Agritoerisme

basodino 2 127b

De GGE is weer compleet, de mannen hebben mij heel vroeg in de ochtend opgepikt, ergens op de donkere Furkapas. ik had een dag of wat door Zwitserland heb gezworven. Na de eerste enthousiaste begroetingen wordt het stiller, logisch, ze zijn al de hele nacht onderweg. Zaterdagavond vertrokken vanuit Nederland. We duiken de Gotthardtunnel in en voor ons gevoel zijn we daarna in Italië. Dit is Ticino, het Italiaans sprekende deel van Zwitserland. Eerst naar het zuiden tot Locarno, dan weer terug omhoog naar het Maggiatal. We gaan eerst alle klimspullen en bijna al het eten in een Agritourismo achterlaten. Dit is in Piano di Peccia aan het eind van het Val Lavizzara. Na dorpjes met mooie namen als Broglio en Prato Sornico zijn we er, nu die boerderij nog vinden.

Aad vraagt het en staat in een flirt met de chauffeuse van de Postauto, ze lijkt het hem wel heel nauwkeurig uit te leggen. Toch niet, hij weet niet meer te vertellen dan dat het verderop is, bij een wit huis waar twee ganzen lopen. Zoekend rijden we door het dorpje. Plotseling worden we achtervolgd door een vrouw, herkende zij een Nederlands nummerbord? Het blijkt onze boerin, ze zal ons per auto naar de Agritourismo begeleiden. Het is een kleine slanke vrouw met een Romeinse neus. Na enige verwarring, ze spreekt alleen Italiaans,mag het: morgen hier overnachten, dat was al gereserveerd maar aan het eind van de tocht hier douchen is ook goed, tegen betaling uiteraard. Onze plannen begrijpt ze nog steeds niet helemaal. Je kunt toch van hier ook naar de slaapplaats van vanavond lopen. We rijden om het massief heen en het dal Bavona in aan de andere kant. Daar start de tocht, gaan we omhoog en aan het eind van de tocht, over zes dagen komen we, weer aan het eind van dit dal, met een kabelbaan naar beneden bij San Carlo. Als het allemaal volgens plan verloopt.

Eerst cappuccino op een met druiventrossen beschaduwd terras. Dit is een andere wereld. Was Berner Oberland, Grindelwald al totaal verschillend van het Galenstock gebied, dit is Italiaans. Langzaam worden de mannen wakker en krijgen praatjes. Verkleden, inpakken en op weg. De zon schijnt hier mediterraans en we zullen gelukkig lang in de schaduw blijven op de beboste hellingen. Eerst dit schilderachtige dorpje, Fontana 600 m. uit, meteen al steil omhoog. De kleine donkerhouten huisjes lijken wel eeuwenoud. Dan wordt het zweten, we moeten 1400 meter stijgen, over een afstand van zo’n drie kilometer hemelsbreed. Hoewel ik er minder moeite mee lijk te hebben dan de rest, probeer ik het tempo te drukken. Zij zijn immers rechtstreeks van zeeniveau hierheen gekomen. Langzaam stijgen en regelmatig pauzeren scheelt straks hoofdpijn.

Daar komen we de beruchte Ticino trappen tegen. Keurig aangelegd met grote gelijkvormige rotstreden en zo te zien al heel oud. De handels- en verbindingsweg van vroeger. Er doemt een heel grote spiegelgladde plaat op, golvend en haast verticaal. Het pad loopt er vlak langs en even later net er boven. Hier moet je opletten, het is een enorme en dodelijke glijbaan. Ondanks dat we nog in de bomen zitten is er af en toe schitterend uitzicht. Een totaal ander landschap dan de Alpen. Alles is groen, de zeer steile hellingen zijn dichtbebost. De zon schijnt er warm overheen en in de donkergroene dalen hangt een heel licht neveltje. Na vier uur omhooglopen wordt het bos dunner en we komen boven de boomgrens. Heel veel meer kunnen we nog niet zien, voor ons rijst nog steeds de helling op. Inmiddels is het verschil in acclimatisatie duidelijk geworden. Ik heb een voorsprong van vijf dagen en verbleef drie dagen op een hoogte van bijna 2500 meter. Dat is nu te merken. Verderop zie ik rechts een helling waar ik de Rifugio verwacht. Als ik me de kaart goed herinner krijgen we nu een heel stuk langs de hoogtelijn. Er is niets van een hut te zien. Ik ben ver vooruit en na een smalle knik in de kam kan ik de mannen blij maken met de galmende kreet:
“Jaah! Rifugio!’

Opeens zijn ze dichtbij, de verzameling kleine stenen huisjes: Rifugio Fiorasca  2086 m. Wow! Het is echt zoals ik me had voorgesteld, een kleine nederzetting. Er wappert een vlag en er lopen nogal wat mensen. Dichterbij gekomen zien we dat er wordt gewerkt. Op een nieuw, maar door de ruwe muren van gestapelde stenen nu al oud lijkend huisje, worden grote stenen platen gelegd. De zware dakbedekking. Acht, stuk voor stuk authentieke mannen hakken en sjouwen met steen. Snorren, baarden, buiken, bestoft en op zware bergschoenen. Een paar leggen het werk neer en komen een praatje maken. Ze zijn blij verrast dat er gasten komen, zo vaak gebeurt dat niet. Even zijn we bang dat het volle bak zal worden in het kleine slaaphuisje, maar zo verzekert een van hen, er vertrekken er een stel.

Verderop achter een half ingestorte muur is de poepdoos en een openluchtdouche. Heerlijk, ik was me in de zon en met ijskoud water. Opeens dreunt een helikopter over en landt rakelings naast een huis. Drie man stappen in en met een reuzenzwaai verdwijnt de heli achter de kam. Korte tijd later worden er nog drie opgepikt. Ja, zo willen wij ook vrijwilligerswerk doen. De vier anderen werken gestaag door, er wordt een goed sanitairgebouwtje gemaakt. Als de werkzaamheden zijn gestaakt daalt een stilte neer, die dan weer vrolijk verstoord wordt door een grote kudde geiten die met tinkelende belletjes langstrekt. De witte bok, met een manke achterpoot, ruik je werkelijk langskomen. We hijsen onze vlag en duiken het keukenhuisje in. Nog voor de zon onder is wordt het al kouder. Het piepkleine fornuisje is ruim voldoende, het wordt snel behaaglijk. Op gas koken we onze meegebrachte snelklaar maaltijd. Het bier, wat we koelden in de waterbak, smaakt goed en al redelijk vroeg zoeken we het slaaphuisje op. Spendere la notte!

Na een korte stijging bereiken we de volgende dag het hoogste punt. Meerdere keren hadden we stilgestaan om terug te kijken naar die slordige verzameling huisjes, een van de leukste overnachtingsstekjes die we hebben meegemaakt. Het wordt afdalen, eindeloos afdalen. Wat we nooit doen met de GGE tochten, altijd gaan we omhoog en blijven de hele week hoog, om pas weer aan het eind naar het dal af te dalen. Hier met de steile hellingen zijn geen varianten mogelijk. Ik had het in mijn hoofd gezet om deze hut te bezoeken en het was het waard. Nu kunnen we niet meteen door naar de volgende hut, dat is veel te ver. We moeten dus overnachten in het dal. Door een nauwe Scharte gaat het zeer steil naar beneden, stukje kabel erbij. Al vrij snel zitten we weer onder de boomgrens. Rustpauze bij een klein boerenhutje.  Dit gebied is zo stil, je komt de hele dag niemand tegen.

En kijk eens wie we daar hebben? De boerin van de Agritourismo die we gisteren spraken. Met een mooie dochter die biologe blijkt te zijn. Zij inventariseert hier in stukken van tien bij tien meter de planten die er groeien. Anders dan haar moeder spreekt ze goed Engels. Samen wijzen ze ons op de kaart de kortste weg naar het dal. Dat is wel nodig ook want het is ingewikkeld en heel ver. Rienk vertelt dat hij, als onderwijzer, ook zo’n plantenonderzoekje deed op school, op een vierkante meter. In reactie op de grote luchtfoto die zij bij zich heeft laat Aad weten dat hij cartograaf is. Kees haakt daarop in: hij drukt ze. Mijn bekentenis
“I am a writer”,
ontlokt een daverend lachsalvo bij de mannen. Tja.

We zijn onder de indruk van deze onverwachte ontmoeting. De dochter is van een frisse schoonheid,  ragazza piccola bella, terwijl de moeder niet zo knap is, maar een heel sterke uitstraling heeft. De boerendochter, die een klein beetje verlegen is en geen make-up nodig heeft, is mooi. Daar zijn we met elkaar over eens. Ooit verweet iemand me dat er veel vrouwen in mijn verhalen voorkomen. Ik vroeg me af of hij ooit weleens een boek had gelezen, bovendien: ik ben een natuurliefhebber. Weer dalen en af en toe zoeken naar een klein paadje. In de diepte, heel ver weg nog, is asfalt te zien. Ik ben bereid het te kussen, althans, doe alsof.

Basodino 2 141We steken af, het bos in, afwisselend stukjes weg, dan weer bos. Een verstild dorpje door. Tot we echt beneden zijn. we herkennen de brug, het dorpje waar we met de auto langs kwamen. We hebben 1700 meter gedaald. En dan blijkt het nog heel ver. Gelukkig is het mooi, we lopen langs de rivier, de Fiume Peccia, maar nu gaan we weer stijgen. Er wordt geklaagd door de mannen. Waar zijn die evaluatieformulieren? Altijd worden ze beloofd, ze hebben er nog nooit een gezien. Ik beloof beterschap, ik zal ze maken.
“Bovendien, mannen, wat we nu weer stijgen, hoeven we morgen niet….”

Pauze aan de beek, ik koel mijn voeten in  het koude water, Aad filmt ze onder water met de Gopro, de voeten genieten daar zichtbaar van. Eindelijk, na een echt zeer lange wandeldag, arriveren we op de boerderie. Uitgeblust drinken we het daar achtergelaten bier op het balkon. Er blijkt ook een boerenzoon te zijn,  die heen en weer rijdt met een gloednieuwe tractor en allerlei hooi maai-, samenveeg- en vastbindmachines. Het is echt niet warm maar il coltivatore zit in zijn glazen cabine met ontblote bast. Die avond eten we de uitgebreide maaltijd die Kees, die nooit kookt, zo had bedacht. Iets met rookworst, bruinen bonen, prei en ui. Stevige kost en die brune bonen leveren gespreksstof! Mangi saporito. Ook hier kunnen we douchen maar dan haast luxe in dit goed geoutilleerde groepsverblijf. Aad had zelfs een fles wijn meegebracht!

Ja, nu weet ik het zeker, er valt wat licht door het kleine raampje op de slaapzaal. Rienk is er al een tijdje uit, dus ik schat dat het zeven uur is. Op dat moment stapt hij binnen:
“Mannen, het is zeven uur”.

Tien seconden later trap ik de dekens weg. Heerlijk ontbijten, bruin brood uit Strijen: Kees is deze keer de fouragemeester. Tenslotte zien we ook het laatste lid van de familie, de baas zelf. De boer heeft voor zijn eigen eten gezorgd. In zijn jeep ligt iets groots en wilds. Het blijkt een hert te zijn dat hij heeft geschoten en ophijst met een heftruckje. Met grote snelheid snijdt hij de buik open, de ingewanden vallen keurig in een bak. Van een afstandje kijken we naar dit voor ons ongewone tafereel. We laten alles extra keurig achter, niet alleen omdat we nu eenmaal zo zijn, maar ook omdat we hier nog terugkomen voor die douche. Op pad! Dit is het laatste huis van het dorp,Piano di Peccia. Nog een stukje asfalt, in de verte zien we dat het dal doodloopt. Het is wat nevelig en herfstig fris. Een paadje op, weg van het asfalt. We gaan alweer omhoog, nog zo’n 700 meter, tot de volgende hut. Poncione di Braga 2003 m.

Steeds staan er de typerende Ticino huisjes, er hangt een speciale sfeer hier. En voor ons zo anders, gewend als we zijn altijd hoog te zijn. Bij een ruïne is het spoor onduidelijk. Aan de overzijde van het nu inmiddels smalle dal, is een steengroeve, een weg en we zien zelfs auto’s staan! We namen kennelijk niet de snelste route, maar ach we houden niet zo van asfalt. Door het hoge natte gras, de brug over en dan staan we eindelijk voor het bospad omhoog. Bordje erbij: Poncione di Braga, kan niet missen. We klimmen het dal uit en laten de bewoonde wereld weer achter ons. De grillige boomwortels glimmen in het zonlicht dat door de bomen valt. Oppassen, glad! Weer is het omhoogstampen, domweg doorgaan. De onderlinge afstanden worden groter. Rienk en ik druk pratend voorop. Steeds wordt de blik getrokken naar een enorme hoge waterval, heel langzaam komt die dichterbij. Een uurtje verder zijn we op de hoogte waar de waterval over de rand valt, hier wordt het bos wat dunner, het terrein vlakker en we nemen een royale pauze. Iets hogerop begint het te misten,  anders gezegd, we komen op wolkhoogte. Hier is de stroom breed uitgewaaierd en we steken via stapstenen over. Vrijwel direct daarna is de hut in zicht. Zoals altijd, het lijkt al dichtbij maar dan valt het toch nog tegen.

Een ruime omtrekkende beweging wordt leuk door de verspreid liggende ‘longhorns’. Werkelijk enorme runderen die er met hun ruwe vacht en grote hoorns gevaarlijk uitzien. Iedere keer wanneer een nieuw GGE-lid opduikt laat een grote stier verderop een waarschuwend geloei horen. Een voor een ploffen we neer op een mist-vochtige bank bij de hut. Binnen horen we gepraat, de boerin vertelde ons dat er in de buurt bij de hut gewerkt werd. Deze koeien zijn van hen. En wanneer we binnenstommelen worden we hartelijk begroet door de zoon. Nadat we ons hebben geïnstalleerd drinken we buiten koffie. Erg grappig om de nieuwsgierige runderen te zien, de kalfjes proberen onder het dunne lijntje door te komen, op het terras. De werklui zijn ook hier nog een tweede hut aan het bouwen. We horen ze bezig, zien kunnen we ze niet, het is te mistig. En het wordt alweer een gezellige avond in een onbemande hut.

 

Klokslag zeven zegt Rienk:
“Zeven uur mannen”.
Een paar minuten is iedereen eruit. Na zoveel tochten zijn niet veel woorden meer nodig. Rustig ontbijten, inpakken, hut netjes achterlaten en op weg. Op naar Capanna Basodino 1856m. Ook de vierde dag is niet heel erg lang, gewoon vier tot vijf uur lopen, ‘Reine Gehzeit’. We beginnen maar weer eens in de mist. En het zit dicht, er is nu geen sprake van af en toe even opentrekken, een zonnetje en zicht op de omgeving. Het is serieus Eigerweer. Vochtige alpenwei met hier en daar een grote kledder longhoornmest. De markering gaat over van rood-wit naar blauw-wit, alpiene route. Er is dus geen pad meer, zuiver de markeringen volgen en dat is best lastig in zo’n dichte mist. Rienk fungeert als verkenner en verdwijnt af en toe. Ik probeer hem te volgen, maar wil wel in zicht blijven voor de drie achter me. De markeringen geven precies de richting aan die je moet volgen. Toch is de volgende soms moeilijk te vinden. Het gras is nat en lang. We hadden de gamaschen al bij de hut aangetrokken. Mijn schoenen waren nog nat van de vorige dag dus ik loop al weer snel te soppen.

Op het hoogste punt, de smalle Scharte Bochette del Masnee 2544m. leggen we de rugzakken in de stabiele zijligging. Rienk, Kees en ik willen de Pulpito 2616 m. beklimmen, die hier spookachtig naast ons oprijst. De top is niet te zien, hoewel die maar zeventig meter hoger is. Maar ja, als er een topje valt bij te schrijven, laten we dat niet links liggen. Helaas, het is veel te glad. De grijsgroene stenen liggen verkeerd gelaagd, zijn spekglad en het is een heel smal graatje dat akelig steil is. Levensgevaarlijk. In droge omstandigheden meer iets voor de kleine klimschoentjes en met nuts en friends. Al snel zijn we het alle drie eens, omdraaien. Rienk moppert wel, alweer een jaar zonder topje. Die Basodino morgen zou ook weleens lastig kunnen zijn, als het weer niet snel opknapt. We gaan afdalen en het begint nu ook echt te regenen. Het zicht wordt er niet beter op. We zien absoluut niet hoe we verder moeten. We verspreiden, op zoek naar een volgende markering. Met grote moeite vinden we elkaar weer terug. Niets te vinden. Opnieuw gaat Rienk zoeken, precies in de richting die de laatste markering aangeeft en hij vindt hem!

Basodino 2 168

De vreugde wordt meteen getemperd. Edmar blijft zitten, hij is uitgegleden en zijn knie verdraait. Ai, dit is niet best. Shit, shit, shit! We moeten nog ver, hoe gaan we dit oplossen? Heel voorzichtig komt hij overeind en het blijkt te gaan. Hij wisselt zijn kniebrace naar de pijnlijke knie. Rienk en ik gaan te snel, we moeten steeds op de anderen wachten. Er wordt een brede strook puin en grote blokken gepasseerd. Dan kunnen we het niet laten, we zweven. Daarna komen we op een duidelijk herkenbaar pad. We gaan langzaam om de anderen niet onnodig op te jagen. Na een lastig stuk, er is een aardverschuiving geweest, een gladde rotsplaat is overgebleven, wachten Rienk en ik lang. We kijken elkaar eens aan, dit voelt niet goed. Er wordt gefloten, ai, dat is foute boel. We snellen terug. Aad zijn arm is uit de kom. Holy chickenshit! Hoe nu? Ook hij is uitgegleden, maar geeft aan verder te kunnen. Paracetamol erin, pickel van de rugzak. Nu de passage van de plaat. Er zijn voldoende uitstekende richels, maar doe dat maar eens met zo’n handicap en pijn.

“Het touw!”
Rienk en ik roepen het tegelijk. We maken een soort brugleuning waarlangs Aad aan de binnenkant kan oversteken. Er is geen mogelijkheid om het touw ergens vast te maken, zekeren over het lichaam dan maar en er het beste van hopen. Verderop komen we nog zo’n plek tegen. Spekgladde rots, diepte eronder. Nu beveiligd met een ketting. Later horen we van de huttenwaard dat ook hier een grondverschuiving was. Dit jaar was een bijzonder slechte zomer. De ketting is te kort. Al die tijd liep ik met het modderige touw in mijn nek. Juist had Kees het weer opgeborgen in zijn rugzak. Hier kunnen we het goed zekeren aan de ketting. Na diverse zoekacties op splitsingen van paadjes, ondanks de gestaag vallende regen is het nog steeds zeer mistig, zien we opeens de hut. Dichtbij!

De hut lijkt verlaten,op mijn geroep komt aarzelend een vrouw tevoorschijn. Op het woord “Verletzte” schakelt ze over op snelheid. De gondel die op punt van vertrekken staat wordt gebeld: wachten. Rienk en Aad dalen af. Ze krijgen beneden een lift van een medepassagier. Onze auto staat nog zeven kilometer verder aan het eind van dit dal. Op zoek naar een medische post rijden ze steeds verder. Rienk ziet in een gebouw witte jassen lopen en opent lukraak een deur. Het blijkt een ruimte waar juist een lijk wordt afgelegd. Gelukkig, zover is het nog niet! Pas in Locarno vinden ze het ziekenhuis. Foto’s, infuus en narcose. Even niets en dan wakker worden met een indrukwekkende mitella om. In Capanna Basodino worden wij met egards behandeld. In een ruimte met een hetelucht kachel mogen we alles uithangen om te drogen. Dan koffie, opwarmen, heerlijk eten. Toch is de stemming bedrukt. Edmar met zijn knie die nu toch wel steeds meer pijn doet. En onze gedachten zijn bij de twee, daar beneden.

We zijn amper klaar met ontbijten of daar stappen de mannen binnen! Ze hadden de eerste gondel genomen, vroeg opgestaan dus. Ze hadden weer overnacht in de Agritourismo en dus het hele massief omgereden. Het is nu gewoon slecht weer. Het regent en het lijkt niet meer te stoppen. Ons plan om vanuit deze Capanna de Monte Basodino te beklimmen kunnen we wel vergeten. Bovendien is er totaal geen zicht. De Basodino is de een na hoogste berg van Ticino en getooid met een enorme gletsjer. Niet steil en vrijwel zonder spleten, daarom durfden wij die wel aan, dachten wij. Gisteren toen we recht naar de hut toeliepen hadden we een vrij uitzicht op die hoge top kunnen hebben, bij betere weersomstandigheden.

De waard heeft nog een goed idee voor vandaag. De stuwdam hier vlakbij is te bezichtigen, nou ja, dan doen we nog iets en binnenin zo’n dam is het tenminste niet mistig. Terug in de hut nog koffie met gebak en afdalen met de gondel, waarvan de ramen, geheel in stijl zoals het al die tijd was, volledig beslagen zijn. We kunnen amper iets zien van de ongemeen steile kloof waardoorheen we gaan. En zo voelt het eens te meer, omdat we niet gezien hadden dat we hoog waren, dat we over de toppen en pieken en diepe dalen daartussen hadden kunnen kijken. Op het allerlaatste moment gris ik een ansichtkaart mee. Met ergens in het achterhoofd het idee om die aan Jos Mesman te sturen. Ze is ernstig ziek, als een laatste groet uit de bergen. Bij thuiskomst blijkt dat ze inmiddels is overleden. Ik stuur de kaart toch op.

“Verduiveld nog eens toe zeg,”
denk ik , terwijl de gondel een extra versnelling krijgt na het passeren van een paal:
“Snel vergeten, deze trip, volgend jaar gaan we hoog!

En zo dalen we, slingerend met de auto, waarin we dicht opeen gepakt zitten in onze natte kleren verder af in het smalle dal. Weer om het massief heen, terug omhoog zigzaggen. Naar onze boerderij. Douchen, schone kleertjes aan en terug naar huis. Dalen en dalen, verder nog, tot we bij Locarno zijn. We maken een korte stop in Luzern, hier schijnt de zon. We komen er langs en het breekt de reis even. Ik loop zwaar te genieten. Voor sommigen hoeft het niet zo, ik hou van bergen maar ook van steden.
“Jawel joh, kijk dan, mooie gebouwen, mooie winkels, mooie vrouwen”.

We flaneren langs het Vierwoudstedenmeer met de bekende oude radarboten, Zwitserse vlaggen en de beroemde houten brug. En daar zijn ze weer, de horden Japanners. Vorige week zag ik ze in Grindelwald, het lijkt een jaar geleden. We gaan koffie drinken bij Inge-Marie, een goede vriendin van Aad. Leuk om haar eens te ontmoeten en ze bakt heerlijke taart. Terug in de beschaving in haar lommerrijke tuin. Het voelt goed, het mistige leed is geleden, het is hier een stuk warmer. De verwondingen van de manschappen lijken mee te vallen. Het had allemaal erger gekund. De buurman van Inge-Marie vertrekt naar de repetitie van zijn orkest. Hij torst een grote koperen tuba mee. We krijgen een aubade, de donkere tonen weerklinken echoënd tussen de hoge gebouwen. Een waardig en ietwat vreemd besluit van deze ietwat merkwaardige tocht.

meer foto’s op:
https://gerarddentoonder.com/fotos/bergsport/basodino-2014/

Advertenties
%d bloggers liken dit: