs horizontaal; een prachtig moddermeer kleurde de hele omgeving in taupe. Achter een grote rots ging ik even uit de broek. Toen ik me weer bij de groep voegde antwoordde ik op Mannfred’s vraag;
“Gerhard, alles gut?”
“Jawohl, gerne leicht auf dem Gletscher!”
Dan de gletsjer op, hij was duidelijk kleiner dan op de kaart. Toch nog indrukwekkend genoeg, een paar uur stevig omhoog stampen. Het aandoen van de gordel en stijgijzers was me goed afgegaan, ik deed het heel snel, ik had wat goed te maken. Voor vertrek hadden we bij de hut alles gecheckt. Kennelijk nog niet goed wakker zat ik te klunzen, ik snapte even niet hoe de riempjes moesten. Thuis ging het zo soepel. Ook Mannfred moest nu zoeken en toen pas zag hij het, ik had ze achterstevoren aan. Ja natuurlijk, de punten moeten naar voren. Gênant! Dit zal ongetwijfeld lang onthouden worden door mijn bergvrienden. Om het enigszins goed te maken vroeg ik nu zo droog mogelijk;
“Hoe zit dat nu ook weer met die punten, moesten die nu aan de voorkant?”

De overgang van gletsjer weer terug op rots was spannend. We gingen de graat op die naar de top voerde en ijsvrij uit de gletsjer oprees. Ik had allebei mijn handen nodig om de grote blokken op te komen. Pas toen de pickel opgeborgen was en de handschoenen uit, kraste, klom ik met mijn stijgijzers zo omhoog. Pas daar waar het mogelijk was, ruimte, konden de stijgijzers uit. De voldoening die het me daarna gaf, voorklimmen met lopende zekering over de lange en soms steile graat. Mannfred klom onzichtbaar ver voor me uit, hier en daar een zekering, een nutje, camelot of schlinge met karabiner voor me achterlatend; ik hoefde alleen het touw maar in te klikken. Het ging makkelijk, voelde me zeker, diepte overal om me heen. Ik zou dit nog wel zonder touw durven doen. Als het echt klimmen wordt, voorklimmen, geef ik al gauw, wanneer ik het niet kan overzien, niet thuis. Maar in dit terrein; ja! De drie achter me waren langzaam. Ik moest me dwingen te wachten, ik zou snel willen gaan, deze bewegingen waren zo fijn. En alle ingrediënten waren aanwezig. De herfstzon stond zo hoog die nog kon. De rotsen waardoorheen we klauterden werden nog mooier in dit licht. Bruin, groenbruin, mosgroen en koper. Bijna verticaal onder ons zag ik het spoor dat wij hadden gemaakt over de helderwitte gletsjer. Er was niemand in de verre omtrek. Stilte, alleen het geklik van een karabiner. Nu en dan een opmerking wanneer één van ons zich moest uiten. De opwinding, de kick, het genieten wat eruit moest. Een kreet, een zucht, een opmerking. De top lonkte, haast onzichtbaar door de steilte. De Innere Sommerwand 3122m. Het uitzicht, het mooie blauw, zwartblauw van de hemel, het gevoel van hoogte. Nu masseer ik stilletjes onder de deken mijn bovenbenen. De spieren zijn gevoelig, ze zijn beurs en lijken wel in brand te staan. De lange afdaling over de gletsjer en morene was slopend. Het steile pad daarna moordend. Het zonlicht scheen laag en warm tegen de hellingen. Eindelijk doemde de hut op, nog ver in de diepte. Ik vocht tegen mijn vermoeidheid en daardoor afnemende tredzekerheid. Voerde mijn snelheid op, concentreerde me, beter een korte en heftige pijn dan langdurig.

Een dringende trilling onder mijn kussen wekt me uit mijn sluimering. Was ik toch bijna in slaap gevallen, jammer, weer niet gelukt. Ik had de telefoon onder mijn kussen gelegd, hier op het Lager is er tenminste netwerk en ik had nog een sms’je naar huis verstuurd. Mijn Ada zegt dat alles OK is en wenst me welterusten. Stom, had ik dat ding maar uitgezet, ik ben nu weer klaar wakker. Onmiddellijk gaan mijn gedachten – heb ik alles? Shit! Waar is mijn Gehwohl? Voor vertrek smeer ik mijn voeten in met dat spul. Dat beviel zo goed in Nepal, 250 kilometer lopen zonder één blaar. Ik ben (haast) nergens bang voor, behalve voor blaren.

Ons uitdrukkelijk verzoek was uiteindelijk ingelost. Mannfred zou ons weer meenemen een top op, wij wilden liever oefenen. Eindelijk eens die takeltechnieken leren. De Mannschaftzug, Seilrolle, Flaschenzug en prusikken – Münchhausen. Het was lachen maar ook echt opletten. Een knoop als de Spierenstich is nog niet zo simpel En zo’n hele dag elkaar steeds weer uit een spleet takelen is ook heel inspannend.. Op 3100 meter bij een steil en gespleten stuk op de Berglasferner koos Mannfred een griezelige spleet. De rugzakken gingen in depot in een ondiepe scheur. Los van het touw bewogen we ons eerst wat onwennig, bang spontaan in een spleet te verdwijnen. Rienk werd voorzichtig neergelaten in de spleet en toen met grof geweld, met de Mannschaftzug, eruit gesleurd, lachen! Hoewel hij zich flink bezeerde toen hij met zijn heup tegen de rand aanknalde. Ook ik moest er aan geloven, het was mijn beurt om de spleet in te gaan. Het zag er dreigend en donker uit met lange druipende ijspegels. Ze hesen me weer naar boven maar lieten me pestend een poos hangen. Lachen natuurlijk. Ik schold ze uit voor alles wat mooi en lelijk was;
“Hijsen, stelletje klerelijers, schoften! Dat zijn dan je vrienden, hijsen nou, kom op, ik wil eruit!”
en ik bekogelde ze met ijsballen. Daarna lieten we Aad in een andere spleet zakken. Hij waarschuwde ons nog, niet te ver laten vieren, er was een zwaar overhangende rand. Iets verder nog en hij kwam onder een douche van smeltwater en hij zou bijna niet meer op te hijsen zijn…. En wij stonden als het ware op een groot balkon. Opeens klonk een donker gerommel. Een stuk ijs ter grootte van drie koelkasten brak van de rand af en donderde een paar meter naar links. Gelukkig van Aad af, die twee meter verder hing en aan de hoge kant. Mannfred schatte het blok wat ingeklemd in de spleet bleef hangen op zeker drie ton zwaar. Dat was schrikken, Aad had wel verpletterd kunnen worden. Hij moest echt nog even blijven hangen voordat de takel was geïnstalleerd en we konden gaan trekken. We verhuisden daarna naar een iets bravere spleet. Het liep dus goed af, volgens Mannfred;
“Es gibt immer ein Restrisico………”

DSC_7333Die Ruderhofspitze, ik had er nog nooit van gehoord. We wilden iets beklimmen waar het niet druk was, geen Mont Blanc of Grossglockner toestanden. Het moest over een gletsjer gaan maar ook met rotsklimmen erbij, liefst een beetje moeilijk. De foto’s op internet toonden deze top steeds helemaal omringd door sneeuw, er bovenuit torenend. Wat we hier zagen leek er niet op. Bijna geen sneeuw, de gletsjers zijn onmiskenbaar op hun retour. Het zal niet veel jaren meer duren voor alles weg is, dat is duidelijk. Vandaag hebben we goed gekeken hoe we morgen zullen gaan. Het ziet er makkelijk uit, een paar kilometer goed pad, vrijwel vlak. Dan omhoog door gruis en blokkenterrein. Daarna kunnen we kiezen of we over de dijk – de morenerug – of over de morene naar de gletsjer gaan. De Alpeinerferner, een lange gletsjer, stijgt heel geleidelijk. Pas op 2900 meter krijg je een spletenzone en wordt het steil. Vlak langs de grote seracs. Hierna wordt de gletsjer weer bijna vlak en zullen we een grote omtrekkende lus rond de Ruderhof maken om het laagste punt in de graat te bereiken. Vervolgens via de graat die naar schatting zo’n 500 meter lang is, gaan we naar de top. Ik ben opgewonden, heb er zin in. Maar ook merk ik dat het alweer een stuk gewoner wordt. Jaren geleden, zoals de nacht voor de beklimming van de Grossvenediger was ik meer gespannen. Vanaf de top, als het weer net zo is als vandaag, zo helder, dan zullen we de Grossglockner kunnen zien. En andere toppen waar we ooit op waren, de Zuckerhutl, Wildspitze en die Grossvenediger dus. En verder weg, de Dolomieten, de Sellagruppe. En weer bedenk ik me iets:
“O, shit; ik heb mijn waterzak nog niet gevuld!”
Tastend vind ik het koplampje, schijn even op mijn horloge. Heb nu kennelijk toch geslapen, het is 5 uur. Wakker geworden van de onrust op de slaapzaal, het fluisteren, rommelen, ritselen van plastic zakjes, klittenband, ritssluitingen. Mensen die alweer op pad gaan. Ha, da’s waar ook, eergisteren schoof Aad aan in de Stube, een duidelijke shampoogeur verspreidend.
“Zo jongens, dat was lekker, ik heb gedoucht!”
Hij kreeg een storm van verontwaardiging over zich heen. We hadden ze al opgemerkt, de douches in de wasruimte. Dat werd te gek, steeds luxer worden ze, die hutten. Douchen, nee dat nooit, dat was tegen ons principe. Gisteren rende ik na het eten naar de wasruimte, even snel een kattenwasje, ik had zin in koffie en bier! Er was niemand te zien, de douches waren leeg. Een paar seconden bedenktijd had ik nodig, toen spoelde ook ik het zweet weg, onder een heerlijk warme straal. Even later galmde een bulderende lach door de betegelde ruimte; Aad had me betrapt. Later in de Stube pareerde ik de opmerkingen met;
“Principes zijn er om overboord te gooien!”

Langzaam, van heel ver weg dringt het door, ik droom niet. Ik voel het, er wordt aan mijn voet geschud. Veeg mijn zijden lakenzak van mijn gezicht en zie het donkere silhouet van mijn broer, afgetekend tegen het zolderraam. De lucht is heel lichtgrijs.
“Zes uur!”
hoor ik hem fluisteren.
Een elektrische stroomstoot schiet door mijn lichaam, eruit!

Stubaital Oostenrijk
Camping Edelweis Neustift
Neue Regensburger Hütte (2300 m)
Franz Senn Hütte (2145 m)

Baslerjoch (2829 m)
Innere Sommerwand (3122 m)
Ruderhofspitze (3474 m)

meer foto’s:
https://gerarddentoonder.com/fotos/bergsport/ruderhofspitze/

Advertenties
%d bloggers liken dit: